Koraalboek Gerrit Stulp, VOGG-Bundel

Wie in deze tijd op zoek is naar een nieuw koraalboek, kan denken aan Voorspelen voor en harmonisaties van de psalmen, een eigen uitgave van Gerrit Stulp, die gedistribueerd wordt door Boeijenga te Sneek.
In de Inleiding zegt Stulp: “Dit koraalboek van de psalmen heeft geen enkele pretentie, maar het wil gewoon zijn wat het is. Eenvoudige voorspelen en inleidingen gericht op het karakter van de verschillende psalmmelodieën en de vierstemmige zettingen daarvan: een neerslag van ruim veertig jaren orgelspel en gemeentezangbegeleiding.”
De inhoud is zonder meer persoonlijk te noemen en ik aarzel niet om dit veelkleurige werk een must te noemen voor elke kerkorganist die regelmatig psalmmelodieën begeleidt. De stijl van Stulp kan kortweg gekarakteriseerd worden als laat-romantisch met vleugjes Vierne en Andriessen. Aanbevolen!
Prijs f 65,- (in ringband).

VOGG-BUNDEL
Na het doorspelen van de nieuwe bundel ‘Psaimbewerkingen en -partita’s voor gebruik in de Eredienst uitgegeven door de Vereniging van Organisten der Gereformeerde Gemeenten’ (VOGG), kan ik me voorstellen dat bij sommige variaties vragen kunnen rijzen wat betreft de technische uitvoerbaarheid. De vraag die mij het moeste bezig houdt is: Voor welke doelgroep worden deze psalmbewerkingen gemaakt? De afgedrukte muziek geeft in technisch opzicht een antwoord, namelijk: voor gevorderde organisten. Toch kan ik mij moeilijk voorstellen dat dit de door de VOGG beoogde doelgroep is, immers binnen deze vereniging is het orgelspel liefdewerk en er wordt, voor zover mijn informatie reikt, weinig of niets in financieel opzicht gedaan voor de noodzakelijke scholing van de organisten. Zij betalen hun orgellessen zelf. Ik spreek geen waardeoordeel uit, ik signaleer slechts. Gelukkig is er de VOGG die haar leden enthousiast en vakkundig informeert.
Een korte omschrijving van de inhoud resulteert in de vaststelling dat elke componist — het zijn er zes —bruikbare en mooie variaties brengt, maar en blijken ook minder geschikte elementen te zijn. Zo vind ik het jammer dat in ‘Vers 3’ van Margaretha Christina de Jong de koraalmelodie wordt omspeeld. Mijns inziens verliest de luisteraar dan de melodie uit het oor. Daar komt bij, dat ik de omspelingen niet noodzakelijk vind, omdat De Jong een interessante bewerking presenteert.
Paul Kieviet is vertegenwoordigd met bewerkingen over de melodie van psalm 9, 99 en 139. Hij hanteert een Noord-Duitse barokstijl, die inhoudt dat de koraalmelodie flink wordt omspeeld. Vooral psalm 9 is fraai.
De melodie van psalm 6 word door Arend J. Kettelarij van zeven variaties voorzien, waarvan er vier zettingen zijn. Dit zijn uitstekend bruikbare en goede variaties. Dick Sanderman geeft met zijn bewerking over de melodie van psalm 85 in deze uitgave de toon aan: Een prachtige inleiding in galante stijl wordt vervolgens gecombineerd met de psalmmelodie. Het enige waar ik op wil afdingen is het pedaalgebruik. De octaafsprongen in kwarten kunnen naar mijn smaak achterwege blijven. Daardoor wordt het technisch gemakkelijker; overigens is het geheel goed speelbaar. Ook de andere twee voorspelen zijn doorwrocht. De bewerkingen zijn fraai. Psalm 42 vind ik knap, maar de melodie is ondergesneeuwd. Een uitgedunde extra versie was m.i. nuttig geweest. Paul Wols doet mooie dingen met psalm 66, terwijl Gijsbert Kok de hekkensluiter is, ook stilistisch gezien, want Kok hanteert in psalm 131 een laat-romantisch idioom. Hij schreef dit werk voor het Kam-orgel (1863) van de Salvatorkerk te Bodegraven. Nuttig en ‘gebruiksvriendelijk’ zijn de registraties die nauwgezet bij alle composities vermeld zijn. Soms is ook een vingerzetting genoteerd (Sanderman, psalm 85, ook dat is nuttig), maar dat is een uitzondering. Hopelijk gaat men er bij een volgende bundel toe over, vaker vingerzettingen te noteren, want dat is bij uitstek gebruiksvriendelijk.
Tot slot een citaat uit het Ten geleide, omdat dit het hedendaagse verschijnsel van de grote verscheidenheid aan muzikale talen en stijlen onder woorden brengt: “Kerkorganisten hanteren anno 1996 de meest uiteenlopende klankidiomen voor hun psalmvoorspelen. De een zoekt aansluiting bij de ontstaanstijd van de psalmmelodieën of bij de stijl van vroege psalmbewerkers als Sweelinck en Van Noordt, een ander spreekt een eigentijdse muzikale taal omdat we nu eenmaal in 1996 leven. Sommigen bekommeren zich niet om stijl, maar voegen zich naar de smaak van het grote publiek, anderen vinden in een achttiende-eeuws idioom een gezond evenwicht tussen verstand en gevoel. Er zijn mensen die menen dat kerkmuziek objectief moet zijn, er zijn ook mensen die de stijl van hun kerkelijk orgelspel laten bepalen door de bouwstijl van hun orgel. Die grote verscheidenheid aan muzikale talen en stijlen is een typisch verschijnsel van onze tijd.
Tot in een vrij recent verleden zijn regelmatig koraalgebonden composities verschenen met als ondertitel ‘...in kerkstijl’. Heden ten dage kan dat niet meer, want ‘de kerkstijl’ bestaat niet. Hebben dan alle normen en waarden hun geldigheid verloren? Naar onze overtuiging kunnen ook in 1996 nog criteria worden geformuleerd voor kerkmuziek die binnen onze Erediensten moet functioneren: criteria die ruimte bieden voor diverse stijlen, maar waarbij een zekere ernst en waardigheid, verwant aan de begrippen ‘poids et majesté’ die Calvijn gebruikte, herkenbaar is als factor waarmee de kerkmuziek zich onderscheidt van wereldlijke of religieuze amusementsmuziek.’ Tot zover het citaat en deze recensie. 
Te bestellen door overmaking van f 30,- op Postbank nr. 25 40 94 t.n.v. Penningmeester VOGG te Rotterdam, o.v.v. ‘Bundel 1996’.