Een gesprek met Han Reil - Een orgelmaker wiens vak hem als gegoten zit

Naar aanleiding van de restauratie en reconstructie van het Abraham Meere-orgel in Epe toog Willem van Twillert naar Heerde voor een gesprek met Han Reil, verantwoordelijk voor de klank. Hij kwam terug met een verhaal over hergebruik van hout dat niet meer geschikt is voor orgels, over kamers in verschillende kleuren, over een toekomstig nieuw groen hart in het centrum van Heerde, over een gevelsteen en over politieke activiteiten. Maar vooral over een orgelmaker die over zijn vak praat als ware het om hem heen gegoten: het is een deel van zijn leven.
In feite zijn het twee verhalen geworden. Het andere wordt in een apart kader bij dit artikel gepubliceerd.

Als je het huis (uit 1904) van Han Reil nadert, springt direct de frisblauwe gevelsteen in het oog (althans in de winter, als de linden nog geen blad dragen). "Een verjaardagscadeau van familie en vrienden”, vertrouwt Han mij even later toe. In plaats van de traditionele fles wijn hebben ze jarenlang een envelop met inhoud in een doos gedaan, hetgeen uiteindelijk geleid heeft tot het laten hakken van een echte gevelsteen, een bijna verloren cultuur in onze samenleving. De passer in de steen wijst op het doorslaggevende belang van goede proporties in het ambachtelijke werk. Vervolgens een korte rondleiding door het huis. De verschillende vertrekken hebben ieder een eigen karakter: de blauwe keuken (nooit vliegen!), de groene tuinkamer, de eiken eetkamer, het grenen kantoor, enz. “Allemaal zelf gemaakt, veelal van onbruikbaar of afkomend orgelhout. Het paneelplafond in mijn kantoor heb ik bijvoorbeeld gemaakt van twee oude subbas-registers, waar ik de helft van moest weggooien omdat die verwormd was. Veel werk, maar toch een mooie bestemming voor pijpen die anders op de brandstapel terechtgekomen waren.”
De vertrekken stralen harmonie uit. We nemen plaats in wat later het meest favoriete vertrek van Han Reil blijkt te zijn: de tuinkamer. Deuren over de gehele breedte kunnen geopend worden, waardoor je bijna in de buitenlucht zit. ‘Hier kun je me altijd vinden als het na een warme dag uitbundig begint te regenen. De lucht is dan zo zuiver, de tuin zo mooi...” Een tuin die overigens weer groter wordt. De gebroeders Reil hebben hun orgelmakerij, die tot dan toe in het centrum tussen hun huizen lag, verhuisd naar de rand van Heerde. Het tekent hun charisma dat ze de uitbreidingen van de zestiger jaren afbreken om weer die mooie, groene tuin te kunnen maken, die ze zich van vroeger herinneren. Terwijl instanties en overheden juist bezig zijn in deze buurt alle groene hoekjes te bebouwen en te bestraten.
Han is ook jarenlang actief geweest als fractievoorzitter van het CDA in Heerde. “Ik was een echte dorpspoliticus hoor, ik vond het prachtig mee te mogen praten over de ontwikkelingen in een dorp waar ik geboren en getogen ben. Lange tijd heb ik daar echt van genoten, totdat gespecialiseerde ambtenaren, die niet zoveel binding hebben met zo'n dorp, het voor het zeggen kregen. Toen werd het voor mij tijd om te vertrekken.”

KLANKCONCEPT
Uiteindelijk komen we natuurlijk te spreken over zijn vak: het maken van orgels.
“Broer Albert houdt zich bezig met het visuele ontwerp en heeft tevens de leiding over de gehele bouw. Dat is uiterst belangrijk, want alle delen van een orgel doen mee in de uiteindelijke klankvorming. De maatverhoudingen, de gebruikte materialen, de berekening van de windvoorziening enz. moeten allemaal perfect zijn om het orgel optimaal te kunnen laten klinken. Neem bijvoorbeeld de windvoorziening. De pijpen moeten ‘mooi’ aangeblazen worden, dat is wat anders dan alleen maar ‘technisch perfect’. Mijn broer kan dat prima voor elkaar krijgen, dat is voor mij een genot. Ik verzorg het klankontwerp, een ook voor mij ingewikkelde materie, die verband houdt met de grootte van het orgel, het gebruik ervan, maar natuurlijk ook met de akoestiek van de ruimte. Als de mensurenlijsten naar de pijpenmakerij gaan, heb ik het orgel in gedachten al gehoord en het is heel bevredigend om die klank dan ook in de praktijk te kunnen realiseren.”

VOORTDURENDE STUDIE
Han is vermaard om zijn kunst van het tongwerken maken. ‘Ik houd erg van tongwerken. In het orgel van Stavanger bijvoorbeeld staan er twaalf. Allemaal prachtig geworden. Een gevolg van jarenlang studeren en experimenteren. We hebben dan ook een team uitstekende vaklieden, die alles kunnen maken.
Mijn broer en ik zijn eigenlijk gevormd door een voortdurende studie van oude instrumenten. Wij hebben altijd geleerd van onze voorgangers in binnen- en buitenland. Het is normaal dat je voortbouwt op het verleden. Om extra te leren hebben we wel eens een kopie gebouwd, maar verder hebben we er steeds naar gestreefd het geleerde te vertalen naar de huidige tijd. Een echt muziekinstrument bevat echter altijd elementen die tijdloos zijn, waar nooit van afgeweken mag worden en dat doen we dus ook niet.
We hebben zelfs een Italiaans orgel gemaakt voor het conservatorium in Hamburg. Prachtig, je een tijdlang helemaal inleven in de Italiaanse wereld.”
Han kan aanstekelijk en met enthousiasme vertellen over zijn studiereizen naar Italië, de typische kenmerken van Italiaanse orgels, de mensen die hij er heeft leren kennen en het uiteindelijke resultaat, waar men in Hamburg erg blij mee is. Zo worden steeds nieuwe uitdagingen gezocht.

LOGBOEK
“Van elk orgel wordt een ‘logboek’ bijgehouden. Daarin staan - naast allerlei maten - ook de belevenissen, de moeilijke dingen, mooie ontwikkelingen, kortom alles wat we meemaken. Uiteraard een heel persoonlijk geschrift, waar alleen Wim Wagenaar - intonateur, we werken vrijwel altijd samen de orgels af - en ik in schrijven.”
Uiteindelijk komt het gesprek natuurlijk ook weer op Epe, op het Meere-orgel. “Een schitterend werk. Het orgel groeide iedere dag onder je handen, het was soms moeilijk ‘s avonds op te houden. We hebben goed met adviseur Stef Tuinstra samengewerkt. Zulke mensen beheersen de kunst zo’n orgel op de juiste manier te bespelen en te laten horen, ze kennen ook de achtergronden van de bouwer. Een goede adviseur fungeert voor een orgelmaker als een klankbord, heeft veel in huis waar we wat aan hebben. Uiteindelijk zijn wij natuurlijk verantwoordelijk voor het resultaat. Noch mijn broer, noch ik doen dingen tegen onze principes of overtuiging. Gelukkig was daar in Epe geen sprake van. Alles is daar in één keer goed getroffen en daar waren we erg blij mee.

 

De kunst van het intoneren door Han Reil
 
ONTWIKKELING TOT ±1700
In grote lijnen heeft de intonatie zich door de eeuwen heen als volgt ontwikkeld. Tot ±1700 stond alles min of meer open. Grote voetopeningen en behoorlijk ruime kernspleten. Veel werd gedaan met de opsnede, waardoor er veelal een grillig opsnedeverloop binnen één register was. Pijp voor pijp werd optimaal op toon gebracht. Men hechtte minder aan een grote egaliteit, maar wilde veeleer een grote klank. In Uithuizen b.v. was dit heel duidelijk het geval met de Octaaf 4 Vt. Allemaal haast verschillende tonen, geen egaliteit, met huidige ogen gezien eigenlijk slecht geïntoneerd, maar schitterend als het register klonk.

18E EN 19E EEUW
In de 18e en 19e eeuw gingen de orgelmakers steeds verfijnder te werk. Dit was te bereiken door de technische vooruitgang. Het hele cultuurbeeld was zo. De egaliteit in de registers werd steeds groter, de klank werd galanter, de oer-achtige ruwheid verdween. Hinsz maakte b.v. de voetopeningen en kernspleten kleiner, maar bleef nog wel aan de opsnede werken. Freytag daarentegen hield de opsneden in vaste verhouding tot de labiumbreedte en intoneerde alleen aan voeten en kernspleten. Elke zichzelf respecterende orgelmaker had in de zich steeds verder ontwikkelende wereld zijn eigen klankideeën en methoden om dat perfect en egaal uit te voeren. Ik kom hier bij Meere nog op terug.

HET INDUSTRIELE TIJDPERK
In het industriële tijdperk raakte alles in een stroomversnelling. Veel ‘beperkingen’, die de mensenhand nu eenmaal altijd bleef houden, werden
opgeheven door nauwkeurige machines en een technisch-wetenschappelijke benadering. Ik heb orgelbouwers ontmoet, die pijpen met elektronische apparatuur egaliseerden. De menselijke maat verdween.
Dit gaat mij te ver. Iedereen streeft van nature naar volmaaktheid, maar zodra iets technisch gezien ‘perfect’ is, wordt het plotseling uiterst vervelend. Dat zien we voortdurend en in hoge mate om ons heen. Een koor met allemaal gelijke tenoren of sopranen is onmogelijk, maar zou ook stomvervelend zijn.
Dat neemt niet weg dat we nu leven. Voor ons is het daarom een grote uitdaging, juist in deze tijd met al zijn technische mogelijkheden, instrumenten met grote artistieke waarde te maken, die ook op langere termijn inspirerend blijven werken. Dit vraagt veel nadenken over wezenlijke dingen en vasthoudendheid om voortdurend bewuste keuzes te maken. Daarbij redeneren we meer vanuit: wat-is-goed-of-wat-is-slecht, dan vanuit wat-is-mooi-of-wat-is-lelijk. Immers het laatste is erg subjectief en persoonsafhankelijk.

OUDE MEESTERS ONZE LEERMEESTERS
Het besef dat het heel belangrijk is, de echte waarden van een orgel te leren kennen, stamt uit de periode dat we -door omstandigheden gedwongen - de oude meesters onze leermeesters lieten zijn. Waarom klonken die oude instrumenten toch zo schitterend, terwijl er in onze ogen technisch gezien van alles aan mankeerde? Talloze orgelreizen door Nederland en heel Europa, oude orgels die we mochten restaureren en last but not least vele discussies met organisten, adviseurs en orgelkenners hebben ons gevormd tot wie we nu zijn.

SAMENSPEL TUSSEN BOUWER EN BESPELER
Aan een goed samenspel tussen bouwer en bespeler van een instrument hecht ik erg veel waarde. In Nederland benutten we gelukkig een behoorlijk aantal deskundige organisten c.q. adviseurs waar we bijzonder graag mee samenwerken. Zo heb ik tijdens een langdurige intonatieperiode zo af en toe een deskundig iemand nodig die er ‘fris’ in valt, literatuur speelt, en als klankbord fungeert. In dit verband wil ik graag de naam van Klaas Bolt noemen. Ik ben hem altijd nog dankbaar voor de wijze waarop hij me heeft leren nadenken over de wezenlijke benadering van wat goed is en wat niet. Voor mij was hij een soort muzikale vader. Het besef van zijn waarde voor de orgelwereld zal in de toekomst steeds meer toenemen.