Restauratie het Van Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk te Leiden anno 1998 (II) (Link naar het eerste artikel)

VERSCHUEREN 1994-1998
De onderkas maakte Verschueren geheel nieuw vanwege de insnoering door Van Leeuwen. Ook de windvoorziening (zes spaanbalgen en een trapinstallatie), de klaviatuur en het regeerwerk zijn nieuw. Voor de aanleg van de kanalisatie was het enige aanknopingspunt de opening in de ventielkast van de onderk den van het bovenwerk en rugwerk. In het hoofdwerk bevinden zich twee basladen plus een discantlade (vanaf dis De discantlade ligt iets hoger. Achter de hoofdwerkladen, op het niveau van de basladen van het hoofdwerk, ligt de lade voor de trompet 16’ van het pedaal. Boven de discantlade ligt de pedaallade waarop de Trompet 8’ staat. De onder- en bovenladen van bovenwerk en rugwerk zijn oud, alle overige laden zijn nieuw gemaakt. 63% van het pijpwerk is gereconstrueerd, zeven van de vijfendertig registers zijn geheel nieuw (opgave Leon Vcrschueren).

DE KASSEN
In de encyclopedie Het Historische Orgel in Nederland 1479-1729 (deel I) behandelt dr. Arjen Looyenga de kunsthistorische aspecten van de orgelkassen. Looyenga vergelijkt ook fronten van tijdgenoten. Over het rugwerk in de Pieterskerk vertelt hij het volgende: “Het rugpositief zelf (1628) is een vereenvoudigde versie van het rugwerktype zoals dat in de 16e eeuw tot ontwikkeling kwam. Het vertoont in opbouw enige overeenkomsten met het rugwerk van de St-Jan in Den Bosch. Het belangrijkste verschil is de plaatsing van de spitstorens: in Den Bosch overhoeks, hier recht. Deze opzet zou school maken. De ornamentiek is zeer rijk. Het gehele Renaissance-repertoire is vertegenwoordigd: bladranken, beslagwerk etc.”.
De hoofdwerkkas is een voorbeeld van het Hollandse classicisme, waarvan ook de fronten van Jacob van Kampen (1596-1657) in Alkmaar en in de Nieuwe Kerk te Amsterdam getuigen. De architect die vrijwel zeker de hoofdkas in de Pieterskerk te Leiden ontwierp heet Arent van ‘s-Gravesande (ca. 1599-1662). Hij was stadsbouwmeester van Leiden, waar hij ook de Lakenhal en de Marekerk schiep.
Vooral de bekroning met het tempel-front (timpaan), de consequente verhoudingen in de maatvoering en de drie als zuilen fungerende pijpentorens zijn typerend voor de classicistische stijl. De buitenste torens zijn in twee verdiepingen verdeeld, terwijl de imponerende middentoren optisch is onderverdeeld door een band.

EERSTE INDRUK (15 EN 22 NOVEMBER 1998)
De firma Verschueren is er optimaal —en dat is waarlijk geen geringe prestatie— in geslaagd te restaureren binnen de stijl. Men is erin geslaagd de essentie te treffen die de deskundigen en de orgelbouwers voor ogen stond. De denkwereld, voor zover valt na te gaan vanuit het werk van Van Hagerbeer, werd begrepen, en van daaruit werd gewerkt. Het pijpwerk klinkt ontspannen en goed resonerend. Dat er zo veel pijpwerk gereconstrueerd is, valt niet te horen. Een schitterende prestatie. De klank is wat je verwacht bij loden, gehamerde pijpen: vocaal, grondtoonrijk en fraai gesloten in de diverse combinaties. De renaissancecombinatie Quintadeen 8’ + Sifflet 1’ in het rugwerk klinkt innemend, speels en krachtiger van klank dan je op het oog zou vermoeden. De plena klinken zonder uitzondering overtuigend en rustig in de harmonischen (boventonen).

BLIKKEN SCHALBEKERS
De tongwerken bezitten een eigen timbre — vanwege onder andere de blikken (!) schalbekers — dat meteen ‘in het oor springt’: kruidig, helder en toch grondtoonrijk, kortom een bijzonder spectrum.
Het vervaardigen van blikken schalbekers is een lastig karwei. Blik, (vertind ijzer, hetzelfde materiaal als een conservenblik), is moeilijk te solderen en rond te zetten. Er worden steeds korte stukken in elkaar geschoven, die vervolgens tot één geheel worden gesoldeerd. Het solderen van blik gebeurt niet door de uiteinden tegen elkaar te leggen en door middel van een soldeernaad te verbinden, zoals bij pijpen van orgelmetaal, maar door de blikken uiteinden te laten overlappen en dan te solderen (kijk maar naar de naad van een conservenblik). De Trompet 24’ heeft bij de laagste toon een bekerlengte van zo’n 5.50 meter. Blikken schalbekers komen ook voor bij de Trompettes en Clairons van de Gentse orgelmakers Lambertus van Peteghem (1742-1807). Verschueren restaureerde onder meer het Van Peteghem-orgel te Semmerzake. Te Oostkamp reconstrueerde Verschueren een Van den Eyndeorgel (1716/17), waarin ook blikken bekers zijn toegepast. (02) Bij de Vlaamse blikken bekers is de bovenzijde van lood gemaakt, hetgeen is gedaan om de klankkleur te beïnvloeden. In de Pieterskerk te Leiden zijn de bekers geheel van blik gemaakt. Heb je deze klank van blikken tongwerken eenmaal in je oren, dan zal men deze specifieke klank direct kunnen thuisbrengen als karakteristiek voor het Van Hagerbeer-orgel te Leiden.
Het orgel van de begijnhofkapel te Kortrijk heeft ook blikken bekers voor het tongwerk. Zie fotoreportage.

TWEEDE INDRUK (6 JANUARI 1999)
Wat op mij bijzondere indruk maakt is de welhaast perfecte balans en versmelting van de verschillende registers. Wanneer men de Trompetten afzonderlijk beluistert, is het genieten geblazen van de volle rijke wòh-toon van de Schalmei 8’ in het rugwerk. Dit is de enige Trompet 8’, die geen blikken bekers heeft, daarom wellicht Schalmei 8’ genoemd. De wat verderaf klinkende en meer kruidige toon gevende Trompet 8’ van het hoofd-werk contrasteert subtiel met de dragende, maar toch ingehouden en interessant ‘gepeperde’ toon van die van het bovenwerk. De klankverhouding blijft fraai in stand. De Prestant 8’ van het rugwerk wint het weer in klankvolume. De hoofdwerkprestant 8’ is ingetogener, terwijl die van het bovenwerk weer verrassend de ruimte in wordt ‘gedragen’. Waarschijnlijk wordt de klankuitstraling van het bovenwerk positief beïnvloed door het plafond van de kerk. Het rugwerk is dus het meest krachtig en aanwezig, gevolgd door het bovenwerk. Het hoofdwerk zorgt voor het juiste evenwicht tussen beide andere werken, een boeiend klankspel. Boeiend is ook het verschil tussen de Sesquialters. Die van het rugwerk is, net als de Prestant, qua volume de sterkste, terwijl de Sesquialter van het bovenwerk een duidelijk ander timbre en volume heeft, zonder dat het karakter ervan is aangetast. De Cornet met Prestantenmensuur is een wondertje, evenals de pedaaltrompet 16’ en 8’. Wat een fenomenale tongwerken en wat een perfecte aanspraak! Over tongwerken gesproken: had de Schalmei 8’ niet beter Trompet 8’ kunnen heten? Aan de oude stevels (1518) zijn zowel aan de onder- als bovenkant stukken nieuw aangezet. Voor een deel zijn de lepels nog van Jan van Covelens. De Mixturen van hoofdwerk en rugwerk zijn mooi in balans en schitterend qua versmelting, ook wanneer de Groot en/of Klein Scherp erbij wordt getrokken. Trekt men het gehele mixtuur- en scherpconsort open, dan ontvouwt zich een spectaculair geluid. Typerend voor dergelijke grootse stadsorgels is het grote aantal koren waaruit de mixturen en scherpen bestaan. Het publiek moest zich verbazen over — en vermaken met —het meest krachtig klinkende instrument dat in deze tijd voorhanden was. Een fraaie solostem wordt gevormd door de combinatie Prestant 8’, Octaaf 4’, Octaaf 2’, Nasard 1 /2’, eventueel aangevuld met de Tertiaan, op het hoofdwerk begeleid met de Prestant 16’, 8’ en 4’. De Prestant 16’ geeft in de twee laagste tonen (contra F en G) geen grondtoon, maar een quint, dit vereist nog correctie.
Alle pijpen komen natuurlijk en soepel in de grondtoon tot klank. Zoals het een renaissance-orgel past is de klankgeving in evenwicht; de presentie in de kerk is weliswaar niet overdonderend, maar innemend, karakteristiek en verre van saai. En dit ondanks de ontpleisterde bakstenen muren, een tijdelijke dwaling van de Rijksdienst voor Monumentenzorg in de eerste helft van deze eeuw. Ook Alkmaar bezat afgebikte binnenmuren, maar die zijn enkele jaren geleden opnieuw bepleisterd, waardoor het Van Hagerbeer/Caspar Schnitger-orgel in de St. Laurenskerk thans veel beter ‘van de muur’ klinkt. Uren kun je op dit fameus gerestaureerde instrument muzikaal vertoeven. Verschueren heeft weer een hogere standaard geleverd in de kwaliteit van de restauratie en reconstructie van historische instrumenten. Dit is niet alleen orgelbouw, maar ook orgelbouwkunst. Lang niet alle registers heb ik nu besproken. De fraaie, slanke toon van de Gemshoorn 2’ van het bovenwerk mag ik echter niet vergeten te noemen.

SPEELAARD
De speelaard is zonder meer goed te noemen. Ondanks de lange overbrenging naar het bovenwerk loopt het speelmechaniek prettig en behoudt het een natuurlijk toucher. De klankwerking van het bovenwerk gaat overigens grotendeels over de speler heen, zodat het orgel zijn speeltechnische eigenschappen niet meteen prijs geeft. Toen ik er op 6 januari was, kreeg ik de indruk dat de diepgang van het rugwerk wellicht iets minder kon. De boventoetsen zijn bij de uiteinden haaks afgewerkt, misschien iets te haaks, maar wanneer er veel op gespeeld wordt slijten die scherpe kanten er wel af.
Het pedaal koppelt vanzelf een octaaf lager door naar het hoofdwerk. Dat kan vanwege de vijf lage toetsen onder groot C op het hoofdwerk. Omdat de pedaalkoppel niet uitschakelbaar is, is het te betreuren dat er geen afsluiter op het hoofdwerk is aangebracht, omdat nu veel meer moet worden geregistreerd. Een afsluiter op het hoofdwerk zou het pedaal dus veel gemakkelijker registreerbaar gemaakt hebben. (Voorzag het oorspronkelijke concept niet in een afsluiter?) De registers moeten alle ingehaakt worden en dat werkt uitstekend.

BESCHILDERING
De plannen voor beschildering van de kas zijn in een vergevorderd stadium. Op de linkerstijl van het hoofdwerk is een proef genomen den aanzien van de beschildering. Na verwijdering van de verlagen bleek een restant van de oorspronkelijke beschildering met allerlei kransen en ranken aanwezig te zijn (zie ook de Orgelvriend van december 1996, blz. 14/15). Dit zal worden gereconstrueerd, maar dit is tijdrovend vanwege het vele extra werk dat het werken met sjablonen met zich meebrengt. De vraag dringt zich op: verwijdert men de verflagen? Dit zal niet gebeuren. De oorspronkelijke beschildering wordt op de huidige schilderlaag aangebracht. Zodoende kan men later, zonodig, deze jongste schilderlaag weer verwijderen, om vervolgens weer met betere technieken te kunnen werken.
De deuren voor het hoofdwerk zullen pas worden aangebracht wanneer de juiste constructiewijze bekend is.


CONCLUSIE
Het 3,2 miljoen kostende restauratieproject is te Leiden een klinkend succes. Het lijkt erop dat de hoge kwaliteit van het werk van de rijksadviseurs, die zich volgens Verschueren bijzonder veel moeite hebben getroost en vele voorbeelden van Van Hagerbeer-pijpwerk ten behoeve van om. de intonatie hebben aangedragen, en de andere adviseurs een zeer vruchtbare wisselwerking tot gevolg heeft gehad met betrekking tot Verschueren orgelbouw. (03) Orgelliefhebbers: ga allen luisteren! De avondconcerten van april t/m juni en de lunchconcerten in juni en juli zijn daarvoor uitgelezen momenten.

Noten:

  1. Niet alle technische gegevens betreffende deze restauratie/reconstructie waren op het moment van schrijven beschikbaar. Deze gegevens zullen worden gepubliceerd in de monografie Een stadsorgel uit de Gouden Eeuw: Het Van Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk te Leiden.
  2. Zie ook Peter van Dijk, ‘Continuiteit en ontwikkeling —Recent werk van Verschueren Orgelbouw’, in Het Orgel, april 1995, blz, 133-141.
  3. Het merendeel van Verschueren recente nieuwbouw instrumenten staat in het buitenland; in december 1998 is echter een nieuw achtvoets orgel opgeleverd in het Limburgse Roggel. Binnenkort leest u daar in dit blad meer over.



Betekenis van de jaartallen:
1446: Jacob van Bilsteyn (?), ca. 1446
1518: Jan van covelens, 1518
1643: Galtus en Germer van Hagerbeer, 1639-1643
1687: Johannes Duyschot, 1687
1745: Pieter Assendelft, 1745
1998: Verschueren Orgelbouw, 1995-1998




MIDDENTOONSTEMMING

Zuiver stemmen zodat alle twaalf toonafstanden volmaakt gelijk zijn, lukt niet, indien men het met reine kwinten en kwarten probeert. Wanneer we namelijk twaalf reine kwinten op elkaar stapelen (die dus zeven octaven omvatten), dan komen we iets hoger uit dan dan zeven octaven: het zogenaamde komma van Pythagoras.
Stapelen we evenwel drie reine grote tertsen op elkaar, dan komen we op een octaaf uit, dat echter duidelijk te laag is. Dit verschil heet syntonische komma.
Maken we de stemming gelijkzwevend, dan zijn die verschillen over alle twaalf kwinten gelijk verdeeld in die zin dat de kwinten wat kleiner zijn gemaakt.
Anders gesteld: in een gelijkzwevende stemming staan alle twaalf kwinten en tertsen een beetje te zweven. Geen enkel interval is echt lelijk vals, maar er is ook geen enkel interval zuiver gestemd.
Wil men dit, dan kiest men voor het compromis. Wenst men dat niet dan kiest men voor de middentoonstemming of een afgezwakte vorm zoals bijvoorbeeld uitgedacht door Kirnberger en Werckmeister. Het voert binnen dit kader te ver om al deze stemmingen te behandelen. Ik ga nog even door met de behandeling van de middentoonstemming. We kunnen van c- klein naar de grote terts e gaan via getempereerde kwinten: c-g-d’-a’-e”. De grote terts c-e” is dan volkomen zuiver. Wanneer we echter op c drie reine grote tertsen stapelen (c-e-gis----c’) dan is één van de drie tertsen toch vals geworden. In de middentoonstemming is de chromatische toonladder interessant omdat er grotere en kleinere verschillen in de halve toonafstanden zijn te ervaren. (Die halve tonen zijn, nogmaals gezegd, bij gelijkzwevende stemming alle twaalf gelijk). De afstand d -des bijvoorbeeld is groter dan dis ~e, die weer kleiner is.
Dit maakt, zo mag duidelijk zijn, de melodische spanning aantrekkelijker en dit effect werkt uiteraard door in composities die in een middentoonstemming zijn geworteld, zoals de muziek van Sweelinck en voorgangers en tijdgenoten. Een chromatische fantasie van j.P. Sweelinck bijvoorbeeld kan men in wezen niet optimaal vertolken op een instrument dat geen middentoonstemming bezit.

Vandaar mijn onderschrijving van de unieke waarde van het Leidse Van Hagerbeer-orgel. De mooie verstilde en dragende resonans in zuivere drieklanken is de winst. De prijs bij middentoonstemming is dat niet alle toonsoorten gebruikt kunnen worden. En dat is een hoge prijs, immers het orgelouevre van Johann Sebastian Bach kan men dan niet uitvoeren! Maximaal kunnen slechts toonsoorten tot en met twee voortekens benut worden.
Bij middentoonstemming kiest men dus voor karakter. Bij gelijkzwevende stemming kiest men voor voor plooibaarheid. Het herstel van de middentoonstemming geeft het Leidse Van Hagerbeer-orgel mede daardoor haar karakter, met name ook omdat dit instrument het grootste orgel in Nederland is met een middentoonstemming.

Om de geschiedenis van de stemming compleet te maken nog het volgende. Ten noorden van de Alpen is de vroegste bron omtrent middentoonstemming afkomstig uit ' Syntagma Musicurn (1619) van Michel Praetorius. In Italië komt men omschrijving van middentoonstemming tegen rond 1570. De middentoonstemming blijft soms tot de 19e eeuw bij orgels in Italië, maar ook in ons land en andere landen gehandhaafd.