Boekbespreking: Organisten, orgelspel en kerkzang binnen het Nederlandse Calvinisme

Gelijktijdig verschenen vorig najaar twee pretentieuze handboeken voor de (protestantse) kerkorganist. Eerst was daar het ‘Nieuw Handboek voor de kerkorganist’ (zie recensie in het decembernummer). Kort daarop werd het lijvige boekwerk ‘Organisten, orgelspel en kerkzang binnen het Nederlandse Calvinisme, inzonderheid in de Nederlandse hervormde kerk’ van Herman S.J. Zandt gepresenteerd. Zandt, die in de zestiger jaren samen met Hans Kriek het veelbesproken boekje ‘Organum novum’ schreef, werkte niet mee aan de gewijzigde heruitgave van dit boek, maar werkte jarenlang aan een hoofdstuk over de organist (als persoon, over zijn opleiding en zijn werkzaamheden), dat uitgroeide tot het onderhavige boek. “Dit standaardwerk, dat een zo volledig mogelijk overzicht biedt omtrent ontwikkelingen betreffende plaats en rol van de muziek binnen het Nederlands Calvinisme, is als zodanig een prachtig naslagwerk”, meldt de flaptekst. Dat belooft wat. De buitenkant oogt zeer verzorgd. De inhoud wordt hierna beknopt besproken.

‘DIT STANDAARDWERK...’
Elk standaardwerk behoort een zo uitgekiend mogelijk inhoudsregister te hebben waarmee men snel allerlei zaken kan opzoeken. Wanneer Zandt de inhoud in vijf hoofdstukken verdeelt, waarvan hoofdstuk 3 ‘Het orgelspel en de kerkzang’ maar liefst 302 bladzijden omvat (!), dan kan men niet stellen dat aan dit opzoeksysteem veel denkwerk is besteed. Op blz. 563 vinden we dan nog een ‘Globaal overzicht over de inhoud’ waarin hoofdzaken niet bepaald van bijzaken worden onderscheiden. Ook het feit dat deze inhoudsopgave ergens achterin het boek is afgedrukt, is niet gebruiksvriendelijk. De laatste pagina’s, waar nu de lijst met intekenaren prijkt, was hiervoor de geëigende plaats geweest.

HAND-, LEER- EN LEESBOEK
Herman Zandt schreef dit boek niet alleen “voor de (vak)organist, de muziekstudent en de historicus, maar zeker ook voor de predikant en het gemeentelid.” De auteur kiest echter voor de toon van een docent-met-een-eigen-mening. Bij een standaardwerk mag men objectiviteit verwachten. Feiten gekleurd uitdragen komt niet sympathiek en kundig over. Bij een zin als op blz. 385 wrijf ik mijn ogen uit: “Er is naar de mening van de schrijver in Nederland in de laatste twee decennia geen kerkmuzikale visie door wie dan ook ontwikkeld, afgezien van Frits Mehrtens (herv.) en Willem Mudde (luth.). Dat is wel erg gemakkelijk gezegd. Heeft Klaas Bolt op het gebied van orgelbouw en kerkelijk orgelspel zijn sporen in kerkelijk Nederland niet verdiend? Of je dat waardevolle sporen vindt is een tweede. Bolt’s naam komt in het register op personen echter in het geheel niet voor! Maar ook vele auteurs van belangrijke boeken komen niet voor in Zandt’s boek. 
Ik noem er enkele:

Op blz. 353 noemt de auteur de (door o.a. Klaas Bolt gepropageerde) Bourdon 16’ en Cornet minzaam “publiekstrekkers”. Te pas en te onpas doorspekt de auteur zijn tekst overigens met aanduidingen die tussen dubbele aanhalingstekens zijn geplaatst. Jammer.
Schiet het werk van Zandt als hand- en leesboek tekort, mede door de selectieve redactie van de auteur en zijn van-de-hak-op-de-tak springende schrijfstijl, als leesboek mag het zeker geslaagd worden genoemd. Juist door de wisselende aandachtsgebieden en de subjectieve behandeling van de onderwerpen is het interessant en boeiend om ter hand te nemen. Regelmatig wordt uit allerlei orgelboeken en -tijdschriften geciteerd. Vooral de periode waarin het gedachtegoed van Lambert Erné veel opgang maakte, het z.g. neobarokke orgelbouwtijdperk (±1945-± 1970), krijgt relatief veel aandacht. Het boek is dan ook ter nagedachtenis aan Erné geschreven.
Interessant is ook het hoofdstuk met afbeeldingen achterin het boek, met o.a. zeldzame foto’s van H.P. Steenhuis en Frans Hasselaar. Opvallend is de ruime plaats die wordt toegekend aan citaten uit het publicitaire werk van Jan Zwart, waaronder het interview dat Jan Zwart in 1930 voor de NCRV gaf (gepubliceerd in het periodiek ‘Het Kerkorgel’ no. 12 van A.S.J. Dekker). Zandt geeft een overzicht van Jan Zwart’s denken en werken. Het hoofdstuk 'De organisten’ (blz. 18-59) is één van de sterkere hoofdstukken uit Zandt’s boek. De ‘Excursie’ (blz. 614-617) vormt daarentegen de zwakste bladzijden. Had hier de auteur (over zijn teloorgang als organisator van ‘Orgelconcerten en Avondmuzieken in Dokkum) niet door de uitgever tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen?
Al met al een boek met boeiende lectuur over boeiende onderwerpen, met veel inzet in woorden (samen)gevat. De vele, uitgebreide citaten geven het boek een zekere charme. De verhalende verteltrant verleent de lezer interessante doorkijkjes in de orgel- en kerkmuziekhistorie.
De schrijver baant zich een volstrekt eigen weg door de geschiedenis van de organisten, het orgelspel en de kerkzang en dat maakt zijn boek origineel en interessant. Degenen die het Nieuw Handboek voor de Kerkorganist hebben aangeschaft zullen bij aanschaf van dit besproken boek weer een nieuwe invalshoek aantreffen. Het ene handboek sluit het andere niet uit. Wel zal men de belerende toon van Herman Sj. Zandt voor lief moeten nemen, evenals het feit dat dit boek in wezen stopt bij het overlijden van Lambert Erné. Hetgeen zich na de zeventiger jaren heeft afgespeeld, in toon en geschrift, komt ofwel nauwelijks aan bod, of wordt bezien door een sterk gekleurde bril en beschreven door een polariserende pen van de auteur.

‘Organisten, orgelspel en kerkzang’ kost f 195,- en is verkrijgbaar bij de boekhandel en bij Uitgeverij Profiel, Postbus 7, 9780 AA Bedum. 
ISBN 90 5294 128 9. 623 blz. Gebonden.