Orgelgidsen in Nederland

Men kan rustig beweren dat Nederland een gidsland is waar het historische orgels betreft. Het is dan ook toe te juichen dat er de laatste tijd verschillende orgelgidsen zijn verschenen.
Reden om twee van deze vouwbladen, die gratis te bestellen of af te halen zijn bij de VVV-kantoren in de regio waarover de orgelgids handelt, eens nader onder de loep te nemen.

ORGELGIDS NOORD-BRABANT
Een gids is ervoor om de lezer te prikkelen bet geboden orgellandschap te gaan verkennen. Goed geserveerde informatie, omlijst met smakelijke foto's is hierbij onmisbaar. De medio 1993 verschenen Orgelgids voor de provincie Noord-Brabant is in dit streven uitstekend geslaagd. De informatie wordt overzichtelijk aangeboden door middel van:

Smulders begint met de orgelhistorie van de hoofdstad Den Bosch. In de 16e eeuw bezat die stad - volgens een schatting van de Brabantse orgelhistorici Frans Jespers en Ad van Sleuwen - reeds twaalf orgels. Behalve de kas en wat pijpwerk in de Bossche Sint Jan is daarvan niets over. De godsdienststrijd van de Tachtigjarige oorlog dwong de Rooms-Katholieken in verschillende plaatsen hun kerk te verlaten. Verwaarlozing en verval was het gevolg. Tot ±1800 krijgen orgelbouwers in Brabant weinig kans. Alleen Hervormde gemeenten laten orgels bouwen voor de begeleiding van hun psalmgezang, zoals in Leur, waar Jacobus Zeemans (1665-1744) een instrument in een weelderige kas mag bouwen.

ENCLAVES
Sjak Smulders geeft een driedeling in invloedssferen in Brabant aan, die van belang is om te weten hoe, waarom en waar orgelbouwactiviteiten ontplooid konden worden: “Ten eerste komen de grote middeleeuwse kerkgebouwen in handen van de protestanten. Omdat het protestantisme -buiten enkele garnizoenssteden als Breda en Grave - nooit veel aanhang heeft gekend in Brabant, is een uiterst klein groepje verantwoordelijk voor het kerkbeheer. Deze gemeenschappen zijn veelal te klein om een orgel te onderhouden of een nieuw aan te schaffen.
Ten tweede blijven de zogenaamde vrije gebieden als enclave buiten de heerschappij van de Staten-Generaal. Hier maakt godsdienstvrijheid een rijk kerkelijk leven mogelijk, af te lezen aan o.a. de barokke aankleding van de kerken en de aanwezigheid van orgels. Dergelijke gebieden gaan fungeren als toevluchtsoord voor priesters en kloostergemeenschappen. Parochianen van de aangrenzende plaatsen in Staats Brabant bouwen er hun grenskapellen, waar orgels overigens een zeldzaam verschijnsel zijn.
De katholieken in Staats-Brabant zelf, als derde groep, mogen pas vanaf 1672 kerkelijke bijeenkomsten organiseren en dan alleen nog maar in zo onopvallend mogelijke schuil- en schuurkerken. Hier is het doorgaans verboden om orgels te plaatsen. Bestuurders geven vaak bewust geen toestemming voor de uitbreiding van de kerkjes, nodig voor de plaatsing van een orgel.
Toch ontstaat een enigszins gunstiger situatie rond de eeuwwisseling. Hervormde gemeenten, hoe klein ook, krijgen dringend behoefte aan passende begeleiding bij de psalmzang. In Steenbergen verhuurt de organist een orgeltje uit eigen bezit dat opmerkelijk genoeg de tand des tijds zal overleven en vandaag nog terug is te vinden als een van de oudste in de provincie (ca. 1680).


Wanneer we nu een orgel uit de 17e of 18e eeuw in Brabant bekijken of beluisteren, staan deze in wat vroeger de enclaves waren. in o.a. Boxmeer (1677) en Handel (ca. 1700) zijn nog fraaie orgelkassen bewaard gebleven. Hans van der Harst spreekt in de onvolprezen serie ‘Langs Nederlandse orgels’ (helaas uitverkocht) over ‘vrije heerlijkheden’ i.p.v. enclaves. In de derde invloedssfeer, de schuilen schuurkerken, worden in de loop van de 18e eeuw de verboden wal versoepeld. Ook wordt er soms omgekocht teneinde een orgel te mogen bouwen! Een bewaard gebleven schuurkerk-orgel staat in Oosterhout (thans in de Hervormde Kerk), gebouwd door Moreau.

BLOEI VANAF 1800
Wanneer we schrijven over typisch Brabantse orgelmakers, denken we meteen aan de orgelbouwdynastie Smits (periode 1818-1925). Het is daarentegen interessant te weten dat ook tweedehandse’ orgels zoals in Helmond (Robustelly, geplaatst in 1862 door F.C. Smits Sr. en Jr.) en Cuyk (ca. 1650, geplaatst rond 1800) vanuit de zuidelijke Nederlanden werden aangekocht. Napoleon maakte een einde aan de achterstelling van de katholieken. Een enorme krachtsinspanning was het gevolg. Oude kerkgebouwen werden opnieuw ingericht. Er werden orgels aangekocht en Brabantse orgelmakers bestelden orgelkassen bij Vlaamse schrijnwerkers. Ook werkten Belgische orgelmakers als Van Peteghem, Delhaye en Loret in Brabant.
Orgelbouwers als B.P. van Hirtum (Hilvarenbeek), J.J. Vollebregt en de familie Smits bepalen daarna in belangrijke mate het eigen gezicht van het 19e-eeuwse Brabantse orgel.

Orgelgids voor de provincie Noord-Brabant
Tekst: Sjak Smulders.
Fotos: Studio Hertman Hageman Fotografie,
Flentrop Orgelbouw en G. Hafkenscheid.
Uitgave: Stichting Het Brabants Orgel.
Verkrijgbaar bij de plaatselijke VVV-kantoren.




Orgelgids van de Eems - Dollard
Met een bestand van meer dan 300 historische orgels en orgelfronten uit zes eeuwen is de Eems-Dollard-regio de rijkste orgeltandstreek ter wereld.” Zo is de aanhef van de ‘Orgelgids van de EemsDollard-Regio’, geschreven door de bekende organist Harald Vogel, in samenwerking met Reinhard Ruge en Stef Tuinstra. Laatstgenoemde vertaalde de gids in het Nederlands. De uitgave werd mede mogelijk gemaakt door de financiële steun van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te Brussel.
Dc cerste druk verscheen at in 1989 en ziet er - evenals de Orgelgids voor Noord-Brabant - perfect uit. De gids geeft een overzichtskaart en een ‘Selectie van historische orgels in de Eems- Dollard-Regio’, waarbij een cultuurhistorische waarde-aanduiding is gehanteerd in de vorm van sterren. Een vijfsterren-orgel is een historisch orgel van Europees belang, een viersterren-orgel van nationaal belang, vervolgens van regionaal en lokaal belang (twee sterren).
De rijke orgelcultuur van de EemsDollard-Regio loopt al vanaf ca. 1450! in Rysum is een gotisch orgel bewaard gebleven; het is het oudst bespeelbare orgel van Noord-Europa (1457). Die naam heeft het orgel in Sion (Zwitserland) weliswaar ook, omdat de oudste delen daarvan uit 1390 dateren, maar dit orgel kreeg ‘pas’ in 1718 zijn huidige vorm. In Krewerd bevindt zich een orgel dat uit de overgangstijd van laat-gotiek naar renaissance stamt (1531). Een ècht renaissance-orgel is te vinden in Uttum (ca. 1660). De fundamentele vocale klanken uit de loden pijpen zijn bij uitstek geschikt voor de vertolking van Jan Pieterszoon Sweelinck.

REFORMATIE
Na de Reformatie (1566) wordt vooralsnog onbegeleid gezongen, maar alras wordt vanaf 1630 de gemeentezang begeleid. De nieuw gemaakte orgels worden daarop afgestemd. Eën van de cerste orgels waarin die begeleidingsfunctie in de dispositie merkbaar is, is het orgel in Westerhusen (Ostfriesland) uit 1642/43, dat vrijwel volledig is bewaard. Andere orgels uit die tijd zijn te vinden in Peize (1631) en Niehove (1632/1816).
Groningen beleeft ook nadien een grote orgelbouwactiviteit, nog zichtbaar in o.m. de orgels van Noordwolde (1646/1802), Zeerijp (1650-1978), ‘t Zandt (1662/1791). Kantens (1667) en het pijpwerk van het Schnitger-orgel in de Der Aa-kerk in Groningen (1678).

ARP SCHNITGER (1648-1719)
Schnitger heeft meer dan 20 instrumenten in de besproken regio gebouwd. De grootste staan in de Ludgerikirche te Norden en de Martinikerk te Groningen. Na Schnitger’s dood werd de traditie in Groningen voortgezet door zijn leerlingen A.A. Hinsz en F.C. Schnitger, terwijl die in Ostfriesland werd afgebroken.
Een belangrijk instrument in Ostfriesland, dat een nieuwe generatie van orgelbouwers vertegenwoordigt, vormt het door de Westfaalse orgelmaker Christian Klausing vervaardigde orgel in Ochtersum (1734/35). in Klausing’s traditie bouwde (tot iets na 1800) de orgelmakersfamilie Muller (Simonswolde, 1777; Middels, 1786) en ook J. Friedrich Wenthin uit Emden, van wie goed bewaarde instrumenten te vinden zijn in Reepsholt (1789) en Groothusen (1801).
Aan de andere kant van de grens waren in de 19e eeuw ee orgelmakersfarnilies Lohman (Farmsum, 1829) en H.H. Freytag actief. Laatstgenoemde bouwde nieuwe orgels of bouwde bestaande orgels om (Noordwolde, ca. 1640/1802); alle hebben een zeer hoge kwaliteit. in Drenthe werden in de 19e eeuw in totaal zeven orgels gebouwd. Het sociaal-economische klimaat in deze provincie was daar debet aan. Johan Wilhelm Timpe en Petrus van Occkelen sluiten de rij van 19e-eeuwse orgelbouwers in Groningen. Timpe wist het hoge niveau van zijn leermeester Freytag niet te evenaren. Zijn mechanieken waren een klasse minder en ook qua totaalconcept stonden zijn instrumenten in de schaduw van het 18e-eeuwse orgelerfgoed.

OSTFRIESLAND
In de 19e eeuw was de orgelmakersfamilie Rohlfs belangrijk voor de orgelbouw in Ostfriesland. Hun grootste instrument staat in de Magnuskirche in Esens (1848/60). in dit orgel is de overgang van Barok naar Romantiek te horen. Volgens Harald Vogel zijn aan beide zijden van de grens zo’n 60 orgels tot 1850 bewaard gebleven. In Drente werden rond 1850 nogal eens tweedehands orgels aangeschaft, terwijl in Groningen de hoge kwaliteit bleef voortbestaan via instrumenten van Van Dam en Van Oeckelen. In Ostfriesland daarentegen daalde het niveau van orgelmaken, hoewel er niet op grote schaal fabrieksorgels zijn geproduceerd. Bestaande instrumenten werden grotendeels doelmatig onderhouden.
In onze eeuw werd in Duitsland tussen 1920 en 1950 de orgelbouw onder de loep genomen, het begin van de op wetenschappelijke leest geschoeide organologie. In 1929/30 was onder invloed van de ‘Orgelbewegung’, die zich tegenstander verklaarde van de fabrieksmatige orgelbouw met goedkope materialen, het Schnitger-orgel te Norden gerestaureerd. Supervisor was Christian Mahrenholz, een in die tijd belangrijke orgeldeskundige.
Toen in 1954 de orgelmakers Ahrend en Brunzema zich in Ostfriesland vestigden, was een gelukkige omstandigheid daar.
De tijd was rijp om het rijke orgelbezit van de Eems-Dollard-Regio te koesteren via goed voorbereide en wetenschappelijk goed onderbouwde restauraties. De Groningse organoloog Cor H. Edskes heeft daarbij een niet te onderschatten rol gespeeld. Sinds 1977 is de Norddeutsche Orgelakademie gevestigd in het ‘Steinhaus’ te Bunderhee. Onder leiding van Harald Vogel kunnen organisten zich daar verder bekwamen en/of specialiseren in de oude orgelkunst aan de hand van authentieke instrumenten.
Door het tweejaarlijkse Dollard-Festival zijn de culturele banden tussen Ostfriesland en Groningen hechter geworden. De belangstelling voor het historische instrumentenbestand leeft meer dan ooit. De Orgelgids voor deze regio is daar één van De vele bewijzen van.

Orgelgids van de Eems-Dollard-Regio,
1e druk 1989.
Tekst: Harald Vogel, Reinhard Huge en Stef Tuinstra.
Redactie en lay-out: Enno Schmidt.
Fotos: Volkhard Hofer.
Uitgave: Arbeitsgemeinschaft Fremdenverkehrswerbung
Ostfriesland Postfacli 1444, 0-2960 Aurich 1.