Het Van Oeckelen-/Steendam orgel in de Rehobothkerk te Tholen
Tekst: Willem van Twillert

Als het stormt in ons land, dan stormt het harder in Zeeland. Dat was te merken op 23 juni 2004, toen schrijver dezes in de nieuwe
Rehobothkerk van de Gereformeerde Gemeente in Tholen was om een indruk te krijgen van het Van Oeckelen-/Steendam-orgel. Stormvlagen
deden kerk en toren van de kerk licht bewegen, hetgeen waarneembaar was op het orgelbalkon. Waarneembaar was ook dat
de klank van het gereconstrueerde orgel goed gedijt in de galm van de door Valk Architecten uit Soest ontworpen kerk, mede dankzij
akoestische adviezen van Henk Kooiker. Adviseur bij dit project was Dirk Bakker.

AKOESTIEK
Een behoorlijke akoestiek is voor elk orgel een vereiste, maar voor het 'ensemble'-concept van Petrus van Oeckelen is een ruimtelijke werking helemaal van eminent belang. Want hoe zou zonder een (redelijk) goed klinkende ruimte de door Van Oeckelen gewenste kleuring en lieflijkheid optimaal tot stand komen? Hoe kunnen anders karakteristieke stemmen zoals de doorlopende Viola di Gamba, Holfluit en Fluit travers 8 vt en gedekte Quint 3 vt tot wasdom komen? Om van de doorslaande tongwerken Chalcodion en Hoboe, en orkestrale stemmen als Violon, Open Fluit, Trombone en Fagot maar te zwijgen. Daar komt bij dat dit orgel oorspronkelijk is vervaardigd voor een andere ruimte: de Academie- of Broerkerk te Groningen. Oorspronkelijk stond hier het Schnitger-orgel (1701/02) dat sedert 1815 in de Der Aa-kerk klinkt. In 1821 werd de Broerkerk bij Koninklijk Besluit toegewezen aan de rooms-katholieken.
We mogen ervan uitgaan dat de akoestiek in deze middeleeuwse kloosterkerk met klassieke hoogte- en lengtewerking anders was dan de meer 'onbarmhartige' akoestiek in de moderne, hoekige Rehobothkerk.

ORGELGESCHIEDENIS
In 1841 vervaardigt Petrus van Oeckelen (1792-1878) uit Harendermolen (bij Groningen) een twee-manuaals orgel voor de Rooms-katholieke Academie- of Broerkerk te Groningen.
Al in oktober 1843 maakt Van Oeckelen het orgel schoon en stemt hij het.
Bovendien moeten de frontpijpen opnieuw worden gepolijst. De invloed van wierook en kaarsen doet zich kennelijk gelden. Verder puntsgewijs: 1845: schoonmaak kas, witten van de beelden.
1857: schoonmaakbeurten.
1867: toevoeging vrij pedaal met vijf registers achter de bestaande kas, met een pedaalkoppel naar het manuaal, door P. van Oeckelen. Flageolet l vt (BW) schuift een octaaf naar beneden op, komt op de plaats van de Open Fluit 2 vt. Open Fluit verdwijnt (alleen groot octaaf en de toon e uit het klein octaaf blijven bewaard).
Plaatsing nieuwe Octaaf 4 vt op BW (discant op plaats Flageolet, bas afgevoerd via conducten). Groot octaaf Viola di Gamba 8 vt en Holfluit 8 vt vervallen en worden gecombineerd met Holpijp BW. Er is een wirwar van conducten voor nodig. Kosten: 1200 gulden (vrij pedaal) en 600 gulden voor herstelwerkzaamheden.
1881: reiniging van de kas door de zonen van Petrus van Oeckelen; kas en beelden worden in nieuwe kleuren geschilderd. Samenstelling Mixtuur gewijzigd; nieuwe registerknoppen met inliggende porseleinen plaatjes.
Vervanging Fagot 16 vt door Trompet 16 vt. (Adviseur Dirk Bakker vraagt zich nog steeds af hoe ze dat voor elkaar hebben gekregen want er was eigenlijk geen plaats voor op de lade.
1898: verplaatsing door Jan Doornbos naar de Parklaankerk, gebouwd in 1889 voor de Christelijke Gereformeerde Gemeente. Of het rijzige front hierbij in tact bleef, is onbekend.
1925: herinrichting van de kerk; ingrijpende wijzigingen door A.S.J. Dekker uit Goes. Het orgel krijgt een eigentijds front en nieuw toetsbeleg.
Open labiale pijpen worden een kleine terts opgeschoven; vele pijpen krijgen diepe kernsteken en expressions; de Mixtuur wordt uitgedund tot een doorlopende 3 sterke vulstem; de toonhoogte wordt verlaagd tot a = 435 Hz. Er komt een nieuwe (kleinere) magazijnbalg en een windmotor.
De c- en cislade van het hoofdwerk worden verwisseld, zodat het bovenwerk ertussen kan zakken. Dientengevolge worden alle windkanalen verlegd en de wellenborden verbouwd.
1938: restauratie door Mense Ruiter; verhoging winddruk, vernieuwing van Trompet 8 vt, vervanging van Trompet 16 vt door een Cornet 5 st discant; de Mixtuur verandert in 3-5 sterk door het aanbrengen van een nieuwe opdik op de pijpstok.
Volgens een dispositieopgave uit 1960 van Mense Ruiter zijn op dat moment alle tongwerken verdwenen of buiten gebruik gesteld.
1962: restauratie door Mense Ruiter. De Fluit travers verdwijnt ten gunste van een Sesquialter 2 st disc. Dulcide aan 16 vt en Scherp 3 st in plaats van Vox Humana 8 vt en Hoboe 8 vt. Het pedaal krijgt een Bazuin 16 vt; de Trombone 8 vt wordt verdrongen door een nieuwe Octaaf 4 vt. De pijpstokken krijgen verende kunststof sleepafdichtingen. Nieuwe roosters voor de nieuwe registers. Sluitingen van de nog originele voorslagen van de laden vernieuwd. Ventielen beplakt met dikke rode viltlaag; aan de zijkanten van de ventielen worden geleidestiften aangebracht. Leren pulpeten vervangen door pertinax pulpeetstrips. De bovensponsels worden uit de windladen gesloopt, in plaats daarvan een vormvaste hechthouten plaat.
1979: plaatsing nieuwe magazijnbalg door Mense Ruiter.
1981: besluit tot verkoop van de kerk. Orgelbouwer Sicco Steendam krijgt in 1986 één week de tijd om het orgel op te slaan. Een hulporganist had inmiddels al twee longwerken van de lade gehaald en voor metaalprijs verkocht. Voor het maken van een grondige documentatie is geen tijd en het pijpwerk gaat voor vijftien jaar 'de laan uit', de rekken en kasten in.
2001: inventarisatie bij Steendam, waaruit blijkt dat nog veel origineel materiaal bewaard is. Telkens weer kunnen maten van allerlei onderdelen worden herleid uit het overgebleven materiaal.
En nu ... staat dit instrument weer in volle glorie en luister te pronken in de Rehobothkerk te Tholen.
 

KLANKCONCEPT PETRUS VAN OECKELEN
Het ontbreken van enkelvoudige en samengestelde vulstemmen is typerend voor het klankconcept van Petrus van Oeckelen. Vulstemmen werden opgevat als 'schreeuwers'. Zo kreeg het orgel te Strijen slechts één vulstem, een Mixtuur, en het nu Thoolse orgel kreeg daarenboven alleen nog een gedekte Quint 3 vt. Bij tweeklaviers-orgels is bijvoorbeeld maar in één geval (Amsterdam Nieuwe Zuids Kapel, thans Oosterkerk) naast de Mixtuur een enkelvoudige vulstem op het bovenwerk aanwezig.
Een samengestelde vulstem (Carillon) op het bovenwerk, komt alleen voor in Smilde en Garmerwolde.
Een volgend aspect is dat Petrus van Oeckelen naast elk prestantregister een fluitregister van dezelfde voetmaat disponeert, waarmee hij bereikt dat de prestantregisters als het ware worden opgevuld en/of afgedekt met grondtoniger stemmen. Dat geldt overigens niet voor de zestienvoet-registers, omdat er lang niet altijd plaats en hoogte in een kerk was voor zo'n rijzig orgel. Alleen Strijen, Groningen (Broerkerk) en Amsterdam (Nieuwe Zijds Kapel, thans Oosterkerk) kregen zowel een doorlopende Prestant 16 vt als een Bourdon 16 vt. Vanaf Smilde komt de Prestant 16 vt voor als discantstem, behalve in Steenwijk want daar bouwde Petrus van Oeckelen een doorlopende Prestant 16 vt.
Gecompliceerde pijpvormen zoals Roerfluiten en conische registers zoals Spitsfluit en Gemshoorn komen bij de eerste orgels van Van Oeckelen niet voor. Nadien treffen we wel regelmatig Spitsfluiten aan. In Amsterdam (Oosterkerk) komt ook een Roerfluit voor, die Van Oeckelen vervolgens vaker disponeert. Bij zijn eerste orgels vertonen alle gedekten en fluiten (Holpijp, Gedakt, Bourdon en Fluit) dezelfde mensuur. Later experimenteert hij met soms extreem hoge tinpercentages en dunne pijpenwanden.
Treffen we te Tholen nog een zeer enge, kortbekerige Fagot 16 vt aan, later (het ultieme voorbeeld is Steenwijk) wordt dit een wijde Trompet 16 vt. Petrus wijzigt zijn inzichten omtrent klank in de loop der tijd aanzienlijk.
Petrus was een moderne orgelmaker.
Hij bouwde seriematig. Het nu Thoolse orgel is er één uit een serie van drie samen met Strijen en het iets kleinere orgel te Smilde. In de dispositie was alle aandacht gericht op de imitatie van het orkest.

FRONT
Bij binnenkomst van de kerkzaal valt de blik direct op het liturgisch centrum met preekstoel, natuurstenen wetsborden, glas-appliqué ramen en ... het hoog oprijzende orgelfront.
Van de oorspronkelijk kas restten slechts de klaviatuur-omlijstingen.
De Rehobothkerk in Tholen. In de uitbouw onder de toren staan de balgen van het orgel.
Een fronttekening was niet meer te vinden, dus moest de kas opnieuw ontworpen worden. Logischerwijs ging Steendam voor zijn ontwerp te rade bij Strijen, waar het eerste orgel staat dat Petrus van Oeckelen als zelfstandig orgelmaker in 1840 opleverde.
De maatvoering van windkanalen, balgen en laden is identiek. Vergelijkt men de fronten van Petrus' drie eerste orgels (Strijen, Tholen en Smilde) met elkaar, dan blijkt dat Steendam het snijwerk aan de pijpenvoeten a la Smilde meer opengewerkt heeft dan in Strijen. Er is één in het oog lopend verschil waar te nemen tussen deze drie fronten: Steendam gaf lijsten en labiumverloop in de tussenvelden een gebogen lijn, waardoor hij extra spanning en sierlijkheid creëerde. Petrus van Oeckelen heeft die gebogen lijn zo goed als zeker niet voor zijn orgel in Groningen bedacht (immers, te Strijen en Smilde verlopen de lijsten en labia van de tussenvelden in een strakke lijn naar buiten schuin omhoog). Een prachtige vondst. Deze gebogen lijn komt vanaf Akkrum (1856) in het oeuvre van Petrus voor.
Nog iets: in Strijen en Tholen begint de labia-lijn in de bovenste tussenvelden gewoon 'ergens', hetgeen deze fronten op dit punt zelfs spannender maakt dan dat in Smilde. De labia-lijn bij de onderste pijpvoet sluit daarentegen bij alle drie genoemde orgels wel aan bij die van de zijtorens. De voluten (gestoken zijwangen) zijn in Tholen in de plaats gekomen van beelden. Deze voluten en ook de tandlijsten zijn ontworpen naar voorbeeld van Garmerwolde. De dofzwarte kleur met de subtiele frasering van vergulde biezen, het goed gestoken snijwerk, de franjes, kwasten, koorden, draperieën, lauriertakken, dit alles verleent het Thoolse front schwung en grandeur.

EERSTE, ALGEMENE KLANKINDRUK
Normaliter maak ik graag kennis met de klank van hel orgel via het beluisteren van afzonderlijke registers en combinaties van registers. Nu begon ik (benieuwd naar de klankwerking in de met harde materialen gebouwde kerkruimte) met het spelen van mijn net genoteerde Toccata over Psalm 21, geregistreerd voor het volle werk, met telkens een in volume contrasterend klinkend tussendeel op het bovenwerk.
Hoewel een zijkantbespeling de klank voor de bespeler moeilijk te beoordelen maakt (de pedaalklank wordt bij de speeltafel weggedrukt door de hoge registers die aan de zijkanten van de hoofdwerklade staan), raakte ik geboeid door het aparte poëtische karakter met de orkestrale, kleurrijke klank en het versmelten van de drie contrasterende werken (HW, BW, Ped.).

Hoofdwerk
De toegevoegde Cornet en de Terts 3 1/5 vt zijn niet alleen een verrijking voor de tutti-klank, maar vormen ook een (voor de Thoolse gemeentezang noodzakelijke) aanwinst voor de begeleiding van gemeentezang en voor soloregistraties. In Tholen staan zowel de Cornet als de Terts op een aparte bank die met loden conducten uit de twee laden van het Manuaal (c- en ciskant) wordt gevoed, zodat er niets aan laden hoefde te worden aangepast voor deze toevoeging. In zijn eerste orgels disponeerde Petrus van Oeckelen geen cornet, maar nadien wel. Zo bouwde hij te Breede (1849), Saaxumhuizen (1851) en Usquert (1852, momenteel niet bespeelbaar) een Cornet 3 sterk op 16-voets basis in zijn orgels. De Terts 3 1/5 vt komt na Usquert niet meer standaard voor.
In 1856 plaatste Van Oeckelen te Akkrum zijn eerste vijf sterke Cornet, waarna er nog vele zouden volgen.
Voor de Thoolse Cornet is Petrus' werkwijze uit later tijd gevolgd (Middelstum, 1863, en Smilde, als toevoeging uit 1895). Het zijn twee prachtige stemmen geworden.
Ook de Terts 3 1/5 vt (dus op zestienvoets basis) met een wijde mensuur (als Open Fluit 2 vt) verleent de tuttiklank nog een extra timbre met een deftige glans. Het is bijna jammer dat de Terts alleen voor de discant is gemaakt (dat zou een Grande Tiercé hebben opgeleverd!).
De Flageolet l vt dient met smaak te worden getrokken, -want de mooie, wat snijdende klank mag er qua volume betreft best zijn. Bij het volle werk voegt de Flageolet nog een briljant element toe aan het geheel, prima, want de tutti-klank van het hoofdwerk is vrij donker.
In de prestantenklank (8, 4, 2 vt) had naar mijn smaak meer gezocht mogen worden naar stevigheid, maar ... de rol die prestanten in het verleden speelden, namelijk functioneren als basisklank van het orgel, is in de classicistische tijd uitgespeeld. Van Oeckelen- prestanten staan in dienst van kleuring van het totale klankpalet en dat is bij de intonatie anno 2004 door Steendam/Vermeulen en Bakker gerespecteerd.
Dus ... zijn deze prestanten uitstekend.
De maatvoering van de fluiten is, zoals gezegd, eenvormig (hetgeen een enigszins diffuse klank oplevert), maar de smeuïge fluitregisters versmelten fraai en er is sprake van karakter in de afzonderlijke registers.
Dat is — in de toch wel wat ketsende akoestiek van de kerkruimte — meer dan welkom.
De Fagot 16 vt (kopie van Smilde en Garmerwolde', waar de Fagotten dezelfde factuur en originele toonkarakteristieken hebben) is mooi van klank. In het kader van de ensemblevorming is de klank bescheiden, vandaar de korte bekers met zeer enge mensuur. In het klankconcept van Petrus is het orgel een orkest en daarin speelt de Fagot niet de boventoon.
Tevens slurpt de Fagot 16 vt met de zeer enge mensuur en halve bekerlengte niet al te veel wind zodat de direct naast de Fagot 16 vt staande pijpjes van de Mixtuur er geen windproblemen door ondervinden.
De Fagot 16 vt heeft, evenals de Bazuin 16 vt in het pedaal, een aantal tonen in het groot octaaf die wat traag aanspreken, waardoor baslijnen niet optimaal gearticuleerd overkomen.
Deze Fagot is echter bedoeld om te klinken in samenspraak met tenminste een van de twee labiale zestienvoet- registers, en dan blijkt het met de traagheid wel mee te vallen.
Zowel de Fagot 16 vt als de Bazuin 16 vt zijn niet geïntoneerd als solo-, maar als ensembleregisters. Tijdens de intonatie heeft er dus steeds tenminste een labiale 16 vt bij geklonken.
Nu spreken beide registers wel correct aan bij vollere registraties. Bij solistisch gebruik komt in een enkele lage toon de aanspraak wat trager op gang omdat zowel de Fagot als Bazuin dan eigenlijk te veel wind ontvangen, waardoor de tong als het ware eerst een beetje -wordt 'gesmoord' alvorens de aanspraak tot stand komt. Maar ... indien Steendam, Frans Vermeulen en Dirk Bakker de intonatie van Bazuin en Fagot 16 anders hadden afgestemd (als soloregister), dan waren er bij grotere registraties tot en met het volle werk ontstemmingen ontstaan door verdunning van de orgelwind.
Dit bij grotere Van Oeckelen-orgels meermalen optredende euvel (ontstemming) is in Tholen met deze intonatietechniek omzeild.
Het groot octaaf van de Fagot is beleerd, noodzakelijk voor het juiste timbre. Belering maakt accurate aanspraak echter moeizamer, maar zo heeft Petrus van Oeckelen dat nu eenmaal bedoeld en zo dient het dan ook gerespecteerd te worden. Spannend klinkt het, naar mijn beleving, te Tholen allemaal wel.
De Trompet 8 vt — eveneens een kopie van de Trompet in Smilde — heeft een goede balans tussen gronden boventoon, een gave aan- en afspraak en mengt mooi in allerlei registercombinaties.
De Mixtuur klinkt buitenissig vanwege de aparte samenstelling en repetitie die Van Oeckelen voor zijn vroege mixturen hanteerde. Het bestek voor deze Mixtuur luidt: "Mixtuur uit één voet, ieder octaaf repeterende." De originele samenstelling van de Mixtuur in Tholen is gereconstrueerd aan de hand van voldoende overgebleven restanten.
Ondanks de telkens terug tuimelende Mixtuur met de hoge samenstelling in de bas (aparte klank!) is deze Mixtuur in krachtige registraties mooi en karakteristiek. Voor solistisch spel lijkt mij deze Mixtuur minder geschikt, hoewel ... wanneer je voor de discant de Terts 3 1/5 vt erbij trekt heb je, althans volgens Henk Kwakernaat, organist van de Sint Lambertuskerk te Strijen, de Tertsmixtuur zoals die oorspronkelijk in Strijen heeft geklonken. Overigens wordt de samenstelling van mixturen bij Petrus vanaf Akkrum (1856) 'normaal' (op C: c, f , f' en vanaf c' vier sterk: l, 2, 4, 2 2/3).

Bovenwerk
Opvallend is de klankwerking van de nieuwe Open Fluit 2 vt (alleen het groot octaaf en de e' zijn van 1841, zie hoofdstuk geschiedenis). Gecombineerd met alle labiale achtvoeten en de Octaaf 4 vt (en zelfs nog de Fluit 4 vt) hoor je een intense, zangerige en fluwelig klinkende klankopbouw met evenwicht in grond- en boventonen.
Ook de licht ademende orgelwind werkt mee aan hel zangerige aspect. Tevens kan bij deze combinatie nog de Hoboe 8 vt bijgetrokken worden. Wanneer men alle labiale achtvoeten op het bovenwerk trekt, bemerkt men een mooie snuivende klank. De Prestant 8 vt, waarvan de pijpen in het front nieuw zijn, is goed getroffen qua klankgeving.
Een hoogtepunt is de combinatie Holpijp 8 vt en Viola di Gamba 8 vt.
Die Viola is een belevenis op zich, nog lang niet zo eng gemensureerd als in later tijd, maar zo anders dan bij Witte of Maarschalkerweerd.
De beide doorslaande tongwerken klinken karakteristiek. Het is een goede zaak dat deze beide tongwerken (alle oorspronkelijke tongwerken gingen verloren) zijn overgenomen en nu in dit concept hun partij weer kunnen meeblazen. En dan te bedenken dat in Orgelbouwkunde van Oosterhof en Bouman (derde druk, Leiden 1956) over doorslaande tongwerken staat vermeld (deel II, pagina 21): "Wanneer echter de tong (...) vrij heen en weer zwaait tussen de lepelopening, dan \wordt de klank -weker, daar het geratel van de tong op de lepelrand wegvalt. Zulke tongen noemt men doorslaand. Daar zij -weinig helderheid en karakteristiek aan de totaalklank toevoegen, te harmoniumachtig klinken en bij temperatuurwisselingen ook in stemming slecht harmoniëren met het overige pijpwerk, worden zij vrijwel niet meer toegepast en hier dus niet verder besproken."
De doorslaande tongwerken te Tholen spreken evenwel een andere taal.
Op karakteristieke toon geven zij de nodige sjeu aan de totaalklank. Hoe men ook over doorslaande tongwerken moge denken, het zijn registers die in het verleden zijn gebouwd. Petrus van Oeckelen en zijn broer Cornelis Jacobus mogen zelfs als de uitvinders van doorslaande tongwerken in orgels worden beschouwd (of was het Klaas I Smits in zijn orgel in de parochiekerk te Reek, afgebroken in 1926?). Petrus van Oeckelen plaatste in ieder geval in 1831 in het orgel van de Martinikerk te Groningen een doorslaande Hobo 8 vt en Vox Humana 8 vt. Vanaf zijn eerste volledig eigen orgel (Strijen, Sint-Lambertuskerk, 1840) vervaardigde Petrus telkens weer doorslaande tongwerken.2
Er zijn diverse artikelen uit het verleden bekend waarin positief geschreven wordt over Van Oeckelens doorslaande tongwerken, maar ... daar zit -waarschijnlijk ook enige 'schone schijn' bij, want de 'Public Relations' voor Van Oeckelen schijnt (ook door hemzelf?) in zijn tijd goed gevoerd te zijn.
In Caecilia, Algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland (1855), pagina 138, schrijft de Groningse organist Siwert Meijer over Van Oeckelens doorslaande tongwerken: "De heren van Oeckelen, die uitmunten in het maken van doorslaande tongen en in het aanbrengen van kracht." In hetzelfde blad valt in 1862 op pagina 124 te lezen: "Intussen vind ik er eene aanleiding in, om hier de tot dusver gemaakte orgels en belangrijke repatariën op te noemen van mannen, die onder de orgelmakers van den tegenwoordigen tijd eenen eerste plaats bekleeden. Ik
bedoel P. van Oeckelen en Zonen, en geloof niet te veel te zeggen, wanneer ik aanmerk, dat deze bekwame orgelmakers in vele opzigten niet ligt overtroffen zullen worden. Zij munten vooral uil in het aanbrengen van kracht, die soms verbazend is b.v. in het orgel te Steenwijk, schoonheid van geluid en het maken van doorslaande tongwerken." De doorslaande tongwerken vertegenwoordigen een stijl in de orgelbouw.
Men mag de orgelhistorie geen geweld aandoen door doorslaande tongwerken geheel uit orgels te verbannen.' Petrus van Oeckelens vroege doorslaande tongwerken (Strijen, Groningen [thans Tholen] en Smilde) blijken geen 'doorslaand' succes te zijn geweest.4 In de oorspronkelijke dispositie van het Groninger orgel stond de Hoboe 8 vt op het hoofdwerk, terwijl op het bovenwerk een "Foxhumana 8 voet, met vrijzwevende tongen" (citaat bestek) sprak. Een fragment van deze "Foxhumana" met houten stevelblokken en houten koppen, -waaronder een liggende doorslaande tong, is in 1998 door Flentrop gebruikt voor reconstructie van de Vox Humana op het Van Oeckelen-orgel te Smilde.5 In Tholen is nu als tweede doorslaande tongwerk geen Vox Humana maar een doorslaande Trompet 8 vt geplaatst.
Waarom heet dit register nu Chalcodion 8 vt? Men wilde de nomenclatuur aanhouden die door Petrus van Oeckelen -wordt gebezigd. Ongelukkigerwijs is er maar één bewijs overgebleven: in het rugwerk van de Grote kerk te Harlingen staat een Chalcodion. In ieder geval wordt nu met deze naam direct het verschil duidelijk gemaakt tussen de opslaande Trompet 8 vt van het hoofdwerk en de doorslaande Trompet van het bovenwerk. Die doorslaande Trompet (nu dus Chalcodion) werd oorspronkelijk door M. Eertman, een orgelbouwende herbergier, in 1913 bij de Orgel,vnc.
een Duitse leverancier gekocht voor zijn orgel in de Gereformeerde kerk van Garrelsweer. De bekers in de baskant zijn van zink. De stevels en koppen in het groot octaaf zijn van grenen, de overige van zink, dat laatste maakt voor de loonvorming overigens weinig uit. Deze stem past redelijk in het Van Oeckelen-concept. De wat ruigere klank geeft eigenlijk wel een mooi, bijzonder tegenwicht bij de 'zoetgevooisde kleurstemmen' op het bovenwerk.
De Hoboe 8 vt uit 1892, gemaakt door de Gebroeders Van Oeckelen voor het Holtgrave-orgel te Deventer (1839)", met een dubbele conus op een eng cilindrisch opzetstuk, klinkt alsof dit register altijd in het orgel in de Rehobothkerk te Tholen heeft gestaan: goed in balans en geschikt voor allerlei klankcombinaties. Een mooi klinkend register, ondanks het feit dat in de bas de Hoboe 8 vt nu eenmaal wat traag aanspreekt. Of dit door intonatie nog te verbeteren is, valt te betwijfelen. Volgens adviseur Dirk Bakker in zijn informatieve boek Een zeer goed toongevend werk (zie onder literatuur) vergen doorslaande tongwerken "heel wat werk en geduld om deze stemmen te laten klinken zoals het behoort.

Pedaal
De klankverhouding pedaal - totaalklank is goed. De later toegevoegde pedaalkoppel naar het hoofdwerk bewijst ook nu nog zijn nut. De Subbas 16 vt valt op door de forse mensuur en de goede, buitengewoon brede en fraaie toon. Fraai van karakter en van toon zijn ook de Violon 8 vt en Holpijp 8 vt. De rijkdom aan boventonen van de Violon verlicht enigszins het gemis aan een Octaaf 4 vt in het pedaal. Een Octaaf 4 vt zou aanpassing van de pedaallade uit 1867 hebben gevergd en daarvan kon uiteraard geen sprake zijn. Ook de Trombone 8 vt en de Bazuin 16 vt zijn geslaagde reconstructies. Daarenboven geeft de Bazuin 16 vt een afgewogen (niet te harde, niet te zachte) sonore klank. Jammer is dat sommige tonen in het laagste octaaf van de Bazuin 16 vt -wat traag aanspreken; in combinatie met de Subbas 16 vt blijkt dit euvel echter niet meer op te vallen, we bespraken dit al eerder. Je hoort wel vaker dat registers op een zelfde cancel elkaar meetrekken en van dat fenomeen is bij de intonatie gebruik gemaakt. Daar komt bij dat er voor het groot octaaf dubbele cancellen en ventielen werken.

KLAVIEREN EN REGISTERS
Het ivoren inlegwerk (intarsia) op de eikenhouten met mahoniefineer belegde bakstukken is in volle glorie gerestaureerd (zie foto). De nieuw gemaakte eiken lessenaarsbak kreeg fraai bloemmahonie-fineer. De lessenaar staat overigens dermate steil, dat muziek slecht blijft staan. Toch zijn alle maten oorspronkelijk, zo verzekerde Dirk Bakker mij. Een losse inzetplaat, zoals bij vele lessenaars in historische orgels in gebruik, lijkt ook hier de meest praktische oplossing.
De registerknoppen van de manualen zijn zoveel mogelijk weer in de oorspronkelijk opstelling in twee rijen boven de lessenaar geplaatst. De pedaalregisters en de koppels zijn respectievelijk aan weerszijden van de klaviatuur geplaatst evenals de twee toegevoegde registers. Alle porseleinen registerplaatjes zijn nieuw gemaakt. De oorspronkelijke plaatjes worden thans, met andere waardevolle historische bestanddelen, bewaard in de balgenkas.
De ondertoetsen zijn weer met dik ivoor belegd. De ebben boventoetsen zijn opnieuw gebruikt. De boventoetsen van het originele pedaal zijn 8 mm langer gemaakt dan de oorspronkelijke maat. Een verstandige keuze omdat dit het speelgemak vergroot.
De speelaard is een beetje slap j es en het is voelbaar dat de oorspronkelijke ventielveren niet veel 'fut' meer hebben om de lange ventielen adequaat en snel te sluiten. Daarom heeft Sicco Steendam in een later stadium vijf van deze 'vermoeide' exemplaren (er kwamen te vaak hangers voor, ook tijdens mijn bezoek) door nieuwe vervangen.
De oude veren worden in de balgkamer bewaard waar ze, naar inschatting van schrijver dezes, in de nabije toekomst nog wel gezelschap zullen krijgen van meer ventielfamilie.
De bas- en discant-manuaalkoppel is voor de begeleiding van de gemeentezang een zinvol hulpregister.
Hoewel Petrus van Oeckelen niet erg gecharmeerd was van tremulanten (het bestek rept er met geen woord over), vervaardigde hij voor dit orgel een tremulant. De gereconstrueerde opliggende tremulant geeft een aangename slag en is aangesloten op het kanaal van het bovenwerk, de plaats waar naar alle waarschijnlijkheid ook de oorspronkelijke tremulant was geplaatst.

WlNDVOORZIENING EN TOONHOOGTE
Steendam vervaardigde achter het orgel een nieuwe balgkamer met drie nieuwe, grenen spaanbalgen met eiken vouwen naar het model van Smilde, maar ... volgens de maten van het Groninger bestek.
Die oorspronkelijk maatvoering levert een spannende, zangerige orgelklank op, maar geeft uiteindelijk ook grenzen aan wat een organist met het volle werk kan doen. Die grenzen zijn ruim genoeg om organisten vele mogelijkheden te bieden, maar iedere organist zal zich hier behoren te realiseren dat het een historisch instrument betreft. De windkanalen zijn van eiken. Bijzonder is dat elk werk door de bovenste twee balgen direct met een leidkanaal wordt gevoed. De pedaallade krijgt de wind via de onderste balg. Petrus van Oeckelen voorkwam met deze windvoeding dat het bovenwerk gaat 'huilen' vanwege een deling van de wind met hoofdwerk en (later) pedaal. Zeker met de gevoelige doorslaande tongwerken is een stabiele wind per werk een eerste vereiste. Aan de oorspronkelijke situatie wordt zodoende thans toch recht gedaan; immers het orgel uit 1841 bevatte nog geen vrij pedaal en de manualen verkregen de wind in eerste aanleg uit twee tot maximaal drie balgen tegelijk.
De spaanbalgen zijn met aparte regulateurs op de windmotor aangesloten.
Treden zijn niet aangebracht. De winddruk is 78,5 mm waterkolom voor alle balgen.
Ten slotte de toonhoogte. Gebaseerd op historische feiten kan men niet anders dan accepteren dat de oorspronkelijke toonhoogte een halve toon boven 'normaal' is. (Dekker verlaagde in 1925 de stemming naar a = 435 Hz). Nu klinkt het orgel terecht weer op de oorspronkelijke toonhoogte; een halve toon hoger. Lastig voor koorbegeleiding en nog lastiger als er een instrumentalist meewerkt, maar voor de originele klank is dit een offer dat gebracht moet worden.

CONCLUSIE
Historische gegevens en materialen zijn bij deze restauratie en reconstructie door orgelmakerij Sicco Steendam en adviseur Dirk Bakker respectvol behandeld. De kerkenraad van de Rehobothkerk bracht de wijsheid op om bij de opdracht voorrang te geven aan historische boven praktische uitgangspunten, terwijl daar op geen enkele wijze (er is wel een poging toe gedaan) rijkssubsidie tegenover stond. De reconstructie en restauratie van het orgel in de Rehobothkerk is dermate degelijk en goed uitgevoerd dat het instrument naar alle verwachting tot in lengte van jaren op eigen wijze zal aantonen dat het alle moeite meer dan waard is.

NOTEN

  1. 1 In 1975 verving Flentrop Orgelbouw, onder advies van Maarten Vente, alle Van Oeckelen-tongwerken in het Holtgraveorgel in de Lebuïnuskerk te Deventer door kopieën van F.C. Schnitger-tongwerken uit onder meer de Sint-Laurenskerk te Alkmaar. Het Historische Orgel 1819-1840, p. 370. Materiaal van de Fagot 16 vt uit Deventer werd door Mense Ruiter in 1998 gebruikt voor de reconstructie van de Fagot 16 vt te Garmerwolde (1851), waarbij de bekers naar voorbeeld van Smilde zijn vervaardigd. Het Historische Orgel 1850-1858, p. 82.
    '- Ook Petrus' broer Cornelis Jacobus maakte in 1834 volgens Broekhuyzen een "Voxhuma van eene nieuwe constructie". Zie inleidend artikel Peter van Dijk in de encyclopedie Het historische orgel in Nederland 1840-1849, pagina 28. Henk Kwakernaat mailde mij n.a.v. dit onderwerp: "Kort na 1840 komt er een einde aan de eerste generatie Vox Humana's met horizontale tongen en een korte, dulciaanvormige beker met oogvormig gat in beker en deksel waarmee de bekerfunctie optimaal kon worden ingeregeld. De tweede generatie Vox Humana's zien we toegepast vanaf Garmerwolde tot circa 1860. Dan wordt de stevel van metaal, de beker blijft zeer wijd en cilindrisch. Het tongwerk heet clan Clarinet of Clarinet-Fagot." Na 1840 worden met regelmaat doorslaande tongwerken in orgels geplaatst door Kam &t Van der Meulen (vanaf 1841), Frans I Smits [1800-1876] (vanaf 1846), Van Dam (vanaf 1852) en Pereboom & Leyser (vanaf 1852). Incidenteel plaatsten Lindsen (1842, R.-K. St.-Willibrorduskerk Vleuten), Naber (1851, Hervormde kerk Raamsdonk), Batz & Co (1862, Grote kerk Naarden) ook doorslaande longwerken.
  2. Citaten Caecilia in Peter van Dijk, 'Het kan verkeren ... Veranderende visies op de 19*-eeuwse orgelbouw, in het bijzonder het werk van Petrus van Oeckelen & Zonen', Het ORGEL, 100/4 (juli/augustus 2004).
  3. Ook zinken of blikken pijpen mogen niet verbannen worden uil orgels want evenals blik is ook zink een tijdlang gebruikt in de orgelbouw. Bij goed gemaakte zinken pijpen kan men onder de indruk komen van het vakmanschap om van zo'n hard en moeilijk te verwerken materiaal zulke goed, zij hel wat ruig klinkende registers te maken. Ook blik is historisch materiaal voor schalbekers.
  4. In Strijen waren rond 1860 al problemen met de Vox Humana, zo bleek uit twee rapporten, één van orgelmaker Beversluis uit Dordrecht en één van orgelmaker Van der Sijde uit Oud-Beijerland. Beiden spreken over de slechte constructie van deze tongwerken. Ook in Goes deden zich problemen voor met de Vox Humana, die daar volgens "eene nieuwe vinding, zonder stemkrukken, was gebouwd". Later moest Van Oeckelen alsnog een steminrichting aanbrengen (Mededeling Henk Kwakernaat.)
  5. ' Het Historische Orgel in Nederland 1840-1849, p. 89.

LITERATUUR

Met dank aan Dirk Bakker voor de gastvrije ontvangst in Tholen en zijn bereidwilligheid om vragen achteraf te beantwoorden.
Henk Kwakernaat (Strijen) attendeerde mij op diverse elementen en feiten in het oeuvre van Petrus van Oeckelen. Daarvoor ben ik hem bijzonder erkentelijk.

Wie het Van Oeckelen-/Steendamorgel wil bespelen, kan contact opnemen met de voorzitter van de orgelcommissie van de Rehobothkerk, Henri Aarnoudse te Tholen, tel. (0166) 60 40 53. Het uurtarief is 5 euro.
 

Dispositiegegevens:
Tholen, Rehobothkerk Gereformeerde Gemeente
Bouwer: P. van Oeckelen, 1841, voor Academie- of Broerkerk te Groningen
Restauratie/reconstructie: Steendam Orgelbouw, 2004
Dispositie in volgorde op de laden:

Manuaal of Hoofdwerk (Of3)
Terts 3 1/5 vt Discant; nieuw. Wijde mensuur (als Open Fluit 2 vt)
Cornet 5 st Discant; nieuw. Samenstelling: c1: 8 vt (gedekt), 4, 2 2/3, 2, 1 3/5 vt. Mensuur: zie Terts
Prestant 16 vt C-E gec. met Bourdon 16 vt. F-h2 in front; nieuw. c2-f3 op lade, 1841; a2,b2,c!,cis3 en e' nieuw. Alle pijpen met stemrol en kleine zijbaarden
Bourdon 16 vt C-h" eiken gedekt; c'-f3 metaal gedekt. Compleet register uit 1841. Alle metalen pijpen zijn voorzien van baarden
Octaaf 8 vt C-Cis in het front; nieuw. D-f3 op de lade. D-g2 met kleine zijbaarden, C-h2 met stemrol. D, F, H, c", cis:, d°, fis', h1, cis2, d2, dis2, e2, fis2, gis2, h2, c3, cis3, d3 en dis3 nieuw
Gedakt 8vt C-H eiken gedekt; c°-P metaal, gedekt met baarden. Compleet register uit 1841. dis3 nieuw
Octaaf 4vt Metaal. 1841. dis°,e3 en f3 nieuw. C-h1 met stemrol
Fluit 4vt Metaal. C-ej gedekt met baarden, 1841; f2-f3 wijd conisch open nieuw
Ged. Quint 3vt Metaal. C-E 18"-eeuws, oorspronkelijk frontpijpen met schijnlabia uit een kabinetorgel; ronde opsneden uit 1925 (?) ongedaan gemaakt. C-fis2 gedekt; g2-f wijd open (licht conisch); geheel 1841
Octaaf 2vt Metaal. C-cis1 met kleine zijbaarden, f2, c3-dis3 nieuw
Mixtuur 4st Bas en discant; metaal. 68 pijpen uit 1841; rest nieuw. Zowel nieuwe als oude pijpen 40% tin Samenstelling: C: 1, 2/3, 1/2, 1/4 C°: 2, 1 1/3, 1,1/2 c': 4, 2 2/3, 2, 1 c2: 8,51/3, 4,2
Fagot 16 vt Bas en discant. Nieuw, gekopieerd naar de Fagot van Smilde; metalen stevels en koppen, met messing band. Opslaand. Kelen en tongen messing; kelen C-ho beleerd. Bekers metaal, cilindrisch op onderconus. C-H op halve lengte
Trompet 8vt Bas en discant. Metalen koppen en stevels als Fagot. Kelen C-H beleerd. Nieuw; gekopieerd naar de Trompet van Smilde
Bovenwerk C-P
Prestant 8 vl metaal. C-e1 nieuw; C-Cis binnen afgevoerd achter middentoren. D-e1 in front. M3 op de lade; alle met kleine zijbaarden en stemrollen. f3 nieuw, rest 1841
Holpijp 8vt C-H eiken, gedekt. C°-f3 metaal, gedekt. Alleen f3 nieuw; rest uit 1841
Holfluit 8vt C-H gecombineerd met Holpijp; c°-hc metaal, gedekt.wijde mensuur, c'-f3' metaal, wijd open. f3 nieuw; rest uit 1841. Alle pijpen met stemrollen en zijbaarden
Fluit travers 8vt Discant. Nieuw. Metaal, open met vertraagd mensuurverloop. Smal gelabieerd, met rechte opsneden. Gekopieerd naar gelijknamig register uit Beerta
Viola di Gamba 8vt C-H en f3 nieuw; tingehalte 40%. C-f- met zijbaarden en stemrollen
Octaaf 4vt Metaal, open. C-a' met expressions. Geheel zonder baarden. Compleet register uit 1867
Fluit 4vt Metaal. C-e2 gedekt met baarden; f2-f3 wijd conisch open. 1841
Open Fluit 2vt Metaal. C-H gedekt; c3-P wijd open. C-h° met baarden. cG-h' met stemrollen. C-H en e° 1841; rest nieuw
Flajolet 1 vt Metaal; wijd open. C-g° met baarden, C-h3 met stemrol. E, fis2-f3 nieuw; rest 1841
Chalcodion 8vt Doorslaand tongwerk. C-B met grenen stevels en koppen; H-f3 zinken stevels en metalen koppen. Messing tong en tongplaat (geschroefd op keel) uit een geheel. Recht gesloten kelen. Bekers trechtervormig, C-b° zink, h°-f3 tin. Vanaf cis3 repetitie op bekerlengte, f3 nieuw; rest afkomstig uit Geref. kerk Garrelsweer (M. Eertman, 1913); was voorheen Trompet 8 vt. Op corpus met slagletters: TROMPETE 8'. Halve toon verschoven i.v.m. huidige toonhoogte
Hoboe 8vt Doorslaand tongwerk. Metalen stevels en koppen. Alle stevels verlengd in 2004. Messing tong en tongplaat. Stemkrukken c:-e3 vernieuwd. Bekers van hoog tingehalte (90%). Dubbele conus op eng cilindrisch opzetstuk. Opzetstuk fnemend in lengte; vanaf c3 zonder opzetstuk. f3 nieuw. Was voorheen Hobo 8 vt, in 1892 gemaakt door P. van Oeckelen & Zonen voor het orgel in de Grote Kerk te Deventer. Bij de restauratie van dit orgel in 1975 verwijderd. Halve toon verschoven i.v.m. huidige toonhoogte.
Pedaal C-c
Subbas 16 Vt Grenen. Wijde mensuur. Stoppen met touwen handgrepen. 1867
Violon 8vt Metaal. C-F nieuw; fisc'-d' 1867. Alle pijpen met stemrollen. C-Dis met kastbaarden; rest met zijbaarden. Laag opgesneden
Holpijp 8vt C-H eiken, gedekt; wijde mensuur, 1841, voorheen Holfluit 8 vt BW.c°-f metaal gedekt; met baarden; 1867
Bazuin 16 vt Metalen stevels en koppen. Makelij als Trompet 8 vt HW. Kelen geheel beleerd.
Trombone 8vt Nieuw Zie Trompet 8 vt HW


Werktuigelijke registers:
Manuaalkoppel bas en discant
Pedaalkoppel
Tremulant
Windlosser
Vacant
Calcant (bediening orgelmotor en verlichting)
Alle open pijpen hebben vaag ingeritste spitslabia
Winddruk: 78 1/2 mm Waterkolom.
Toonhoogte: a = 462 Hz bij 19'C
Stemming: evenredig zwevend