Orgelkunst rond 1900 (2) DOOR WILLEM VAN TWILLERT EN GERCO SCHAAP

ANDERE AUTEURS

Na het hoofdstuk van Ton van Eck volgt een artikel van Henk Rosenberg over ‘Kerkelijke bouwkunst in Den Haag van 1800 tot omstreeks 1930’ en de eerste bijdrage van Arjen Looyenga over de plaats van het orgel in de kerkgebouwen. Een welkom stuk architectuurgeschiedenis voor orgelliefhebbers. Jean-Pierre Felix (geb. 1943) houdt zich bezig met onderzoek van de geschiedenis van de orgelbouw in België en is werkzaam als expert bij restauraties van historische orgels. Daarbij neemt hij, zo lezen we in de Personalia van de auteurs, t.a.v. geen enkele stijl een vooringenomen standpunt in. Zijn verhaal ‘Orgelbouw in Belgie van pre- tot postromantiek’ is te omschrijven als ‘het orgelverdriet van België’ en leest als een trein. Een trein die voorbijrijdt aan allerlei bijna orgellijken in kassen die tot ontbinding dreigen over te gaan. Soms is er zelfs sprake van ‘orgelhorror’, zoals in het geval van Pierre-Jean de Volder (1808-1877). Een ongelooflijk verhaal: in de huidige Sint Michielskathedraal te Brussel werd in 1829 een fraai orgel gebouwd, origineel van vorm, namelijk in twee tegenover elkaar staande kassen. Dit instrument bezit een klassieke dispositie met een accent op de lagere stemmen. Opmerkelijk - voor Belgische begrippen - is de maar liefst 10 registers omvattende pedaaldispositie. Volgens Felix had men “een prachtige restauratie kunnen volbrengen in deze staat: De Volder-Loret, maar de organist van de kerk begrijpt die stijl totaal niet en wil een geheel nieuw orgel. En om de ontmanteling van het toen nog bestaande orgel te forceren heeft men bedacht om in het kader van de restauratie van het gebouw het hoogzaal af te breken”.
Hoe fraai het geheel was toont de afbeelding. Een regelrechte schande. Wanneer dit gebeurde? in 1990...(l) Thans kan in de kathedraal geen geschikte plaats meer gevonden worden voor een orgel, zonder het bouwwerk opnieuw aan te tasten. Felix: “Dit alles betekent dat weinig organisten bereid zijn om, het ‘overgangsorgel’ (laat ik dit lelijke woord voor een boeiend orgeltype nog maar eens gebruiken) te begrijpen. Sterker nog, zij zijn bereid om zelfs een instrument van grote historische waarde op te offeren om hun eigen megalomanie’ te realiseren.” Van dit verschijnsel kennen we in ons land helaas ook genoeg voorbeelden. Denken we maar aan de afbraak van het grote Anneessens-orgel in de v.m. St. Barbarakerk te Breda, waarvan slechts een schamele Hobo resteert in het orgel van de Grote Kerk.
Gelukkig is dit opofferen van dergelijke instrumenten nu moeilijker te realiseren. Uitgaven als het hier besproken boek dragen bij tot een genuanceerder beeld en grotere kennis.

ANDERSTALIGE BIJDRAGEN
Hermann Busch geeft een exposé van de export van Duitse orgels naar Nederland in het hoofdstuk Deutsche Orgelbauer und ihre Orgeln in den Niederlanden zwischen ‘Romantik’, ‘Verfall’, ‘Reform’ und ‘Orgelbewegung’. Was het in de 17de en l8de eeuw nog zo dat verschillende Duitse orgelmakers naar Nederland kwamen om zich daar te vestigen, in de 19de en vroege 20ste eeuw is er meer sprake van export van hun instrumenten naar ons land. Busch constateert dat Nederlandse orgelbouwers op hun beurt nauwelijks orgels aan Duitsland leverden. Hij laat in het midden of hier stilistische, kwalitatieve dan wel financiële motieven aan ten grondslag liggen. Uit correspondentie is echter wei vast komen te staan dat de devaluatie van de Duitse Mark in het begin van deze eeuw wel degelijk meespeelde.
Jammer dat van deze Duitse tekst geen vertaling is opgenomen, evenals van de Engelse tekst van Kurt Lueders. Deze hoofdstukken vormen echter een in verhouding klein deel van het boek.

Kurt Lueders heeft het over Tonal structure in Cavaille-Coll organs. Het grote verschil tussen de barok en de romantiek van Cavaille-Coll bestaat hieruit dat men minutenlang kan genieten van de klank van een enkele barok-prestant, terwijl een romantische prestant 8’ al gauw vraagt om meer kleur, verdubbeling enz. De solistische kwaliteit verdwijnt naar de achtergrond.
Lueders laat de verschuiving zien van de eerste, nog op klassieke principes gebaseerde C.C.-orgels met een verticale klankopbouw (waarbij registers op het Grand Orgue hun ‘vervolg’ hebben in hogere voetmaten op het Positif) naar meer romantische disposities met een ‘horizontale’ dynamiek. In het laatste geval zorgen registers met gelijke voetmaten op Positif en Récit voor een versterking van de klank. De verschuiving wordt zichtbaar in disposities van instrumenten die een sleutelrol in dit proces vervullen, culminerend in het C.C.-orgel in het Palais du Trocadero (1878, 66 St.), dat hij een “immens symfonisch blokwerk” noemt.

J.A. DE ZWAAN (1861-1932) 
Herman de Kier (auteur van o.m. Zeven eeuwen orgels in Den Haag) schreef een levendig epistel over de organist van de Haagse Grote Kerk, J.A. de Zwaan. Geen ‘dor levensbericht’, geen ‘hagiografie’ (= levensbeschrijving van een heilige), geen ‘apologie’ (= verweer- of verdedigingsschrift), zoals hij zelf aangeeft, maar een boeiend relaas over leven en werk van een ‘Haags organist op het breukvlak van twee eeuwen’. Met veel zeldzame afbeeldingen van o.m. A.W. Rijp, M.H. van ‘t Kruijs, Samuel de Lange jr., de orgelmaker Gerrit van Leeuwen en Haagse tijdgenoten, en getuigenissen van oud-leerlingen die veel zinnigs weten op te diepen over de wijze waarop hij bijv. de Bachwerken interpreteerde. Het was De Zwaan die een einde maakte aan de gewoonte om jaarlijks de Slag bij Waterloo in de Grote Kerk uit te voeren, en een voorstander was van pure orgelmuziek.

BIJLAGEN
Niet minder interessant zijn de bijlagen, waarin toonaangevende auteurs als Jongepier, Houdijk, Van Eck & Timmer, Den Toom e.a. korte exposés geven van vijf Nederlandse orgelmakers. We vinden er ook de programma’s in die tijdens het symposium zijn uitgevoerd, alsmede de disposities van de bespeelde orgels en de personalia van de auteurs. Het geheel wordt gecompleteerd met verschillende registers (van personen, van plaatsnamen en gebouwen, en van zaken en instellingen).

Het cliché ‘een must voor orgelminnend Nederland’ is volkomen op zijn plaats voor dit fraai uitgegeven en visueel aantrekkelijke boek. Onze complimenten aan auteurs, uitgever en niet in het minst de ‘redigeurs’.



Orgelkunst rond 1900.
Een bundel opstellen onder redactie van Ton van Eck en Herman de Kler.
Uitgave Canaletto, Alphen aan den Rijn, 1995.
ISBN 90 641 280 8. 270 blz., gebonden. Prijs f 65,00.