hoven
HET SCHNITGER-TIMPE-VAN OECKELEN-ORGEL IN DE DER AA-KERK THEO JELLEMA 

Anonymus: Estampie; S. Scheidt: Vater unser im Himmelreich; J.U. Steigleder: Dass Vatter Unser; D. Buxtehude: Praeludium in fis, BuxWV 146; J.S. Bach: Fantasia sopra ‘Jesu, meine Freude; Praeludium & Fuga in C, BWV 547; Trio in G, BWV 1027a; A. Schumann: Canon VI; F. Mendelssohn-Bartholdy: Sonate IV. 
VLS Records VLC 0994- Speelduur 64:26 - 
Prijs f 42,50

Deze cd is al een tijd in mijn bezit en diverse malen heb ik hem in zijn geheel gedraaid. Dat mag als een compliment worden opgevat. Niet alleen speelt Theo Jellema prachtig, met een kanttekening die zo dadelijk volgt, en is de opname van Hans van Laar erg mooi (een hoorhaar streven naar een ontspannen, natuurlijke klank), maar ook de programmering is zo boeiend.
Het Schnitger/Timpe/Van Oeckelen-orgel herbergt vele, vele mogelijkheden en die benut Jellema ten volle. Zo opent de cd met een middeleeuwse Estampie, die ruim zes minuten duurt maar geen seconde verveelt! Temeer omdat de organist (uiteraard) de oudste registers benut. Alle registraties staan trouwens overzichtelijk afgedrukt in het verzorgde booklet. VLS scoort ook op dit punt vaak hoog. Het is fraai wat Jellema met Schmidt en Steigleder doet. Prachtig, dat tweede vers (lees variatie) met de lyrische Gemshoorn 2’. Uitmuntend vertolkt
ook. Boeiend om de registratie te volgen bij Buxtehude’s praeludium in fis. De ‘Stylus Phantasticus’, de vrije gedeelten tussen onder andere de beide fuga’s is typerend voor Buxtehude’s stijl. Deze passages behoren met veel vrijheid en Fantasie gespeeld te worden en dat gebeurt ook. Jellema kiest overigens voor een kamermuzikale interpretatie. De fantasie en de klankdynamiek is in toom gehouden; geraffineerd buit hij de drie acht-voets prestanten uit. De afgedrukte registraties zorgen ervoor dat je als luisteraar, ook zonder partituur, precies kunt volgen wat er is getrokken en op welk werk wordt gespeeld. Bijvoorbeeld hoe hier subtiel gebruik wordt gemaakt van de Prestant 8’ van het bovenwerk (3 maten) tegenover de Prestant 8’ van het hoofdwerk (4 maten). Smullen! Jammer dat Jellema’s Bach-interpretaties zo’n voorzichtige aanpak hebben. Hij speelt Bach als het ware ‘gestreken’, in een rustig tempo, met agogische verbredingen in de hoogste noten van muzikale frases: Heel mooi, maar al met al ook wat saai. Met name in de Fantasia sopra "Jesu meine Freude" is dit storend.
Misschien was Jellema in gedachten al bij de romantiek van Schumann en Mendelssohn? In ieder geval speelt hij hun werken (weer) pakkend en... doet hij de faam van het instrument eer aan. Want als er een argument moet worden gevonden om te staven dat dit wonderbaarlijke instrument moet blijven zoals het is (om het maar beknopt te stellen), is het op deze cd te vinden. Mijns inziens is het pure kapitaalverspilling en -vernietiging om dit door een samenloop van historische omstandigheden zo ontstane instrument te amputeren door voor een bouwperiode te kiezen. Immers in vele stijlperioden vermag dit instrument te overtuigen. Natuurlijk moet je het instrument goed kennen om de juiste registraties te kiezen, en bijvoorbeeld in een barokwerk geen romantische registers trekken als dat niet persé nodig is voor balans ed.
Het Andante religioso uit de vierde sonate van Mendelssohn klinkt schitterend, zoals geregistreerd op het rugwerk: Prestant 8’ (Schnitger) en Gedekt 8’ (Schnitger), met op het bovenwerk Prestant 8’ (Timpe-Schn.), Viola di gamba 8’ (Timpe) en op het pedaal Subbas 16' (v.0.) en Holpijp 8’ (v.O/Doornhos). Hier zou veel meer over te zeggen zijn, maar dan zou deze recensie nog langer worden. De cd werd in het najaar van 1992 opgenomen. Peter Westerbrink noteert in zijn interessante inleiding: "Voor het eerst in de ‘opnamegeschiedenis’ van het instrument wordt het hier bespeeld als een SchnitgerTimpe-Van Oeckelen-orgel, dat in een twee eeuwen durend proces zijn huidige gezicht heeft gekregen .“ Wie wil dit gezicht nu eigenlijk nog veranderen?