Een deftig orgel Het Nijsse-orgel in ‘De Tabernakel’ te Ede
Tekst: Willem van Twillert Foto's Gerco Schaap


Heden ten dage in Nederland een nieuw orgel maken begint al een bijzonderheid te worden voor orgelmakers. René Nijsse is dan ook enthousiast als het over nieuwbouw gaat; “Dat is het mooiste wat er is. In een nieuw instrument kun je goed je creativiteit kwijt.” In het najaar van 1998 stelde de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde kerk ‘De Tabernakel’ te Ede een orgelcommissie in. Het zeven registers tellende De Koff-orgel uit 1957 had te weinig draagkracht om de gemeentezang goed en gevarieerd te kunnen begeleiden. Bovendien werd steeds duidelijker dat dit instrument aan groot onderhoud toe was.
Op zaterdag 2 oktober zal het nieuwe orgel te horen zijn tijdens de Open Orgeldag in Ede.
De orgelcommissie onderzocht allerlei mogelijkheden. Zelfs de aanschaf van een elektronisch orgel is overwogen. Uiteindelijk besluit men om tot aanschaf van een mechanisch pijporgel over te gaan vanwege betrouwbaarheid, duurzaamheid en muzikale kwaliteit. Er wordt vervolgens gezocht naar een orgelmaker “die aantoonbaar voeling heeft met gemeentezang en zijn instrument daarop op fijngevoelige wijze weet af te stemmen. En uiteraard zou er een goede balans dienen te zijn tussen prijs, kwaliteit en levertijd”, zoals het programmaboekj e van de ingebruikname op 14 april vermeldt. De opdracht ging naar de Firma Nijsse uit Oud-Sabbinge.


AKOESTIEK
De huidige Christelijke Gereformeerde kerk aan de Verlengde Maandenweg werd midden jaren zeventig gebouwd. Het gebouw heeft een sympathieke vormgeving, waarbij de architect ook heeft nagedacht over de lichtinval. Een glas-in-loodraam tegenover de kansel zet het nieuwe orgel in een mooi daglicht. Ook de hoogte van de ruimte is in orde. De vloer loopt omhoog teneinde iedere kerkganger een goed zicht op de preekstoel te geven. Het orgel staat rechts van de kansel. Duidelijk is te merken dat er moest worden gewoekerd met de beschikbare ruimte. Er werd zelfs een inkeping in een van de sierspanten van het dak gemaakt. Het overvloedige houten raamwerk van de balustrade achter in de kerk en het tamelijk zachte materiaal van het plafond dempen de klankuitstraling aanzienlijk. Jammer, want dat levert een drogere akoestiek voor de kerkzaal op dan strikt nodig is.
In gedachten zag ik even een scène voor me van Gottfried Silbermann, Van hem is een verhaal overgeleverd dat hij, voordat hij een opdracht aannam, eerst in een lege kerkruimte me zijn wandelstok stevig op de vloer tikte om zo de akoestiek te testen. Beviel de nagalm Silbermann niet, dan zag hij eenvoudigweg van de opdracht voor levering van een orgel af.’ Dat zie ik hedendaagse orgelmakers niet zo gauw meer doen.
Het orgel staat op een mooie plaats in deze kerk. In zo’n krappe ruimte evenwel zullen de kerkgangers, hoe dan ook, dicht op het orgel zitten. Daarmee heeft René Nijsse rekening gehouden bij het bepalen van de intonatie en het klankvolume.
De vormgeving is geïnspireerd door de klassieke verhoudingen van onder andere de gulden snede. De onderkas heeft door de insnoering een mooi slank silhouet. Het ontwerp wijkt onder meer wat betreft de middentoren
en maatvoering van de balgen af van het orgel in ‘De Open Hof te Soest, waar Nijsse in 1997 een soortgelijk orgel vervaardigde. De middentoren in Ede is evenwel hoger dan die in Soest. Het ontwerp, waaraan Jean Telder (Soest) heeft meegewerkt, is karakteristiek door de strakke vormgeving van onder andere de stijlen, hakstukken en de boventoetsen van het pedaal. Ook het labiumverloop is eenvoudig en strak. Het vergulden van de labia had deze lijn zelfs nog kunnen versterken.
Voor de kas is Frans eiken gebruikt. Op het hout aan de buitenzijde is door de Firma Romeijn te Ede een blanke matte laklaag aangebracht; men hoopt dat hierdoor de inwerking van stof en vuil wordt tegengegaan. De tijd zal leren of het nu gelakte hout niet zal vergelen. In ieder geval is de houtnerf mooi zichtbaar gebleven omdat de lak op waterbasis is.


KLANKBESCHRIJVING
Hoofdwerk
De Prestant 8 vt is prachtig. Uit de pijpen stijgt een royale, verzadigde klank op met een mooie streek. De Octaaf 4 vt klinkt wat ingehouden, de klankkleur is wat donkerder zodat de Octaaf 4 niet te veel boven de klank vah de Prestant 8 vt uitkomt en mooi mengt.
De Octaaf 2 vt verleent de prestantklank een heldere klankkroon, waarbij opvalt dat er een fraaie zangerige toon klinkt op de niet al te starre wind.
De Quint 3 vt is fraai van karakter en mengt uitstekend.
De Mixtuur mengt ook goed, maar mist net dat beetje extravagantie in klank om het plenum de ultieme glans in de klankkroon te geven. Nu klinkt het plenum voornaam en deftig, maar ook wat braaf.
Het groot octaaf van de Fagot 16 vt is uitgevoerd in de mensuur van een Bazuin. De schalbekers hebben echter geen volledige lengte vanwege het hoogtegebrek in de kas en zijn daarom kortbekerig uitgevoerd met een schuin opstaand deksel op het uiteinde. Zo’n 7 cm onder het uiteinde van de schalbeker is een gat geboord van circa anderhalve centimeter doorsnede om het timbre te beïnvloeden. Dit heeft zijn waarde in de intonatie bewezen, want het is van belang om de overgang van Bazuinmensuur naar Fagotmensuur tussen groot B en klein c natuurlijk en haast onmerkbaar te laten overkomen. Dat is gelukt en het is een knap staaltje ontwerp en intonatie. Hoed af!
Wanneer men in het pedaal de Fagot 16 vt trekt, dan klinken in het groot octaaf zelfstandig de verkorte Bazuinbekers; er is hier dus geen transmissie. Daarboven begint op het pedaal, via transmissie, de Fagot 16 Vt te klinken van het hoofdwerk. Op het hoofdwerk spreekt de Fagot 16 vt vanaf klein c. (Zie verder onder kopje ‘Transmissie’)
De discant van de Fagot 16 vt is goed bruikbaar als Dulciaan 8 vt. Dit vergt wel de nodige kunstgrepen wat betreft registratie, omdat er uiteraard dan een oetaaf hoger gespeeld moet worden.
De Trompet 8 vt geeft ook een mooie, grondtonige klank, met een soepele en snelle aan- en afspraak. In de discant ontplooit de Trompet zich qua timbre iets minder. Wat meer snaterend en ratelend zou een spannender palet aan boventoonrijkdom kunnen opleveren, is mijn inschatting. De Trompet is via transmissie ook op het pedaal speelbaar en voldoet uitstekend.
De Roerfluit 8 vt heeft een krachtige omlijnde toon met een mooi boventoonverloop.
De Bourdon 16 vt geeft een goed fundament, hoewel de allerlaagste tonen zeker wat grondtoniger hadden mogen klinken. De Bourdon fungeert (via transmissie) ook als Subbas 16 Vt voor het pedaal.


Nevenwerk
De dispositie van het nevenwerk oogt evenwichtig. Uit de registers van het nevenwerk is een cornetklank samen te stellen. Maar ... zal deze cornet-klank voldoende volumineus klinken om de gemeentezang te begeleiden met gekoppelde klavieren met op het hoofdwerk alle stemmen behalve de Mixtuur? Immers, de twee 16-voets registers op het hoofdwerk dienen wel van het nodige tegenspel van de vulstemmen voorzien te worden. Mijn ervaring is dat de samengestelde cornet op het nevenwerk dan te weinig tegenspel biedt, maar de klank kleurt door de terts wel naar een smeuïge totaalklank.
Wanneer men een meer volumineuze Cornet wenst, dan was de enige mogelijkheid binnen dit Edese bestek geweest om op de plaats van de Quint 3 vt van het hoofdwerk een echte Cornet (op een verhoogde pijpenstok met wind uit één ladeboring en de pijpen op elkaar in ensemble geïntoneerd) te disponeren. Immers in de Mixtuur zit ook een Quint 3 vt (vanaf klein f) en daarom zou de Quint eventueel gemist kunnen worden in deze dispositie.
Hoe dan ook: de samengestelde Cornet op het nevenwerk met 8, 4, 3, 2, en 1 3/5 voet klinkt voldoende homogeen. In Ede zijn nu met de ‘losse bestanddelen’ van de cornet uiteraard veel meer aparte klankkleuren te realiseren. Daar is ook de intonatie van de aparte registers op afgestemd. Naar dit voordeel is binnen deze dispositie gezocht en dat voordeel pakt ook zo uit.
De Fluit 2 vt is prachtig, ook in allerlei combinaties.
Tussen de Roerfluit 8 vt van het hoofdwerk en de Holpijp 8 vt van het nevenwerk is een mooie balans. De Holpijp is bescheidener van klank en klinkt (door het hout) mystieker. Met beide registers (eigenlijk met drie, want ik reken de Gamba 8 vt ook
mee) kan men mooie subtiele afwisselingen maken.
De Openfluit 4 vt klinkt gedegen zoals een Open fluit moet klinken. Dit register heeft in klankwerking wel te lijden onder de droge akoestiek. De mooie, licht snijdende, maar ook tamelijk stevige strijkersklank van de Gamba 8 vt zal zeker uitstekend dienst doen tijdens stille momenten in de kerkdienst. Een bijzonder geslaagd register waaraan niet te horen valt dat intonatie van strijkers een lastig karwei is. Mijn hoed gaat weer af. Een verstandige keuze om ook in een kleinere dispositie de klank van een strijker niet uit te sluiten. De Gamba geeft gewoon een klankkarakter méér in een orgel.

TRANSMISSIES
Het is al aangestipt: de pedaalregisters zijn transmissies. Dat is een keuze van de opdrachtgever. Maar het blijft een compromis, omdat de technische aanleg ingewikkeld is en dus kostbaar. Voor de helft van het geld méér heb je een echt register en dat geniet uiteindelijk toch, indien mogelijk, de voorkeur. In Ede speelde bij deze keuze ook ruimte- (en geld-)gebrek een rol. Bij tongwerken, zoals de Fagot en de Trompet, kan een transmissie soms problematisch zijn, omdat tongen nu eenmaal subtieler reageren op veranderingen in de orgelwind dan labialen zoals de Bourdon 16 vt. Technisch gezien koos Nijsse ervoor om het groot octaaf van de Fagot 16 vt in het pedaal zelfstandig maken en in het hoofdwerk stom te laten. Dit om te voorkomen dat in het groot octaaf de toon gaat fluctueren op windverandering door de transmissie. Een wissel-sleep had dit fenomeen volledig kunnen voorkomen, maar daarvoor koos Nijsse niet (ook mede door ruimtegebrek, want een wisselsleep vergt ook zo’n 7 cm ruimte). Een wisselsleep zorgt ervoor dat één van de twee ventielen bij gelijktijdig aanslaan van dezelfde toon in de transmissie dicht gaat. Immers, wordt de Fagot 16 vt of de Trompet 8 vt of de Bourdon 16 vt zowel in het pedaal als in het hoofdwerk getrokken, dan krijgen de pijpen (in het geval van Fagot alleen boven klein c) bij gelijktijdig aanslaan van dezelfde toon in pedaal en manuaal, van twee ventielen wind. Op dat moment kan die toon, door de extra hoeveelheid wind van het tweede ventiel, soms iets gaan afwijken in stemming. Dit probleem is niet volledig te vermijden bij transmissies zonder wisselsleep en is dus niet euvel te duiden. Integendeel, het is een technisch knappe prestatie om de transmissie zo te maken als Nijsse in zijn orgel te Ede heeft gedaan, waarbij het beschreven probleem goed is ondervangen.


MANUALEN EN WINDVOORZIENING
De klavieren zijn uitgevoerd als staartklavieren. De ondertoetsen zijn belegd met been; de boventoetsen met ebbenhout.
Het mechaniek (eikenhout) en alle onderdelen zoals walsen, registermechaniek en koppels zijn in eigen atelier vervaardigd. Het mechaniek is vrijwel niet ingevoerd. De speelaard is aangenaam en accuraat, ook bij gekoppeld spel.
De wind wordt geleverd door twee magazijnbalgen, gemaakt van eikenhout, die onderin het orgel liggen (zie foto). De eerste baig heeft 88 mm, de tweede balg 82 mm winddruk; deze
laatste is dc winddruk voor de pijpen. De wind is door deze uitgekiende wijze van bouwen minder star. Dit systeem van twee licht van elkaar afwijkende winddrukken past Nijsse toe vanaf zijn nieuwe orgels te Goes (1992), Dordrecht (1995), Maasdijk, Hervormde kerk (renovatie met nieuwe windvoorziening 1996) en Soest (1997).
De windmotor staat in een dempkist en werkt praktisch geruisloos.
De ventielen van het hoofdwerk zijn (gezien vanuit de lade aan dc achterkant van het orgel, zie foto) aan de voorzijde geplaatst, die van het nevenwerk aan de achterzijde. Om stemmingsbeïnvloeding zoveel mogelijk tegen te gaan zijn de c-cancellen van de hoofdwerklade naast de cis-cancellen van het nevenwerk geplaatst.
Er is gewerkt met eersteklas materialen. Het orgel heeft 35 sprekende frontpijpen. In totaal heeft het orgel 960 orgelpijpen, waarvan er 48 van hout zijn. De grootste (Bourdon-)pijp is 25 cm in doorsnede en heeft een lengte van 2,60 meter. De houten pijpen maakt Nijsse normaliter zelf, maar voor Ede zijn ze uit Duitsland afkomstig. Gemaakt door de firma Simon te Muddenhagen, van wie verschillende, ook vooraanstaande, Nederlandse orgelmakers hun houten pijpen betrekken. De metalen pijpen zijn gegoten door firma Stinkens te Zeist naar maten en bestek van de orgelmaker. De intonatie, dus ook de voorintonatie, is door Nijsse zelf (als ex-medewerker van Stinkens) gedaan.


CONCLUSIE
De registers zijn alle karakteristiek van klank, De orgelmaker heeft gewoekerd met enkele wensen van de opdrachtgever en de organisten die van mening waren dat de klank niet te scherp en te luid mocht worden. De tutti-klank is voornaam en gaat niet over de hoofden van de mensen heen. De sublieme glans in de klankkroon, die naar mijn inzicht en overtuiging wel degelijk in de pijpen zit, is bij de overigens mooi mengende Mixtuur (nog?) niet helemaal uit het orgel getoverd. De totaalklank bekoort met name vanwege de enorme grondtonigheid, maar wat meer extravagantie was welkom geweest. Want bij langduriger spelen komt in ieder geval bij uw auteur — het verlangen naar meer kracht in de hoge stemmen naar boven. De volle klank vult de ruimte goed en wanneer men de koraalmelodie in octaven speelt, klinkt het prachtig en overtuigend. Dat het orgel in deze akoestisch niet zo gemakkelijke ruimte ruimschoots aan de verwachtingen van de opdrachtgever zal voldoen, daaraan hoeft niet te worden getwijfeld.


‘) Dit verhaal staat in: Joseph Goebel, Theorie und Praxis des Orgelpfeifenklanges. Intonieren and Stimmen, Frankfurt Am Main 1967, pagina 61).



Dispositie:

Hoofdwerk (C-f3)
Prestant 8 vt deels in het trant 40% tin
Bourdon 16 vt bas grenen, rest 7% tin
Roeriluit 8 vt gr. oct. grenen, rest 7% tin
Octaaf 4 vt 7% tin
Quint 3 vt idem
Octaaf 2 vt idem
Mixtuur b/d 4 st 7% tin
samenstelling:
C: 11/3-1-2/3-1/2 2-11/3-1-2/3
f: 22/3-2-11/3-1 C’: 4-22/3-2-11/3 t’: 51/3-4-22/3 -2
Fagot b/d 16 vt eiken stevels en koppen, bekers 65% tin Trompet 8 vi idem

Nevenwerk (C-f3)
Holpijp 8 vt gr. oct. grenen, rest 7% tin
Gamba 8 vt gr. oct. in Holpijp, rest 65% tin
Opent luit 4 vt 7% tin
Nasardb/d 3vt 7% tin
Tertsb/d 1 3/bvt 7% tin
Fluit 2vt 7% tin

Pedaal
Prestant 8 vt transmissie Hw
Bourdon 16 vt transmissie Hw
Fagot 16 vt gr. oct. zelfstandig in bazuinmensuur met verkorte bekers, verder transmissie Hw
Trompet 8 vt transmissie Hw

Manuaalkoppel bas/discant
2 pedaalkoppels

Tremulant op gehele orgel
Winddruk 82 mm WK
Temperatuur evenredig zwevend