Barokke orgelpracht in de Kloosterkerk te Salzgitter-Ringelheim.



Het front met het engelenorkest. Opvallend de royale, vrij uitslaande vleugels van de engelen, de forse arend op het rugwerk en de schuin tegen de kerkwand geplaatste pedaaltorens. Ook de gouden lijsten tussen de pijpenvelden, het verfijnde lofwerk aan rugwerk en pedaaltorens en de vier koppen (twee zijn zichtbaar) onder de hoofdwerkvelden verlenen dit front grandeur. Onder de pijpenvelden van het hoofdwerk, links en rechts van de speeltafel, ziet men de klankgaten waarachter zich de pedaalladen bevinden met onder andere origineel Orgelfnstoi te

In Ringelheim, in het zuiden van Niedersachsen (ten zuidoosten van Hannover), staat een van de weinige orgels in deze streek die zijn overgebleven van het glorierijke orgelverleden rond 1700. Het is de periode waarin de nestor van de orgelbouw, Arp Schnitger (1648-1710) zijn triomfen vierde met alleen al in en rondom Hamburg zo’n twintig (!) instrumenten. Dat ook collega’s van Schnitger de orgelbouw op dit hoge niveau meester waren, hebben Andreas Schweimb in 1696 (hoofdwerk met pedaal) en zijn meestergezel Johann Jacob John (rugwerk) in Ringelheim bewezen. Niet alleen hebben verschillende bouwers dit orgel gestalte gegeven, maar ook bevatte het instrument zowel springladen (hoofdwerk en het daaronder gelegen pedaal) als sleepladen (rugwerk en pedaaltorens).
Twee jaar geleden concerteerde Willem van Twillert op dit interessante orgel. Hij maakte aansluitend foto’s en tekende de bewogen bouwgeschiedenis van het instrument op.


Via voorafgaande briefwisseling met concert organisator en collega Manfred Theilen uit Berlijn, naar aanleiding van een concertuitnodiging, kreeg ik van het Scbweimb-orgel (1696) slechts een vage indruk. Toen ik evenwel op 24 mei 1997 de kerkruimte betrad en het werkelijk magnifieke front zag, ontroerde me dat. Wat een mooi vak, organist zijn, flitste het door me heen. Morgen krijg ik de mogelijkheid dit instrument in optima forma in een concert te laten horen. Een goede organisatie, veel belangstelling, kortom; dit geeft een goed gevoel.

Aan het eenvoudige plaatsje Ringelheim is het op het eerste gezicht niet af te zien dat zich daar een groot, fraai kloostercomplex bevindt met een van kunstschatten voorziene kloosterkerk, gelegen in een royaal, zij het verwaarloosd park. Ook Manfred Theilen, artistiek leider van de Ringelheimer Orgeltage, was ruim tien jaar geleden verbaasd. Verbaasd, zo vertelde hij mij, omdat er niets met het orgel werd gedaan. Hij besloot daar verandering in te brengen. Dit resulteerde in de genoemde Orgeltage, een jaarlijkse reeks van vier orgelconcerten in mei, die vorig jaar voor de achtste maal met veel succes (de kerk was steeds volledig bezet) werd gehouden. Het orgel heeft een zo interessante en bewogen geschiedenis, dat ik besloot van dit orgel een beschrijving te maken. Foto’s zullen in dit artikel dan ook mede het verhaal vertellen.

SCHEIMB: HOOFDWERK EN PEDAAL
Lang was de bouwgeschiedenis van het in 1696 gebouwde orgel in de voormalige kloosterkerk St. Abdon und Sennen in Ringelheim in nevelen gehuld. Met de eer van de vaststelling van de bouwer en het bouwjaartal mocht de Groningse organoloog Cor Edskes gaan strijken. Hij stelde op basis van overeenkomsten in bouwwijze vast, dat Andreas Schweimb (1654-170 1) de maker moet zijn geweest. Volledige zekerheid is er overigens niet. In een pijp van de Rohrfloit 8’ werd het gegraveerde jaartal 1696 gevonden. Schweimb maakte ook het pedaal, waarvan het pijpwerk een plaats kreeg onder de beide hoofdwerkladen. Ook de pedaalladen met de registertrekkers waren dubbel gemaakt, verdeeld in een C- en Cis-kant (zie dispositie). De klank ontplooit zich via twee roosters opzij van de speeltafel (zie o.a. foto frontaanzicht). Schweimb bouwde springladen (in 1869 vervangen) en werkte vanuit Einbeck, het belangrijkste orgelbouwcentrum in het zuidelijk deel van Niedersachsen. Zijn grootste orgels maakte hij aan het eind van zijn leven.

JOHN: RUGWERK EN VOX HUMANA
Het rugwerk en de Vox Humana zijn kort na Schweimbs dood hoogstwaarschijnlijk toegevoegd door Johan Jacob John (1668-1707), die meestergezel was van Schweimb en trouwde met Schweimbs weduwe. De rugwerklade is origineel.
Johann Jacob John stond ook zijn mannetje als orgelbouwer. Hij maakte een van de allergrootste instrumenten in Westfalen, namelijk het 48 stemmen tellende, driemanualige orgel met pedaal van de voormalige ‘Zisterzienscr-Klosterkirche’ in Hardehausen. De Vox Humana is wel toegeschreven aan Arp Schnitger, omdat de beker en het deksel met de vijf gaten veel gelijkenis vertoont met schalbekers van Schnitger. Beroemdste voorbeeld: de Vox humana in het Schnitger-orgel van de Jacobikerk te Hamburg. Cor Edskes constateerde hier dat het binnenste van de schalbeker geen gelijkenis vertoont met het werk van Schnitger. Ook is de stevel van deze Vox Humana van metaal, terwijl deze bij Arp Schnitger daarentegen steeds van hout is. Johan Jacob John mocht klaarblijkelijk ooit wel een Vox Humana van Schnitger bekijken en opmeten, maar de dichtgesoldeerde beker openen, dat was een ander verhaal en niet aan de orde. We weten dat Arp Schnitger alleen zijn medewerker Johann Matthias Neumann werk gunde en John als concurrent op afstand hield, getuige het onderstaande citaat.
John schreef, naar aanleiding van de vertraging die hij had opgelopen bij de levering van een 34 registers tellend orgel in de ‘Stiftskirche’ van de ‘Augustinerchorherren zu Riechenberg’ bij Goslar, aan zijn advocaat (hij was in een rechtszaak verwikkeld geraakt naar aanleiding van deze vertraging):
Denn sie sind mir allerseits ohne Ursache feind, und Herr Schnitger will durchaus nicht haben, dass ein anderer als er und seine Creaturen sollen einen Posaunenhass à 32 Fuss machen, eben als wenn solches mehr Kunst als Mühe und Arbeit verursachte.
(Citaat overgenomen uit: Orgeln in Niedersachsen, pag. 75, zie ook literatuurlijst)
Opmerking Cor Edskes (3-11-97): “Of John het orgel in 1707 nog heeft kunnen voltooien blijft onzeker. Het lijkt erop, dat Johns opvolgers dan wel de Schnitger-leerling Joh. Matth. Neumann uit Hildesheim het werk hebben afgemaakt.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd de Vox humana voor studie uitgeleend aan het Orgelbouwbedrijf Klais. Na locatie door Edskes via onder andere speurwerk in archieven, werd de Vox humana in 1992 geïdentificeerd en na restauratie in 1994 weer teruggeplaatst.

MIDDEN 18E EEUW
Rond 1750 werd het orgel uitgebreid met pedaaltorens, met daarin Prestant 16’, een houten Violon 16’ en een Quinta 10 2/3’. De registertrekkers van deze drie pedaalregisters werden dubbel gemaakt. Een voor de C- en een voor Cis-lade. De anonieme orgelmaker plaatste de pedaaltorens schuin tegen de wand omdat hij met ruimtegebrek worstelde, zodoende ontstond een fraai, harmonieus geheel. Het oorspronkelijke pedaal van Schweimb onder het hoofdwerk bleef gehandhaafd.
Het interieur van de kerk is omstreeks 1796 in classicistische stijl omgebouwd.
In de 19e eeuw moesten de Mixtuur en de Nachthorn 2’ in het pedaal het veld ruimen ten gunste van een Quinta 5 1/3’. De Sesquialtera in het rugwerk werd voor een Flute travers 8’ ingewisseld. Uiteindelijk verdwenen (in 1869) ook de beide springladen door toedoen van de orgelbouwer Hans Meyer uit Hannover. Hij plaatste er sleepladen. Ook werden de registertrekkers van het rugwerk, die oorspronkelijk aan de achterwand van het rugwerk vastzaten, veranderd. De registertrekkers verhuisden naar de wand van het hoofdwerk. Twee tongwerken werd het zwijgen opgelegd, maar dit pijpwerk — de Cornet 2’ van het pedaal en de Vox Humana van het hoofdwerk — werd gelukkig in de orgelkas bewaard.

1959
De ‘restauratie’ die het ingrijpendst was, met meeste verlies aan historisch materiaal, werd verricht door Otto Dutkowski uit Braunschweig in 1958/1959. Niet gehinderd door gedetailleerde kennis van zaken zag hij de 18e-eeuwse pedaalregisters Violon 16’ en Quinte 10 2/3’ aan voor romantische aanvullingen! Dit pijpwerk vernietigde hij. Hoe is het mogelijk, denk je dan. Ook verlaagde Dutkowski de winddruk en, nog ingrijpender: hij verlaagde de opsneden van de labia, terwijl hij het hoogste octaaf van de prestanten vernieuwde met fabriekspijpwerk.
Achter de hoofdwerkkas zijn boven het gangpad twee houten baspijpen opgeslagen. Voor zover ik kon nagaan zijn het twee pijpen van de Violon 16’ van het pedaal, die van een onbekend gebleven orgelbouwer uit het midden van de 18e eeuw stammen. In 1958/59 werd dit register samen met de Quinte 10 2/3’ door Dutkowski gesloopt. De pedaaltorens zijn rond 1750 aan het orgel gebouwd door een onbekende meester, alleen de Prestant 16’ is hiervan nog oorspronkelijk.
Veel kernen werden vervangen, waardoor het 17e-18e eeuws pijpwerk wezenlijke materiële verliezen moest incasseren die niet meer volledig zijn te herstellen.
De intonatie werd eveneens ingrijpend gewijzigd. Zo werd opzettelijk ‘spuck’ gecreëerd bij de aanspraak — een jaren-zestig-methode om via spuck het toen gangbare legatospel te verduidelijken. Kortom: pijpen en windladen werden naar de smaak van Dutkowski omgewerkt. Acht registers werden geheel en twee van de 32 gedeeltelijk nieuw geplaatst. De frontpijpen en vijf (!) tongwerken bleven geheel bewaard. Zie voor verdere details het dispositie-overzicht. Mechaniek en speeltafel werden vernieuwd. Een ramp voor het instrument.
De balgstoel staat in een zijvertrek een verdieping lager dan het orgel. Via een lang windkanaal krijgt het orgel de wind van vier spaanbalgen. De voorziening voor orgeltrappers is nog grotendeels aanwezig, maar buiten gebruik gesteld.

1974/1975
15 jaar later, in 1974/1975, werd onder adviseurschap van de Hildesheimer domorganist Fritz Soddermann, overgegaan tot restauratie van de restanten van het binnenwerk en tot reconstructie van het verloren gegane deel. Nieuw was het besluit om twee pedaalkoppels aan te leggen. De gebroeders Hillebrand uit Hannover kregen hiertoe de opdracht. De tractuur werd hierbij opnieuw aangelegd.
lijk. Ook deze orgelbouwers leverden een restauratie af die neo-barokke elementen vertoonde, de klank werd —algemeen gesteld — te glad, de 17e-eeuwse ruigheid kwam niet terug. Met enige fantasie kan men nog een echo beluisteren van de stoere, maar ook ingehouden grandeur van de tongwerken, de subtiele klank van de originele frontprestanten en het mooie prestantenkoor tot en met 2’. Een afsluitende restauratie is gepland. Overigens wil ik hier vermelden dat dit artikel over het orgel te Ringelheim niet de pretentie draagt om de jaren zeventig-restauratie te beoordelen. Beoogd is meer om de interessante bouwgeschiedenis van dit instrument te verhalen. Met het herstel van het orgel te Ringelheim in 1974/1975 heeft Cor Edskes overigens geen enkele bemoeienis gehad.

1994
In 1994 keerde de Vox Humana op de eigen stek terug. Dankzij, zoals eerder gezegd, speurwerk van Cor Edskes kon de Vox humana als die van Ringelheim worden geïdentificeerd, gerestaureerd en herplaatst, “... jammer genoeg niet op de oorspronkelijke windladen”, aldus Cor Edskes in zijn reactie op het concept van dit artikel. -

Dispositie:

Manualwerk 

(CD-c3)

Rückpositiv 

(CD-c3)

Pedal 

(CD-d)

Principal

8' S

Principal

4' J Principal 16' O

Quintadena

16 S

Gedackt

8' J Violon 16' H

Viola di Gamba

8' S

Spitzflöt

4' J

Subbass

16' S

Rohrfloit

8' S

Quinta

3' J Quint 10 2/3' H

Octava

4' S

Octava

2' J

Octava

8' S

Quinta

3' S,D,H

Sesquialtera

II H

Octava

4' S

Octava

2 H 

Quinta

1 1/2' J D

Nachthorn

2' H 

Mixtur

V H

Scharf

IV H

Mixtur

IV H

Trompete

8' H

Dulcian (Hobo)

8' J

Posaune

16' S

Vox humana

8' J

Regal (Krumbhorn)

8' J

Trompete

8' S
       

Cornet

2' S

Pedaaltorens: Principal 16', Violon 16', Quinte 10 2/3'
HW+Pedaal onder: Schweimb 1690
RW: John rond 1700 +onbekende orgelbouwer rond 1750
Ped.: Onbekende orgelbouwer rond 1750
HW-laden: M
RW-lade: J
Ped.lade: onder S
Ped.lade zijtorens: 0

S Andreas Schweimb 1696
J = Johann Jacob John (1 707)en rond 1750
0 = onbekende meester rond 1750
M = Meyer 1869
D = Dutkowski 1958/59
H = Hillebrand 1975

Tremulanten voor manuaal en rugpositief (oorspronkelijk een Tremulant voor het gehele werk)
Twee Cimbelsterren (Altster, mechanisme en klokken van Hillebrand)
Manuaalkoppel (oorspronkelijk schuifkoppel, tegenwoordig moderne bouwmethode), twee pedaalkoppels (nieuw van Hillebrand)
Stemming: a1= 499,5 Hz (ruim een hele toon boven de huidige kamertoon).
Gelijkzwevende temperatuur. (M. Sander schrijft in Cd-boekje dat er een stemming aanwezig is naar Werckmeister III)
Winddruk 8’ mm. wk.

Literatuur: