Een encyclopedie over Historische orgels in in Nederland in twaalf delen
Verslag van de presentatie en een bespreking van het eerste deel


Het zal iedere orgelliefhebber in Nederland zo langzamerhand wel bekend zijn dat er een encyclopedie, getiteld "Het Historische Orgel in Nederland", bezig is te verschijnen.
Op 19 februari 1997 werd het eerste exemplaar van deel 1 aangeboden aan Z.K.H. Prins Claus in een volle Domkerk te Utrecht. Tot dat moment hadden zo’n 1100 mensen op de encyclopedie ingeschreven. Er werd gesproken door bestuursleden van het Nationaal Instituut voor de Orgelkunst (NIvO) en gemusiceerd door Jan Jansen, Gert Oost en Jan Hage.

Een aantal citaten van de voorzitter van de Stichting NIvO, Mr. J.G.H. Krajenbnink, te beginnen met artikel 2 van de statuten van het NIvO:
"De stichting heeft ten doel het bevorderen van de Nederlandse orgelkunst, het creëren van waarborgen om de unieke positie van het Nederlandse orgel te handhaven, het stimuleren van een verantwoorde omgang met het historisch orgelbezit en het bevorderen van al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe dienstig kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.’"
Kortom, een zeer breed geformuleerde doelstelling. Nu iets meer terzake. Wij willen enerzijds conserverend, bewarend, behoudend bezig zijn. Als zodanig mag de uitgave van de encyclopedie in belangrijke mate worden gezien. Het is immers onze ambitie om de meer dan 2000 historische orgels in Nederland in een samenhangend kader te presenteren en te beschrijven: een uniek kijkboek met beeld en tekst van hoge kwaliteit. Een boekwerk dat de tijd zal kunnen overleven Een boekwerk dat men ook over 100 jaar nog opslaat om te zien hoe het allemaal was rond het jaar 2000. Dat in de veronderstelling dat er ook dan bijvoorbeeld nog monumentenzorg bestaat en behoefte aan verantwoorde restauraties.

BETERE STUDIEMOGELIJKHEDEN
Krajenbrink pleitte ook voor betere studiemogelijkheden op historische orgels voor met name amateurs. Hoe dit in de praktijk uitgewerkt zou moeten worden blijft evenwel een vraag, maar het is belangrijk dat en aandacht blijft voor deze problematiek. Veel historische orgels blijven ontoegankelijk voor amateurs en trouwens niet zelden ook voor beroepsorganisten! Laten we hopen dat er concrete voorstellen komen van de zijde van het NIvO. Nog een citaat: “Tegen kerkbesturen zeg ik: besef goed dat de kwaliteit van uw kerkdienst in grote mate wordt bepaald door de kwaliteit van de muziek in uw kerk. Is dat het orgel, dan hebben we het over de kwaliteit van uw orgel in combinatie met die van uw organist. (N.B.: een goede organist is niet minder belangrijk dan een goede dominee of pastoor!) Velen van u hebben hun liefde voor het orgel in de kerk opgedaan. Ik moet ook vaststellen dat zeer velen hun afkeer van het orgel in de kerk hebben opgedaan. Wellicht verstandig om bijvoorbeeld in het kader van het SOW-proces ook op dit punt met vernieuwende ideeën en voorstellen te komen.”

ORGELCENTRUM
“Er zijn in dit land vele instanties die zich op cnigerlei wijze met orgels bezighouden. Soms beperkt zich dit tot een bepaald geografisch of functioneel gebied, vaak zijn we naar denominatie of smaak opgedeeld. Daar is op zichzelf niks tegen: diversiteit, eigen identiteit is immers prima. Tegelijk is het ook een grote versnippering van krachten. Zou juist in deze tijd een zekere bundeling van krachten en middelen niet zeer nuttig kunnen zijn, zowel voor het bewaren als voor het propageren van de koningin der instrumenten? Zou in dit verband zoiets als een gemeenschappelijk centrum, een orgelcentrum interessant kunnen zijn, bijvoorbeeld in een fraaie oude kerk, waarvan en tegenwoordig nogal wat in de aanbieding zijn? Is daar draagvlak voor, is daar geld voor?”
Tot zover de citaten van de heer Krajenbrink.

LANDELIJKE PERS
"Ook de landelijke pers besteedde aandacht aan deze presentatie; onder andere een uitstekend geschreven artikel in De Volkskrant op 28 maant door Henrico Prins, waarbij me opviel dat zeker niet iedere organist van naam deze encyclopedie zal aanschaffen. Zo zag Theo Theunissen, organist van de Jacobikerk te Utrecht, van aanschaf af met als argumentatie: “Misschien is het te veel voor orgelfreaks”. Ook de huidige nestor van vele concerterende organisten, Piet Kee, werd naar zijn mening gevraagd.
De weergave van dit gesprek zoals het in de Volkskrant stond geef ik hierbij integraal weer. Henrico Prins schrijft: Uit de mond van de befaamde Piet Kee, die ruim drie decennia stadsorganist van Haarlem was, zal niemand een onvertogen woord horen over het reusachtige project. “Het idee is voortreffelijk”, zegt hij. “Het is zeer waardevol om een complete inventarisatie van al die orgels te hebben.” Niettemin: hij zal de encyclopedie niet kopen. Het meeste heeft hij thuis, o ja, “dat heb je als je er veel mee omgaat”, maar er is nog iets anders: “Er staat wel erg veel in dat voor mij niet relevant is.” Tegenwoordig, zegt Kee, is een nostalgische hang te bespeuren “naar zaken uit het niet-zo-verre verleden”, en dus ook naar orgels “die niet zo interessant zijn”. Hij constateert “...een zekere overwaardering voor wat we de vervalperiode in de orgelbouw kunnen noemen”. Dat is, dunkt hem, wat overbodig. Verder niks aan de hand:
“Met orgels kun je eindeloos aan de gang blijven. Omdat ze allemaal zo verschillend zijn. En omdat het vaak om zulke grote instrumenten gaat.” Tot zover het gesprek dat Henrico Prins met Piet Kee voerde.

MEDEWERKERS
De belangrijkste medewerkers aan de encyclopedie zijn: Hans van Nieuwkoop, Jan Jongepier en Gert Oost, gedrieën eindredacteur. Als redacteuren treden op: Ton van Eck, Frans Jespers en Arjen Looyenga. De organist Jan Hage is aangetrokken als assistent-redacteur en Hans Chr. Steketee als technisch coördinator.
De encyclopedie toont en weegt als een encyclopedie: groot en zwaar. Opvallend is de ruimte die wordt besteed aan ‘Kunsthistorische aspecten’. Hierbij gaat het om het beschrijven van stilistische kenmerken van het front, de orgelkas, orgeltribunes en ornamentiek. In wezen tot nu toe een enigszins onderbelicht onderwerp. Zeken, er werd aandacht aan besteed, en met name Jan Jongepier heeft een reputatie op het gebied van beschrijvingen van orgelkassen. In dit geval heeft Arjen Looyenga zich bezig gehouden met de kunsthistorische kant van ‘alle 2500 beschrijvingen’ die dus meer algemene informatie gcven. Ik acht dit een goede gedachte. Elke kunstuiting is immers ingebed in andere kunstdisciplines. Zo kan men van een front de stijlkenmerken aflezen die golden in de tijd van de bouw, of juist niet, en waarom dan niet, enzovoorts. Kortom, een interessant gegeven, ook voor de professionele organist. Immers, voor de interpretatie van een orgelwerk scherpt men alle zintuigen, ook die van het oog. Museumbezoek, kunsthistorisch besef, het is allemaal van belang om stilistisch zo goed en gefundeerd mogelijk te musiceren. Arjen Looyenga kwijt zich uitstekend van zijn taak. Zijn taal is helder en toch subtiel.

TECHNISCHE ASPECTEN
De kleurafdrukken zijn doorgaans goed en de gehele druktechnische verzorging is optimaal. Wel tref ik bij een aantal kleurenafbeeldingen een kleurwaas aan dat niet overeenkomt met de werkelijkheid. Soms is een kleurenfoto niet echt gelukt zoals op blz. 221 het orgel te Aardenburg; soms staat een instrument te veel op de achtergrond, waardoor details wegvallen zoals op blz. 254 (Hendrik-Ido-Ambacht) Hier had de saaie rij stoelen op de voorgrond toch niet zo’n prominente plaats hoeven krijgen? Jammer dat geen enkele foto is opgenomen van een klaviatuur, windvoorziening, pijpwerk en dergelijke. Zeker bij specifieke schoonheid op dergelijk gebied mag een foto niet ontbreken. De ruimte is er, want er is zeer veel (te veel!) wit (oftewel onbedrukte ruimte) in dit eerste deel. De meeste foto’s zijn prachtig en sommige zelfs spectaculair zoals die op blz. 291. (Den Haag, Nieuwe Kerk) De letter waarin de disposities staan afgedrukt is veel te klein. Soms is er te veel wit in de tekst; met name de samenstelling van mixturen, scherpen, cornetten en Sexquialters is veel te ruim opgezet, terwijl daarentegen toch een te kleine letter wordt gebezigd. Jammer, dit komt de leesbaarheid zeker niet ten goede.
In de marge is door de grafische ontwerpers consequent (Lock de Leeuw en Pieter Klomp) ruimte toebedeeld aan de kunsthistorische beschrijyingen van Looyenga. Prima. Maar het is jammer wanneer er consequent wit valt indien de tekst van Looyenga ontbreekt. Dit is wellicht niet eenvoudig op te lossen, maar er is zeker een betere oplossing dan deze. (Een suggestie gaf ik al.)

LITERATUUROPGAVE
De literatuuropgave is beperkt. Een notenapparaat ontbreekt. Dit werkt bepaald belemmerend, niet alleen wetenschappelijk maar ook praktisch; men verwacht immers een zo compleet mogelijke lijst van gegevens bij elk orgel. Aan de andere kant ontbreekt daarvoor de plaats, de serie zou hierdoor zeker uitdijen. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat zeker meer gegevens een plaats hadden kunnen krijgen In ieder geval is er de mogelijkheid om bij de huidige dispositie steeds het jaartal van factuur te vermelden. Nu moet je vaak flink zoeken. Bijvoorbeeld op blz. 106-110 (‘s-Hertogenbosch) zal men vaak de verschillende disposities met elkaar moeten vergelijken, wil men precies te weten komen van wie en uit welk jaar een bepaald register stamt. Het is te hopen dat bij de volgende elf delen over deze punten nog eens wordt nagedacht, zeker ten aanzien van grafische weergave van disposities, want dat vormt toch het hart van de encyclopedie? Voor het overige: veel lof. De heer Eric Berghout Blok te Rotterdam, de geestelijke vader en initiator van dit project, mag zich over zijn initiatief verheugen. Dat zijn werk in een later stadium werd overgenomen doet aan zijn creatieve inbreng niets af. Jammer dat hij niet aanwezig was bij de presentatie in de Domkerk.
Het eerste deel omvat de tijd tussen 1479 en 1725. In 1479 werd het ‘Nicolai-orgel’ gebouwd waarvan de kas zich thans in Middelburg bevindt terwiji het pijpwerk (o schande!) zich ergens in Nederland in een bunker bevindt. (Wie mag daar eigenlijk bij en wie is daarvoor verantwoordelijk ?) In 1725 verbouwde F.C. Schnitger het Van Hagerbeerorgel in de Laurenskerk te Alkmaar. Hij bracht er toen zijn ideeën tot verwezenlijking die ervoor zorgden dat er een eind kwam aan de 'Hollandse school’. Elk orgel wordt beschreven volgens een beknopt vast patroon:
— historische gegevens (bouwer(s), jaren van oplevering, oorspronkelijke locatie)
— technische gegevens
— locatieaanduiding(en)
— kunsthistorische aspecten
— literatuur.

Op het gebied van de organografie (de technische en artistieke elementen van het orgel en hun samenhang) is deze encyclopedie een hoogtepunt. Dispositieverzamelaars zoals Joachim Hess te Gouda (1774), Nicolaas Arnoldi Knock, Grietman van Stellingwerf (1788), George Hendrik Broekhuyzen te Amsterdam (1850-1862) en Marius Hendrik van ‘t Kruis, organist van de Grote of St. Laurenskerk te Rotterdam (1805), waren de pioniers van de orgelwetenschap, die in onze eeuw in een stroomversnelling raakte en nu uitmondt in deze prestigieuze uitgave.

VORMGEVINGSASPECTEN (Gerco Schaap)
Op het gevaar af dat deze bespreking te uitgebreid wordt, wil ik nog iets kwijt over uitvoering en vorm van "Het Historische Orgel in Nederland". Toen eind 1994 bekend werd dat de orgelencyclopedie zou gaan verschijnen in de vorm van twaalf kloeke gebonden delen, was mijn eerste gedachte: dan is die op het moment van verschijnen al niet meer actueel. Immers, er worden nog steeds orgels gerestaureerd en restauratieprocessen werpen nogal eens nieuw licht op bestaande gegevens. Mij leek een losbladige uitgave de oplossing voor dat probleem, omdat je dan na verloop van tijd aanvullingsbladen kunt laten verschijnen. Zeker omdat het Nationaal lnstituut voor de Orgelkunst geen eendagsvlieg zal zijn, leek me dit een voor de hand liggende mogelijkheid. Op mijn suggestie antwoordde het NivO indertijd: “Wij hebben uiteraard ook stil gestaan bij het probleem dat de gegevens van orgels zo nu en dan aan verandering onderhevig zijn. Onze ervaring met losbladige systemen is echter niet zo gunstig. Wij zijn van mening dat een ingebonden exemplaar er netter uitziet en in betere staat blijft Wijzigingen wilden wij daarom in los verkrijgbare supplementen aangeven.”

Nu de gebonden uitgave er ligt, denk ik: was losbladigheid toch niet te prefereren geweest? Als je wilt weten of de geboden informatie nog correct is, moet je t.z.t. eerst de supplementen doornemen, want in een prachtig boek als dit zal geen mens iets noteren, laat staan inplakken. Een losbladig werk kan er ook heel degelijk uitzien, zie bijvoorbeeld Muziek onder woorden.


AFBEELDINGEN (Gerco Schaap)
Willem van Twillert schreef het al: waarom zo weinig detailfoto’s en waarom zo veel witte plekken? In dit hele eerste deel is maar een klaviatuur te vinden, omdat die deel uitmaakt van de onderbouw van het orgel in de Noorderkerk van Hoorn. De oudste nog bestaande delen van een Trompet zitten waarschijnlijk in het koororgel van Hattem. Was het niet aardig geweest daar iets van af te heelden? Tijdens het productieproces blijkt het vaak nog mogelijk om op lege plaatsen een afbeelding op te nemen. Wellicht is het handig wanneer het NIvO een ‘huisfotograaf’ in de arm neemt. Die zijn er genoeg in orgelland.

hen andere vraag die bij mij opdoemt: waarom hebben sommnige foto's zulke vreemde kleuren? De orgels in Heesbeen, Nieziji en Abcoude zijn onwaarschijnlijk blauw, die van Breda, Midwolde, Sronrijp en Hilversuin Lutherse veel te rood. hen lithograaf kan kleuren corrigeren. Sommige orgels staan scheef wat met een cenvoudige correctie te herstellen was geweest.

Maar dit zijn slechts enkele schoonheidsfoutjes in een standaardwerk dat gezien mag worden en waarbjj kosten noch moeite gespaard zijn.

Gerco Schaap