Boekbespreking: Jon Laukvik Historical Performance Practice in Organ Playing

In 1990 kwam van de hand van de Noor Jon Laukvik de eerste uitgave op de markt getiteld: Orgelschule zur historischen Auffuhrungspraxis, die in 1996 in het Engels werd vertaald. Deze vertaling werd door Carus Verlag Stuttgart ter recensie aangeboden.
De uitgave bestaat uit een uitvoerig (318 pagina’s) tekstgedeelte en een muziekdeel.
Het tekstdeel geeft inzicht in alle mogelijke aspecten van de historische uitvoeringspraktijk. Laukvik, die in Oslo, Keulen en Parijs heeft gestudeerd en thans werkzaam is aan de Staatliche Hochschule für Musik und Darstellende Kunst in Stuttgart, gaat integer en concreet met gegevens om. Zo relativeert hij al op de eerste pagina van zijn voorwoord de term ‘historische uitvoeringspraktijk’ in een voetnoot als volgt (p.9): "Ik gebruik de term historische uitvoeringspraktijk niet graag, omdat ik heel goed weet dat een levendige interpretatie nooit ‘historisch’ kan zijn (zoals een opname van een interpretatie) maar fris van de lever ontstaat op het moment van presentatie. Echter, deze term is algemeen aanvaard, dus zal ik haar bezigen.”
Het boek is overzichtelijk opgebouwd. Na een voorwoord van zeven pagina’s komt een lijst van drie pagina’s met bronvermeldingen die Laukvik een afkorting meegeeft, zodat hij er in de hoofdtekst gemakkelijk naar kan verwijzen en er geen lijst met voetnoten nodig
is.
Daarna komt het eerste hoofdstuk, dat is gewijd aan techniek, toonvorming, articulatie, oude vingerzetting, pedaaltechniek en het grammaticale accent, de vingerzetting uit de laatbarok en articulatiecursus II. In het tweede hoofdstuk, getiteld ‘Algemene muzikale opvattingen’, behandelt de auteur achtereenvolgens: Metrum en tempo — Agogiek — Frase ring — Versieringen en andere tekens in de partituur — Het vraagstuk stemming.
Het derde hoofdstuk, getiteld ‘Praktijk’ bevat hoofdstukken als ‘Praktijk als meditatie’ (jawel) — Basale procedures — Noteren van vinger- en pedaalzetting — Verdere suggesties — Praktische omgang met versieringen. Vervolgens behandelt Laukvik in het tweede deel van het boek (vanaf pagina 1 13) per land afzonderlijk de orgelmuziek uit de barok: Italië, Nederland en Noord-Duitsland, Frankrijk, Zuid- en Midden-Duitsland, Spanje en Portugal en ten slotte Engeland. Een apart hoofdstuk is gewijd aan j.S. Bach en de laat-barokke periode in Duitsland.
Het laatste hoofdstuk behandelt de klassieke periode van Carl Philipp Emanuel Bach, via Wolfgang Amadeus Mozart tot: ‘Other noteworthy composers’. Overigens heeft Laukvik voor dit laatste onderdeel (‘Andere noemenswaardige componisten’) slechts anderhalve (!) pagina nodig om de uiteraard summiere algemene informatie te geven over vier componisten. J.G. Walther, waarbij Laukvik aangeeft dat de “Schneller” (de ‘sleep’) bij Walther niet op maar vóór de tel komt; G.P. Telemann, waarover Laukvik niet meer weet te vertellen dan dat Telemann koraalpreludes en fugae naliet die gedeeltelijk zijn geschreven in de galante stijl. Dat is informatie met een groot ‘open deur’-gehalte, die de inhoud van dit boek ontsiert. Nog bonter maakt Laukvik het met G.F. Händel (in het Duits gespeld) waarover Laukvik niets beters heeft te melden dan dat de zes Grosse Fugen op orgel kunnen worden uitgevoerd. Niets over de echtheid de problemen rond het auteurschap, (men noteerde de naam Handel ook wel eens boven andere muziek dan die van Handel); niets over de wijze van uitgeven (is het nu wel of geen specifieke orgelmuziek en hoe zit het nu met het pedaalgebruik bij Handel? Over G.F. Kauffmann (1679-1735 ) wordt vermeld: “behoort in vele opzichten als auteur vermeld te worden vanwege zijn zeer opmerkelijk registratieaanwijzingen in zijn Harmonischen Seelenlust (Leipzig 1733). Hij gebruikt het teken + als teken voor een triller (beginnend op de toon boven de hoofdnoot).” Registraties verstrekt Laukvik hierbij niet als illustratie en dat is jammer. Niets over het gegeven dat Kauffmann in zijn trio’s soms de mogelijkheid vermeldt dat delen van zijn trio’s een octaaf lager gespeeld kunnen worden, hetgeen Kauffmanns soms curieuze registratie verklaart. Op de desbetreffende pagina was nog voldoende ruimte om deze interessante gegevens af te drukken, een gemiste kans.
Aan het slot geeft Laukvik ook een uitvoerige lijst met muziekedities, compleet met de namen van uitgever en uitgaveverzorger. De lijst kan uiteraard nooit compleet zijn, maar het is handig om te weten welke edities Laukvik de moeite waard acht. Anderzijds is zijn keuze wel erg bepaald door het aanbod van voornamelijk Duitse uitgevershuizen.
Deze kritiek zou haast aangeven dat dit boek vol slordigheden en omissies zit, maar dat is niet het geval. Integendeel, het boek is een uitstekende gids voor organisten die klip en klaar willen weten hoe het zit met het uitvoeren van historische orgelmuziek. Vanwege de overzichtelijkheid van het boek vindt men snel zijn of haar weg in de veelheid aan informatie. Ook in zijn voorwoord en epiloog en in zijn beknopte inleidingen bij nieuwe hoofdstukken geeft Laukvik behartenswaardige algemene informatie. Een aantal opmerkelijke of zeer goed onder woorden gebrachte elementen vergezellen deze bespreking en zijn in een kader hierboven weergegeven.
Het boek kan diensten bewijzen aan organisten die kiezen voor zelfstudie. Je kunt heel wat individuele lestijd besparen wanneer je voorafgaand aan de orgelles de inhoud van dit boek bestudeert. Ook diegenen die niet (meer) met orgelstudie bezig zijn, maar zich wel willen blijven oriënteren via geluidsopnamen, concerten en dergelijke, kunnen met dit boek hun kennis van het orgelspelmetier verdiepen, hetgeen het onderscheidingsvermogen kan doen toenemen, zoals dit zo fraai heet.
Het boek is de enigszins prijzige aanschaf (circa f 175,00) wel waard. Het is verzorgd uitgeven op gebroken wit papier, gebonden met stofomslag. De gedetailleerde index heeft een overzichtelijke opzet. Men zal of Duits of Engels moeten kunnen lezen. Het tweede deel dat alleen orgelmuziek bevat, is ook afzonderlijk verkrijgbaar. De aanschaf van dit tweede deel is niet perse noodzakelijk, zeker niet indien men al een redelijk gevulde bibliotheek heeft.
in het derde hoofdstuk (pagina 102) treft men onderstaande kernachtige uitspraken van Laukvik aan: “Oefening behoort een soort meditatie te zijn en niet alleen maar een proces om foute noten te voorkomen.”
“Hoe iedere individuele speler oefent, hangt af van zijn persoonlijkheid. Er zijn — eenvoudig gesteld — ‘denkers’ en ‘voelers’.”
“Analyse behoort voor beiden belangrijk te zijn: het eerste type zal analyse als startpunt gebruiken, de tweede zal het verwerven via constante studie van het werk.”

N.a.v. Jon Laukvik, Historical Performance Practice in Organ Playing - 
An Introduction based on selected Organ Works of the 16th- 18th Centuries Volume I (text). 
Vertaling door Brigitte en Michael Harris van Orgelschule zur historischen Auffuhrungspraxis.
Uitgave Carus Verlag, Stuttgart, 1996. (Carus CV 60.003) ISBN 33-923053-49-5.
Prijs f 175,00.  (tegenwoordig EUR 85,-)
Verkrijgbaar bij de gesorteerde muziekboekhandel.