"Je oor is de poort naar de Ziel" Interview met organist, musicoloog en publicist Gert Oost (1)

De vaardige pen van Gert Oost is alom bekend, zijn persoonlijke manier van schrijven alom bewonderd. Als geen ander weet hij op subtiele, informatieve en gedetailleerde wijze over zijn vak te schrijven: wat hij daarbij voelt en ervaart, en wat zijn muzikale drijfveren zijn.
In interviews die later worden genoteerd, kunnen de besproken onderwerpen nog wel eens oppervlakkig aan de orde komen; dat is inherent aan zulke vraaggesprekken. Vandaar dat ik het toejuichte, dat Gert Oost de hem gestelde vragen schriftelijk wilde beantwoorden. Het resultaat rolde na ongeveer een half jaar op de deurmat en voldeed aan alle verwachtingen! Een en ander heeft wel tot gevolg dat het interview vrij uitgebreid is geworden. Vandaar dat we besloten het in twee afleveringen te publiceren. Een interessante inkijk in het leven van een veelzijdig musicus.

Een hartelijk “Kom binnen!” klinkt vanuit de ruime werk- en doceerkamer van de Utrechtse universiteit. Na een collegiale begroeting en het informeren naar ‘het wel en wee des persoonlijken levens’ bespreken we de vorm van het interview en de onderwerpen die ons gesprek zal gaan bevatten.

Je naam is vaak te zien bij allerlei muzikale activiteiten in zowel Den Haag als Uftecht. Kun je over elke activiteit jets zeggen?
Ik schrik altijd ais ik de lijst overzie: 9/10e baan bij de Universiteit van Utrecht; 6/10e daarvan lespraktijk, dat wil zeggen aan musicologiestudenten de meest praktische kanten van het vak uitleggen. In de eerste twee jaar vier uur per week muziektheorie, solfège, analyse, harmonie en contrapunt, dat alles vanuit de historische stijlen. Het karakter van de theorievakken is bij ons anders dan op het conservatorium. Bij ons is de muziektheorie vooral de praktische uitwerking van de colleges muziekgeschiedenis. Dat geldt ook voor het koorpracticum dat ik wekelijks leid. Voor de studenten en voor mij is het elke keer weer een feest om dat in de Janskerk te doen. We profiteren van de goede connecties die ik met deze kerk en haar beheer heb. Aan de hogerejaarsstudenten geef ik speciale cursussen, waarin muziekwetenschap, muziektheorie en muziekpraktijk in elkaar overvloeien. Op dit moment is dat bijvoorbeeld een cursus basso continuo-praktijk. Het gaat niet alleen om ‘cijfertjes lezen’, meer om wat je, stijlbewust, binnen dit vakgebied voor de muziekwereld kunt betekenen. We bestuderen ook de authentieke bronnen en werken aan verantwoorde uitgaven. Deze ‘specialisatiecursussen’ liggen ook dicht tegen mijn taak als onderzoeker aan. Ongemerkt gaat de lespraktijk over in wetenschappelijk onderzoek. Onder die noemer doe ik verder het werk voor de orgelencyclopedie, speur ik naar Nederlandse muziek, schreef boeken over mijn leermeesters Guillaume Hesse en Anthon van der Horst, redigeerde het boek over Albert de Klerk en ga zo maar door. Volgende maand verschijnt het boek Den Haag Destijds, met opstellen over onderwerpen uit de Haagse muziekgeschiedenis (inclusief een nieuwe cd uit de Gotische zaal!)
En zo kom ik bij mijn organistenpraktijk. Op de Universiteit heeft men daar amper weet van. Ik heb in al die jaren maar twee keer ergens vandaan moeten opbellen dat ik een college moest verzuimen. Eén keer zat ik op een zondagavond na een concert in Saarbrücken vast in een sneeuwstorm en verbood de concertcommissie mij in de nacht terug te rijden (ik moest maandagsmorgens om 9 uur college geven) en éën keer had een vliegtuig uit Wenen vertraging, waardoor ik een uur te laat op college arriveerde. Ik denk dat de vele ervaringen in mijn organistenpraktijk mijn colleges ten goede komen. De diepste muzikale belevenissen maak je toch mee als je zelf musiceert. Zevenendertig jaar lang, van mijn twaalfde tot mijn negenenveertigste had ik een vaste functie als kerkorganist. Toen voelde ik dat het genoeg was. Ik speel nu al dertig jaar lang iedere eerste zondag van de maand de Bachcantatedienst in de Utrechtse Geertekerk, sinds 1983 iedere vierde zondag van de maand de Engelse Evensong met de Schola Davidica in de Utrechtse Janskerk; het organistschap van de Gotische zaal kwam daar in 1990 bij. Alle kerkelijke hoogtijdagen en zo gemiddeld één zondagmorgen per maand speel ik de oecumenische kerkdienst in het klooster Gods Werkhof in Werkhoven. Met het opluisteren van alle oraties op het Hinsz-orgel in de Aula van de Universiteit is dat genoeg ‘vast werk’. Een doorlopende stroom soloconcerten en begeleidingen completeren mijn speelpraktijk: een vaste job op zondagmorgen kon er eigenlijk niet meer bij, hoewel ik het toch ook vaak mis. Het improviseren op kerkliederen en het voorzingen voor de mensen vond ik iedere week weer een belevenis, al die 37 jaren lang. Ik merk dat mijn antwoord een beetje een opsomming is geworden (‘t zat er een beetje in).

Welke van al die verschillende werkzaamheden heeft je voorkeur? 
Uit bovenstaand overzicht blijkt wet dat ik moeilijk kan kiezen. Ik speel met hart en ziel, ik ben heel overtuigd kerkorganist, ik houd ontzettend van lesgeven en heb een intense band met mijn studenten. Als ik aan een artikel werk of — om niet te vergeten — aan een compositie, dan doe ik dit ook met heel veel plezier. Ik vergat eigenlijk nog ‘het notenschrijven’ te vermelden; dat is voor mij de meest verstilde vorm van ‘muziek maken' Ik schrijf op wat ik van binnen hoor en heb in de Schola Davidica een fantastisch ensemble dat mijn grote werken voor koor en orgel uitvoert. (In november gaan ze mijn kerkopera Visions of Heaven zingen en spelen. Ze vinden het vaak wel erg moeilijk!)
Gedurende mijn hele leven tot nu toe was afwisseling een noodzaak en ook de enige remedie om te doen wat ik moest doen. In mijn gymnasiumtijd kreeg ik mijn huiswerk klaar door steeds even tussendoor een half uurtje orgel (harmonium) te studeren. Ik studeerde tegelijk conservatorium orgel en muziekwetenschap. Als ik moe was van het lezen ging ik orgel of piano studeren, daarna voelde me weer fit. Zo doe ik het nog vaak. Als ik moe ben van het lesgeven ga ik orgel studeren, als ik moe ben van het orgelspelen vermaak ik me wat op de computer. Het belangrijkste bij dit alles is de goede planning. Als ze me vragen hoe het mogelijk is dat ik zo veel doe, antwoord ik meestal dat het komt doordat ik het in alle rust doe, in goede harmonie met mezelf en m’n omgeving. Ik ontmoet veel vrienden in mijn leven!

Laten we eens een aantal gebieden waarover je sprak de revue laten passeren. Hoe zit een studie musicologie in elkaar en is die te combineren met een instrumentale studie aan het conservatorium?
Muziekwetenschap is eigenlijk ‘Kunstgeschiedenis’, maar dan op het gebied van de muziek. Belangrijkste onderdelen van die studie zijn de muziekgeschiedenis, de muziektheorie wetenschapsfilosofie (theoretische muziekwetenschap) en een aantal op de arbeidsmarkt gerichte toepassingen als muziekjournalistiek, kunstbeleid en management, muzieksociologie, jazz- en popmuziekgeschiedenis en (Amsterdam) etnomusicologie. Combinatie met een conservatoriumopleiding is niet eenvoudig, de studiestructuur — praktisch gesproken het rooster — laat dit amper toe. Toen ik het combineerde kon je je studie wat nekken, ik deed over beide studies samen acht jaar. Dat kan nu niet meer. Toch zijn de beste studenten in de muziekwetenschap vaak ook goede spelers. Een enkeling volgt de gecombineerde studie aan de ‘Academie voor Muziek’, een opleidingsinstituut dat de vakgroep Muziekwetenschap in Utrecht samen met het Koninklijk Conservatorium in Den Haag heeft gevormd. Een aantal begint eerst een paar jaar uitsluitend muziekwetenschap te studeren en maakt vanaf het derde studiejaar een combinatie; een aantal doet eerst conservatorium en maakt gebruik van de mogelijkheid daarna een verkorte opleiding muziekwetenschap te volgen (maar moet dit dan meestal wet zelf bekostigen).

Waar komen musicologiestudenten uiteindelijk zoal terecht? 
Muziekwetenschap is langzamerhand een geaccepteerd onderdeel van de muziekpraktijk geworden. Toen ik afstudeerde kon je die twee vakgebieden maar beter gescheiden houden. Binnen de muziekwetenschap was veel orgelspelen verdacht, in de orgelwereld was het geen aanbeveling als er gezegd werd: “hij speelt als een musicoloog”. Bij de radio werkten nagenoeg geen professionele musicologen, evenmin als bij de kranten en de orkestorganisaties. Nu is dat heel anders. Ik tref overal in het land oud-studenten van mij aan bij alle omroepen, bij radio en tv, bij alle orkesten, in de orkestbibliotheken, in de programmering, in de publicitaire afdelingen, als muziekarchivaris bij bibliotheken, in platen- en muziekhandels. Ook als docent op middelbare scholen, op conservatoria voor muziekgeschiedenis, hymnologie en muziektheorie; het vakgebied heeft den enorme vlucht genomen en heeft veel erkenning gekregen.

GESPREKKEN OVER SCHOONHEID
Je vertelde me dat je tijdens het lesgeven aan de universiteit niet uitsluitend oog en oor hebt voor noten maar ook ruimte geeft voor levensbeschouwelijke vragen. 
Muziek is de taal van het hart en dus kan het niet anders of je raakt heel diepe lagen bij de jonge mensen die je lesgeeft. Je oor is de poort naar de ziel; gehoontraining is daardoor vaak een stukje persoonlijke groei. Ik merk in de loop van de jaren dat er steeds minder studenten komen die kerkelijk zijn opgevoed. Tegenwoordig kan ik rustig een Geneefse psalmmelodie als ‘dictee’ geven. Slechts een enkeling geeft blijk de melodie te herkennen. Toch merk ik bij deze jonge mensen steeds meer interesse voor geloof, bezinning op oorsprong en doel van het leven. Juist omdat je met muziek bezig bent, altijd weer moet uitleggen hoe mooi muziek is — het is niet voor niets altijd de engelen in de mond gelegd — komen er ook veel gesprekken over de hemel, over schoonheid, over liefde en wat je warm van binnen maakt. Voor de eerste- en tweedejaars studenten ben ik bovendien de ‘mentor’, dat wil zeggen degene bij wie ze ook met (studie)problemen terecht kunnen. Vaak gaat het wel verder dan alleen ‘studie’pnoblemen.
Ik moet nog denken aan een voorval in de Oranjekapel, de laatste vaste gemeente waar ik orgel speelde. Op een zondagochtend kwam midden onder de preek een man de kerk binnenlopen die de dominee in zijn preek onderbrak en boutweg zei: u zegt dat nou wel allemaal maar ik zit met heel andere vragen dan (noem maar een theologisch onderwerp als) de Besnijdenis van Christus? De dominee had z’n betoog prima voorbereid maar raakte geheel van z’n apropos. Hij verzocht de koster de man naar de uitgang te brengen. Toen had ik iets van: waar zijn we in Gods naam mee bezig in de kerk? Wat heeft al dit gepreek, al dit liturgische gedoe nu met echte zorg en liefde te maken? Soms denk ik: ik ontmoet dit vaker in de gesprekken en in het samen-optrekken met m’n studenten dan in de kerk (maar ik mag natuurlijk niet generaliseren).

Wat prefereer je: orgels beschrijven of orgels bespelen?
Orgels bespelen! Daar hoef ik niet lang over na te denken. Als het orgelspelen door al het andere werk een dag moet overslaan word ik onrustig. Duurt het langer dan een dag, dan voel ik me niet lekker. Ik ben intens blij sinds enkele jaren een eigen huisorgel, gebouwd door mijn neef Jaap Breetvelt, te hebben. Wat een luxe om even te studeren als het eten in de oven staat, of nog net even voor het journaal, of als de buren al naar bed zijn en ik weet dat ik er niemand mee stoor. Ik zei het al eerder: spelen gaat dieper dan uitleggen of beschrijven.

HOFORGANIST
Organist van de Gotische Zaal in Den Haag. Wat moet ik me hierbij voorstellen? Je noemde jezelf hoforganist, maar het betekent dat in de praktijk dat je vaak voor de koningin speelt? 
Toen in 1990 het Bätz-orgel van Koning Willem II na 150 jaar weer terugkwam in de Gotische zaal (nu onderdeel van het gebouwen complex van de Raad van State) en ik als organist werd voorgedragen, leek dat bijna sprookjesachtig. De toenmalige vice-president van de Raad, Mr W. Scholten, die zich persoonlijk zeer voor de terugkeer van het orgel had ingezet, liet me bij de invulling van mijn organistschap de vrije hand, als het Bätz-orgel maar de stad Den Haag en de burgers in het algemeen ten goede zou komen: het was per slot van rekening uit belastinggelden gekocht, gerestaureerd en herplaatst. Zijn gedachtegang werd meteen bij de heringebruikneming van het instrument op 22 november (‘Caeciliadag’) 1990 duidelijk. Het eerste concert was voor de koningin, die uiteindelijk de President van de Raad van State is. Het was niet de eerste keen dat ik een muzikale ontmoeting met koningin Beatrix had. Bij de opening van het Nationaal Museum Van Speelklok tot Pierement in de Utrechtse Buurkerk voerden wij samen de Beatrix-wals uit: zij op een draaiorgeltje en ik aansluitend op het grote Witte-orgel. Tijdens het openingsconcert in de Gotische zaal speelde ik ook een nummer dat ooit voor Willem II was geschreven en dat in feite geschikter zou zijn geweest voor draaiorgel. Han Lammers vond dat ik maar iets voor de goede zaak over moest hebben. Ik heb toen beloofd dat ik het zou spelen maar dat ik na afloop het stuk over de balustrade de zaal in zou gooien. “Dat durf je toch niet”, zei hij, “bovendien ga ik dan zo hard klappen dat je het moet bisseren en dan mis je je muziek”. Ik heb het stuk gespeeld, de windvoorziening kreunde en hijgde en toen het uit was legde ik ‘per ongeluk’ het nummer net iets te ver over de ballustraderand. ‘Fliegende Blätter’ dwarrelden voor hare majesteits voeten en Han Lammers klapte z’n handen stuk. Voor de zekerheid had ik een reservekopie op de lessenaar staan! Bij die gelegenheid werd ook mijn Sinfonietta concertante voor vier koperblazers en orgel gespeeld. Daar zit een improvisatiedeel in waarin de koperblazers op hun instrumenten ruziën, bluffen, gillen van het lachen en nog een aantal van dergelijke items (dit alles als inleiding op een serieuze fuga). Grappig was dat de koningin daar na afloop het meest in geïnteresseerd was. Voor echte orgelzaken kon ik me beter ‘met haar man’ onderhouden. Reden waarom we prins Claus gevraagd hebben het eerste deel van de Encyclopedie in ontvangst te nemen.
Echt ‘hofonganist’ ben ik dus niet, al ben ik wel — na de hoforganist van Willem II — de eerste die dii orgel op deze locatie als vaste bespeter onder mijn handen en voeten heb. De dag na de inwijding was er een concert voon het personeel van de Raad, de derde avond was voor het Haagse publiek. Om mijn opdracht, het Bätzorgel rendabel te maken voor de gemeenschap, gestalte te geven, zette ik de twee-wekelijkse pauzeconcerten op, op de tweede en vierde woensdag van de maand om 12.45 uur, in afwisseling met onze ‘buren’, de Kloosterkerk. De pauzeconcerten zijn ècht gratis; er is ook geen collecte bij de uitgang (wat ik toch altijd een verkapte vorm van entreegeld vind).

Conservatoriumleerlingen mogen hier concertervaring opdoen. Orgelleerlingen uit het hele land maken hier gebruik van. Ik hoor daardoor veel jonge organisten spelen; ik (her)ken de ‘scholen’. Zangers, strijkers en blazers melden zich en worden door mij begeleid. Inmiddels hebben er al ruim 120 pauzeconcerten plaatsgevonden met zeer boeiende programma’s. Voor mij was het ook dan ook een heel bijzonden concert toen mijn dochter Mirjam, toen nog vioolleerling aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, zich meldde om Bachs Chaconne voor vioolsolo tijdens een pauzeconcert te spelen. Ik vulde het programma aan met Bachs Passacaglia voor orgel. Wisten de getalsymbolisten al dat beide werken samen exact een half uur duren (inclusief applaus)? De pauzeconcerten worden zeer goed bezocht; het zijn eigenlijk de best bezochte orgelconcerten van Den Haag. Ik denk dat dat komt omdat het bijna altijd ‘orgel-met-iets-erbij’ is. Het komt vast ook omdat het gratis is (we blijven uiteindelijk Hollanders). Ik denk ook dat de mensen voelen dat er een prettige sfeer heerst, je wordt vriendelijk ontvangen, de zaal is licht, het orgel iedere keer weer inspirerend.
Naast de pauzeconcerten heb ik mij aangemeld als partner in het Haags Ongel Contact, dat dit jaar 25 jaar bestaat. Door intensief overleg is er een collegiale samenwerking ontstaan die bijna uniek in Nederland lijkt. De vijf binnenstadsorganisten (‘Hokkelingen’) hebben gezamenlijk het hele Bach-ongeleuvre uitgevoerd, we speelden op elkaars orgels, gaven gezamenlijke concerten, organiseerden op 9 mei gezamenlijk de Haagse Orgelvoettocht en speelden op Hemelvaartsdag gezamenlijk een improvisatieconcert in de Lutherse en de Grote Kerk. ‘Zit daar wel muziek in?’ vragen ze mij soms als ze horen dat ik ‘organist bij de Raad van State’ ben. Bij mij thuis zeggen ze wel eens: hij lijkt soms een 9/10e baan in Den Haag en een 1/10e baan in Utrecht te hebben. Ik merk dat mijn antwoorden te lang worden. Heb je nog wel tijd?
(Wondt vervolgd)



VIJF HAAGSE ORGELS

BESPEELD DOOR VIJF HAAGSE ORGANISTEN

ERASMUS MUZIEKPRODUCTIES 238 -

SPEELDUIJR 68’io” - PRIJS f 34,95

(IN HAAGSE KERKEN DEZE ZOMER

f 25,—)




de Orqelvnend
~cT


Eind vorig jaar maakte Willem van Wijngaarden voor het bekende Erasmus-budgetlabel opnamen van vijf 1-laagse organisten die bun orgels hespelen. Ben van Oosten ventolkt Folkert Grondsma’s Partita over ‘Kom tot ons, scheur de heem’len, Heer’ en Vaniaties oven ‘De Lofzang van Maria’ van zijn voorgangen Adriaan Engels. Aart Bergwenff cent zijn itlustere voorgangen in ‘ne Luthense’ met twee versies van Feike Asma’s Ongelkoraal ‘Jezus is mijn toeverlaat’, en speck ‘Aus tiefer Noth’ van Asma’s opvolger Willem Mudde. Gert Oost laat het orgel van de Gotische zaal horen in Manche des deux Avares van J A. Just en cen Adagio en Fuga van W.F.G. Nicolai. Quattno Studi per Ongano van Hendnik Andriessen komen goed tot bun recht in de St. Jacobuskerk door Ton van Eck, en Jan Hage sluit af in de Kloosterkenk met Primal Gestures uit 1993 van Pieter Adniaensz.
Gerco Schaap



JULI/AUGUSTUS 19
















Reizend door liet rijf~e 2imbnrgse orgettandscfiap













Orgelliefhebbers die overwegen deze zomer tijd door te brengen in ZuidLimburg komen in die provincie dubbel aan hun trekken. Want enerzijds is er het prachtige, afwisselende landschap en anderzijds het aantrekkelijke orgelparadijs. Het historisch orgelbezit staat er doorgaans onderhouden bij. De stichting Samenwerkende Orgelvrienden Limburg (SOL) organiseert vanaf 1991 jaarlijks een Orgelfestival, dat vergezeld gaat van een fraaie geilustreerde orgel(festival)gids.














WILLEM VAN TWILLERT











Het prachtige, rijk geornamenteerde front van het enige orgel dat van Philippe le Picard (1711) bewaard is gebleven, in de St Martinuskerk te Gronsveld. De herkomst kwam pas in 1974 aan het Iicht.
De klaviatuur van het Le Picard-orgel in Gronsveld, in 1974 gerestaureerd door Verschueren. Het echokiavier (bovenste manuaal) heeft in de bas stomme toetsen.






L
imburg kan voor orgelliefhebbers niet snel stuk. De orgelgids biedt ovenigens niet alleen de coneentprognamma’s van de verschillende orgelcomite’s, maar geeft ook de disposities van de instrumenten, gegevens over de houwen(s) met een foto van het instrument cii den curriculum vitae van de concerterende organist. Sympathick is ook de traditie dat jonge onganisten van (in eerste instantie) Limburgse bodem, de kans wordi geboden te concentenen. Want Henk van Loo, de drijvende knacht achten de SQL, is van menifig dat iedere organist uit de provincie Limburg, die het diploma Uitvoerend Musicus heeft behaald, eeii plaatsje onden de zon verdicnt: “Ik ga hun muzikale prestaties niet vooraf beoordelen; dat hebben de conservatoria al gedaan. Elke goede Limburgse
organist knijgt zo een kans.” De meewerkende onganisten zijn ovenigens niet alleen van Nederlandse bodem. Integendeel: het Euregionaal Maas-Rij nkarakten wordt flunk benadrukt. Het beleicl van de SQL is om hij orgeltochten ook de omliggende streek in Duitsiand en Belgie te bercizen, de Euregio. Daantoe stelt de Stichting Euregio Maas-Rijn te Maastricht ook gelden beschikbaar. lnvlocdrijke organisten die aan hun status werken, krijgen bij de SQL geen pnominentere plaats dan aankomende talenten. En zo heeft de SQL zich in de zeven jaan dat ze actief is, den plaats veroverd in zowel de han-ten van de bezockens, als die van de uitvoerenden. Bezoekens komen zelfs van yen (de Veluwe en Noord-Holland) om antistiek cen ‘dagje uit’ te zijn. Soms is als extra ginis de voon
aanstaande Belgische orgelaciviseur Michel Lemmens aanwezig. Michel Lemmens publiceerde in 1996 in de senie Cultured Erfgoed in Limburg een uitstekend hock over orgclmakers in ‘zijn’ negio, getiteld Het Limburgse Orgellandschap. Mede uit dit bock zijn voon dit artikel gegevens geput. Als ook het. publiek vervolgens in grote getale opkomt, mogen de yenantwoondelijke mensen achier deze aanpak zich beloond voelen. Een pastoor uit Limhung vertelde me dat hij pas recent had ontdekt dat in zijn streek dergelijke orgeltochten worden geonganiseend. Hij vond het pnachtig en het deed hem zichtbaan goed dat de ongels die en vnoeger in de Rooms- Katholieke kerk, volgens zijn zeggen maan ‘bijhingen’, flu veel meer bij de vieringen en in de algemene aandacht betrokken worden.







Eys, St. Agatha (1844).





9fctu eel
Qok als liefhebbcr van bijzondere kenken komi hij aan zijn trekken. Een uitzondering ovenigens, want de meeste deelnemers hadden alleen oog voor het ongel.

EVENEMENTEN IN 1998

Qok in 1998 organiseeri de SQL weer intenessante concenten en evenementen. Zo is en op 18 juli 1998 cen colloqium in Wijlne (L) oven de ongelbouwens Gebr. MUllen ult Reifferscheid in de Eifel.
Van de meer dan 200(!) ongels die door de Gebn. MUller werden gebouwd, zijn er nog ongeveen veertig over. Daanenboven resteren en nog zo’n veertig kassen. Over de kassen houdt Frans Jespens uit Voenendaal een referaat tenwijl H.G. Reujnentz uii Eupen (B) cen dialezing houdt over het werk van de gebnoeders MUllen in het Rijnland, Belgie en Duitsiand. Na de middagpauze zutlen enkele voortreffel ij k gerestaureerde MUllerongels in Limbung door jonge onganisten worden voorgesteld:
Wijire, St. Gertrudis, 1861/1875, 26/Il/P

Mechelen, St. Johann Baptist, ca. 1850, 23/11/P

Eijs, St. Agatha, 1844, 10/11/P Kenkrade, St. Lambertus, 1848, 34/11/P.

Tussen 18 juli en 9 augustus 1998 zullen 30 orgelconcerten, 3 Euregioorgclbustochten en een orgelwandeling door het centnum van Maastnicht plaatsvinden. Het openingsconcent van het ‘Qrgelfestival Limburg’ vundt plaats op zondag 19 juli om 16.00 uur in de St. Gentrudiskerk te Wijlre door Marcel Venheggen, organist van de St. Servaasbasiliek te Maastnicht.

WANDELTOCHT

De tnadutionele wandeltocht langs zeven Maastnichtse orgels wordt gehouden op woensdag 22 juli. De tochi begint om 13.00 uur in de Q.L.Vrouwekerk en voert verder langs de ongels van de Ned. Gereformeerde (v/h Waalse) kerk, de Lutherse kerk, het Ursulinenklooster, de Cellebnoederskapel en de St. Janskerk, en eindigt in de St. Senvaas.
Veel ongelkwaliteit binnen een dag. Een uitgelezen mogelijkheid om het veelzijdige Maastrichtse ongellandschap te verkennen.

DR1E BIJSTOCHTEN

Zoals gebruikelijk organiscent de SQL ook ween drie Euregionale ongelbustochten. De censte, op zaterdag 25 juli, voent vanaf kasteel Elsloo naar Waidwilder, Vliermaal, Tongeren, Heune le Romain, Grand Rechain, Luik en tenslotte weer naar kasteel Elsloo waar (nict vcrplicht) ecn diner plaatsvindt, met aansluitend het slot-concert door Jean-Pierre Steijvers in de nahijgelegen St. Augustinuskerk. De twecde bustocht, op 1 augustus, gaat vanuit Gronsvelcl naan Les Waleffes, Abbaye Pnëmontnée de Leffe, Boncelles, Luik (Abbaye Bénédictinus en St. Jacques) en eindigt met een diner in ‘De Kcizcrskroon’ te Gronsvcld, met aansluitend ecn concert door Wim Winters in de St. Martinuskenk.
De derde orgeltochi, op 8 augustus, voert vanuit Geleen via Zulpich, Mechernich, Roggendorl, Kall en Abdij Steinfeld. De orgeltnip wordt beeindigd met cen diner in restaurant ‘De Lijstcr’ in Geleen, met aansluitcnd het avondconcert door schrijven dezes in de Ontmoetingskerk aldaar. Versprcid over de hele provincie yin-den dagelijks orgelconcerten plaats



de Orqelvriend
op veelal histonische orgcls. Tevens zijn er Euregionale concenten in Heinsberg, Montzcn, St.Tnuidcn, BU1-lungen, Vaals en Maastnicht. Het prognammaboek knijgt men automatisch als men donatcur van de 501. is. Het is ook voonaf te bestellen bij de Stichting Samenwerkende Ongelvrienden Limburg, Hoolstraat 1, 6129 CK Urmond, tel. (046) 433 30 64. Hien kan ook informatie worden gcvraagd en reservering plaatsvinden.

DE ORGELDYNASTIE MULLER

1829-1920

In dit ovenzicht komen nogal veel jiatnen voon; de lezer neme daanvoon de tijd.
In 1802 stichtte Paul Muller (1775-1843) een ongelmakerij in Reifferscheid in het Duitse Eifelgcbicd. Of hij het yak zichzelf leerde of bij icmand in de leer is geweest, is niet te achterhalen. Feit is dat hij bij zijn vader het meubelvak heeft geleend. In 1829 bouwde Paul Muller zijn ecrste orgel te Merzenich (10 registers). Var zijn hand zijn dnieentwintig orgels (nieuw of gerenoveerd) bekend. Zijn grootsie orgel staat in Dremmcn (1837, 36 registers). Thans staat alleen de kas en nog. Cunieus gegeven is het felt dat zijn broer Nicolaus (1777-1862) ook enkele orgels bouw~ de in zijn vrije tijd. Van bcnoep was hij namelijk pastoon. Nicolaus schoni








Ca Ca


Cl)

0 C.)

a)

o
0
U-
Schaesberg, St. Petrus en Paulus (1844).


Wcrkiijst Gebr. MuLler (1829-1920) in Nederland




de orgels die hij bouwde aan kerken, want honorarium nam hij niet aan; men doneerde dan een bedrag voor de mis.

Na de dood van Paul Muller zetten zijn drie zoons Josef, Michael en Christian het bedrijf voort onder de naam ‘Gebruder Muller’. Vier zonen van Josef op hun beurt werden eveneens orgelbouwer: Johann-Paul (10-5-1841 - ?),Josef (13-5-1848 - 18-7-
1880), Alois (25-12-1850 - 28-7-
1907) en Eduard ( 6-11-1851 - 24-9-
1915).
Vanaf 1915 waren er geen rnannelijke nazaten meer en leidde de zuster van Josef tot aan de opheffing in 1920 het bedrijf. Aansluitend schijnt een werknemer genaamd Grundling de Firma tot zijn ernigratie in 1926 nog geleid to hebben. Daarmee komi een einde aan de activiteiten van de Gebr. MüI1cr. De traditie van de firma Muller wordt echter voorigezet door do in 1927 in Hellental opgerichte Orgelmakerij Weimbs. Do grootvader van de huidige bedrijfslcider, Josef Weimbs senior (1886-1949), leerde
het orgelmakersvak van 1900-1905 bij de firma Muller in Reifferschcid. Tot 1913 werkte hij bij deze firma als intonateur en orgelstcmmer. Daarna ontwikkelde hij zich verder hij zes andere bedrijven. Do oom van de huidige firmachef, Peter Weimbs (1893-1966) was eveneens werkzaarn als orgelbouwer bij de firma Muller. Na het uitsterven van de firma Muller richtte do vader van do tegenwoordige eigenaar van de firma Weimbs, Josef Weimbs senior, de firma in Hellental op, om het onderhouclswerk van de vole Muller-orgels zeker te stellen. Na diens dood in 1949 nam Josef Weimbs junior het bedrijf over. Zijn zoon Friedri e h-Bernard (Meeste rp roef 1973) is als consiructeur en intonateur betrokken hij het bedrijf, dat bovendien nog achi andere medewerkers in dienst heeft.

(A= aanwezig)
(V= verdwenen)


A 1830 Susteren, uitbreiding Weidiman-orgel (13 reg.)
A 1838 Heerlen llervormde kerk. o~crp1aatsing Wcidtman-orgel
A 1844 Fys S~. Agatha; restauratie Flentrop 1961 (10 reg. w.v. 5 ook bespeelbaar op 2e kiavier)
A 1844 Schaesberg St. Petrus en Paulus: restauratie Verschueren 1965 (9 reg.)
A 1845 Meehekn St. Johannes, uitbreiding orgel: restauratie Vermeulen 1974 (23 reg.)
A 1846 Gulpen NH (9 reg.)
A 1848 Kerkrade Si.Lambertus (30 reg.); restauratie Vermeulen 1988
A 1857 Bruiissum St. Gregorius (12 reg.); verbouw ~crmeulen 1872: uitbr. Vcrschueren tot 30 reg.
A 1861175 Wijlre St. Gertrudis (26 reg.): restauratie Verschueren 1979180
A 1868 Jabeek St. Gertrudis (13 reg.)
A 1873 Schinveld St. Fligius (14 reg.); ook Vermeulen 1904
A 1876 Roermond scininarie; uitbreidiiig Pedaal Verschueren
A 1877 Ubach over Worms; ook Pereboom
A 1887 Ubachsberg ( 9 reg.)
A 1905 Vaals lutherse kerk, reparatie
? 18.. Arnstcrdarn W.V.?


V 1835 Ileerlcu. St. Pancratius (in 1908 vervangen door Stahlhut-orgel)
V 1853 Kerkrade Roldue (verloren gegaan)
V 1858 Nieuwcnhagen (alleen orgelkast bewaard): Vtrrneulcn 1930
V 1859 Lvgclshoven (verlorcn gegaan)
V 1892 Ousterhout (18 reg.) (verloren gegaan; front bewaard in Prinsenhage)



Werklijst Belgie


A 1835 Eupen Klosterkirche (18 reg.)
A 1847 Wahlhorn (20 reg.)
A 1860 Burg Reuland (13 reg.)
A 1862 Eupen. Kioster Heidberg (5 reg.)
A 1870 Angleur (22 rcg.)
A 1883 Eupen Bergkapclle (8 reg.)
V 1845 Robertville (12 reg.)
V 1861 Elsenborn (16 reg.)
V 1868 Weismes (10 reg.)
V 1876 Rechi (9 reg.)
V 1872 Eupen, St.Jozeph (26 reg.)
V 1864 Kcttnis (55 reg.)
V 1891 Wirzfeld (10 reg.)
V 1869 Tongeren



Met dank, aan Henk van Loo (Urmond) voor het verstrekken van gegevens.





Miche) Lemmens.


‘73 oek bes p re1~inq


Her Limburgse orgellandschap
HET LIMBIJRGSE ORGELLANDSCHAP

Op de omsiag van dit door de Belgische orgeladviseur Michel Lemmens gcschneven bock pnijkr het fraaie oudste ongel van Belgisch Limburg in kleurendruk. Het is het ongel dat Christian Ancion venvaardigde voon de abdijkerk in Sint-Truiden, genestaureerd in 1996. Deze fraai ogende omsiag dekt letterlijk de inhoud van dit 69 pagina’s tellende bock, dat in opdnacht van het Provincicbcstuun van Belgisch Limburg verscheen. In heldere schnijftrant geeft I.emmens een bondig bceld van de orgelsituatie in het gebied dat de Limburgse Kernpen, Limhurg Haspengouw en het Maasland omvat. Helaas liet hij geen kaari van het gehied afdrukken en dat is jammer, want dit mag in zo’n overzicht niet ontbreken.
In het voorwoord van de Gcdeputecrde voor Cultuur, Sylvain Sleypen, vind ik enkele krachtdadige passages, zoals dezc: “Sinds 1990 zijn het onderzoek van onze orgels en de rcs~ tauratie met overheidsmiddelen in ceo stnooinversnelling geraakt; er werden vijfmaal ineen restauratieprojecten gestart dan in de vorig vijftig janen samen!” Een alinea eerden maakt Sleypen melding van het felt dat reeds een veertigtal dossiers is samengesteld, “beschikbaar voor de eigenaans, orgeldeskundigen en gemteresseerden.”

Lcmmens heeft zijn bock verluchtigd met een ruime hoeveelheid zwartlwitfoto’s, met onderschniften. Hij opent met cen paginalange beschrijving van het geografisch landschap en vervolgt met het hoofdstuk ‘Oude versus nicuwe orgels’, waarin hij mcldt dat er sinds 1960 zo’n 65 nieuwe orgels in de Limburgse kerken werden geplaatst. 1-Ict grote struikclblok voor vele van onze orgelmakers is echier de vormgeving der orgelkasten en de integnatie ervan in de nuimic.” Even verder stelt hij: “Eigentijdse vormgeving mag en moet kunnen.” Venvolgens houdt hij cen goed lopend betoog, dat hij onderstreept met foto’s.
Via cen heldere hoofdstukindeling kan de lezer als het ware ‘instappen’ waar hij wil. Zo beet het tweede hoofdstuk ‘De toestand van de histonische ongels’, en ik wil niet nalaten hieruit de volgende alinea te citeren:
“Belgisch Limburg is op gebicd van orgeirestauratie lange tijd een achtergebleven gebied geweest. Toen in de peniode 1988-1994 in opdracht van het provinciebestuun de bclangrijkste historische ongels van Limburg in kaart werden gebracht en geinventariseerd, kwamen er onbeschrij felij ke toestanden van veryal, verwaarlozing en vandalisme aan het licht. Ongeveer de heift van de histonische instrumenten was buiten gebruik gesteld, in sommige gevallcn al zclfs meer dan dertig jaar geleden. Bovcndien lict de toestand van de nog bcspeelbane orgels vaak te wensen over. Tot 1990 leek de tijd bier stilgcstaan te hebben, want tot dan toe waren in Limburg slechts twce orgelrestauraties met overhcidssubsidics gerealiseerd: Tonde Orqelvi-iend
genen, Onze Lieve Vrouwebasiliek (1944/47) en Hasselt, Sint-Quintinuskathedraal (1971/72). Bovendien betreft het bier nog restauraties yolgens een neo-barok concept die rneer kwaad dan goed deden aan de historische bestanddelen; voor beide genoernde orgels is trouwens sinds kort opnieuw een aanzct tot restauratie gegeverL”
Het derde hoofdstuk dnaagt de titel ‘De oudste restanten’. Via De barokpeniode’ (l7de en l8de ecuw) met cen interessante opsomming van stijikenmerken van de z.g. Luikse school (acht orgelbouwers) en ‘De l9de ecuw: classicisme en romantiek. Ontstaan van een Limburgse school?’ komt Lemmens tot ceo fraaie afronding. Het bock bezit ecn uitgcbreid o pzoekappa raat. Er staan diverse technische tekeningen in, onder meer oven het Clerinx-windladesysteem uit 1847, waarin Clerinx twee manualen met ceo windlade kan doen functioneren. Hij had hienop octrooi. Wanneer men meer wil weten van hei ongelpatrimonium van onze zuiderburen, mag dit bock in geen enkele orgelbibliotheek onthreken. Dat er meer mogen volgen.

Michel Lemmens, Het Limburgse orgellandschap.
Serie Cultureel erfgoed in Limburg deel 1.
70 blz. - Prijs BFR 250,- (excl. verzendkosten)
Besteladres:
Provinciaal Centrum voor Cultureel Erfgoed,
Kasteel Rijkel,
D. van Leeuwenstraat 23
B-3840 Rijkel (Borgloon).
00k te besteflen bij de muziekhandels Boeijenga
Sneek en Lindenberg Rotterdam.

Willem van Twille










PIETER LEEBEEK

STEENDAM-ORGLET I VALLE KYRKJE

S.O.S. Records 9711-01 — Speelduur 7147”
Prijsf 35,00



PIETER LEEBEEK Q~

KIRSTEN BRATEN BERG

ORGELMUSIKK OG FOLKETONE

FRA SETESDAL

S.O.S. Records 9711-02 — Speelduur 7006”
PrijsJ 35,00
Te bestellen door overmaking van f 35,00 (1 cd) of f 60,00 (2 cd’s) op bankrek.nr. 91.19.92.898 t.n.v. Orgeimakerij Steendam te Roodeschool, met vermeiding van bet
(de) cd-nummer(s).
S
ieeo Steondam is niet alleen orgelbouwer, hij heeft ook zijn eigen opnamestudio. Op zijn label S.O.S. verschenen twee cd’s van Noorse orgels. De eerste is gemaakt op het orgel in Valle, dat hij vorig jaar voltooide. Hoewel dii orgel ‘maar’ 18 stemmen telt, is het een erg veelzijdig instrument. Het heeft eon krachtig, stoer klinkend ondermanuaal tegenover een zacht en liefelijk klinkend bovenmanuaal in een zwelkast. Bij eon orgel dat in eon vrijwel galmloze ruimte staat, komt het zeer op de klankgeving aan. Het pleit voor hot vakmanschap van Steendam dat hot instrument ook in deze drogo omgoving blijit bocien. Dit orgel doorstaat do ‘elandtest’ — om eons eon eigentijdso term to gebruikon — omdat het voldoende ‘grond’ in de haskant bezit. Luister maar naar de Fantasia in g van J.C. Keliner of naar Gavotte I en Ii van Cornelis Buto. Bij eon orgel dat zo good in zijn bassen zit, valt ook good te zingon.
De samenzang in doze kerk wordt sinds 1993 begeloid door Pieter Lee-
book, eon van do Nederlanders die con bostaan in Noorwegen heck opgehouwd. Hij goeft or ook veci concerten. Voor doze cd stelde hij eon afwisselend programma samen met werken van Krebs (Vieu Praeludien), J.S. Bach (eon viertal koraalvoorspelen), J .B. Bach (Ciaconna B-du,’) enJ.C. Kellnor. Via Kuchar (Pastorale in C) komon we in de rornantiek van Roger, Bastiaans en Bute (drie delen uit Suite in Ouden Stijl) terecht.
In sommige werken heck do organist do neiging hot tempo wat op to jagon, zoals bijvoorbeeld in de Fuga in D van Roger on het Larghetto in fis van S.S. Wesley. Dat isjammer, want zulke stukken zijn gebaat bij eon breed en consequent tempo. Het Andantino van Franck wordi daarontogen zoor evenwichtig noergezet, met mooie rustpunten. Leobeek bosluit met do bekende Final in D uit do Ecole d’Orgue van J.N. Lemmens. Eon mooie opname van eon orgel dat bereid is tot muziekmaken!

Met Pieter Leebeek legde Steendam ook eon aantal orgels in hot Noorse Setosdal vast. Zo’n 15 jaar geleden gal hot orgelbestand in het Setosdal woinig aanlciding om eon cd als doze to maken. Sinds het einde van de jaren ‘80 is or echter voel veranderd; verschillonde kerken en kapellen kregen een nicuw orgel (waaronder Vallo), andere orgels werdon bodrijfszeker gernaakt.

in hot Setesdal is de volksmuziekcultuur goed bewaard goblovon. Doze cd getuigi daarvan d.rn.v. eon aantalfolketone (volksliederen), gczongon door Kirsten Bräteri Borg. Hot is even won-non, want dezo stem heeft. niot do gecultiveerde klank die wij kennen. Dit timbre past echter bij hot gobrachte volksmuziekrepertoire. Waar deze liederen precios over gaan is niet duidelijk, hoowel eon aantal orvan eon duideiijko religieuzo strokking heelt.

Do cd bogint met drio volksliedoron, die worden begeloid op eon zestigor jaron-orgel, dat in 1995 niouwe mechaniek on kiavioron kreeg. Hot oudsie opgenomon orgel staat in hot ‘Bygland kyrkje’ en dateert uit 1892.



de Orqelvriend
Hot is van Albert Hollenbach, die nog vasthield aan inochanische tractuur. Hot orgel bent zich dan ook zeer voor workjes van Zipoli on Martini. Hot orgol in Hylestad (Gebr. Torkildson, 1991) word vorig jaar door Steendam geherintonoerd waardoor —voor zover het pijpwork dat toeliet —eon warmere en rondere kiank is ontstaan. Hot heoft nu voldooncle kwaliteiten oni or koraalvoorspelen van Bach on worken van Pacholbel hevredigond op to vertolkon. Na onkobo opnamon uit Valle (o.m. eon koraaltrio van Leobeek) volgen nog onkele Italiaanse werkjos op eon positief van do Nye Orgelbyggeri AB uit 1988 in hot ‘Bykie kyrkj~ De Co,uente Quarta van Frescobaldi is tweomaal opgcnomen: oenmaal met on eenrnaal zonder windrnotor. Ten slotte is daar hot nieuwe orgol van Nibs Arne Vonheim in de kapel van het skicentrurn Hovden, met twoe koraaivoorspcicn van Krobs en het koraal ‘He,zliebsterJesu’ van Rinck. Eon orgel dat hot qua intonatie (wat een ‘harde’ prestantklank!) toch aflegt tegen dat van die Nederlandse ‘indringer’. Eon met zorg sai’nongestolde cd die eon aardig beeld geeft van eon stuk Noorse volksmuziek- en orgelcultuur.



Het Steendam-orgel in Valle (N).











C’D-recenstes












ORGANA ANTIQUA BOHEMICA

~ECHY • BOHEMIA

Lindcnberg LB( I) 71-74 (4 cd’s)
Prij’. f 99,00



PRAHA • PRAGUE

Lindenberg I BCD 75/76 (2 cd\)
Prijsf 69,50
D
e Tsjechische orgelcultuur is er een van uitzondenlijke rijkdom. Dat hebben orgelminnende nadioluistcraars in de periode van november 1996 — met cen onderbreking — tot en met khruani van dit jaar kunnen vaststellen wanneer zij dondcrdagsavonds afstcmden op de KRO. Onden leiding van de Praagse organist Pavel ~ern~’ en met adviezen en steun van de Tsjechische radio werden zo’n 120 histonische ongels in het voormalige Tsjecho-Slowakije bezocht; na selectie blcven er nuim 50 over die met elkaar ceo nepresentatief beeld geven van het Boheemse orgeliandschap vanaf de 17e ecuw tot aan de Tweede Wereldoonlog. In samenwerking met Radio Nedcrland Wcneldomrocp werden hiervan in 1996 opnamen gemaakt die nesulteerden in 55 uitzcndingen, waarvan 20 gewijd aan Pnaagse orgels.

Er werkten 17 organisten, merendeels Nederlanders, aan mee. Uit dit materiaal stelde Lindcnberg Productions in ovenleg met de ‘makers’ twee cddozen samen, ceo 4-cd-box met 28 orgels in Bohemen en ceo dubbcl-cd met 1 1 ongels in Praag.
De Boheemse orgelcultuur gaat terug tot de 12e eeuw; de oudste nog bestaande instrumenten dateren echter uit de 17e eeuw. De Habshurgse heenschappij, die van 1526 tot 1918 duurde, bepaalde in de tussenliggende eeuwen het godsdicnstige en culturele klimaat in de Bohernen. De Bohecmse orgelbouw zocht zodoende aansluiting bij Oostenrijk en (het katholicke) Zuicl-Duitsland. In de peniode na de Dertigjanige Oonlog (1618-1648) ontstond ‘het’ Boheemse orgel, met zijn nijke, zilverachtige plenum, een keur aan labiale gnondstemmen waarin stnijkende registers ceo belangrijke plaats innemen, en vrijwet geen tongwerken. De muziek forcerde zowel in de kerk als daarbuitcn en het ongcl speelde daanin ecn belangrijke no!, als begeleidingsinstrument en solistisch. Een idcaal klimaat voor ongelbouwens als vader en zoon Spiegel, Sernrád en Reiss in Pnaag, Gartner in het westen, Starck, Burghant en Schmiedt in het noordwestcn, de families Helwig, Weltzel, Katzer en Streussel in het oosten en Christeindi in het zuiden.
De eenste cd van de Bohemia-box geeft ei-n beeld van orgelbouwactiviteiten in de 17e en 18e ecuw in het noordwesten. Van Abraham Starck resteert nog ceo fraai, in gedeelde kasten opgesteld ongel in de voormalige kloosterkcrk te Ziata Koruna. De klank, door de Maastrichtse organist Marcel Verheggen gedcmonstncend in de Toeeata in G van Muffat en cen Fuga van ~zennohorsk~r, bcantwoordt preeies aan de hierhoven gecitecrde



tie Orqeivriend
beschrijving. Ook enkele exponente van romantische ongelbouw zijn op deze cd vertegenwoordigd: bet
indrukwckkend mooie orgel van M~ tin Zaus in de Mikulá~-kerk in Chel waarop Kees van Houten zichzelf
ovcrtreft in vier konaalvoorspelen v~ Brahms, en het viermanuaals orgel van de gebr. Jehmlich in de oude k~ van Anton Reiss in de Dom van
Litomëhee, waar Christine Kamp
Karg-Elert het voile pond kan gever In het westen werkten vanaf het rni~ den van de 18e ceuw vier gcnenatic5 Gartner als ongeirnakers. Van Anton Gartncrs dricklaviers orgel in de Sir Vituskathedraal in Praag is alleen th kas nog over; de beide orgels in het Pnemonstratcnsen-kIooster in Tépla, vastgelegd op resp. de censte en vier de cd, ondcrstrepen nog heden ten dage zijn roem.
Op de twcede cd staan enkele orgel:
van uit Praag afkomstige en andere noondelijke orgeibouwers vcrceuwi~ instrumenten van vadcr en zoon Sp gel (rcsp. in Manétin en Bezno, bcspceid (loon Peter van Dijk en Pa ~ernS’), Anton Rciss (Rab~tejn, bespeeld door Jan Raas) en Emanw S. Petr (Louny, bespeeld door Jan J; sen). De gebr. Feller in het noondei wcrkten traditioneel, getuige bun ongel (1848) voor de Allerheiligenkerk van ~eska Lipa. Martin Rost bncngt de klank op bociende wijze leven in o.m. een spannend Praelw urn in e van August Wilhelm Bach. de 19e ceuw wend de Saksische invioed groter; als voonbeeld hienv:
is ‘Opus 48’ (1890) in Filipov van firma Eule uit Bautzen opgenomen Met drie Charakterstuke van Josef Rheinberger demonstreent Klaas St de vervallen schoonheid van dit
groots kiinkende, rnaar toch slecht 22 stcmmen tellende instrument. In het zuiden werd Nicolaus Chni~

























eindl het bekendst; hij bouwde o.m. het orgel in het v.m. Minderbroederklooster in O~sky Krumlov (1682) dat op de vierde eel wordt gedemonstreerd door jaroslav Tüma in een uitgebreid Praeludium van Johann Nauss, dat door zijn geledingen mecr het karakter van een suite draagt. In het zuiden werkien ook Oostcnrijkse bouwers als Franz Lorenz Richter, wiens orgeltje in Dolni Dvofi~te gaaf bewaard bleef en op de vierde cd wordt hespeeld door Pavel ~ern~. Van groot belang voor de Boheemse ~romantische’ orgeihistorie is het werk van de Firma Rieger, in 1873 opgericht in Krnov (Silezië). Dii bedrijf groeide uit tot een enorme ondernerning met filialen in o.a. Wiener-Neustadt en Budapest. Op de derde cd vinden we enkele door hen gebouwde c.q. gerestaureerde instrumenten, zoals het uit 1894 daterende orgel in Rokytnice (bespeeld door Hans Leenders in werken van Eben en Wiedermann) en het in de jaren ‘90 van deze ceuw door hen gerestaureerde ~panelorgel in Rychnov nad Knèznou. Op dit laatste instrument speelt Pavel ~erny een 10 minuten durende, tot de verbeelding sprekende Fantasie van Josef Bohuslav Foerster (1859-195 1), een componist die in Tsjechie nog steeds in hoog aanzien staat omdat hij niet alleen musicus was, maar tevens een begaafd literator en beeldend kunstenaar.
Op de cd’s vindt men behalve Tsjechisch, Oostenrijks en Duits repertoire ook Nederlands werk. Die Nederlandse inbreng had wat mij betreft beperkt kunnen blijven tot Sweelinck, Andriessen, Wagenaar (Inleiding en Fuga over ceo Russisch thema) en Strategier~ de gelegenheidswerkjcs van een zekereJ.B. Kolkman doen in dii kader wat onbenullig aan.
De beide cd-dozen gaan vergezeld van

lijvige tekstboekjcs (resp. 100 en 84 pagina’s). In totaal 62 pagina~s daarvan zijn voor ons van belang omdat ze in het Nederlands zijn gesteld of orgelgegevens bevatten. Beide boekjes beginnen met cen compleet overzicht van de gespeelde werken; daarna volgt een verheldere nil hoofdstuk over het Bohecrnse orgel en zijn karakteristieken. In het ‘Bohemen’hoekje worden de orgelbo uwae tiviteiten per windsireck behandeld; het ‘Praag’-boekje gaat uiteraard dieper in op de aldaar werkende orgelmakers. Het tweede boekje biedt ook biografische inFormatie over de Tsjechische compon isten en de medewerkende organisten. Na de Tsjechische, Duitse, Engelse en Franse en Spaanse (!) toelichtingen volgen achterin gegevens over de bespeelde orgels, aangevuld met afbeeldingen van fronten, klaviaturen en details. Registraties worden helaas niet vermeld. Ondanks dat zijn deze cd’s hun geld volkomen waard.
Gerco Schaap


Bij de ‘Praag’-cd’s:
De opening door Klaas Hock met her Magn~ficat quinti toni van Johann Speth is dermate indrukwekkend en overroinpelend (wat een schittere nd hoofdorgel staat er in de Praagse Tynkerk!) dat het vervoig van de eerste ‘Praag-cd’ (het positief in dezelide kerk) teleurstelt. Deze overgang is te groot. Daar komt bij dat ik Peter van Dijk wel beter op dreef heb gehoord dan op dit positief.
Een omissie vind ik het ontbreken van registratie-aanduidingen in de boekjes. Ik wit hier dan ook een lans breken voor het altijd vermeiden van registraties! Ik ben me ervan bewust dat registraties door tijdgehrek tijdens de opnamen of door wijzigingen van het laatste moment moeilijk te achierhalen zijn. Maar dii is ook cen kwesde (Jrqetvricnd
tie van het stellen van prioriteiten van de producer. Deze cd’s koopje als naluisterwerk. Geen registraties is als het kijken naar een indrukwekkende voorgcvel zonder historische gegevens. Veel ontgaat je dan. Zeif onderyang ik het probleem van het achterhalen van registraties door na afloop van een opnamesessie de registraties van elk werk op de nog lopende geluidsband in re spreken. Voor het overige heb ik lof voor het gebodene, at denk ik dat sonates van Ph. Pool, Ruppe en andcre Nederlandse klavierwerkjes flu wel genoeg zijn vastgelegd bij eerdere, soortgelijke KRO-producties (Italië-, Elzascd’s). In de barok- en galante periode werd in ons land meer geimproviseerd dan gecomponeerd, dus veel Nederlandse orgelliteratuur is er uit deze tijd niet.
in de tekst van het boekje miste ik een bondige sarnenvatting, ceo opsomming van de specifieke elementen van de Boheemse orgelcultuur. Eën zin licht ik er even uit, omdat hij gewoori nieuwsgierig maakt naar meer: hoe “enkele kleine orgelmakerijen in opkomst zi)n die aansluiting zoeken bij de ‘oude’ Boheemse ambachtelijke tradities, zowel ten behoeve van restauraties als van nieuwbouwprojecten”. Ik hoop dat Peter van Dijk zijn kennis van de Boheemse orgeihouw uit heden en verleden nog te bock gaat stellen. Zijn cd-verhaal smaakt in elk geval naar meer.
Willem van Twillert