Restauratie het Van Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk te Leiden anno 1998 (I)

Op zaterdag 14 november 1998 werd na een jarenlange restauratie het Van Hagerbeer-orgel in de Leidse Pieterskerk officieel in gebruik genomen. In de aansluitende feestweek stond het orgel bij de diverse activiteiten centraal en was het ook via de radio te horen, zodat heel orgelminnend Nederland zich ondertussen van de kwaliteiten van het herboren instrument heeft kunnen vergewissen. In een tweetal artikelen gaat Willem van Twillert in op respectievelijk de historie van het instrument en de jongste restauratie door de firma Verschueren te Heythuysen, aangevuld met eigen indrukken.

Vanaf circa 1985 kwamen restauratie en reconstructie van het Van Hagerbeer-orgel in de Leidse Pieterskerk meer en meer in zicht. Twee mogelijkheden voor restauratie boden zich aan: terugkeer naar de situatie anno 1847, toen de gebroeders Lohman het orgel rigoureus onder handen hadden genomen, of een keuze voor het oorspronkelijke concept uit 1643 van vader Galtus en zoon Germer van Hagerbeer. De keuze viel op reconstructie van het Van Hagerbeer-concept. De adviseurs Jan van Biezen, Koos van de Linde en Hans van Nieuwkoop gingen aan de slag. In de zomer van 1992 ontving de firma Verschueren te Heythuysen de principeopdracht, die uitmondde in de meest eervolle opdracht in haar 107-jarig bestaan. Eind 1992 werd de planning vastgelegd.
De verwachtingen bij de aanvang van de restauratie waren hooggespannen. Na vier jaar restaureren — met periodieke onderbrekingen die gunstig bleken voor de kwaliteit van de restauratie omdat het resultaat telkens kon worden beoordeeld — staat het orgel er weer bij als vanouds. Aan alle verwachtingen werd voldaan, want het resultaat is in één woord grandioos. De medewerkers van Verschueren, de twee rijksadviseurs Onno Wiersma en Rudi van Straten, die veel concreets hebben bijgedragen aan de intonatie, en de drie bovengenoemde adviseurs hebben een topprestatie geleverd. De klankindrukken deed schrijver dezes op tijdens de demonstratie van de registers gedurende het eerste concert na de officiële overdracht door Leo van Doeselaar op 15 november 1998. Ook een week later, tijdens demonstratie en bespeling behorend bij de lezing over stemmingen door Koos van de Linde op 22 november, werden diverse klankindrukken opgedaan. Op 5 januari bezocht ik de werkplaats van Verschueren en bespeelde ook het recent opgeleverde orgel voor Roggel. Een dag later volgde een bezoek aan de Pieterskerk voor nadere beoordeling van klank en speelaard. Gezien het zeer oude pijpwerk is gekozen voor een gedetailleerde beschrijving van de orgelgeschiedenis.

GESCHIEDENIS
Bij het onderzoek ten behoeve van de restauratie werden de adviseurs in zekere zin verrast door de hoeveelheid historisch pijpwerk. Ondanks het feit dat het Van Hagerbeer-orgel tenminste tweemaal verminkt werd door stilistisch onzuivere reparaties, veranderingen, uitbreidingen en wat dies meer zij, bleven er toch 28 van de in totaal 35 registers historisch pijpwerk over. Van Hagerbeer maakte bij de bouw in 1637 gebruik van vroeger materiaal.
Het instrument herbergt pijpwerk van twee voorafgaande orgelbouwers: Van Bilsteyn (1446?, vB) en Van Covelens (1518, vC). Hun pijpen behoren nu tot het oudste bekende (en klinkende) pijpwerk ter wereld. Uit 1446 stammen pijpen van de Prestant 24’ (2 stuks vB), Prestant 12’ (10 stuks vC, overige 72 Duyschot), Octaaf 6’ (20 vB, 1 vC?), Groot en Klein Scherp (16 vB, 1 vC) en Mixtuur (40 vB), alle van het hoofdwerk. Uit 1518 dateren Holpijp 8’ (fis1-c3 vC) en Gemshoorn 2’ (C-c2 vC) van het bovenwerk. In het rugpositief bevinden zich pijpen die al spreken sinds 1518. Het zijn Octaaf 4’ (14 vC, 2 Duyschot), Superoctaaf 2’ (18 vC, 2 Duyschot), Mixtuur (10 vC, 72 Duyschot), Scherp (5 vC, 2 Duyschot) en de kelen van de Schalmei 8’. De geciseleerde pijpen in het front zijn nog van J. van Lin (zie ook de dispositie).

BLOKWERK
De pijpen van Jacob van Bilsteyn hebben ooit in een blokwerk gestaan. Een blokwerk is een groot prestantenplenum dat als één geheel klinkt. Na circa 1440 komt het voor dat een tweede werk (een Rugpositief of Bovenwerk) aan het hoofdwerk werd toegevoegd dat wel registreerbaar is.(01) Zowel in de muziek vanaf 1500 als in de orgels uit die tijd komt de behoefte naar voren naar meer expressiviteit. Het is een logische ontwikkeling geweest, die ertoe leidde dat het blokwerk in de loop van de 16e eeuw in onbruik raakte. “Na 1500 lijken hoofdwerken als blokwerken bij tweemanualige orgels slechts sporadisch voorgekomen te zijn”, schrijft Jan van Biezen in zijn boek Het Nederlandse orgel in de Renaissance en de Barok (02). Tien regels verderop noemt Van Biezen echter de Utrechtse orgelbouwersschool, die nog tot ver in de 16e eeuw bij driemanualige orgels het hoofdwerk als blokwerk liet aanleggen, getuige de orgels in de Buurkerk (1546, Cornelis Gerritsz), de St. Joris-kerk te Amersfoort (1551, ook van C. Gerritsz) en de Dom te Utrecht (1571, Peter Jansz. de Swart.). De blokwerklade van het voormalige orgel in de St. Nicolaaskerk te Utrecht fungeerde nog tot eind 1900. Dit instrument heeft de tijden overleefd en wacht op restauratie. Een standaardbetiteling van diverse registers begon te ontstaan. De naam Scherp bestond bijvoorbeeld nog niet, dit register heette ‘Positie’. De Doof 8’ was een andere benaming voor Prestant enzovoort.
Het is Jan van Covelens geweest die het Nederlandse orgeltype ontwikkelde, dat gedurende de gehele 16e eeuw model heeft gestaan. De ontwikkeling die Jan van Covelens in gang zette, mondde uit in een hoogtepunt in het werk van Van Hagerbeer en Jan Morlet. (03) Jan van Covelens gaf het registreerbare volledige prestantenkoor (dat eertijds allemaal tegelijk klonk als blokwerk) de standaardsamenstelling. Deze samenstelling treffen we bij het koororgel in de St. Laurenskerk te Alkmaar als volgt aan: Doof (=Prestant), Koppeldoof (=Octaaf 4’), Mixtuur (2-8 st.) en Scherp (3-8 st.) Dit oudste bespeelbare orgel van ons land wordt momenteel gerestaureerd door Flentrop Orgelbouw (zie ook de encyclopedie Het Historische Orgel in Nederland p. 48-49).

NAAMGEVING REGISTERS
Naast het Prestantenkoor verschijnen na 1500 allerlei nieuwe registers: open en gedekte fluiten, roerfluiten, quintadenen en diverse typen tongpijpen. De naamgeving van deze tongwerken was een imitatie van blaasinstrumenten. “Uit de bewoordingen van contracten van kort na 1500 blijkt duidelijk dat deze registersoort toentertijd volstrekt ongewoon was.” (04)
De naamgeving (terminologie) van de tongwerken was in Nederland in beginsel gestandaardiseerd. Een registernaam diende zowel de soort als de toonhoogte van het register aan te geven. Dit geldt voor zowel lip- als tongpijpen. “Zo hadden de namen ‘Trompet’ en ‘Schalmei’ beide betrekking op trechtervormige tong-werken met volle bekerlengte. De naam ‘Trompet’ werd echter gebruikt voor de achtvoets ligging, de naam ‘Schalmei’ voor de viervoets ligging in overeenstemming met de toonomvang van de gelijknamige blaasinstrumenten.” (05)
Toch zal de lezer bij de dispositie van het rugwerk als tongwerk een Schalmei 8’ aantreffen. In wezen is dit een Trompet 8’. Deze ‘Schalmei’ heeft geen blikken schalbekers maar oude loden bekers, waarvan de herkomst niet bekend is. De lepels zijn deels oud, waarschijnlijk van Van Covelens.

WIE WAS JAN VAN COVELENS ?
Jan van Covelens (06), geboren rond 1470, zag het levenslicht vermoedelijk ergens in Oost-Nederland. Twee generaties eerder komt de naam Covelens voor bij architect Bernt van Covelens, die onder meer in Zwolle en Hattem werkte. De naam Jan Covelens staat in fabrieksrekeningen van de St. Jan te Utrecht, die dateren uit 1507/08. Zijn bedrijf was gevestigd in Amsterdam, “aan ‘d’oude zijde bij St. Janbrugge” .(07) Jan van Covelens overleed vermoedelijk in 1532 en men begroef hem in de Huiszittenkapel van de Oude Kerk te Amsterdam.
Van Covelens stond goed aangeschreven. Hij kreeg veel opdrachten en soms ook verzoeken om bestaande orgels te moderniseren. In Leiden maakte hij twee orgels voor de St. Pieter. Het grote orgel kwam gereed in 1518 en was geplaatst tegen de westmuur, met hergebruik van onderdelen en pijpwerk van het orgel uit 1446.

RUGWERK
In 1541 bracht Jan Kerstansz het gewelf aan onder het rugwerk. Dit rugwerk werd overigens in 1518 nieuw gebouwd door Van Covelens. Hierin bevond zich geen tongwerk. (08) Er bleef pijpwerk uit het rugwerk van Jan van Covelens bewaard omdat, kort voor de grote herbouw door vader en zoon Van Hagerbeer, Jan Jacobsz. van Lin een nieuwe kas voor het rugwerk en twee nieuwe lades (een onder- en bovenlade) leverde. De dispositie van het rugwerk in 1628 luidde:
Prestant 8'
Octaaf 4'
Super-Octaaf 2'
Mixtuur
Scherp
Ouintadeen 8’
Fluit 4’
Gemshoorn 2’
een half register sijnde een Cornovit” (Het laatste register is een Cornet Disc.)
Van Lin plaatste ook een Trompet 8’ op het pedaal en vergrootte de pedaalomvang. Op 27 april 1629 vond er een bijeenkomst plaats met kerkmeesters, de orgelbouwer en organist “met haer wijven”, waarbij wijn en hier, volgens de bewaard gebleven specificatie van de herbergier, rijkelijk vloeiden.’(10)

DE VAN HAGERBEER-FAMILIE
Vader Galtus van Hagerbeer (circa 1570-1653) was afkomstig uit Hage, dichtbij Norden. Op jeugdige leeftijd (vóór 1598) vestigde Galtus zich in Amersfoort. Zijn orgelbouwactiviteiten beperkten zich aanvankelijk tot herstelwerkzaamheden en bescheiden ‘vermakingen’. Hij leerde zodoende de wijze van bouwen van de Nederlandse school grondig kennen. In deze zin moeten we waarschijnlijk de aantekeningen van Ernst Brinck in zijn dagboeken opvatten, dat de orgelmaker Galtus "het orgelmaken van sich selven geleert heeft”. Stellig heeft hij de scheppingen van de oude meesters met eerbied beschouwd(...). Galtus Germersz. en Germer Galtusz. (circa 1600-1646) van Hagerbeer groeiden uit tot de grootste orgelbouwers in het Nederland van de 17e eeuw. (11)

GALTUS EN GERMER VAN HAGERBEER
Een duidelijk omschreven reden waarom Galtus en zoon Germer van Hagerbeer al na acht (!) jaar in Leiden aan de slag mochten om de hoofdwerkkas opnieuw te vervaardigen, het rugwerk te verhogen, een andere balustrade aan te brengen, alle pijpwerk van Van Lin er weer uit te halen, blijft een raadsel. Was het vanwege de orgelbegeleiding bij de psalmen waartoe in 1636 te Leiden werd besloten? Was het de povere kwaliteit van het werk van Jan Jacobsz. van Lin?
In ieder geval namen de Van Hagerbeers nagenoeg niets van het pijpwerk van Van Lin over. Een contract met de Van Hagerbeers betreffende Leiden is nooit gevonden. Er is eigenlijk slechts één — belangrijk — feit bekend, namelijk dat op 6 oktober 1640 geboekt werd: “Aen Cornelis Schouten tot Amsterdam over vijftich blicke orgelpijpen f 65,= “. Dit slaat op de bekers van tongwerken. (12) De Trompet 16’, Trompet 8’ van het pedaal en de Trompet 12’ Disc. en Trompet 8’ van het bovenwerk zijn zodoende door Verschueren van blikken schalbekers voorzien.

Vanaf circa 1620 valt op, dat er in het pedaal een of meer labiale grondstemmen verschijnen (daarvoor alleen tongwerken, meestal een Trompet 8’). Op het manuaal doen twee nieuwe registers van zich spreken: de Sesquialter en de Vox humana.
De Sesquialter baarde als noviteit veel opzien. (13)
Ernst Brinck, een Harderwijkse geleerde, schreef rond 1645 in zijn dagboek over het orgel in de O.L.Vrouwekerk te Harderwijk: “Noch soo is daer gevonden een nieuwen toon bij het orgel dien man noemt sexus qua. of quasi alter; is een seer lieflicken toon, bestaende in een register van omtrent 60 pijpen.” De Nederlandse Sesquialter is een discantregister, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Duitsland, waar de Sesquialter een doorlopend register is en als extra kleur bij het plenum wordt gebruikt. De Sesquialter werd meteen zo populair dat er veelal twee van gemaakt werden, een op het bovenwerk en een op het rugwerk.

JOHANNES DUYSCHOT 1687
De Vox Humana 8’ was zo geliefd dat het register op geen enkel nieuw Hollands orgel van enige omvang mocht ontbreken. Zo bracht Duyschot in het Van Hagerheer-orgel te Leiden in 1691 een Vox Humana 8’ aan op het bovenwerk. Hoogstwaarschijnlijk diende deze ter vervanging van de Vox humana van Van Hagerbeer. Eenzelfde lot onderging Van Hagerbeer’s Vox Humana in het orgel van de St. Laurenskerk te Alkmaar, die door Duyschot in 1685 nieuw werd gemaakt. Dit alles tengevolge van de veranderende smaak betreffende dit tongwerk.
Het bovenwerk is de plaats waar de Vox Humana thuishoort, omdat dit register altijd van ver behoort te klinken. In de tijd van Jan van Covelens moest een instrument (als blokwerk) “saffter ende zoeter” gemaakt worden, 150 jaar later wilde men de orgels “starcker” laten klinken, met veel draagkracht. Men maakte de orgels klanktechnisch sterker door:
— een sterkere intonatie (in 1662 moest Jacobus van Hagerbeer het orgel in de Der Aa-kerk te Groningen “een darde part starcker intoneren
— pijpverdubbelingen bij vooral de prestanten;
— aanbrengen van koppelingen (tot. 1650 behoorde een manuaalkoppel niet tot de standaardvoorzieningen).
In het rugwerk te Leiden bouwde Duyschot een nieuwe, sterkere Mixtuur 3-8 st., “tot meerder verbeteringh onder het gesangh”.(14) Ook maakte Duyschot het gehele instrument schoon, leverde een nieuw pedaalklavier, verlegde ‘t klavier’ en maakte nieuwe blaasbalgen.

PIETER ASSENDELFT 1743
Assendelft, die het orgel van 1743 tot aan zijn dood in 1766 in onderhoud had, maakte het schoon, verrichtte kleine reparaties en voegde in 1744 op het rugwerk een Cornet 5 sterk toe, evenals een koppel hoofdwerk—bovenwerk. De registertrekker van de Cornet kwam aan de achterkant van het rugwerk. Na het overlijden van Pieter Assendelft zette zijn zoon Johannes het onderhoud voort.


RIJK VAN ARKEL 1805-1807
In de periode 1805-1807 maakte Rijk van Arkel het orgel schoon, repareerde hij technische gebreken, breidde hij de manualen in de discant uit van c3 tot f3. Het rugwerkklavier kreeg er toen weliswaar vijf toetsen bij, maar dat was alleen voor het gezicht, want er kon geen plaats voor extra pijpen in de kas worden gevonden. De registers Tertiaan 4-5 en de Sesquialter van het bovenwerk maakten plaats voor Roerfluit 4’ en Carillon. De Groot Scherp 1 1/3’ in het hoofdwerk moest wijken voor een Trompet 8’, de Sesquialter in het rugwerk moest plaats maken voor een Fluit travers Disc 8’. De Nasard 1 1/2’ werd opgeschoven tot een Gemshoorn/Nachthoorn 2’. De Trompet 8’ kreeg in de bas nieuwe bekers omdat de oorspronkelijke blikken bekers door roest verteerd waren. De luiken werden van de kassen verwijderd.

DE GEBROEDERS HENDRIK BERENDS EN GERHARD WILLEM LOHMAN (1842-1846)
Na een revisie door Christiaan Weening en Johannes van Beek in 1836 was al in 1841 herstel van de blaasbalgen nodig. Een modernisering die sterk ingreep in het concept van Van Hagerbeer was het gevolg van de handelingen van de gebroeders Lohman. Zij vervingen de uit drie delen bestaande hoofdwerklade van Van Hagerbeer door een lade die loodrecht op het front werd gezet om aan weerszijden plaatsruimte te creëren voor een grotere, nieuwe pedaallade. De speelmechaniek, inclusief klavieren en pedaal werd bijna integraal vernieuwd. Ook de Klein Scherp op het hoofdwerk verdween. De tongwerken werden grotendeels vernieuwd. Alleen de kelen in het laagste anderhalve octaaf van de Trompet 16’ overleefden de Lohman-ingreep. De middentoonstemming ging hij deze ingreep verloren. Er werd een gelijkzwevende stemming aangewend en de intonatie werd aan het in die tijd gebruikelijke klankideaal aangepast.
Hierna volgde er een betrekkelijk rustige periode voor het orgel. De verschillende organisten kwamen wel met plannen, maar die werden wegens geldgebrek niet gehonoreerd. In 1869 plaatste J. Schaffeld een Viola di Gamba 8’ ten koste van de Sifflet 1' (Flageolet) van het bovenwerk. Bij een dispositiewijziging door P.C. Bik sneuvelde de Scherp van het rugwerk.


G. VAN LEEUWEN 1943
Een ‘restauratie’ ten slotte die het oorspronkelijke concept grote schade berokkende was de revisie in 1943 door G. van Leeuwen. Deze hield onder meer in:
— gedeeltelijke toepassing van elektropneumatiek bij het pedaal;
— het bijmaken van cancellen voor Cis en Dis, ‘barokkiseren’ van de dispositie (een fourniture op het hoofdwerk en een Ruispijp);
— wijziging van de intonatie door o.m. verlaging van de opsnede om meer boventonen te genereren;
— verhoging van de toonhoogte
— wijziging van de kas door de onderkant van de hoofdwerkkas in te snoeren.
Dit alles had de genadeklap kunnen betekenen, zij het dat men het historische pijpwerk tenminste niet verloren liet gaan. Van Leeuwen tastte het historische pijpwerk daarentegen wel aan. Een voorbeeld: om een helderder, nog meer boventonen gevende intonatie te verkrijgen, verlaagde Van Leeuwen de opsneden. De orgelwind blaast dan harder tegen het bovenlabium, gevolg meer felheid. Hoe verlaag je een opsnede? Van Leeuwen knipte het overgrote deel uit het bovenlabium en soldeerde vervolgens een nieuw, langer stuk orgelmetaal op het labium. Daarna sneed hij het nieuw aangebrachte orgelmetaal op de gewenste afmeting. Hierdoor werd het eeuwenoude pijpwerk onnodig aangetast.
(Wordt vervolgd.)


In het tweede deel is vooral aandacht voor de bespreking van de recente restauratie door Verschueren.

Voetnoten
1 Jan van Biezen, Het Nederlandse orgel in de Renaissance en de Barok, in het bijzonder de school van Jan van Covelens, p. 19. Dit standaardwerk werd in 1995 als Muziekhistorische Monografie no. 14 uitgegeven door de Koninklijke Vereniging voor Muziekgeschiedenis te Utrecht (editor Arend Jan Gierveld) en diende als belangrijkste bron voor het overzicht van de orgelgeschiedenis in de Pieterskerk. Het boek geeft ook een heldere uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis van vele orgelregisters.
2 Idem, p.68
3 Idem, p.67
4 Idem, p.89
5 Idem, p.92
6 Idem, p. 134 (alle gegevens)
7 Idem, p.134
8 Idem, p.626
9 Idem, p.618
10 Idem, p.619
11 Idem, p.268
12 Idem, p.619
13 Idem, p.274/275
14 Idem, p.620.