De orgelmaker Abraham Meere (1761-1841)


Afbeelding: Het herenhuis ‘Groot Blankenburgh’ aan de Oude Gracht in Utrecht, dat door Abraham Meere bewoond is geweest. Tegenwoordig is er een vestiging van De Slegte.

Na de beschrijving van de reconstructie van het orgel in de Hervormde Kerk van Epe in ons maartnummer, ditmaal een beschouwing over de orgelmaker Abraham Meere en een korte karakteristiek van zijn werk. Ook vroegen we orgelmaker Han Reil naar zijn ervaringen tijdens deze restauratie, die in een apart kader bij dit artikel zijn opgenomen

WIE WAS ABRAHAM MEERE?
Hij was de oudste zoon van een koperslager. Op zeer jeugdige leeftijd kwam hij met het orgelmakersvak in aanraking. Hoe weten we niet. Maar in 1779, op achttienjarige leeftijd, adverteerde Abraham Meere al met een zes registers tellend kabinetorgel in de Utrechtse Courant. In 1784 trouwde hij met Catharina van Hoogbetrom, een (vermogende?) vrouw. Had Meere zijn vermogen dankzij erfrecht opgebouwd of was hij gewoon een goed zakenman? In ieder geval bewoonde hij aan het einde van zijn leven een kapitaal herenhuis (‘Groot Blankenburg’) aan de Oude Gracht in Utrecht. Thans is hier boekhandel en antiquariaat De Slegte gevestigd. Korte tijd na zijn dood werd dit huis voor f 10.500,- verkocht, terwijl de inboedel op f 16.824,10 werd geschat.
HOE BOUWDE MEERE ZIJN ORGELS?
De orgels van Meere vertonen een karakteristieke hand van de meester-orgelbouwer, waarover later in dit artikel meer. Meere was oorspronkelijk. In wezen veranderde hij zijn bouwwijze niet. Zo disponeerde hij vaak het register Carillon op zijn orgels: Poortvliet (1806), Utrecht R.K. Kerk aan de Biltstraat (1810) en Jacobikerk (1823), Sommelsdijk (1821). Hij was daarmee overigens niet de eerste in Nederland. Dat waren de Gebr. Wagner in Arnhem (1770) en Ludwig König in Nijmegen (1776).

KARAKTERISTIEKEN IN MEERE’S ORGELBOUW
Het pijpwerk van Meere was meestal dunwandig met een aparte legering van het orgelmetaal, lage opsneden en weinig wind. Meere hield niet van zware, lage tonen. Zo zijn de ladeboringen in de bas bij Epe aan de kleine kant. Er is duidelijk onderscheid te horen in het klankvolume van de laagste toon van de Bourdon 16’ op het Hoofdwerk en die van de Bourdon 16’ op het Pedaal. Laatstgenoemd register geeft een vollere toon dan de Hoofdwerk-Bourdon.
In de bas maakte Meere ook smallere labia. De winddruk hield hij laag. In Epe is dit 68 wk, hetgeen belangrijk is voor de intonatie. Die wordt daardoor moeilijker, met name wat betreft de aanspraak van de pijpen.

Enkele opvallende Meere-karakteristieken:
- lage opsnede; gevolg, in combinatie met lage winddruk: geen open, forse klank maar meer een kleuren de klank;
- enigszins variabele labiumbreedtes en kernfases;
- frontpijpen geheel van tin;
- karakteristieke onderlinge stand van boven- en onderlabium;
- enigszins afwijkende metaallegering: 3/4 deel lood en 1/4 deel tin.
(Voor meer details zie het artikel van Han Reil over dit onderwerp

BÄTZ CONTRA MEERE
Meere streefde naar persoonlijkheid. Hij wilde zich onderscheiden van zijn grote collega Bätz. We zouden Meere meer ‘bevindelijk’ kunnen noemen, meer geneigd tot experiment, hoewel hij zijn bouwwijze tijdens zijn leven nooit wezenlijk heeft veranderd. Zijn stadgenoot Bätz streefde meer naar evenwicht in klank, zou je generaliserend kunnen stellen.
In tegenstelling tot Bätz disponeerde Meere een kleurrijke tertsboventoon. Een overeenkomst met Bätz daarentegen is het samengaan van een Gemshoorn 4’ en een Roerfluit 4’ op het Bovenwerk. Dit komt vooral voor in Meere’s eerste orgels interessant is het te weten dat we deze combinatie ook aantroffen bij het Christoffel Bätz orgel in Loenen aan de Vecht (verbrand in 1945).

VASTE REGISTERCOMBINATIES
Op Meere-orgels komen we op het Bovenwerk vaak de vaste registercombinatie Vox Humana 8’ - Carillon III - Flageolet 1’ tegen. Op het Hoofdwerk treffen we bijna steevast de grondstemmen Bourdon 16’, Prestant 8’ en Quintadeen 8’ aan. Voor de Sexquialter, de Mixtuur en de Trompet 8’ maakte Meere doorgaans aparte registerknoppen voor bas en discant.

KASSEN, BLINDERING EN SCHILDERWERK
Het lijkt. erop dat Meere zijn orgelkassen zelf schilderde. De stijl van zijn kassen is zoals gezegd weelderig maar die weelderigheid is uiteindelijk ingedamd door de Empirestijl (Rheden 1816 Utrecht R.K. Biltstraat 1810, Oudewater 1840) Het blinderingsnijwerk blijft overigens uitbundig (Epe!). -De pijpenvelden zijn algemeen gesteld, vlakker. In Meere's werk zien we geen spits naar voren stekende barokke zijtorens maar rondingen. Poortvliet (1806) heeft overigens een voor Meere’s begrippen, buitenissige ronding (met lagere pijpvoeten) in de middentoren die meer naar buiten steekt. Ook de fraaie, half in de zijwangen wegdraaiende zijvelden zijn voor Meere uniek.
De overeenkomst met Epe en bijvoorbeeld Twello is groter dan die van Epe en Sommelsdijk. Bij dat laatste orgel laat Meere duidelijk zien dat het een tweemanualig werk is, door de middentoren horizontaal in twee pijpenkolommen te verdelen. In Epe is dit niet het geval hoewel Meere ook daar in de kas meer dan genoeg ruimte had gecreëerd om er (anno 1994!) een Bovenwerk in aan te kunnen brengen.
In nieuwe orgels bouwde Meere geen Rugwerk en zelden een vrij pedaal.
Het tweede klavier werd meestal een Bovenwerk. In de Utrechtse Jacobikerk bouwde hij in 1820 wel een groot nieuw Rugwerk voor de bestaande orgelkas uit 1509.
Meere was een meester in de kasafwerking en het schilderwerk. Zijn bestekken zijn gedetailleerd wat betreft de kleurstellingen. In Epe konden aan de hand van Meere’s bestekken de authentieke kleuren weer volledig worden teruggehaald. Op de grootste houten pijp schilderde Meere in Sommelsdijk en in Epe fijnzinnig de bouwgeschiedenis van het instrument.

OPVOLGING
Abraham Meere en zijn vrouw kregen vier kinderen, alle jongens. De jongste assisteerde hem in de orgelmakerij. In 1827, tijdens de bouw van Meere’s grootste instrument, in de Laurenskerk te Rotterdam, overleed dit kind. Een ongeluk in het orgel?
Bekend geworden meesterknechten van Meere waren Wander Beekes (Naaldwijk N.H. Kerk), en Henricus Dominicus Lindsen (Maarssen R.K.
Kerk en Utrecht R.K. Augustinuskerk).
Het laatste orgel van de ca. 40 instrumenten die Meere bouwde, was dat in Oudewater. Dit heeft Meere niet meer kunnen voltooien. Hij stierf op 12 november 1841, 80 jaar oud.

HET AANGEHANGEN PEDAAL EN KORAALZETTINGEN
Zoals gezegd bouwde Meere zelden een vrij pedaal. Ook in Sommelsdijk is het pedaal aangehangen. Op dit orgel speelde Paul Kieviet recentelijk een cd vol met eigen werk (besproken in het juni-nummer). Wanneer Kieviet het plenum trekt (samen met de tertsmixtusur), terwijl het aangehangen pedaal bespeeld wordt als ware het een zelfstandig pedaal, dan wordt de klank problematisch. Koraalbewerkingen in de stijl van Bach’s Orgelbüchlein lenen zich duidelijk niet voor plenumregistraties, althans wanneer men niet de beschikking heeft over een vrij pedaal. Eigenlijk is het curieus dat in Nederland in de periode 1740-1840 zo weinig orgels met een vrii pedaal werden gebouwd.

Het laatste werk waar Meere in 1840 - dus op hoge leeftijd -aan begon, was het orgel in Oudewater, dat door Kam en Van der Meulen werd voltooid. We zien hier een zeer strakke opstelling van de pijpenvelden. Typerend voor de Empire-stijl zijn de vazen op de zijtorens en de Romeinse ‘lauweren’ aan de zijwangen. Deze nieuwe weg in de frontindeling sloeg Meere al in 1923 in, toen hij in Vlaardingen het Van Peteghem-orgel in de Grote Kerk plaatste in nieuwe kassen. Ook hier volgepakte pijpentorens, waarvan de middelste is gedeeld.
Hoe registreerde en speelde men dan in die tijd, kan men zich afvragen. Daar geeft de cd van Paul Kieviet ten dele een antwoord op. Namelijk door een plenumklank met 16’-8’-8’-4'-3’-2’-Mix-Tr.8’ te gebruiken als soloregistratie en dus niet als registratie voor vierstemmige zettingen. De klank van de op 16 voet gestoelde Mixtuur - waarbij men de 16 voet dus wel moet trekken - is voor zo’n zetting ongeschikt. Door het donkere karakter van die 16 voet in het manuaal kan het pedaal niet voor tegenwicht zorgen.
Om nu solo op het Hoofdwerk te spelen met de 16 voet erbij, deelde Meere de samengestelde vulstemmen en de Trompet 8’ in bas- en discant. Alleen zo wordt gelegenheid geboden met de linkerhand de begeleidende akkoorden op het Bovenwerk te spelen, het pedaal te registreren met 16’, 8’ en 4’, terwijl in de discant (voor de rechterhandsolo) één van de bovengenoemde drie gedeelde registers kan worden getrokken.

Strikt vierstemmige koraalzettingen à la Worp kan men dus op instrumenten met een aangehangen pedaal niet gebruiken, tenzij men de twee middenstemmen in de linkerhand op het tweede manuaal speelt en de melodie uitkomend met de rechterhand laat klinken.
Overigens was dit in de 18e eeuw de meest gangbare begeleidingsvorm, en Meere sloot daar naadloos bij aan.



Enige intonatie-ervaringen naar aanleiding van de restauratie Epe Genoteerd door Han Reil
Het is niet zo gemakkelijk allerlei dingen op te schrijven over de intonatie van het orgel in Epe als je alweer volledig geconcentreerd bent op iets heel anders. Maar ik heb hulp van mijn ‘logboek’, een heel persoonlijk geschrift waarin ik bij ieder orgel mijn ervaringen opschrijf. Zodra je uit de Meere-wereld gestapt bent, is zo’n logboek van grote waarde.

EEN GROOT ORGELMAKER
In de eerste plaats wil ik vaststellen dat Meere een groot orgelmaker is geweest. Ondanks dat hij natuurlijk een kind van zijn tijd was, had hij zeer specifieke klankideeën. Klank iaat zich moeilijk omschrijven, maar heel summier zou je van Meere kunnen zeggen: galant, speels, veelkleurig, niet zo luid, teruggetrokken in de bas.
Doordat we dit instrument voor het allergrootste deel hebben gereconstrueerd, hebben we kunnen constateren dat Meere zijn klankidealen op indrukwekkende wijze heeft doorgetrokken naar alle delen van het orgel. De laden, de kanalen, de mechaniek, de windvoorziening en de pijpen, alles is gekoppeld aan het klankideaal. Mijn broer Albert kwam bij mij na het ontwerpen van de windlade en windvoorziening met opmerkingen over zaken, die ik exact aan het pijpwerk kon zien!
Als je, zoals Meere, zo tot in de details de zaken beheerst, als je zo ongebaande wegen durft te bewandelen, meer dan ik ooit gezien heb, dan ben je echt een grote orgelmaker.

FIJNBESNAARD
Meere was een fijnbesnaard man, dat straalt zijn gehele oeuvre uit. Hij gaf de pijpen maar weinig wind, sneed ze heel laag op. De kernspleten waren wel weer tamelijk ruim, kernsteken werden maar spaarzaam toegepast, alleen als het absoluut nodig was. Hij speelde met labiumbreedtes (in het algemeen smal in de bas en normaal-wijd bovenin) en met voetlengtes (een constant aflopende reeks, wat een nogal ingewikkelde reconstructie vereiste). De mensuren zijn vrij algemeen klassiek, die zijn ook bij ieder orgel dezelfde. Wel worden de wanddiktes door de jaren heen wat dunner.
Saillant is in Epe het pijpmateriaal. Enkele oude registers van het Hoofdwerk zijn van totaal verschillende legeringen gemaakt. Zo heeft de Bourdon 16’ bijvoorbeeld pijpen van oud frontmateriaal. Kennelijk hechtte Meere niet zo veel waarde aan tinpercentages en maakte hij rustig Bourdonpijpen uit een niet meer te gebruiken frontprestant.

ONTDEKKINGSREIS
Zo werd de restauratie van het Meere-orgel in Epe een prachtige ontdekkingsreis. We wisten al veel van hem (Twello en Smmelsdijk laderestauratie). Daarbij hadden dhr. Wiersma (Monumentenzorg) en ik al eens heel nauwkeurig het pijpwerk van Sommelsdijk opgemeten dat was voor deze restauratie van eminent belang. Samen met adviseur Stef Tuinstra hebben we de nog tamelijk originele klank van Poortvliet intensief bestudeerd. Voor de reconstructie van allerlei technische delen zijn ook nog andere Meere-orgels bezocht.

ELKE PIJP AFZONDERLIJK
Heel duidelijk werd, dat Meere grote aandacht had voor de klankkwaliteit van iedere pijp afzonderlijk; de opsneden waren wat onegaal, eigenlijk waren alle intonatiehandelingen bij elke pijp verschillend. En dat bleek noodzakelijk in deze cultuur van klankgeving.
De tongwerken vormden nog een discussiepunt. In tegenstelling tot het labiaalpijpwerk maakte Meere de tongwerken heel verschillend. Als voorbeeld hebben we die tongwerken gekozen die houten stevels hadden, behalve de Vox Humana die metalen stevels heeft, omdat het enige voorbeeld (Sommelsdijk) dat ook heeft.

SAMENWERKING MET ADVISEURS
Het is duidelijk dat bij een reconstructie als in Epe de voorbereiding en een studie tot in de kleinste details van groot belang is. In goede samenwerking met de adviseur Stef Tuinstra en de mensen van Monumentenzorg hebben we heel nauwkeurig als Meere kunnen werken. De intonatie verliep dan ook voortreffelijk alles werd in één keer goed getroffen. Dat is niet in de eerste plaats onze verdienste maar voor een hommage aan het prima concept dat Abraham Meere ons naliet.


BRONNEN

Bij het schrijven van dit artikel is in de eerste plaats gebruik gemaakt van de informatieve scriptie:

  1. 'Abraham Meere 1761 - 1841 orgelmaker', door Johan van Markesteijn, Utrecht februari 1987. Johan van Markesteijn schreef deze scriptie als student Muziekwetenschappen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Biografisch komt van Markesteijn met vele interessante gegevens. Over de levensloop van A. Meere was tot nu toe niet veel bekend.
  2. Als tweede bron fungeerde het restauratierapport van Stef Tuinstra voor het orgel in Epe.
  3. Derde bron van informatie waren gesprekken met de orgelmakers, gebroeders Reil en een van de organisten van de Herv. kerk te Epe, de heer Wim van Waveren-Hogervorst.