Interview met Sietze de Vries “... het idee er één stijl op na te houden is voor mij absurd”


De loopbaan van Sietze de Vries ontwikkelt zich dermate snel dat hij eigenlijk geen introductie meer nodig heeft. De uitdrukking “Wat goed is, komt snel” is zeker van toepassing op deze jonge organist (geboren 1973), die in hoog tempo zijn belofte “zeer talentvol” inlost.
In de gesprekken die ik met Sietze voerde, was al snel zijn gedrevenheid merkbaar. Een gedrevenheid die gevoed wordt door een opmerkelijk beschouwende aard. Sietze praat rustig, formuleert haast net zo vormvast als hij improviseert. Hij belicht zijn onderwerp van diverse kanten en blijft in zijn meningsvorming boven de materie staan. Soms schemert er wel iets van een brandende ambitie door zijn woorden: “Ik ben echt een speeldier. Al op de muziekschool was ik gek op voorspeeluren, en voelde dan een soort competitiedrang ten opzichte van andere spelers.”


EEN IMPRESSIE
Op 22 november 2001 hoor ik Sietze voor het eerst spelen. Het is meteen raak. Hij improviseert — op uitnodiging van schrijver dezes — voor een cd-opname waarin naast literatuur ook koraalmelodieën van Frits Mehrtens en Bernard Huijbers een rol spelen. Het orgel? Het majestueuze Adema-orgel in de Mozes en Aaronkerk te Amsterdam.
Samen met Aart de Kort neemt hij de improvisatie-honneurs waar. Hij hoort eerst Aart improviseren. Sietze toont zich onder de indruk van Aarts creatieve spel en zegt: “Dat hij nooit Haarlem gewonnen heeft, is onterecht”.
Wanneer Aart en technicus Aart van der Waal zich samen met ondergetekende terugtrekken in de opnameruimte om het gespeelde te beoordelen, gaat ook Sietze mee. Pas na enige tijd dringt het tot me door dat het nu voor Sietze tijd is om zijn improvisatie voor te bereiden. Ik toon me bezorgd, want hij kent het orgel nog niet, maar Sietze reageert stoïcijns. Hij vindt dit ook interessant. Pas na enig aandringen, in verband met de beschikbare tijd, verdwijnt Sietze richting orgel.
Na een minuut of tien wordt me duidelijk dat Sietze precies weet wat hij wil en loop ik naar het orgel, waar ik zie met welk gemak en voortvarendheid Sietze zijn registraties voorbereidt. Hij voelt zich ogenblikkelijk op het instrument thuis, hoewel het zeker geen gemakkelijk registreerbaar orgel is. Op de vraag of hij het inderdaad nog nooit heeft bespeeld (omdat hij zo snel alle registers weet te vinden en kan onthouden) reageert hij: “Och, ik sla het allemaal op mijn harde schijf op”. En inderdaad, wil je zo effectief kunnen improviseren, dan moet je naast talent ook beschikken over een geheugen als een pot. Even later, tijdens de opname, improviseert hij schitterend. Wat hem siert is, dat hij zich als een ware prof ook laat regisseren. Met evenveel gemak doet hij op verzoek bijvoorbeeld een track nog eens over. Hij is in staat zijn stijl te richten naar het orgel. Op dat gebied toont hij zich een evenknie van een andere grote improvisator, Jan Jongepier, van wie hij ook les heeft genoten.

Tijd voor de weergave van het vraaggesprek dat we in tweede instantie via e-mail met elkaar voerden. In eerste instantie spraken we elkaar in het kader van een cd-opnarne, november vorig jaar, in Amsterdam. Vervolgens hebben we bij schrijver dezes thuis van gedachten gewisseld. Aan het eind van die dag ontstond het idee om het besprokene in de vorm van een vraaggesprek te gieten.

Had je verwacht dat je na je examen Uitvoerend Musicus zo’n mooie start zou maken in de orgelconcertwereld? 
Er is eigenlijk nooit sprake geweest van een bepaald startmoment. Al voor en tijdens mijn conservatoriumstudie werkte ik mee aan concerten; met name als koorbegeleider. Mijn eerste deelname aan een orgelconcours was ook al in 1989, ik was toen zestien jaar. Op die manier ben ik geleidelijk in het wereldje terechtgekomen; het behalen van het DM- en UM-diploma was in die zin geen afsluiting of begin van iets anders.
Door de succesvolle cd-producties rond de Edskes-orgels is een en ander wel in een soort stroomversnelling geraakt: ik krijg nu meer concerten aangeboden dan ik aan kan. Ook komt het buitenland nu nadrukkelijk in beeld.

Had je verwachtingen omtrent de vakstudie orgel en is die ook uitgekomen?
“Ook hier is sprake van een geleidelijke ontwikkeling; toen ik op m’n vijftiende aan de vooropleiding conservatorium in Groningen begon, zat ik nog helemaal in de bekende ‘Zwarthoek’. Daar heb ik ook nooit spijt van gehad; het is een goede muzikale basis geweest. Tijdens mijn studie ontdekte ik de enorme rijkdorm aan andere muziekstijlen; ik heb dan ook eindeloos lp’s en cd’s beluisterd, en daar menig spijbeluurtje voor benut
Achteraf bekeken is alles eigenlijk heel vanzelfsprekend gelopen, zonder dat ik daar van tevoren grote plannen of ideeën over had: ik wilde gewoon orgelspelen.”

Wat zijn tijdens je studietijd positieve en negatieve ervaringen geweest?
Het was een heel plezierige tijd op het conservatorium. Wel was het jammer dat de orgelschool in Groningen zo klein was (ik had maar één studiegenoot!); workshops, symposia en excursies waren daardoor totaal niet aan de orde. Wat dat betreft heb ik na mijn studie nog een enorme inhaalslag moeten maken om kennis te vergaren over alle verschillende orgeltypen met hun eigen speelmanier/registraties etc. Zulke dingen moet je uiteindelijk toch in de praktijk ervaren; een uurtje orgelles of methodiek in de week zet dan geen zoden aan de dijk. Van de orgellessen van Johan Beeftink, Jan Jongepier, Wim van Beek en Jos van Kooy heb ik veel geleerd; het was ook zeer verrijkend om verschillende docenten mee te maken. Dat zet je ook aan het denken over hoe je zelf les geeft. Het improviseren in verschillende stijlen is voor mij altijd volstrekt normaal geweest; het idee om er één stijl op na te houden is voor mij net zo absurd als het idee dat je werken van eën componist zou spelen. Als ik me verdiep in een bepaalde stijl, krijg ik ook onmiddellijk creatieve impulsen om in die stijl te improviseren.

Geef eens een schets van je muzikale ontwikkeling tijdens de vakstudie.
Ik zei al dat ik in m’n beginperiode nog duidelijk in de 'Zwart-hoek’ zat. Feike Asma was mijn grote idool: zijn lp’s heb ik grijs gedraaid. Toch vond ik bijvoorbeeld de ‘acht kleintjes’ van Bach ook prachtig toen ik die met een jaar of elf ging spelen. En Prelude, Fugue et Variation van Franck: wat een fantastische ervaring om die muziek te leren kennen! Geleidelijk aan ontdek je steeds meer diepere lagen in muziek, en ga je meer en meer je horizon verbreden.
Enkele speerpunten waren toch wel het ontdekken van mogelijkheden in de articulatie (Van Beek!) en de schoonheid van moderne muziek (Messiaen e.a.). Ook de enorme uitwerking die het beluisteren en ontleden van allerlei muziekstijlen en soorten (zeker niet alleen orgel!) op je spel heeft, is enorm. Hier kan ik met name nog de Engelse kathedraalkoren noemen: die hebben grote indruk op mij gemaakt.
Ook de inburgering in het Groninger orgellandschap is van wezenlijk belang geweest voor mijn muzikale vorming; je leert onnoemelijk veel van de omgang met oude instrumenten zoals in Krewerd, Kantens, Zeerijp, Uithuizen, Leens, Appingedam enzovoort.”

Welke docenten hebben een grote indruk achtergelaten?
“Hoewel Wim van Beek geen leraar was die graag en veel vertelde, heb ik met name op het gebied van toucher heel veel van hem geleerd. Zijn credo was en is: geen overbodige motoriek. Met name bij het pedaalspel is dit van groot belang; een kreet als ‘het rammelt te veel’ kon je dan ook vaak van hem horen.
De combinatie van deze lessen en het orgel van de Martinikerk te Groningen, waarop ik meestal les kreeg, zijn voor een belangrijk deel vormend geweest voor mijn huidige speelstijl. Van de lessen van Jan Jongepier is me vooral bijgebleven dat improviseren eigenlijk net zo werkt als literatuur; vorm, maat en stijlgetrouwheid zijn onontbeerlijk. Het analytisch luisteren is van het grootste belang om een zinvol muzikaal verhaal te vertellen. Jos van der Kooy was het tegenovergestelde van Wim van Beek; de meeste lessen hebben we gevuld met discussies over orgelgerelateerde zaken. Niet zelden waren we trouwens meer in een theologische debat verwikkeld dan dat er orgelnoten gekraakt werden. Juist die afwisseling en diversiteit heeft mijn studieperiode leerzaam gemaakt. Met Jos van der Kooy heb ik overigens nog steeds veel contact:
juist in zo’n drukke startperiode in de internationale orgelwereld geeft hij vaak goede en praktisch adviezen.
En natuurlijk de nieuwste moppen...”

Wat zou je graag veranderd zien in de (vak)opleidingen?
Ik zit als nog niet eens dertigjarige organist natuurlijk niet in een positie om gerenommeerde instellingen de les te lezen, maar vanuit mijn betrekkelijk korte praktijkervaring zijn me wel een paar dingen opgevallen. Wat ik mis in veel orgelopleidingen is het vak improviseren. Gelukkig komt hier wet steeds meer aandacht voor; op het Haagse conservatorium kon ik het zelfs als speciaal vak volgen, en er ook in afstuderen. Maar eigenlijk zouden muziekscholen er al mee moeten beginnen; alleen als je eigen creativiteit blijft ontwikkelen in samenhang met het leren spelen van literatuur, kun je werkelijk het ‘ambacht’ van improviseren onder (en boven) de knie krijgen. Als je het slechts als een soort uitlaatklep voor eigen(tijdse) creativiteit ziet, blijft het erg mager. Veel is natuurlijk afhankelijk van de docent: op een conservatorium waar ze een hoofdvakdocent orgel hebben die zelf veel en graag improviseert, zal de aandacht hiervoor ook groter zijn. Verder valt me op, dat veel (jonge) organisten de achtergrondkennis van orgelliteratuur missen. Dit komt met name doordat de link orgel — kerk steeds zwakker wordt. De meeste orgelmuziek (neem alleen al Bach) is met het oog op liturgische doeleinden geschreven, maar voor veel organisten is deze wereld totaal onbekend (geworden).
Als je muziek alleen interpreteert vanuit het notenbeeld, en geen kennis hebt van de koralen of de liturgische functie, kom je niet ver. Je ziet dit dan ook terug in concertprogramma’s: de samenhang is soms ver te zoeken. In feite is dat merkwaardig: juist nu is er zoveel studiemateriaal voorhanden!

Heb je het idee dat en een sterk ‘hokjesdenken’ is op de conservatoria?
We mogen over het algemene niveau van de orgelopleidingen in Nederland niet klagen, denk ik. Iedere orgeldocent heeft z’n eigen stijl, en draagt die ook uit . Dat kom je op concoursen veel tegen: een deelnemer kun je soms al heel snel plaatsen als leerling van die-en-die.
Om een voorbeeld te geven: de grote c-moll van Bruhns was één van de verplichte werken tijdens het Schnitger-concours te Alkmaar in 1999. De Amsterdamse school, om het zo maar uit te drukken, had een duidelijke visie op dit werk: je moest het van voor tot achter met een plenum spelen. Omdat er veel Amsterdamse studenten meededen, kwam het plenum dus erg vaak voorbij.
Op zich is er niets mis met een duidelijke opvatting; het wordt pas zorgelijk als het als de enig juiste opvatting gepresenteerd wordt. Ook moet je als orgelstudent al snel doorhebben dat er niet zoiets als een absolute waarheid bestaat als het om interpretaties van muziek gaat; wat vandaag actueel is, kan over tien jaar al weer ouderwets en achterhaald gevonden worden.

Kun je nog meer voorbeelden hiervan noemen?
Je kunt bij een interpretatie sterk vanuit de compositie denken, maar je kunt ook het instrument waarop je het uitvoert, centraal stellen. Op een groot en deftig stadsorgel als dat van Alkmaar speel je een triosonate anders dan wanneer je die in Leens speelt. Alleen al het verschil in toonhoogte van deze instrumenten en de akoestiek van de kerken: hoe ga je daarmee om?
Nog een praktijkvoorbeeld: ik deed mee aan het NCRV Brahms-/Schumann-concours in de Laurenskerk te Rotterdam. Nu is dit natuurlijk niet het meest ideale orgel voor deze muziek. Dan moet je een beslissing nemen: probeer ik de klankwereld van negentiende-eeuwse instrumenten te vertalen naar het Laurensorgel, of neem ik de mogelijkheden van dit instrument als uitgangspunt voor mijn Brahms-/Schumann-interpretatie?
Omdat ik koos voor het laatste — ik gebruikte zelfs een keer het chamadewerk — kun je op veel commentaar van juryleden rekenen. Ik probeer dus altijd bewuste keuzes te maken; uiteraard wel met kennis van zaken, want woeste fantasieën leiden meestal tot niets. Je moet in feite een balans zien te vinden tussen eigen muzikaliteit, de compositie en het instrument.

Zou jij nu iemand adviseren om een vakstudie orgel te gaan beginnen?
Als je het toespitst op de situatie van de arbeidsmarkt, kun je het niemand aanbevelen: rijk word je er niet van. Maar de bottom-line is Uiteindelijk toch: wat doe je met je talenten. Als iemand een buitengewone muzikaliteit aan de dag legt, vind ik dat je verplicht bent die te ontwikkelen. Per slot van rekening gaat je mens-zijn toch boven de praktische materiële zaken. Wel moet je offers kunnen en durven brengen: als je bijvoorbeeld al jong een gezin hebt te onderhouden, liggen je prioriteiten anders dan wanneer je nog vrij man bent. Veel is ook karaktergebonden: als je niet van hard werken houdt, niet stressbestendig bent of als je slecht tegen kritiek kunt, is het organistenvak zeker geen aanrader. Maar ben je idealist en leef je voor de muziek, dan kun je er ook een enorme voldoening in vinden!

Je hebt ervoor gekozen om veelvuldig aan concoursen mee te gaan doen. Was dit een bewuste keuze van jou of een advies van één van je leraren?
Concoursen hebben enkele zeer aantrekkelijke kanten: in korte tijd moet je veel literatuur studeren, je speelt meestal op interessante orgels, je hoort eens andere interpretaties en last but not least: je krijgt commentaar van diverse organisten. Natuurlijk maak je ook de nodige frustraties mee, maar met veertien prijzcn hoor je mij natuurlijk niet mopperen. Achteraf vind ik het eigenlijk best grappig dat het me bijna nooit lukte om eerste prijzen te krijgen: vaak was ik tweede of derde. Bijna altijd wist ik door eigenwijs spel wet weer één van de juryleden ernstig tegen me in het hannas te jagen

Hoe zijn die concoursen uiteindelijk bevallen? Uiteindelijk ben je, denk ik, zeer succesvol geweest, hoewel ik aanneem dat het Internationaal Improvisatieconcours te Haarlem nog wel op je verlanglijstje zal staan
Omdat ik mijn handen nu vol heb aan de vele concerten, heb ik besloten de concourswereld vaarwel te zeggen. Het heeft z’n functie gehad: ik heb veel literatuur en orgels leren kennen, veel speelervaring opgedaan en mijn naamsbekendheid is er groter door geworden. Alleen het Haarlemse concours blijft inderdaad op mijn verlanglijstje staan; bij een improviserende organist mag die prijs toch eigenlijk niet op z’n cv ontbreken ... Wel zal ik de sfeer, de contacten en de typische ‘concoursstress’ missen, maar ik hoop het nu wat vaker aan de andere kant van de jurytafel mee te maken. Dat is in ieder geval beter voor je bloeddruk.

Had je bij je eerste proefspel last van zenuwen of kon je er goed mee omgaan? 
Ik heb nog maar eén keen een proefspel hoeven af te leggen; ik was toen veertien jaar, en wilde organist van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) De Rank in Zuidhorn worden. Gelukkig was het geen professionele commissie, en werden er nauwelijks eisen gesteld, want als je me toen had horen spelen ... In een soort puberale onoverwinnelijkheid dacht ik in die tijd dat mijn spel al heel wat was, terwijl je pas tijdens een vakstudie in de gaten krijgt dat je nog maar zo bitter weinig weet. Inmiddels ben ik al vijftien jaar organist in Zuidhorn; het Van Vulpen-orgel heeft al heel wat van mij te verduren gehad.” Wat de zenuwen betreft: tijdens concoursen ben ik altijd zeer nerveus, maar bij concerten begin ik gelukkig zoveel routine te knijgen dat ik de zenuwen redelijk onder controle heb. inmiddels krijg ik steeds vaker het gevoel van er-zin-in-hebben, en dat komt zowel je eigen speelplezier als de kwaliteit van het spel ten goede.

Waar leg jij je het liefst op toe: lesgeven, concerteren, eventueel orgelbouwadviezen verstrekken, publiceren of een combinatie van die elementen? 
Hoewel ik een echte speler ben, zou ik de andere genoemde elementen van het vak niet willen missen. Voor wat het lesgeven betreft vind ik met name het geven van improvisatieles erg leuk. Maar ook het coachen van de muzikale ontwikkeling bij kinderen is prachtig werk.
Het inwendige van orgels boeide mij als kind al; ik ben dan ook een echte orgelbouwfanaat geworden. Ik geloof dus niet dat ik voor één element zou kunnen kiezen, zonder iets anders te missen. Ook het begeleiden van koren en het samenwerken met andere muzikanten doe ik graag: anders word je als organist al snel een Einzelgänger.

Meer informatie over Sietze de Vries www.sietzedevries.nl