Nieuw Handboek voor de Kerkorganist


Men kan gerust stellen dat uitgeverij Boekencentrum de publicatie van het Nieuw Handboek voor de Kerkorganist uitstekend getimed heeft:
in de wintertijd en zo vlak voor de traditionele cadeaumaand. Is het een geschikt en nuttig cadeau? Jazekerl Het 342 pagina’s tellende handboek is een absolute must voor orgelspelend Nederland. Mooi uitgegeven in dundruk, zodat het qua omvang inderdaad een handboek blijft, in een rustige typografie.

Mijns inziens een iets te rustige typografie, want de kopjes boven de tekstonderdelen hadden best iets groter of vetter gedrukt mogen worden dan nu is gebeurd (cursief). Want wanneer in de hoofdtekst al veel cursief wordt geplaatst, valt het als hoofdstuktitel weg.
En om nog enkele kritische noten - het zijn er waarachtig niet veel! - te noemen: waarom de verschillende auteurs niet genoemd bij elk hoofdstuk? Om hen alleen in de inhoudsopgave te noemen is voor de lezer niet erg gebruiksvriendelijk, en voor de schrijver zelf onaardig Het ware ook beter geweest hun voornamen voluit te spellen. Nu blijft onduidelijk welke Van Dijk achter de P. schuil gaat (hoofdstuk 2). Is het Pieter van Dijk uit Alkmaar of Peter van Dijk uit Utrecht? Want ook in de Personalia komt P. van Dijk niet voor.
Het Register van persoonsnamen is veel te beknopt uitgevallen en daardoor uitermate selectief. Maar dit alles mag de leespret niet drukken, want - laat daarover geen misverstand bestaan - het Nieuw Handboek voor de Kerkorganist is een uitstekend boek geworden. Hulde aan de vierhoofdige redactie en de uitgever. Zij hebben een boek op de markt gebracht waarin een veelheid aan kennis op een uitstekend leesbare wijze is samengebald, zonder de verschillen in gezindte te verdoezelen. Het was een verstandige keuze van de uitgever dit handboek te laten schrijven door auteurs met verschillende (kerkelijke) achtergronden, maar met een gemeenschappelijk kenmerk: vakmanschap. Het opgeheven vingertje ontbreekt gelukkig.

AANVULLING
Sommige hoofdstukken vormen een welkome aanvulling op bestaande literatuur. Het hoofdstuk "De organist en zijn orgel" van W.A. Reil, m.m.v. D. Sanderman is een uitstekende aanvulling op ‘Inleiding tot de orgelbouw’ van A.J. Gierveld (G.O.V., 1979). Bijzonder nuttig is het onderdeel ‘Het zoeken naar een hanger’ (blz. 226 v.v.), waar in heldere taal tips worden gegeven om (eenvoudige) storingen te verhelpen. De meeste hangers worden veroorzaakt door een ventiel dat niet sluit. Vaak is zo’n probleem relatief simpel te verhelpen door de ventielkast te openen (windmotor uit!) en er een kijkje in te nemen.
Eén - terecht - opgeheven vingertje wil ik u niet onthouden (blz. 220): “Een algemene opmerking over de taak van de organist: houd de speelpiek netjes. Het is soms bedroevend om te zien hoe de klaviatuur vervuild is en hoeveel troep er onder het pedaal ligt. Om slechts een voorbeeld te noemen: wie met potlood vingerzettingen in zijn muziek aantekent, maakt vaak gebruik van gum om correcties aan te brengen. Bedenk echter dat gumresten de klaviatuur ernstig kunnen vervuilen.”
Ter verdediging van organisten wil ik inbrengen dat een instructie aan de koster op dit punt ook zinvol kan zijn. Vaak ziet de kerkruimte er keurig uit, maar wordt de orgelgaanderij vergeten...

PSALMBEWERKINGEN IN DE ORGELLITERATUUR
Onder deze kop schreef D. Sanderman een verhandeling over de uitgaven die in de loop der eeuwen zijn gepubliceerd. Hij besluit met de zinsnede: “Het is niet moeilijk om in dit hoofdstuk omissies aan te wijzen.” Toch is hij erin geslaagd een goed leesbaar (niet ‘opsommerig’) en informatief artikel te schrijven. Niet alleen vormde het gebied (de psalmen) een afbakening, de titel vormt ook een criterium voor kwaliteit. Namelijk: “Koraalbewerkingen die niet meer te bieden hebben dan het produceren van goed in het gehoor liggende achtergrondmuziekjes kunnen bezwaarlijk tot de orgelliteratuur worden gerekend.” Een pleonasme: een intonatie (blz. 118) is altijd kort (of behoort zo te zijn).

INHOUD
Een bespreking van elk hoofdstuk is (zelfs in een uitgebreide recensie) ondoenlijk. Daarom nu een indruk van de inhoudsopbouw.
Het eerste hoofdstuk is getiteld: "De plaats van de muziek in de eredienst"
Dit is als volgt onderverdeeld:
1 Bijbelse gegevens over muziek (Chr. Ingelse)
2 Opvattingen over muziek in de kerkgeschiedenis (drs J. Smelik)
3 Kerkmuziek in de hedendaagse protestantse kerken (drs J. Smelik)
4 Gemeentezang en orgeispel door de eeuwen heen (dr J.R. Luth).

De volgende hoofdstukken luiden als volgt:
II Geschiedenis van muziek in de eredienst
III Het kerklied
IV Het orgel
V Het orgelspel
VI De organist en de gemeente.
Steeds worden deze hoofdstukken weer in paragrafen onderverdeeld
Jan Smelik, eindredacteur van het blad ‘Orgeldienst’ van de Geref. Kerk Vrijgemaakt is één van de redactieleden van het Nieuw Handboek. Hij schreef de hoofdstukken ‘Opvattingen over muziek in de kerkgeschiedenis’, ‘Kerkmuziek in de hedendaagse protestantse kerken’ en ‘Gezangbundels uit de periode 1566-1900’.
Het is waar wat Smelik op blz. 45 schrijft: Van de gemeente mag verwacht warden dat de deskundigheid en (bijbels gezien) rechtmatige positie van de kerkmusicus gerespecteerd wordt.” De realiteit is echter dat vele kerkgenootschappen de taak van de organist nog steeds (tegen beter weten in) als liefdedienst opvatten.

PRAKTISCH
Laten we hoofdstuk V, "Het orgelspel", eens nader beschouwen. Het valt in de volgende paragrafen uiteen:

15 Kerkelijk orgelspel (D. Sanderman en Th. Goedhart)
    a. Orgelspel voor en na de dienst
    b. Orgelmuziek bij collecte en avondmaal
    c. Voor-, tussen- en naspel
    d. Gemeentezangbegeleiding
        I. Het begeleiden van gezangen en ritmisch gezongen psalmen
        II. Het begeleiden van isoritmisch gezongen psalmen
    e. Het begeleiden van de cantorij Litematuur.

16. De toerusting van de organist (Chr. Ingelse)
     a. Welke factomen bepalen het resultaat bij het leren bespelen van een muziekinstrument?
     b. Zinvol studeren
     c. Voorbereiding op de eredienst 
     d. Cursussen, Literatuur

17. Eigen werk (Chr. Ingelse en D. Sanderman)
     a. Investeren in improviseren
     b. Eenvoudige improvisaties met behulp van bestaande koraalzettingen
     c. Harmonisatie en begeleidingsvormen
     d. Veelgemaakte fouten
     e. Aanbevolen literatuur voor verdere studie

Ik hoop met het alleen noemen van de aandachtsgebieden de nieuwsgierigheid naar de verdere inhoud van dit Handhoek geprikkeld te hebben. Laten we paragraaf 17b eens nader onder de loep nemen.
De auteurs Dick Sanderman en Christiaan Ingelse geven in een exposé van 39 (!) pagina’s een scala van mogelijkheden om zelf intonaties of eigen koraalbewerkingen te bedenken en in te studeren. De auteurs gaan ervan uit dat de harmonisatie een gegeven is en dat men door verkregen inzicht en vaardigheid uiteindelijk zichzelf schoolt. Een geslaagde poging om als ‘t ware een leergang te schrijven voor deze voorbedachte improvisatie-vaardigheid. Knap bedacht en didactisch goed opgebouwd.
De improvisatietechniek - of, beter gesteld, variatietechniek - wordt beknopt besproken en direct via een notenvoorbeeld met een lied (het Handhoek spreekt steeds over het m.i. wat verouderde ‘gezang’) aanschouwelijk gemaakt.
De auteurs vermijden omhaal van woorden, behalve daar waar de plagale en authentieke cadens worden uitgelegd. Mij ontgaat waarom dit technisch zo uitputtend besproken wordt, immers het gaat in wezen om het 3-5-8-systeem dat gehanteerd wordt. Met andere woorden: of het een plagale (I>IV) of authentieke (I>V) cadens is, wordt uiteindelijk door de muzikale mogelijkheden bepaald. Op welke wijze deze twee cadenzen voorkomen is minder interessant dan precies te weten wat het verschil is tussen beide cadenzen. Dit is namelijk in één volzin samen te vatten.
In de lijst ‘Aanbevolen literatuur voor verdere studie’ mis ik het uitstekende 3-delige standaardwerk ‘Improvisation’ van Aksel Andersen, Edition Egtved, Denemarken 1977. Dit boek is bijzonder gebruiksvriendelijk omdat het in drie talen (Engels, Deens en Duits) is uitgegeven en het werkt vanuit een klassiek (tot en met romantisch) idioom.
Verder is ook ‘Improvisationslehre für Orgel’ van Herbert Kelletat (Berlijn 1975) niet in de literatuurlijst opgenomen. Ook dit is een aanrader voor diegenen die zich meer willen verdiepen in de kunst van het improviseren. Het is een studieboek dat - evenals Andersen trouwens - inzicht geeft in de muzikale vormen, het idioom, kortom het componeren. Want is improviseren dat uiteindelijk ook niet?
Maar dit is detailkritiek, want het is buiten kijf dat deze paragraaf uitstekend door orgeldocenten gebruikt kan worden om het (met met enige mysterie) omgeven vak improvisatie te onderwijzen aan op dit punt beginnende organisten.

CONCLUSIE
Het Nieuw Handboek voor de Kerkorganist is een must voor zowel organist als orgeldocent. Een handzaam en informatief boek als dit
behoort in iedere orgelleskamer onder handbereik te zijn en bij iedere enigszins gevorderde, toegewijde organist in de kast te staan. Ook al omdat aan het eind van elk hoofdstuk naar andere literatuur wordt verwezen.

Nieuw Handboek voor de Kerkorganist. 
Onder redactie van Christiaan Ingelse, Jan D. van Laar, Dick Sanderman en Jan Smelik. 
Uitgave Boekencentrum B.V., Zoetermeer. 
ISBN 9023910737, 342 blz., gebonden. 
Prijs f 59,50.