Het Bätz-orgel in de Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam opnieuw in gebruik genomen

Op zondag 13 april j.l. is het Bätzorgel in de Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam na een restauratie door Flentrop Orgelbouw opnieuw in gebruik genomen. Het roemruchte instrument was bijna verbrand op 3 februari 1993, maar dankzij ‘pappen en nathouden’ door de brandweer bleef het instrument gespaard. Bij de ingebruikneming sprak Willem van Twillert met Flentrop-directeur Steketee en adviseur Rudi van Straten. Aan laatstgenoemde legde hij een aantal vragen voor.

Het heeft een haartje gescheeld of het imposante Bätz-orgel in de v.m. Ronde Lutherse Kerk was in 1993 slachtoffer van de brand geworden. Dankzij goede beslissingen van de firma Flentrop, die het orgel direct vol water liet spuiten, werd voorkomen dat pijpen zouden smelten en hout vlam zou vatten. De brand zelf bleek uitermate lastig te bestrijden. De brandweer kon namelijk niet goed hij de brandhaard komen omdat de vlammen vooral tussen het plafond van de koepel en het dak woekerden. De dakbedekking van de koepel bestaat uit koperen platen, waardoor een snelle nadering van de brandhaard moeizaam verliep. Op de top van de koepel staat een lantaarn, een houten constructie met ramen ed. Dit gevaarte dreigde na de brand naar beneden te vallen en zou in de val het orgel kunnen verwoesten. De heer Oostenbrugge, een van de directeuren van de firma Flentrop, onderkende dit gevaar en liet zo snel mogelijk een steiger voor het orgel plaatsen. Een goede beslissing, want de lantaarn kwam een dag later ook daadwerkelijk naar beneden en miste op een haar na het Rugwerk.

RESTAURATIE TOEN EN NU
Over ingefreesde latjes die toen wèl, maar nu niet meer mogen. Na de brand stonden de windladen een aantal dagen vol water; vervolgens zijn ze naar de werkplaats in Assendelft gebracht waar ze ongeveer een jaar zijn gedroogd met de stokken eraf. Daarna is het leer vernieuwd. Dankzij de hechthouten waterbestendige plaat van ca. 3 mm (dus zeer dun) behoefden de windladen niet opnieuw afgevlakt te worden. Die hechthouten plaat was er tien jaar geleden tijdens de toenmalige restauratie op gemaakt.
De stevels van de tongwerken (de ‘kastjes’) waren op de lijmnaden gebarsten en zijn opnieuw verlijmd. Van de houten pijpen is het leer van de stoppen vervangen. Leer dat met water in aanraking komt, wordt namelijk spijkerhard. Losgeraakte kernen van houten pijpen zijn weer vastgezet. Door de restauratietechniek van tien jaar geleden was het niet nodig om van de houten pijpen de verbindingen op de vier hoeken opnieuw te verlijmen; het toen ingefreesde latwerk heeft nl. voor voldoende stevigheid en hechting gezorgd. Ondanks de barre omstandigheden waaraan het pijpwerk had blootgestaan tijdens de brand heeft deze ‘moderne’ versteviging dus uitstekend gewerkt! Toch staat de Rijksdienst voor Monumentenzorg deze werkwijze niet meer toe, omdat er gefreesd moet worden in oud materiaal. Daarvoor in de plaats komt nieuw materiaal (de latjes). Dit betekent substantieverlies en dat wil de Rijksdienst zoveel mogelijk tegengaan. In het geval van de Ronde Lutherse kerk heeft de besproken restauratietechniek van tien jaar geleden evenwel geleid tot volledig behoud van oud materiaal.
De kosten bcdroegen totaal Ca. f 700.000,-.

DE INWIJDING
De organist van de Oude Lutherse kerk, Pieter van Dijk en adviseur Rudi van Straten speelden bij de ingebruikname de sterren bijna uit de koepel in orgelwerken van Johann Sebastian Bach. Na afloop sprak ik met mensen die naam en faam hebben in de orgelwereld en allen waren van mening dat het instrument mooier klonk dan ooit, iets wat ik mag onderstrepen. Een restauratie die in alle opzichten geslaagd mag worden genoemd.
Aan Rudi van Straten legde ik enkele vragen voor naar aanleiding van deze restauratie.

Ik heb begrepen dat je dit omvangrijke project zonder een honorarium hebt begeleid. Wat waren hiervoor je motieyen ?
“Ik ben adviseur namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg geweest. Aangezien het hier niet ging om een uitgebreide restauratie met het daarbij behorende voorbereidende onderzoek hebben we gekozen voor een oplossing waarin de Rijksdienst zelf de hersteloperatie zou begeleiden.”

Omdat de vorige restauratie inmiddels ruim 10 jaar achter ons ligt, zag men bij Flentrop Orgelbouw kansen om zaken, die toen wellicht niet tot volle tevredenheid uit de verf kwamen, over te doen met gebruikmaking van nieuwe en/of verbeterde inzichten en ervaringen. Is dit inderdaad gebeurd en welke inzichten zijn verdiept ?
“Een belangrijke verbetering heeft plaatsgevonden aan de mechanieken: met name de toetsen van Hoofdwerk en Rugwerk bleken bij gekoppeld spel sterk door te buigen waardoor een zeer taaie speelaard ontstond. De toetsen zijn nu verstevigd waardoor het drukpunt beter in te regelen was en de speelaard daardoor veel aangenamer kon worden.
Ook in klanktechnisch opzicht is dankbaar gebruik gemaakt van recent verworven inzichten. Met name het labiale pijpwerk kon daardoor optimaler op spraak worden gebracht.
Gecombineerd met de duidelijk gunstiger geworden akoestische situatie (de gordijnen zijn allemaal verwijderd) heeft dit geleid tot een veel ruimere ontplooiing van de klank.”

Wat heeft je verrast hij dit project? 
“Het ongewoon fraaie klassieke klankbeeld in relatie tot de ruimte waarin het orgel staat. Het instrument heeft een grote allure die naar mijn mening nu pas ten volle uit de verf komt.”

We hadden het al over de specifieke problematiek? Tengevolge van de brand. Hebben de oplossingen weer meer inzicht gebracht ten opzichte van materiaal en kennis ?
Eigenlijk niet: de windladen waren belijmd met trekvrije platen. Hierdoor is de schade aan de laden meegevallen. Het pijpwerk had hoofdzakelijk waterschade. De toekomst zal moeten uitwijzen of er toch nog extreme oxidatie gaat optreden.”

Wat heeft je het meest verbaasd en wat het meest geboeid in deze klus ? 
“Dat het instrument eigenlijk zo goed behouden is gebleven. Dit was mede het gevolg van het goed nat houden bij het begin van de brand. Het klinkt vreemd maar het heeft er mede toe geleid dat het instrument eigenlijk niet kon gaan branden. Bovendien zorgde het water voor een afkoelend effect bij de frontpijpen zodat die niet konden gaan smelten, zoals wel gebeurde bij het orgel van de voormalige Muiderkerk in Amsterdam".

Je bent op alle punten tevreden omtrent deze restauratie. ?
“Ik maak me ernstig zorgen over de vochthuishouding in de kerk. Wij -de Rijksdienst - worden in toenemende mate geconfronteerd met multifunctioneel gebruik waarbij de ruimte constant op kamertemperatuur wordt gehouden. Het oude houtwerk is daar absoluut niet tegen bestand. Ondanks geavanceerde apparatuur blijkt het toch zeer moeilijk de juiste minimale luchtvochtigheid te garanderen, met als gevolg veel schade aan historische instrumenten, ook aan dit orgel. Het heeft weliswaar een aantal jaren de tijd heeft gehad om natuurlijk te drogen; toch wil dat niet zeggen dat al het vocht dan verdwenen is. We worden nu alweer geconfronteerd met sterke ontregelingen en lekkages als gevolg van onvoldoende stabiele luchtvochtigheid op een minimaal percentage.”

Mag je stellen dat het niveau van orgelrestauraties in Nederland, vergeleken met andere Europese landen, aan de top staat?
“Ik houd niet van dat op de borst klopperige... Natuurlijk we hebben een voorsprong ten opzichte van veel landen door de enorme hoeveelheid historische instrumenten en de grote inzet van de Rijksoverheid gedurende de afgelopen decennia om geld beschikbaar te stellen voor verantwoorde restauraties. Maar bij elke restauratie leer je weer dat er nog veel te ontdekken valt en dat navelstaren absoluut ongewenst is...!”

Heb je idealen ten opzichte van de orgelnieuwbouw?
“Helaas heb ik daar nu minder mee te maken dan voorheen. Ik hoop dat nog meer dan vroeger de orgelmakers zich zullen realiseren dat historische orgels de bron bij uitstek zijn om bij in de leer te gaan. Het valt me op dat er toch soms een soort vergenoegzaamheid de kop op steekt in de zin van: “we weten het allemaal wel.... Juist op het gebied van klankgeving, het vinden van de goede samenhang, valt er mijns inziens nog veel te leren. Alleen een stel mooie mensuren helpt echt niet!”

Welk instrument of instrumenten die in het verleden,om wat voor reden verloren zijn gegaan, acht je een onherstelbaar verlies ?
“Eerlijk gezegd kan ik die vraag niet goed beantwoorden. Ergens heb ik het gevoel dat het Wagner-orgel uit Arnhern een sleutelrol speelde in de overgangstijd tussen de 18e en de 19e eeuw. Het klankbeeld, bezien vanuit de dispositie, intrigeert mij. Ik denk dat dat orgel inderdaad gemist wordt.”

Ligt een vergelijking met het orgel in de Laurenskerk in Rotterdam, dat ook verloren ging in de Tweede Wereldoorlog, in dit verband voor de hand? 
“Minder dan bij het Arnhemse orgel zal dat ook bij dit orgel een rol spelen. Ik heb alleen het gevoel dat het Rotterdamse instrument sterker gewijzigd is in de loop van de tijd waardoor het al lang niet meer een integrale eenheid was.”

Zie je voor de orgelkunst in Nederland voldoende toekomst? Ik bedoel hiermee de vergrijzing die we kunnen waarnemen in de schare orgelliefhebbers en de drastische terugloop van studenten die orgel gaan studeren aan de conservatoria.
“Natuurlijk kun je somber zijn over deze aspecten. Anderzijds gebeurt er veel nieuws. Let bijvoorbeeld op de orgelencyclopedie. Alleen al het feit dat zo’n project thans gerealiseerd wordt. Verder bespeur ik nu al dat de economische exploitatie van de grotere kerken in multifunctionele zin minder effectief is dan men had gehoopt. Eerlijk gezegd ben ik daar niet rouwig om. Wellicht ligt er hier weer een taak voor de plaatselijke overheid om het gebouw voor beperkter gebruik te gaan exploiteren. Het wordt tijd dat de functie van ‘stadsorganist’ weer in ere wordt hersteld, zoals onlangs Hans van Nieuwkoop stadsorganist in Alkmaar is geworden.”

Zou het een goede zaak zijn om voor de schoolgaande jeugd een nieuw boekje te publiceren over het fenomeen orgel of heb je daar andere ideeën over? 
“De schoolgaande jeugd is denk ik niet meer zo in boekjes geïnteresseerd. Laat ze het orgel aan den lijve ervaren op excursies. Pas dan gaat er werkelijk een wereld voor ze open. Het is toch droevig om te zien hoeveel mooie instrumenten voor 95% van de tijd op slot zitten. Maar ook bier is een taak voor de plaatselijke overheden, in samenwerking met de kerken. Er gaat zoveel subsidiegeld naar dergelijke gebouwen dat er toch ook wel wat meer tegenover mag staan.”