Een nieuw orgel in ‘Frans-romantische traditie in Cuxhaven

In augustus 1995 maakte Willem van Twillert kennis met het nieuwe orgel in romantische stijl in de St. Petrikirche in Cuxhaven, gebouwd door Gerald Woehl. Het is een opmerkelijk instrument dat wortelt in de romantische orgelbouwtraditie van Cavaillé-Coll. Nadat hij er de vorige zomer op geconcerteerd had, besloot Van Twillert een artikel aan dit bijzondere instrument te wijden.

In Cuxhaven, midden in de roemrijke orgeltraditie van Arp Schnitger en zijn school, werd in de St. Petrikerk op 30 mei 1993 een orgel in gebruik genomen dat haar wortels heeft in de traditie van Cavaillé-Coll.
De bouwer, Gerald Woehl, had de opdracht gekregen om in deze landstreek, die al gezegend is met zoveel belangwekkende historische orgels, een instrument in historische factuur te bouwen. De vraag was, in welke stijl er dan moest worden gebouwd. Het werd een romantisch orgel. Gerald Woehl schrijft er onder andere het volgende over:
“Het idee voor een instrument als dit had ik al sinds 1987. Was het geluk, toeval of het lot, dat al een jaar later de gelegenheid zich voordeed, omdat in de St. Petrikerk de ideale omstandigheden werden aangetroffen.
Tot aan het uiteindelijke begin van de bouw ontstonden eerst nog twee andere instrumenten:1 989 Friedrichshafen, het derde in de jaren tachtig opgeleverde, op Franse leest geschoeide instrument, waarin zich al het concept van Cuxhaven laat vermoeden. 1990 Bad Homburg, het ‘nieuwe’ Bachorgel, een instrument dat, bij alle vrijheid, een strenge bouwtechnische discipline vereiste en precies datgene was om, na de ingebruikname, in Cuxhaven een nieuwe start te wagen.” (vertaling W.v.T.)

NIET NAAR HISTORISCH VOORBEELD
“Het nieuwe orgel in de St. Petri is niet naar een stilistisch, bouwtechnisch voorbeeld, zoiets als een Frans of Duits-romantisch orgel gebouwd, maar naar eigen muzikale voorstelling. Enerzijds is er de ruimte, gebouwd tussen 1909 en 1911, anderzijds was het de bedoeling, het instrument met het traditierijke orgellandschap te verbinden.” (...) “Het nieuwe orgel diende wat betreft klank daar te beginnen, waar de historische orgels hun grenzen in klank zien.” (...) De bouw van instrumenten zal steeds een deel van het heden en een deel van onze maatschappij in zich bergen. De doelstelling is daarom tegenwoordig een geheel andere dan bij de instrumentenbouw in het laatromantische tijdsgewricht. Het streven toentertijd was om steeds weer nieuwe technische verworvenheden te integreren, waarbij uiteindelijk het instrument ‘orgel’ verloren ging. Heden ten dage komt het erop aan om voor het symfonische tijdperk en voor de orgelmuziek van heden instrumenten te vervaardigen, waarbij men zich de technische middelen bewust is, maar het instrument als middelpunt ziet.” (...)

OVERTUIGEND
Tot zover de tekst van de orgelbouwer, die wellicht twee keer dient te worden gelezen, gezien het veelomvattende taalgebruik van Gerald Woehl. Maar dat wordt dan beloond met inzicht in allerlei motieven die een hedendaagse orgelbouwer in zich draagt of kan dragen.

INDRUK
In augustus 1995 heb ik het orgel voor het eerst bespeeld en in mei 1996 heb ik erop geconcerteerd. Het toont zich, zowel op het gebied van klank als op het gebied van speelmechaniek, een overtuigend instrument. Er is uiteraard veel over te zeggen, maar ik doe dit slechts in kort bestek.
Gerald Woehl is erin geslaagd om zijn visie overtuigend uit te werken. Hoewel hij stelt, dat hem bij de bouw van dit orgel geen stilistisch voorbeeld voor ogen stond (“zoiets als een Frans- of Duits-romantisch orgel”), wijst zijn concept wat betreft het ‘symfonisch windsysteem’ met g-balgen wel richting Cavaillé-Coll. Het instrument is degelijk gebouwd. Het speelt verfijnd, zonder Barkerhefboom. Alleen de lage tonen hebben een Barkerhefboom. Een dergelijk formaat orgel kreeg bij Cavaillé-Coll vanaf de uitvinding van de pneumatiek steeds een Barkerhefboom, hetgeen een verarming in speelmanieren met zich meebracht. Immers, in wezen is dan slechts legato of staccato mogelijk en weinig subtiliteiten tussen deze beide contrasten in. Woehl bewijst dat het mogelijk is een groot orgel met drie klavieren te koppelen aan een zuiver mechanische tractuur, zonder dat de toetsdruk onhanteerbaar wordt.
Tevens bewijst Woehl dat er zeker klankvoorstellingen te verwezenlijken zijn die, afhankelijk van de ruimte, nog iets ‘eigens’ aan de traditionele orgelklankwereld kunnen toevoegen. En dit, zonder dat het een orgel wordt dat ‘vlees noch vis' is. Het instrument pretendeert ook niet ‘alle’ stijlen te kunnen verklanken. Het orgel van Cuxhaven is een geslaagd orgel dat overtuigt. Zowel in solistische registraties als in plenum of werkcombinaties (Anches) klinkt het interessant. Men kan genieten van een enkele Prestant 8’, Bourdon 8’ of Flûte Harmonique 8’ zonder dat er steeds behoefte ontstaat om er nog enkele ‘acht-voeten’ of een ‘vier-voet’ bij te mengen. Dat wil niet zeggen dat ik de klankafwerking en de karakteristiek van een Prestant 8’ of een Bourdon 8’ of een andere familie (de strijkers) niet voor verbetering vatbaar acht.
Woehl ontkomt niet aan het aanbrengen van kernsteken en daardoor berooft hij zijn prestanten, fluiten en strijkers van de nodige karakteristiek in de boventonen. Het wordt saaier. Daar komt bij dat de aanspraak van met name de prestantenfamilie te wensen overlaat; men hoort vlak voor de aanspraak een hoge boventoon, als ware het een startsein voor de uiteindelijke aanspraak. Soms is dit storend. In het oktobernummer kwam in het Spakenburg-artikel al aan de orde hoe men tijdens de vervaardiging van pijpen - ook in het geval van een externe pijpenmakerij - de toonvorming zo in eigen hand kan hebben, dat afgezien kan worden van kernsteken’. Wanneer Woehl werkelijk op het hoogste niveau een klassiek element in zijn instrumenten wil verwezenlijken (in romantische orgels komen kernsteken veelvuldig voor), zal hij minder kernsteken moeten gaan toepassen.
Toch zijn de karakters van de verschillende registerfamilies (prestanten - strijkers, trompetten - zachte tongen enz.) doorgaans goed getroffen. Hier en daar klinkt het wat ‘gladjes’; soms is er te weinig karakterverschil tussen de registers van het ene en het andere klavier. Het feit dat elk werk bijvoorbeeld over een Trompet 8’ beschikt, levert geen drie grondig van elkaar verschillende trompetregisters op, maar slechts twee. Alleen de Trompet harmonique verschilt duidelijk van de andere.
De totaalklank is overtuigend, klinkt als een samensmeltend geheel, maar tussen de werken onderling (in het bijzonder Hauptwerk en Positiv) is weinig afwisseling. Dat is overigens in de romantische traditie, want ook bij Cavaillé-Coll stond niet de karakteristieke waarde van een enkel register centraal, maar ging het meer om het totaalconcept.
Het eigene in dit orgel is de helderheid van Hauptwerk en Positiv, veroorzaakt door de ‘barokke’ intonatie van het prestantenkoor, waarin met name de Mixtuur en de Progressio (= Scherp) het plenum een mooie, tintelende klankkroon geven. Het is geen synthese-orgel, maar een instrument voor zowel de vertolking van romantische als klassieke literatuur. De Zwitserse organist Guy Bovet nam een cd met eigen werk op het orgel op, die elders in dit blad wordt besproken.
De lezer wordt nu uitgenodigd zonder verder commentaar de dispositie te bestuderen, samen met verschillende
afbeeldingen. Hopelijk prikkelt dit niet alleen de fantasie van de lezer, maar ook van de ‘vakman’, de orgeladviseur, de opdrachtgevers-in-spe en anderen.

I. Manual (Hauptwerk)   II Manual (Positlv) (in zwelkast)   III Manual (Schwellwerk) Pedal  
Principal  16’ Gedeckt 16' Quintade 16' Subbass 32'
Principal  8’ Principal 8' Bourdon 8' Principal 16'
Bourdon  8’ Salicional 8' Aeoline 8' Subbass 16'
Flûte harmonique  8’ Unda maris 8' Flauto traverso 8' Gedeckt 16'
Gambe  8’ Gedeckt 8' Viola di Gamba 8' Flöte 8'
Octave  4’ Fugara 8' Vox coelestis 8' Cello 8'
Flûte douce  4’ Hohlflöte 4' Flöte 4' Gedeckt 8'
Octave  2’ Nasard 3' Viola 4' Flöte 4'
Kornett  II-IV Flageolet 2' Piccolo 2' Posaune 16'
Mixtur  V Terz 1 3/5' Harmonia aetheria III-V Trompete 8'
Fagott  16’ Progressio II-V Trompette harmonique 8'    
Trompete  8’ Trompete 8' Clairon harmonique 4'    
    Klarinette 8' Oboe 8'    
    Tremulant schwach   Vox humana 8'    
        Tremulant stark      

Koppelingen:
I Zungen Diskant-Oklavkoppel
II—I
II-I Bass-Oktavkoppel
III—I
III-I Bass-OktavkoppeI
III—II
I Zungen an
I-P
I-P Zungen
I-P Zungen Diskant-Koppel
II-P
III-P
Manuaalomvang: C-a3
Pedaalomvang C-f
Mechanische toetstractuur en koppelingen
Elektrische registertractuur.
Setzer en Walze
Symfonisch windsysteem met 9 balgen
Winddruk per werk variërend van 79 tot 115 mm wk