Historische orgels in Bohemen — Een interview met Peter van Dijk —

In ‘De Orgelvriend’ van december j.1. stond een uitgebreide aankondiging van een serie KRO-orgeluitzendingen over historische orgels in Bohemen. Naar aanleiding daarvan legde Willem van Twillert een aantal vragen voor aan organist en medeproducent Peter van Dijk.

Op dit moment ‘loopt’ de eerste serie uitzendingen over Boheemse orgels, waarin jij, samen met anderen, de hand hebt. Hoe is dit project tot stand gekomen?
De basis voor dit project ligt feitelijk al in 1971, in de beginfase van mijn orgel en muziekwetenschapstudie. 1k kreeg toen een cassette met 4 grammofoonplaten van 17e- en 18e-eeuwse orgels in Bohemen en Moravië, tezamen het toenmalige Tsjecho-Slowakije vormend. De platen waren samengesteld en grotendeels volgespeeld door Jiri Reinberger, een inmiddels overleden Praags organist die — zoveel als maar mogelijk was onder de ijzeren communistische knoet — probeerde internationale belangstelling te wekken voor het enorme historische orgelbezit in zijn land. De klankschoonheid van deze orgels, met name de (letterlijk) ongekend briljante plena met hoge tertskoren in de mixturen, fascineerde mij onmiddellijk. Als ik daar eens....
Dankzij de KRO, waar ik als producent voor de wekelijkse orgeluitzending werkzaam ben, kon nu die lang gekoesterde wens in vervulling gaan.
In mei en in augustus 1995 hebben Jos Leussink (hoofd van de afdeling Radio~ van de KRO) en ik orgelreizen in Tsjechië gemaakt ter voorbereiding van een mogelijke serie opnames. In een eerste contact met onze Praagse radiocollega Radek Rejsek, die voor ons een enorme lijst ‘mogelijkheden’ opstelde (en die ons op de achtergrond terzijde is blijven staan) bleek het aantal bewaard gebleven historische orgels dermate groot dat besloten werd het project geografisch te beperken tot het Boheemse orgellandschap. Onze kennismaking met de, bij ons nog volslagen onbekende schat aan historische orgels aldaar maakte diepe indruk, maar na twee reizen was ons beeld ervan nog niet compleet genoeg. Daarom ben ik in oktober en november 1995 nogmaals door dit wonderschone gebied gereisd. Onze gids en reisorganisator was de jonge Praagse organist Pavel Cerny. Dankzij zijn aanstekelijk enthousiasme en zijn grote kennis van de Tsjechische orgellandkaart werden uiteindelijk zo’n 120 nog bespeelbare instrumenten bezocht. Van een aantal daarvan zijn goede opnames beschikbaar. Daarnaast bleken 52 orgels qua bespeelbaarheid geschikt — sommige nog maar net — voor een opname. Tezamen was dit voldoende om een representatief overzicht te kunnen bieden van het Boheemse orgellandschap vanaf de 17e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog. En dat was en is de opzet van dit project, een coproductie van de KRO en Radio Nederland Wereldomroep.
De opnames, waaraan in totaal zeventien met name Nederlandse en Tsjechische organisten meewerkten, vonden plaats in juni en oktober 1996. In totaal drie opnameploegen hebben het land doorkruist. Het werk was voor spelers en technici niet altijd eenvoudig. Veel kerken verkeren in echt slechte staat en dat betekent o.a. legio kapotte ruiten. Daardoor was vaak (te) goed te boren wat zich buiten de kerk afspeelde (treinen, auto’s, land- en tuinbouwmachines, motorzagen, spraakgeluiden, honden, hanen en zelfs pauwen), zodat menig stuk meermalen moest worden gespeeld. Vogels hadden niet zelden vrije toegang tot het gebouw en tsjilpten vrolijk met het orgel mee; en om nu bij ieder stuk het nachtegaal-register te (moeten) gebruiken...
De orgelmakers Leo Hardeman (Gebr. Van Vulpen), Hans van Rossum en Pierre Pfister, alsmede een aantal vakbekwame Tsjechische collega’s hebben een belangrijk aandeel gehad in het slagen van dit project. Hun aantal werkuren per orgel heeft die van de opname ruim overtroffen en soms hebben we als het ware het sprookje van Assepoester even werkelijkheid horen worden.
Tenslotte was ook een grote rol weggelegd voor tolken (meest Tsjechische muziekstudenten), registranten en balgentreders. Verschillende orgels zijn nog niet van een ‘motor’ voorzien, en bij de meeste wel ‘gemotoriseerde’ orgels komen geluiden van de orgeltribune die aan een op zijn laatste benen lopende scheepsmotor doen denken. Bovendien klinken orgels in het algemeen bijna altijd beter op ‘hand-’ of ‘voetwind’. De turbulenties van een orgelmotor zijn vooral in kleinere pijpen goed hoorbaar en maken de klank ‘onrustig’.
Terug in Nederland wachtten de montages van de opnames en het maken van twee grote series uitzendingen. Een over Praagse orgelmakers
— die wordt vanaf dit najaar uitgezonden — en één — die nu ‘loopt’ — over orgelbouwers buiten Praag.”

Je hebt een serie met orgels in de Elzas gedaan, gevolgd door een tweede gewijd aan Italië. Wordt bij deze Boheemse series dezelfde formule weer gehanteerd?
“Jazeker. Dat wil zeggen dat we allereerst proberen de voor de betreffende orgeltypes geschreven muziek tot klinken te brengen en daarnaast andere goed ‘passende’ muziek uit te zoeken. Bij dat laatste wordt ook nadrukkelijk Nederlandse muziek betrokken.”

Wat zijn de karakteristieken van de Boheemse orgelbouw?
“Dat is niet zo eenvoudig in een paar woorden te schetsen. Want hoewel je kunt spreken van een duidelijke Boheemse identiteit zijn er ook regionale verschillen.
Tot in de 19e eeuw kun je de orgelcultuur beschouwen als ‘Habsburgs’, dat wil zeggen als een deel van het Zuid-Duitse orgellandschap. Karakteristieke elementen zijn onder meer:
— Een manuaalomvang met verkort groot-octaaf — dus geen Cis en Dis, en meestal ook geen Fis en Gis — en een typisch baspedaal met een in onze ogen beperkte omvang, veelal C — a, met verkort groot-octaaf en één chromatisch octaaf pijpen: C, Cis, D, Es, F, Fis, G, Gis, A, Bes, B; vanaf toets c klinken dezelfde pijpen als in het groot-octaaf.
— Vanaf het midden van de 17e eeuw (tot aan het eind van de 19de eeuw) verdwijnen de tongwerken vrijwel geheel uit de disposities. Daartegenover staan een al in de 1 7e eeuw ontwikkelen van strijkende registers en een ongehoord rijke klankopbouw van het plenum, niet in de laatste plaats door tertshoudende mixturen (daarentegen heeft de Cymbel uitsluitend octaaf- en quintkoren). Een voorbeeld van een Hoofdwerkensemble Mixtuur-Cymbel:

Mixtuur 2’ VI
C 2’ 1 1/3’ 1’ 2/3’ 1/2’ 2/5’
c 2’ 1 1/3’ 1’ 4/5’ 2/3’ 1/2’
c’ 4’ 2 2/3’ 2’ 1 3/5’ 1 1/3’ 1’
c” 4’ 2 2/3’ 2 2/3’ 2’ 2’ 1 3/5’

Cymbel 1’ IV
C 1’ 1/2’ 1/3’ 1/4’
c 1’ 2/3’ 1/2’ 1/3’
c’ 1’ 1.’ 2/3’ 1/2’
C” 1 1/3’ 1’ 1’ 2/3’

Pas in de loop van de 19e eeuw krijgen Midden-Duitse tendensen voet aan de grond, met name doordat belangrijke Duitse orgelmakers als Sauer en Steinmeyer in Bohemen orgels bouwden en Boheemse orgelmakers in Duitsland hun opleiding kregen. Daarbij heeft de Boheemse orgelbouw toch steeds een eigen karakter bewaard, met bovendien per regio of stad verschillende detailleringen.

PRAAG
Vanzelfsprekend is Praag steeds een belangrijk centrum van activiteiten geweest. Het orgel dat de vanuit Keulen geïmmigreerde Hans Mundt in de jaren 1670-73 voor de Tynkerk in Praag bouwde was een belangrijke inspiratiebron. Ook het orgelbouw -atelier dat de Jezuïeten rond 1700 in hun studie- en ambachtscomplex het Klementinum (met maar liefst drie kerken) inrichtten, moet bier worden genoemd. Een internationaal bekend bouwer als pater Thomas Schwarz (o.a. het kleine orgel in de Spiegelkapel van het Klementinum uit 1732) werkte bier. In de 19c en begin-20e eeuw zijn de belangrijkste Praagse orgelmakers de gebroeders Schiffner (o.m. het orgel uit 1902 in de Jesuleinkirche te Praag) en Emanuel Simon Petr (1906, Maislova synagoge te Praag).

Daarnaast was er vanaf het eind van de 17e eeuw tot ruim in de 18e eeuw in het Noordwesten een orgelbouwtraditie in Loket, met bouwers als Abraham Starck (1699, voormalig klooster te Zlatá Koruna) en Leopold Burghart (1726, voormalig klooster te Kladruby). Deze orgelbouwschool verplaatst zich in de 19e eeuw a.h.w. naar het nabijgelegen Cheb; een voorbeeld daarvan is het drieklaviers orgel dat Martin Zauss in 1894 bouwde voor de St. Nicolaaskerk aldaar.
In de 18e eeuw woonde en werkte in Tachov (West-Bohemen) de familie Gartner. Van Antonin Gartner bleven de beide orgels in het Klooster Tepla uit resp. 1754-56 en 1766 bewaard.
In het Oosten was in de 18e en 19e eeuw Kraliky een ‘orgelbouwersstad’. In Kraliky zelf getuigt het orgel uit ca. 1770 van deze rijke traditie terwijl het orgel in de slotkerk van Rychnov nad Knëznou (1843, Jiri Spanel) laat zien en horen hoe de evoluties in uiterlijk, opbouw en klank verliepen.

In het Zuiden waren zowel ‘lokale’ als Oostenrijkse orgelbouwers actief.
Zeer belangrijk is het orgel dat Nikolaus Christeindl uit Ceske Budejovice in 1682 maakte voor het Minorietenklooster in Cesky Krurmlov.

In alle perioden van de orgelgeschiedenis kwamen ‘buitenlandse’ orgelmakers naar Bohemen, sommigen voor een of enkele projecten, anderen vestigden zich er zelfs.

In de tweede helft van de 19c eeuw verandert zoals gezegd in Bohemen het “orgelklimaat”: volledige klavieromvangen, een toenemend aantal tongwerken (hoewel nog steeds verhoudingsgewijs gering in getal) en een volop romantische klankgeving, vaak met behoud van tertskoren in de mixturen (die in Midden-Duitsland in deze periode overigens ook heel ‘gewoon’ zijn). Deze romantische orgelbouwstijl blijft, met geleidelijke toepassing van nieuwe ‘technische’ elementen (kegelladen, pneumatiek etc.) tot aan de Tweede Wereldoorlog ‘de toon aangeven’.

In alle periodes zijn intonatie-souplesse en grote “versmeltingsmogelijkheden” van verschillende registers opvallende kenmerken. Zo biedt bijvoorbeeld het in de 18e eeuw al grote palet van labiale achtvoets registers vele kleurmogelijkheden.”

Is er in de orgelsituatie veel veranderd ten opzichte van de situatie voor de Wende (het vallen van het IJzeren Gordijn)?
“Veertig jaar communistische overheersing heeft ook wat de orgels betreft haar sporen nagelaten. In negatieve zin dat het onderhoud minimaal of nog minder was, en je van het aantal onbespeelbare orgels gewoon tranen in je ogen krijgt. In positieve zin dat er weinig orgels door ondeskundige “restauraties” geruïneerd ztjn, ook al doen sommige zich “orgelbouwer” noemende sujetten thans pogingen deze “schade” in te halen. Daarnaast zijn er ook enkele vakkundige en ‘beviogen’ orgelmakers, zoals Vladimir Slajch, Dousan Doubek en Dalibor Michek, die gelukkig door de groei van de economie steeds meer werkmogelijkheden krijgen. De oudste nog bestaande Tsjechische orgelfirma, Rieger-Kloss, hoort in dit rijtje jammer genoeg in het geheel niet thuis vanwege treurigstemmende restauraties en nieuwbouwprojecten. Door het ontbreken van een monumentenzorg heeft men nog steeds volop de gelegenheid oude orgels te verknoeien. Gelukkig komt er een duidelijke bezinning op de toekomst van het Tsjechische orgelbouw- en restauratiebeleid op gang. Daarin speelt de Praagse organist Jaroslav Tuma een belangrijke rol. Het eerste dat overigens dringend moet gebeuren is het in kaart brengen van het Tsjechische orgellandschap en het opzetten van een goede monumentenzorg. Theoretisch kun je ongeveer dagelijks een historisch orgel ‘ontdekken’ en zolang er nog geen wettelijke ‘bescherming’ is, kan datzelfde orgel bij wijze van spreken volgende week verpest of afgebroken zijn.”

RIJKE MUZIEKTRADITIE
Zijn er wat de muziek betreft nog onontgonnen vindplaatsen?
“Zonder twijfel volop. In de meeste kerken die wij bezocht hebben lagen kasten vol 18e en 19e eeuwse handschriften feitelijk weg te rotten. Mede door de communistische overheersing is de geweldig rijke kerkmuziektraditie nagenoeg verdwenen. Van die traditie getuigen op menige orgelgalerij ook nog (thans in stilte) barokpauken en oude strijkinstrumenten. De inventarisatie en conservering van deze schatten is, net als bij de orgels, nog maar nauwelijks begonnen. Er zijn ongetwijfeld nog talloze concerti, oratoria en ook orgelcomposities te vinden, en mensen als de jonge Praagse dirigent-organist Robert Hugo zijn daar intensief naar op zoek.”

Je gaf al een schets van de Boheemse orgelfactuur. Hoe verhoudt zich dat met de muziek van die bodem? Tref je daarin ook typerende elementen?
“Uit vroeg-18e-eeuwse bronnen over de registratiekunst blijkt dat het eigen karakter van de orgels terdege werd uitgebuit: veel registraties met strijkers en ook allerlei voor ons ongewone combinaties van hoge registers. De vrijwel afwezigheid van registers als Sesquialtier en (solo)tongwerken in de 18e en begin-19e eeuw houdt ongetwijfeld verband met het repertoire, dat met name uit toccata’s, praeludia, fuga’s en pastorales bestaat. In hoog- en laatromantische composities zie je hoe de veranderingen in de orgelbouw worden ‘opgepakt’ en waarschijnlijk ook zijn gestimuleerd.”

Zijn de meeste orgels in katholiek bezit?
“In Tsjechië is de Katholieke Kerk veruit het grootste religieuze genootschap. De Protestantse godsdienst werd in de 19e eeuw weer toegestaan en vanaf die tijd vinden we dan ook ‘protiestantise’ orgels, die overigens in opbouw en klank niet afwijken van de ‘katholieke’ instrumenten. Opvallend is dat (net als in Duitsland) er ook enkele synagogen met orgels zijn.”

Hoe staat het in Tsjechië thans met de opleiding van organisten?
Het opleidingssysteem is nog hetzelfde als tijdens het communisme, en dat is in dit geval geen negatieve kwalificatie. Het conservatorium is een soort combinatie van een muziekschool en de eerste fase van de vakopleiding. De meest begaafde studenten kunnen vervolgens doorstromen naar de muziekhogeschool, gericht op een loopbaan als solist. Het aantal cursussen door gerenommeerde buitenlandse musici (zeker ook op het tierrein van de ‘oude’ muziek) is de laatste jaren sterk toegenomen, evenals de mogelijkheden voor Tsjechische studenten ook in het buitenland hun licht op te steken. Dat heeft zeker op orgelgebied zijn vruchten reeds afgeworpen. Daartegenover staat dat er van een opbloei van de professionele kerkmuziek(-opleiding) vanaf het huidige nulpunt nog geen sprake is en vrees ik, voorlopig ook niet zal zijn. Ook voor amateur-kerkorganisten is er geen fatsoenlijke opleiding en dat is helaas maar al te vaak te horen. Trouwens, veel orgels ‘zwijgen’ tijdens de erediensten omdat er helemaal geen organist is.”

Hoe was de medewerking van de Tsjechische (kerkelijke) autoriteiten?
“Uiteindelijk zijn al onze opnameplannen gelukt. De Tsjechische Rooms-katholieke bisschoppen hebben op onze verzoeken snel en positief gereageerd. Op plaatselijk kerkelijk niveau was iedereen ook vriendelijk, maar doordat diverse kerken in de afgelopen jaren schandelijk zijn leeggeroofd (het vallen van het IJzeren Gordijn had niet alleen voordelen) was menig pastoor aanvankelijk terughoudend. Dankzij onze gids Pavel Cerny gingen toch alle deuren open en ontstonden vaak hartelijke contacten. Ook met de beheerders van niet-(meer)-kerkelijke orgels hebben we goed ‘zaken kunnen doen’.”

Komt er wellicht ook een CD-uitgave en/of een boek?
“IJs en weder dienende (en dat slaat vooral op de toekomst van de publieke omroep) komt er in elk geval een CD-uitgave. Een boek schrijven is minder eenvoudig, doordat er nauwelijks goede literatuur over Boheemse orgels en -muziek te vinden is en mijn kennis van de Tsjechische taal nog niet veel verder reikt dan groeten en de menukaart. Maar wellicht, in elk geval zal het maart-nummer van het maandblad ‘Hot Orgel’ geheel zijn gewijd aan de Boheemse orgelcultuur.”

Wordt de serie ook in Tsjechië uitgezonden?
“Mede als dank voor de ondersteuning van Radio Praag wordt al ons materiaal hen ter beschikking gesteld en ons is verzekerd dat daarvan dankbaar gebruik zal worden gemaakt.”

Tenslotte, wat vind je nu één van de meest indrukwekkende instrumenten in Bohemen?
“Ondanks de overvloed aan qua klank goed bewaarde orgels hoef ik daar niet lang over na te denken: het (al genoemde) Mundt-orgel van de Tynkerk in Praag. Waarschijnlijk de best bewaarde 17e-eeuwse klank in heel Europa. En van een adembenemende kwaliteit en schoonheid.”