Veelbelovend opus 1 van Orgelmakerij Bogaard in Capelle aan den IJssel

Op 7 november 1995 werd in de Moriakerk van de Gereformeerde Gemeente in Capelle a/d IJssel-West een nieuw orgel in gebruik genomen. Het is de ‘eersteling’ van orgelmaker Ide Boogaard. Hij leerde het vak bij de Gebr. van Vulpen in Utrecht en startte in 1992 zijn eigen bedrijf.

Een bespreking van een nieuw of gerestaureerd orgel is eigenlijk een hachelijke zaak. Immers, kritiek is gemakkelijk te leveren. Het ingewikkelde instrument dat orgel heet, omvat dermate veel elementen waarbij een keuze moet worden gemaakt, dat er altijd wensen zullen blijven. Het ‘kostenplaatje’ speelt daar overigens een belangrijke rol bij. Wanneer het dan ook nog om het eerste grote nieuw gebouwde orgel van een jonge orgelmaker gaat, is het goed om aan zoveel mogelijk elementen genuanceerde aandacht te geven. Een dergelijke bespreking vraagt wellicht evenveel ruimte als bijv. die van het Meere-orgel in Epe. Daarvoor ontbrak in dit nummer echter de nodige plaatsruimte. Met inachtneming van deze overwegingen volgt hier mijn verslag.

BOGAARD’S EERSTELING
Wanneer het nieuwe orgel in de Moriakerk in Capelle geheel voltooid zal zijn, telt dit instrument 24 registers (zie dispositie). Hopelijk laat de voltooiing van het bovenwerk (voorlopig geheel gereserveerd) niet te lang op zich wachten, want hetgeen thans klinkt smaakt naar meer.
Bij binnenkomst heb ik lange tijd alleen maar gekeken en geluisterd, met dank aan Dick den Engeisman (één van de adviseurs) die het orgel bespeelde. Klaas Bolt’s devies “Een orgel moet er mooi uitzien en goed spelen” is bij ide Boogaard in goede aarde gevallen. Zijn instrument is fraai en goed van proporties. De Moriakerk is een tamelijk klein gebouw uit 1953, hetgeen consequenties had voor het klankvolume van het nieuw te bouwen instrument. Daarom is in samenspraak met de adviseurs besloten op het hoofdwerk niet de verwachte Roerlluit 8’ en 4’, maar een Holpijp 8’ en de kamermuzikale Flagfluit 4’ te disponeren. Dit laatste register loopt fraai uit in toonvolheid, maar geeft in het klein octaaf (de tenorligging) een kleinere toon dan een robuuste Gemshoorn of Roerfluit. Dit vind ik een gewaagde keuze. Het lijkt me dat in een volle kerk het orgel maar bescheiden over zal komen.
Nu ken ik werk van Ide Boogaard uit zijn periode bij Van Vulpen (1975- 1988). Daar heeft hij intensief gewerkt aan het orgel in Stadskanaal (ook alleen het hoofdwerk, pas veel later kwam daar een rugwerk) en aan de fameuze reconstructie van het Hess-orgel (1791 en ouder) in de Nieuwe Kerk te Haarlem.

MILD KLANKVOLUME
Wanneer ik het Van Vulpen-orgel in Stadskanaal vergelijk met Boogaard’s orgel in Capelle, zit daar verschil in. Kwalitatief is het van hetzelfde hoge gehalte. Qua klank is Boogaard’s orgel bekoorlijker en karakteristieker, mede door de keuze van een mild klankvolume.
Zelfs de Mixtuur heeft een mild, genuanceerd karakter en klinkt bijzonder vanwege de buitenissige repetitie om het octaaf (i.p.v. per kwint), terwijl de 1 voet zo lang mogelijk blijft klinken. Alsof er ook een Flageolet 1’ bijgetrokken wordt. De hierdoor ontstane klankspits geeft Bogaart’s orgel een karakteristiek timbre. Een bijzonder fris, belijnd geluid, goed getroffen, zeker in de getempereerde stemming waarin het staat (Neidhardt). Alleen zo klinkt een orgel, gebaseerd op 18de-eeuwse factuur, ten volle overtuigend. Voornaam, zoals het hoort bij de begeleiding van de psalmen Davids. Met “pois & majesté” behoorden de psalmmelodieën te klinken volgens Calvijn, aan wie het te danken is dat het Geneefs Psalter tussen 1539 en 1562 ontstond. Datheen vertaaide “pois & majesté” door "ernsthaftticheyt ende maiesteyt” En wanneer ik Luth citeer, lijkt het alsof je ervaren kunt hoe een orgel op zijn best in deze stijl kan klinken. Het orgel van Ide Boogaard past in ieder geval goed in dit beeld.
Zoals gezegd, in de lege kerkzaal klinkt het orgel mild, maar achter de speeltafel klinkt het beroerd. Jammer voor de organisten, maar dat heb je met zijkantbespeling. Hoe het klinkt in een volle kerk heb ik niet kunnen vaststellen, maar naar mijn smaak had de volle, rijke en overtuigende toon van de Prestant 8’ volledig doorgezet mogen worden.

OMGEREKENDE MATEN
De windlade heeft de omgerekende maten van het Van Deventer-orgel te Nijkerk, dat door Van Vulpen is gerestaureerd. Verder zijn de mensurering en maatvoering van het pijpwerk geïnspireerd door werk van Chr. Muller (St. Bavo, rugwerk). De Holpijp 8’ is gebaseerd is op Hinz-maatvoeringen, de Subbas 16’ van het pedaal op maten van J.H.H. Bätz.

COMMENTAAR OP REGISTERS
Prestant 8’: een mooie, volle en dragende toon, goed in balans. In de discant enigszins ais een hoorn. Karakter goed getroffen. Vanaf fis verloopt de aanspraak beter Sommige lagere tonen spreken moeizaam aan, omdat de orgelbouwer heeft afgezien van kernsteken.
Vanwege de dubbele bezetting in de discant is de Prestant 8’ geschikt als soloregister. Dc linkerhand speelt dan bijv. in de bas van de Octaaf 4 met half geopende sleep (zie dispositie). Anekdote
Holpijp 8’: Slank, mooie boventoonrijke klank, maar in het g.o. te bescheiden om tegenspel te bieden aan de ‘zwaargewicht’ Prestant 8’ met dubbele pijpen in de discant. 
Octaaf 4': Beduidend zachter dan Prestant 8’, verder goed getroffen. 
Octaaf 2’: Goed, maar niet briljant vanwege de vrij strakke wind. 
Quintfluit 3’: Mooi, goed mengend, had naar mijn smaak nog voller (wijdere mensuur grotere cancel) gemogen. Gezien de gemaakte keuzes overigens een logische klankgeving. 
Cornet V: Bijzonder fraai, ondanks ongeschaafd pijpwerk. Dit verraadt het grote vakmanschap van de bouwer.
Trompet 8’: Enigszins mat. Ik mis het typisch ‘donkerbruine’ geluid van een Hollandse Trompet. Deze ‘snatert’ wat meer en mengt daarom niet mooi in combinatie met bijv. de Cornet en de Bourdon 16’. Overigens heeft de Trompet van Hinsz in Leens hiervoor model gestaan.
Subbas 16’: Goed gemaakt. 
Octaaf 8’: Mooi prestantkarakter, soms wat moeizaam aansprekend, maar dat is betrekkelijk gemakkelijk te verhelpen.
Bazuin 16’: Zoals een Bazuin moet wezen, moet of mag het ‘ietsje meer zijn’? 
Cornet 4’: Een luxe keuze in een dispositie als deze. Een Trompet 8’ had meer gewicht in de schaal gelegd. Ook op een 8’-register kan een 4’ klank in het pedaal worden gecreëerd. Overigens is deze Cornet bijzonder fraai. Het is een kopie van Noordwolde.

Speelaard: Verrassend aangenaam. De boventoetsen zijn slank. Daardoor krijgen de vingers meer ruimte en ‘grijpt het aangenaam in de toetsen’. De pedaalmaatvoering en -omvang (het pedaal loopt tot f) is niet conform de gekozen stijl. Gelukkig hebben orgelbouwer en adviseurs de onderlinge maatvoering niet ingekrompen vanwege deze omvang. De boventoetsen lopen enigszins rond (concaaf). Wel prettig voor het pedaalspel, maar wat stijlvreemd, net als de smalle pedaaltoetsen. 
Registerplaatsing: Overzichtelijk, maar niet historisch. Ingeval van zijkantbespeling behoren de registertrekkers van het bovenwerk boven de speeltafel aangebracht te zijn. Dit is de meest eenvoudige constructie. Nu zullen in Capelle straks veel winkelhaken nodig zijn om de slepen van het bovenwerk te bedienen. De registers van het hoofdwerk behoren verticaal in twee rijen staan. Overigens ziet het geheel er mooi
afgewerkt uit. Door het simpel oplichten van de registertrekker wordt bij drie registers slechts de helft van de pijpen van wind voorzien d.m.v. een dubbele sleepboring (zie dispositie). Een heel vernuftig en bruikbaar systeem, dat Flentrop reeds toepaste bij de restauratie van het Bätz-orgel in de Hervormde Kerk van Harderwijk in de tachtiger jaren.
Uiterlijk: Heel passend. Bladgoud is fraai op het snijwerk aangebracht.
Stemming: De Neidhardt-stemming wordt nog nader gepreciseerd. Thans wat onduidelijk.
Windvoorziening: Gekozen is voor een spaanbalg (die van Noordwolde stond model), die echter een welhaast te strakke wind geeft.

CONCLUSIE
Ik heb getracht het eerste orgel van Ide Bogaard genuanceerd te beoordelen, hetgeen ook enkele kritische noten heeft opgeleverd. Dit mag echter niet tot de conclusie leiden dat dit eerste grote project van de Rijssense orgelmaker kwalitatief minder zou zijn dan dat van gevestigde orgelbouwers.
Integendeel: dit werk mag er zijn, het is een fraai staaltje van het vakmanschap van Boogaard en zijn medewerker Wim van Dijkhuizen geworden. Meer zelfvertrouwen in bepaalde beslissingen (of meer research?) zal toekomstige resultaten gunstig kunnen beïnvloeden. De Moriakerkenraad en haar adviseurs kunnen voldoening hebben van hun beslissing te reageren op een brief van een jonge, ondernemende orgelmaker. Het heeft in elk geval geleid tot wat een verrijking van het Nederlandse ‘orgelmakersgilde’ mag worden genoemd.

Anekdote:
Bij deze klank dacht ik aan een anekdote, opgetekend door Petrus Beyen in zijn Brief aan den Heer Joachim Hess, organist en klokkenist te Gouda (...), waarin Beyen over de Prestant 8’ van het “Nieuw en uitmuntend Orgel in de St. Stephanus of Grote Kerk binnen Nijmegen” het volgende in ecn voetnoot vermeldt: "De Russische Prinses Gallitzin was weleer gewoon in het doorreizen, dit Orgel telkens met een bezoek te vereren. Haare Hoogheid speelde zelve doorgaans een groot half uur; doch onder alle stemmen behaagde dier Vorstinne niets meer als de Praest. 8 v. en de Bourd. 8 v. in het Rugposit. by malkander getrokken: komende dit geluid, volgens Haare Hoogh. zeggen, overeen met dat des waldhoorns van den Heer Spandau in 's Hage.”


Dispositie orgel Moriakerk Capelle a.d IJssel-West

HOOFDWERK
Prestant 8’ disc. dubbel
Bourdon 16 bas/disc.
Holpijp 8’
Octaaf 4 bas apart speelbaar
Flagfluit 4’
Quintfluit 3 disc. apart speelbaar
Octaaf 2
Terts 1 3/5’ disc. apart speelbaar
Mixtuur V-V bas/disc.
Cornet V disc.
Trompet 8’ bas/disc.

BOVENWERK (gereserveerd)
Baarpijp 8
Quintadeen 8
Viola di Gamba 8
Prestant 4’
Roerfluit 4
Nasard 3’
Fluit 2’
Vox Humana 8’
Tremulant

PEDAAL
Subbas 16’
Octaaf 8’
Bazuin 16’
Cornet 4’

SPEELHULPEN
Koppel Pedaal-HW
Koppel Pedaal-BW
Koppel BW-HW
Manuaalomvang: C-f2
Pedaalomvang : C-f

Winddruk: 68 mm wk
Stemming: Neidhardt

Adviseurs: D. den Engelsman en P.J. Wols namens de V.0.G.G.