Het Nijsse-Orgel in De Open Hof in Soest

In onze kolommen kan men regelmatig besprekingen lezen van werk dat jonge orgelbouwers hebben gerealiseerd. Ook René Nijsse behoort tot die generatie, die probeert zich een plaats te verwerven op de Nederlandse orgelbouwmarkt.
De bouwtechnische en artistieke ontwikkeling die de firma A. Nijsse & Zn. uit Oud-Sabbinge de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, trekt met name vanaf de oplevering in 1993 van het orgel met twee manualen en pedaal met drie transmissies voor de Christelijke Gereformeerde Maranathakerk te Goes, de aandacht. Ook de prijsstelling maakt de tongen van collega’s los. Nijsse’s registerprijs lag voor Soest rond de f18.000,—, terwijl een gangbare prijs tussen f21.000,— en f40.000,— ligt. De intensieve samenwerking met de Orgelbouwadviescommissie van de Gereformeerde Kerken in Nederland, heeft bij de kwalitatieve verbetering van de orgels van Nijsse duidelijk een positieve rol gespeeld. In november 1997 werd in de woonplaats van adviseur Jean Telder door René Nijsse een nieuw orgel opgeleverd, waarvan nu een bespreking volgt.

In Soest, temidden van flats in het ‘Soesterveen’, ligt op een hoek van de Dalweg onopvallend De Open Hof. Bij binnenkomst ervaart men de ruime akoestiek van de kerkzaal als verrassend. De sobere, bijna vierkante ruimte zou uiterlijk gezien kunnen klinken als een kelder, maar door met name het plafond met schuin gelegde delen, wordt de nagalm gunstig beïnvloed en werkt deze met ruim vier seconden in een lege ruimte bepaald (orgel-)klankvriendelijk. Het plafond is bekleed met hechthouten platen. Wanneer de kerk vol is (ca. 500 kerkgangers), rest er nog een respectabele nagalm van 2 seconden. Bij de intonatie van het orgel heeft men alle stoelen bedekt met dekens, zodat een volle kerk werd geïmiteerd. Op basis van deze ruimtelijke klank werd geïntoneerd. Ik acht dit een verstandige keuze, die navolging verdient. Te vaak komt het voor dat een orgel bij een vol bezette kerkruimte tegenvalt en dat het instrument de zingende gemeente dan niet voldoende kan ondersteunen.
Ook de klank van het orgel is verrassend. Het is boeiend een orgel te verkennen van een mij tot nu toe onbekende bouwer. Nog boeiender wordt het wanneer het instrument bij elk opengetrokken register positieve verrassingen in petto heeft.

REGISTER VOOR REGISTER
HOOFDWERK
Als eerste register bespeel ik de Prestant 8’ van het Hoofdwerk. Het prestantkarakter is aanwezig; de bastonen houden de prompte aanspraak goed vol; de balans is goed. De basisvoorwaarden zijn dus in elk geval in orde. Een stap verder nu. Het artistieke element. Klinkt de Prestant goed in de ruimte? Hoe is het specifieke klankkarakter? De karakteristieke Prestantenklank, de opengelegde licht strijkende toon, die zoek ik. Ik ervaar een warm, donker, in het middenregister een tikkeltje overheersend geluid.
De Octaaf 4’ boeit me niet erg, ik mis het licht strijkende karakter dat de prestantenfamilie zo typeert, maar hij functioneert zonder meer. Ook valt op, dat de Octaaf 4’ zacht klinkt. Het maakt me nieuwsgierig naar de Octaaf 2’. De tweevoet zal jets extra’s moeten brengen, anders wordt het Prestantenkoor een saaie bedoening. Ik trek het register erbij en . . - ja, de Octaaf 2’ geeft de degelijke Prestanten acht- en viervoet precies de nodige sprankeling en de cantabele levendigheid. Nu de klankkroon. Ik probeer me voor te stellen hoe de Mixtuur zal klinken. Gehoord de grondtonige Prestant 8’ en 4’ zou het wel eens uitstekend kunnen uitpakken. Een Mixtuur die zich als het ware nestelt tussen de Prestant 8’ en 4’. En warempel, het gebeurt. De Mixtuur samen met de Quint 3’ klinken mild, maar volkomen natuurlijk en op hun plaats.
Tijdens het wegdoen van het Plenum stel ik me die typische roerfluitklank voor. Die heldere boventoon, de terts, veroorzaakt door het roertje boven op de pijp, gecombineerd met de kernachtige fluitklank. Zou dat de jonge Nijsse ook gelukt zijn? Ook dit is gelukt.
De Trompet 8’ nu: Ik grijp het C groot akkoord. De lage e geeft het Hollandse ‘Woh’-geluid. Naar boven toe houdt de Trompet 8’ het fraaie timbre minder vast. De toon begint in het midden en verder naar boven iets meer te tetteren, maar het evenwicht en de balans blijven. De aanspraak is accuraat.

NEVENWERK
Tot zover scoort het instrument boven verwachting. Het Nevenwerk nu- Ook de Holpijp 8’ geeft de te verwachten ‘houten’, fluwelige klank. Dit register daagt de Open Fluit 4’ en Fluit 2’ uit tot een inspirerend consort. De Fluit 2’ is een juweel. Vooral in de tweevoeten (de Octaaf 2’ en de Fluit 2’) ervaar je ook de subtiele licht beweeglijke orgelwind. Opvallend muzikaal snateren deze beide tweevoeten hun partij mee. Het Fluit 8’- 4- 2’-consort nodigt daarenboven uit tot een langdurig verblijf van mijn bewegende vingers in de nevenwerktoetsen. Het Nijsse-orgel te Soest zal, zo vermoed ik, spraakmakend worden.
Dat de Open Fluit 4’ en de Nasard 3’ opvallend krachtig klinken en zodoende een optimale Cornetklank (samen met de Holpijp 8’ en Fluit 2’) bewerkstelligen, neem ik nu haast als vanzelfsprekend aan. Dit geldt ook voor de Bourdon 16’, waarvan de mensuur met kennis van zaken bepaald is. Evenals de factuur die door Orgelpijpenmakerij Stinkens is gedaan. Deze is verrassend grondtonig in de bas. Jean Telder licht toe dat de bas van de Bourdon 16’ (die normaliter als Manuaal-16’ slank van toon wordt gehouden) nu zo veel mogelijk toon moet geven, omdat deze Bourdon 16' via een transmissie apart bespeelbaar is met de pedaaltoetsen. Dit geldt ook voor de Prestant 8’ en de Trompet 8’. De Bourdon 16’ functioneert dus tevens als een zelfstandig Pedaalregister. Omdat de klank in de bas sterker is gemaakt, klinkt de Bourdon 16’ als een Subbas 16’ in het Pedaal. Knap gedaan. Vervolgens vraag ik Jean Telder het orgel te bespelen. Het instrument klinkt galant met fluitcombinaties, daarentegen klinkt een renaissanceachtig consort-timbre in de Prestant combinaties, eventueel aangevuld n de Trompet 8’. Ook de verschillende begeleidingsvormen komen goed na voren. De open Fluit 4’ is een inteligente keuze, want deze zorgt niet alleen mede voor een dragende Cornetklank (zoals ik al aangaf), maar fungeert ook optimaal als begeleiding van het Hoofdwerk.

PEDAALTRANSMISSIES
De drie transmissies op het Pedaal acht ik voor kritiek vatbaar. Immers de mechanische werkzaamheden, dubbele ventielen enzovoorts, vragen dermate veel arbeid, dat de kosten hiervan de helft bedragen van de plaatsing van een daadwerkelijke stem. Desgevraagd was het motief niet louter financieel, maar ook een kwestie van plaatsgebrek. Overigens ervoer ik de argumenten voor plaatsgebrek als discutabel. Het komt me eerder voor als een prioriteitskwestie. Hoe dan ook: mij had een aparte pedaallade voor de hand gelegen. Het akoestische advies bij de bouw van de kerkzaal werd verstrekt door lr. Wim Raven, adviseur van de Orgelbouwadviescommissie van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

WINDLADE
Het pijpwerk is geplaatst op twee windladen,verdeeld in C-en Cis-kant. Bij de constructie paste Nijsse naast massief eiken ook hechthout toe om eventuele schade door verwarming en dergelijke tot een minimum te beperken. De pulpeten zijn van leer. De mechaniek is waar mogelijk uitgevoerd in Frans eiken; de abstracten zijn van grenen gemaakt. De mechaniek is gedeeltelijk ingevoerd.

WINDV00RZIENING
De orgelwind wordt geleverd door een Ventus-orgelventilator. De windvoorziening is opgebouwd uit twee identieke magazijnbalgen met één inliggende vouw. De twee balgen zijn in serie gekoppeld en bewerkstelligen in onderlinge samenwerking een ademende wind in een rustige golfbeweging. De balgen liggen onderin het orgel over de gehele breedte van het instrument. De kanalisatie is geheel gemaakt uit Frans eiken. Gekozen is voor een pneumatische tremulant met uitlatende wind, omdat toepassing van een inliggende tremulant niet goed mogelijk was vanwege de vrij korte windkanalen.

PIJPWERK
Het metalen pijpwerk is vervaardigd door Orgelpijpenmakerij Jacq.Stinkens te Zeist. Het loodgehalte is 95%. (Front 80%) Het houten pijpwerk vervaardigde de orgelmaker in eigen beheer uit eersteklas grenen. De voeten van de frontpijpen zijn, waar nodig, versterkt met een koperen binnenvoet.

INTONATIE
Jean Telder koos voor een dispositie met op het Hoofdwerk een volledig Prestantenplenum op 8’- basis en een fluitenplenum op 16’-basis. Door de registers te verdelen over twee manualen en een transmissie-Pedaal en door het toepassen van delingen naar oude voorbeelden is een orgel ontstaan met vele gebruiksmogelijkheden. De Open fluit 4’ en de Nasard 3’ zijn relatief sterk geïntoneerd om optimaal te functioneren binnen een Cornet decomposé.

Het 13 stemmen tellende nieuwe orgel in de Open Hof te Soest getuigt van een goede samenwerking tussen orgelbouwer en adviseur. Jean Telder heeft zijn kennis van de orgelbouw ter beschikking gesteld, zelfs meer dan dat: Hij beïnvloedde de wijze van bouwen bij Nijsse. Geen corrigerende ingrepen meer tijdens de bouw, maar een consciëntieuze planning vooral, met een intensieve begeleiding door de adviseur tijdens de intonatie en tijdens het in balans brengen van de diverse klanksterktes van de registers. De mensurering en de legering van het orgelmetaal (Telder geeft de voorkeur aan een hoog (tot 95%) loodgehalte) werden in overleg met Jean Telder bepaald, waarna deze en andere specificaties verstrekt werden aan orgelpijpenmaker Stinkens te Zeist. Windvoorziening, mechaniek, windladen en alle andere elementen ‘des mechanischen Orgels’ werden gezamenlijk onder de loep genomen. Na adviezen van Telder bij eerdere orgelbouw van Nijsse mondden de kennis en ervaringen uit in een fraai orgel. Kunnen de omstandigheden gunstiger zijn? Geen compromissen, geen orgelvreemde voorwaarden, geen beperkingen van wat voor aard, behalve dan financiële.
Telder was ook betrokken bij de verbouw en uitbreiding van de kerkzaal. De maten en de sfeer van de kerkzaal komen terug in het front dat Telder ontwierp. Bij het ontwerp baseerde hij zich op de principes van de gulden snede. Grosso modo culmineerde dit alles in een sober ontwerp. Alleen bij de vormgeving van de boventoetsen van het pedaal ging Telder te ver: ze hebben nu een vorm waar de beroemde architect Le Corbusier zijn goedkeuring aan gehecht zou hebben, maar die schrijver dezes te strak van vormgeving vindt. Dit moet een aandachtspunt voor Nijsse zijn.

CONCLUSIE
De dispositie van dit orgel is goed gekozen. Wel laat zich het gemis aan een zacht tongwerk (Dulciaan) terdege voelen. De twee balgen liggen onderin de kas. Voor onderhoud een gevaarlijke oplossing, men kan er immers moeilijk bij. Rechts naast het orgel is een geschikte ruimte om een balgstoel te plaatsen. Het komt me voor dat dit een betere oplossing zo zijn geweest, ook voor de tremulant want die heeft vanwege de korte windkanalisatie nu een onrustige slag gekregen. De speelaard is goed. De kas oogt sober en zou naar mijn smaak mooier in de kerkruimte staan wanneer deze in een kleur werd geschilderd.
René Nijsse bouwde in Soest een orgel dat er niet alleen wezen mag, maar hij zette met dit instrument zijn orgelmakerij definitief op de orgelkaart van Nederland. Wanneer dan ook blijkt, dat Nijsse de laagste inschrijver was, dan is dit compliment dubbel verdiend in figuurlijke zin. Het orgel kostte nog geen f 220.000,—, een bedrag waarvan orgelbouwers in Nederland zeggen dat dit een onmogelijk laag bedrag is. Voor Nijsse blijft de kostprijs dezelfde. De ereprijs evenwel mag hij er van mij nu bijtellen in de vorm van deze lovende recensie.

Dispositie orgel De Open Hof

Hoofdwerk
Prestant 8
Octaaf 4
Quint 3
Octaaf 2
Mixtuur IV 1 1/3 (B/D)
Bourdon 16
Roertluit 8
Trompet 8 (B/D)

Nevenwerk
Holpijp 8’
Open fluit 4’
Nasard 3’ (B/D)
FluIt 2’
Terts 1 3/5 (BID)

Pedaal
Bourdon 16’ (tr. HW
Prestant 8’ (tr. HW)
Trompet 8 (tr HW)

Manuaalkoppel (BID)
Pedaal aan Hoofdwerk
Pedaal aan Nevenwerk
Tremulant
Winddruk 66 mm WK
Stemming Werckmeister III modificatie b is getempereerd tussen e en fis

Samen stelling Mixtuur: 
C1:  1 1/3 - 1 - 2/3 - 1/2
e13: 2 - 1 1/3 - 1 - 2/3
f18:  2 - 2/3 - 2 - 1 1/3 - 1 
c25: 4 - 2 2/3 - 2 - 1 1/3 
f42:  5 1/3 - 4 - 2 2 /3 - 2 


JEAN TELDER
Geboren in 1937. Wilde op 1 2-jarige leeftijd orgelmaker worden en leerde orgelstemmen bij orgelmaker Jan de Koff. Pa Telder verbood Jean de orgelbouw als vak te kiezen Het werd de kweekschool Van 1960 tot 1986 was Jean Telder werkzaam als leraar Lbo-Mavo; daarnaast ontwikkelde hij zijn muzikale talent, uitmondend in het diploma Kerkmuziek I in 1978. In de jaren zestig behaalde hij LBO bouw electro en mechanische techniek en metaalbewerking. In 1963 behaalde bij het staatsdiploma muziektheorie. Vanaf 1967 werkte Jean Telder bijna 25 jaar als programmaredacteur voor de orgeluitzendingen van de NCRV. Sinds 1965 organist van de Goede Herderkerk te Hilversum. Vanaf 1981 is hij een van de vijf leden binnen de Orgelbouwadviescommissie van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Van 1989 tot 1997 maakte hij deel uit van het bestuur van de GOV. Jean Telder adviseert in teamverband meestal samen met dr. Arend Jan Gierveld.


RENÉ NIJSSE.
Op zaterdag 1 3 december ontmoette ik René Nijsse. Op mijn verzoek stuurde hij mij gegevens over zijn bedrijf, die ikintegraaal laat volgen:

“Zoals beloofd stuur ik enkele gegevens over ons bedrijf en mij persoonlijk. Mijn vader is 1 maart 1947 begonnen in de orgelbouw. Voor een groot deel is hij een ‘self-made man’. De beginselen van het stemmen etc. zijn hem bijgebracht door de heer Brandt, die voor de oorlog chef was bij de firma Dekker in Goes. Deze Brandt was afkomstig van Van den Bijlaardt in Dordrecht en is daar door Dekker weggekocht.
De eerste tijd kenmerkt zich door reparaties en onderhoud van harmoniums en kerkorgels. Het eerste nieuwe kerkorgel is gemaakt in 1973 voor de Gereformeerde Gemeente van Katwijk aan Zee. Zo langzamerhand is er steeds meer nieuwbouw gekomen.
Zelf ben ik in 1961 geboren. Al vroeg begon ik met orgelspelen en had de wens om orgelmaker te worden. Na het behalen van het Havo-diploma met de drie exacte vakken heb ik een tijd bij de firma Stinkens gewerkt om te leren intoneren. Vanaf 1980 ben ik volop gaan meewerken in het bedrijf en zijn wij ons gaan oriënteren op de ambachtelijke bouw van een pijporgel. In 1985 hebben wij onder advies van de HOC (Aart van Beek) een nieuw orgel gemaakt voor de NH. kerk in Kloosterzande.
In 1987 en 1988 hebben wij twee nieuwe orgels gemaakt voor respectievelijk de Chr. Gereformeerde Kerk en Ned. Hervormde Kerk van Haamstede. Er zijn toen uitsluitend houten mechanieken gemaakt en steeds kwamen wij een stapje hoger op de ladder.
De Nederlands Hervormde Kerk van 's-Heer Hendrikskinderen (bij Goes) had in 1913 een nieuw Standaart-orgel gekregen. Ail aren verkeerde dit orgel in een slechte staat. In de zeventiger jaren was een rapport opgemaakt door de HOC. ’Neem maar een nieuw orgel’ was de conclusie.
Er was geen geld beschikbaar een voor een nieuw orgel. Eind jaren tachtig was het geld er wel vanwege grondverkoop ten behocve van een nieuwe rondweg.
Klaas Bolt kwam in 1989 als adviseur en hij gaf het advies om dit instrument grondig te restaureren en te bewaren voor het nageslacht. Immers: de materialen die gebruikt waren door Standaart, waren van goede kwaliteit: een eiken windlade, roodkoperen pneumatiekbuis, geen enkele zinken pijp etc. Alles is toen door ons gerestaureerd en vanwege het overlijden van Klaas Bolt is de eindkeuring verricht door Aart van Beek.
In de Christelijke Gereformeerde Kerk van Goes stond een Koch-apparaat. Met veel kunst en vliegwerk hebben wij dat altijd spelende kunnen houden. Deze kerk werd verbouwd en er moest een nieuw orgel komen. Ons was beloofd dat wij hiervoor mochten inschrijven, omdat wij altijd goed voor het oude orgel hadden gezorgd. Het moest gemaakt worden onder advies van de OAC van de GOV. Adviseurs waren dr. Gierveld en Jean Telder. Met het orgel in Goes hebben wij een schot in de roos gemaakt. Zo is daar alles gemaakt zoals de ‘grote' orgelmakers het doen: loden conducten, pijpwerk met hoog loodgehalte, eiken stevels en koppen voor de tongwerken etc. Veel bekenden in de orgelwereld zijn bij dat instrument geweest en ieder was onder de indruk. Daarna hebben wij nieuwe orgels gemaakt voor de Chr. Gereformeerde Kerk van Drogeham, Ned. Hervormde Kerk te Maasdijk en de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland te Dordrecht. Al deze instrumenten zijn geënt op de ontwikkeling die wij met het orgel van Goes hebben doorgemaakt. In 1993 hebben wij het Proper-orgel van de Ned. Hervormde Kerk te Hoedekenskerke gerestaureerd onder advies van Rudi van Straten.
Onze laatste opus is het orgel in Soest, dat dus weer een stap verder is dan Goes — en waarvan gezegd is, dat het orgel zich kan meten met de top van Nederland. Met uitzondering van de metalen pijpen (Stinkens) en de windmachine wordt alles in eigen werkplaats gemaakt. Op dit moment zijn er twee enthousiaste medewerkers in ons bedrijf. Door de jaren heen hebben wij een grote onderhoudsportefeuille opgebouwd. Ons grootste orgel voor onderhoud is op dit moment de St. Jan in Roosendaal (Schijven, 48 registers). Ons streven is om voor een betaalbare prijs vakwerk te leveren. Dat lukt omdat ons bedrijf geen dure top heeft en geen grote lasten kent voor werkplaats en dergelijke, daar alles in eigendom is. Komende jaren zullen wij ons bezig houden met onder andere restauraties van een Engels orgel in de G.K. van Sprang-Capelle, de N.H. Oostburg, Oud geref. Gemeente in Gouderak en een ‘nieuw’ orgel voor de Geref. Gemeente van Emmeloord. Hiervoor gebruiken wij twee windladen en pijpwerk van het Van Gelder-orgel uit Alphen aan de Rijn. Ook in België hebben wij enkele restauratie opdrachten, onder andere in Poppel.
Zelf heb ik orgelles gehad van mijn oom, daarna een aantal jaren op de muziekschool in Goes. Daar was Stoffel Gunst orgelleraar. De laatste leraar was Kees van Eersel, van wie ik meer dan zes jaar les heb genoten, tot twee jaar terug. Toen ben ik men CAD-cursus tekenen gaan volgen, met als resultaat dat wij nu veel op de computer tekenen. Momenteel speel ik op het Hess-orgel in Kloetinge en in de Chr. Gereformeerde Kerk te Goes: op mijn eigen orgel. Leuk!”