De restauratie van het Abraham Meere-orgel in de Hervormde kerk te Epe
Deel I: Een historisch overzicht en een bespreking

Link naar fotoreportage rond concert door Willem van Twillert in november 2003

IDeel van een lnterieurfoto uit de dertiger jaren. De preekstoel, bier nog onder het orgel, staat thans aan de andere Kant van de kerk. De beelden ontbreken.n de Hervormde Kerk in Epe is een Meere-orgel herboren. Sterker nog, het is zelfs een tweeling geworden! Want bij de restauratie door Orgelmakerij Gebr. Reil te Heerde werd het verloren gewaande Meere-orgel uit Vianen, althans het binnenwerk daarvan, nu als Bovenwerk in Epe geplaatst. Een interessante geschiedenis, waarvan in dit verslag gewag wordt gemaakt. Tevens een kritische bespreking van het eindresultaat. Overigens is deze bespreking geen persoonlijke opinie zonder meer, maar worden ook interessante zaken belicht die tijdens de restauratie aan de orde kwamen. De auteur voerde hierover o.m. gesprekken met Albert Reil en de adviseur bij dit project, de Groninger organist Stef Tuinstra.

Het orgel in de Ned. Herv. Kerk te Epe werd na een omvangrijke kerkrestauratie vervaardigd door Abraham Meere (1761-1841), orgelmaker te Utrecht. Het in het archief bewaard gebleven contract werd getekend op 17 maart 1807. Op 16 juni 1809 werd het in gebruik genomen.
Het was een éenklaviers instrument met 13 stemmen en een aangehangen pedaal, geplaatst in een door Meere zeif vervaardigde monumentale orgelkas annex tribune op vier gemarmerde zuilen. De originele dispositie is te vinden in ‘Broekhuyzen’.

E 34 Epe, provintie Gelderland
Prestant 8 Vt
Holpijp 8 Vt
Bourdon 16vt
Fluit travers 8 vt
Fluit 4vt
Mixtuur 5 st*
Cornet D. 4 St
Carillon 9. 3 st
Sexquialter 2 st
Mixtuur 3 4 st*
Octaat 4 Vt
Trompet B. 8vt
Trompet D. 8vt

tremulant, ventil

*) Mixtuur was in bas 3-4 st. en in discant 5 St. Sesquialter was discantstem.
Broekhuyzen ontleende zijn dispositie wellicht aan de ‘Boekzaal der geleerde wereld’ (Amsterdam 1715-1863), wat de reden kan zijn waarom de wel aanwezige Quint 3’ en Octaaf 2’ niet worden genoemd. (Zie het onlangs verschenen commentaar op de Orgelbeschrijvingen door G.H Broekhuyzen Sr., verzorgd door Arend Jan Gierveld uitgave Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, 1993).


Gedeelte uit het UITTREKSEL van de Kerken Rekening van Epe van Henricus Poll Kerkmeester’.INWIJDING
Op 16 juni 1809 werd het nieuwe, één klavier tellende Meere-orgel in de Hervormde Kerk van Epe ingewijd “door den leeraar J.L. Overdorp” (Broekhuyzen). Onder de aanwezigen bevond zich een vertegenwoordiger van ‘Zijne Majesteit, de Koning van Holland’, in de persoon van Minister Mollerus, die na de twee uur durende plechtigheid weer officieel werd uitgeleid, niet nadat deze namens de Koning 50 Ducaten voor de diaconie ‘in het zakje’ had gedaan. Tevens had de minister geïnformeerd naar het tekort om dat de koning te berichten. Dit tekort werd op fl 1.000,- geraamd. De totale kosten van het orgel bedroegen f 5683 en vijf stuivers (zie ook de facsimile rechts van een deel van de ‘Kerken Rekening van Epe’ en ‘Inwijding van het Orgel’ onderaan deze pagina).

DE TIJDSPANNE 1809-1901
Blijkens een opschrift achterop één van de beelden op de orgelkas werd het Meere-orgel in 1852 opnieuw geschilderd door Johannes Dunand. Nadat Meere in 1841 was overleden werd het onderhoud gegeven aan Carl Friedrich August Naber uit Deventer. Deze overleed in 1861. Zijn zoon Frederik Samuel Naber herstelde het orgel in 1867 en verving toen ook twee registers. Vanaf de tachtiger jaren in de vorige eeuw tot diens dood in 1922 werd het onderhoud verzorgd door ‘orgelfabrikant’ Jan Proper uit Kampen.

EEN NIEUW ONDERWERK
Op zondag 16juni 1901 werd het Meere-orgel opnieuw in gebruik genomen na restauratie en uitbreiding met een Onderwerk met 5 stemmen door Jan Proper. Deze vervaardigde een nieuwe klaviatuur en paste de oude Hoofdwerk mechaniek aan ter wille van de plaatsing van het Onderwerk. Van het Hoofdmanuaal verving Proper één stem en plaatste het verwijderde register op het Onderwenk. Bovendien werd het instrument opnieuw geïntoneerd, uiteraard volgens de toen geldende inzichten. Dit alles werd mogelijk gemaakt vanwege een schenking door ds. Prins en zijn zusters.

1928, EEN VRIJ PEDAAL
In 1928 werd opnieuw uitvoerig aan het orgel gewerkt, ditmaal door N.A. van Dam te Utrecht, een verre verwant van Abraham Meere. De dispositie werd hierbij opnieuw aangepast. Twee stemmen, één van het Hoofdmanuaal en één van het Onderwerk, werden omgewisseld, terwijl een ander register van het Onderwenk werd vervangen. Bovendien werd een vrij pedaal geplaatst met 5 stemmen (waaronder 2 transmissies) en pneumatische tractuur. Ook kreeg het orgel een elektrische windmotor. Op 13 september volgde de heringebruikname, waarbij het orgel werd bespeeld door de toenmalige vaste organist, Han Hoogewoud.
in 1939 werd gesproken van slechts één balg. Dit zal een magazijnbalg zijn geweest, die hetzij door Proper, hetzij door Van Dam zal zijn geplaatst in plaats van de drie oude keilbalgen.

Op deze interieurfoto uit de zestiger jaren is duidelijk te zien hoe de zijwanden van het orgel naar achteren toe uiteenweken.NIEUWBOUW DOOR REIL EN PELS, 1937-1940
Vanaf 1937 werden alweer plannen gemaakt om het op dat moment in slechte staat verkerende orgel te doen herstellen. Daartoe werd de Technisch Orgelbouw Deskundige (T.O.D.) KM. Luijten uit Rotterdam aangetrokken. Luijten was organist van de N.H. Kenk te Delden en tevens adviseur van de afdelingen Drenthe en Gelderland van de Vereeniging van Kerkvoogdijen der N.H. Kenk. Uiteindelijk vond een nieuwbouwplan van Luijten doorgang.
Dit plan werd in eerste instantie uitgevoerd door de fa. J. Reil te Heerde, maar in 1940 werd het werk, na vele moeilijkheden, verbeterd en voltooid door de fa. B. Pels & Zn. te Alkmaar. Op zondag 17 november werd het voor de zoveelste maal in gebruik genomen.
Over de financiële afwikkeling volgde in de oorlog tot eind juli 1943 een gerechtelijke procedure, waarbij men uiteindelijk tot een schikking kwam. Het in 1939-1940 uitgevoerde werk betekende in wezen nieuwbouw, waarbij gelukkig de oude orgelkas bewaard bleef, alsmede 6 registers van Meere (zie dispositie 1994). Wel werd de gehele achterwand verwijderd om het vele nieuwe pijpwerk dwars achten het front te kunnen plaatsen. Om het zwelwerk een plaats te geven werd de nis in de torenmuur uitgebroken en het pijpwerk van dit tweede klavier in de toren geplaatst. Deze uitbouw werd slechts met asbestplaten bekleed ten behoeve van enige klankreflectie en brandbeveiliging. De totale kasdiepte bedroeg sindsdien bijna 7 meter. Dit ondanks ‘Orgelbouwkundig Advies’! Een deel van de zijwanden van de orgelkas werd bij deze uitbouw schuin uitwijkend naar de muur toe geplaatst, waarbij aan de linkerkant gedeeltelijk binnen en buiten de kas het pedaal werd gesitueerd. Ongeveer op de plek van de vroegere torenafscheidingsmuur kwam de jaloeziewand van het zwelwerk, die echter in 1962 weer werd verwijdend.
Het nieuwe orgel kreeg electro-pneumatische kegelladen. Een nieuwe elektrische speeltafel werd ingebouwd op ongeveer dezelfde plaats als de oude klaviatuur Het orgel kreeg 27 stemmen, alsmede 5 transmissies en vele elektrische speelhulpen en werd op een zeer hoge winddruk geïntoneerd. Noodzakelijkerwijs wenden daartoe de 6 overgebleven Meere-registers en enkele 19e-eeuwse stemmen deels verschoven, afgesneden en omgeïntoneerd.
In totaal kreeg het orgel 1714 pijpen, waaronder vele van zink, o.a. de frontpijpen. Daarvoor werd een harde, brosse legering gebruikt die ertoe leidde dat het orgel in de tachtigen jaren praktisch onstembaar werd.

HERSTEL EN OPNIEUW NEERGANG (1962-1988)
Ten gelegenheid van de kerkrestauratie in 1962 werd het orgel door de fa. Pels hersteld. Het werd schoongemaakt en gebreken werden vooreerst opgeheven. Vele membranen werden vernieuwd. De intonatie werd bij deze gelegenheid enigszins in ‘neo-barokke’ zin omgebogen. Met name bij de hogere stemmen trachtte men meer helderheid en scherpte in de klank te verkrijgen De hoge winddruk bleef echter gehandhaafd. Een ander gevolg van deze ‘barokkisering’ was het wegnemen van de jalouziewand (zwelkast) van Manuaal 2. Dit betekende een gevoelig verlies t.a.v. de conceptie van 1939/-40. Tevens werd naar de opvatting van die tijd de opgebankte Cornet discant tot Sesquialter gereduceerd. Dit geschiedde door simpelweg 3 koren te verwijderen. In de jaren daarna berustte het reguliere onderhoud bij de fa. Pels & Van Leeuwen. In de tachtiger jaren bleek het orgel alweer aan een grote herstelbeurt toe. Het bleek dat dit Reil/Pels-orgel om de 20 jaar een volledige revisie zou moeten ondergaan, ondanks de toegepaste ‘moderne’ technieken.

‘DE RECONSTRUCTIE, UITBREIDING EN RESTAURATIE (1994)
Eind jaren ‘80 werd besloten tot een totale reconstructie, geheel volgens Meere’s uitgangspunten, onder toezicht van adviseur Stef Tuinstra. Voor de restauratie en uitbreiding van het Meere-orgel is veel onderzoek verricht. Het resultaat mag en zijn. Daarbij is het ronduit verbluffend hoe een verloren gewaand Meere-orgel (Vianen) voor een deel kon worden kon worden getraceerd en opnieuw gebruikt.

BOVENWERK UIT VIANEN
Het zal een jaar of acht geleden zijn -zo vertelde mij Albert Reil - dat de gebroeders Reil in een garage het pijpwerk van het Meere-orgel in de Henvormde Kerk van Vianen aantroffen. De bezitter van dit waardevolle pijpwerk was een orgelliefhebber die wel eens wat orgelonderdelen verhandelt: ds. E. Wijnands. Hoe de heer Wijnands dit pijpwerk in zijn bezit heeft gekregen is niet geheel te achterhalen. Was het via Willem van Leeuwen, de orgelbouwer die in 1955 een nieuw orgel levende voor de Hervormde Kenk van Vianen? Hoe dan ook, er werd een ruil afgesproken: de gebr. Reil kregen het Meere-pijpwerk in handen en ds. Wijnands een engere Subbas 16 vt. In Epe kon men ook rekenen op een forse subsidie van rijkswege Het werk kon definitief beginnen. In 1989 had adviseur Stef Tuinstra een inventarisatie van het uit 1809 stammende pijpwerk gemaakt, waaruit het volgende citaat uit het inventarisatierapport van A.S. Tuinstra:
Van het Meere-orgel van 1807-09 resteren nog de volgende delen:

  1. De gehele orgelgalerij en balustrade, ondersteund door 4 kolommen, globaal volgens de Dorische orde.
  2. De orgelfaçade (voor- en zijkant), compleet met beelden op de kas, met onderdelen van luiken - mogelijk ook van de achterzijde van de kas.
  3. Zes registers van Meere, waarvan een aantal zijn gewijzigd en de intonatie aangetast, te weten Bourdon 1 6vt, Holpijp 8vt Octaaf 4vt, Fluit 4vt, Quint 3vt, Octaaf 2vt, alsmede enige pijpen van de voormalige Sesquialter. Verder nog een Woudfluit 2vt uit ca. 1867, aangebracht door F.S. Naber. De Roerfluit 8vt (aangebracht door Proper in 1901) is misschien ook van ouder materiaal. De Viola di Gamba 8vt van 1901 (Proper) lijkt tevens het overnemen waard, alhoewel de orgelmakers Meere dit register vanaf ca. 1830 in de dispositie invoegen, Van de resterende oude registers is een globale beschrijving bijgeleverd.

INT0NATIE -MAATVOERINGEN
Er kwam een goed doortimmerd totaalplan. De Trompet 8’ werd een kopie van Twello wat betreft de beker- en keelmensuur en van Poortvliet wat betreft koppen, kelen en stevels. Het meest gaaf bewaarde Meere-orgel (in Poortvliet) stond model voor de kernspleet-wijdte en opsnede- verhoudingen, terwijl Sommelsdijk de verdere intonatiemaatvoeringen aangaf en/of completeerde. De Vox Humana 8’ werd rechtstreeks gekopieerd van Sommelsdijk. De kelen van de Bazuin 16’ van het pedaal kregen de doorgezette mensuur van de Trompet 8’.
De houten bekers van deze Bazuin stammen van 1939 en zijn qua lengte iets ingekort, in overeenstemming met de gewenste mensuur. Na grondige bestudering van de intonatietechniek van Meere (hoeveel kernsteken en hoe dik zijn ze? hoe was de aan- en afspraak? hoe verloopt de windstroom in de pijpvoet? wat zijn de opsnedematen? hoe ‘zoet’ zijn de kernranden? hoe staan de bove- en onderlabia ten opzichte van elkaar? enz.) kon door Tuinstra een intonatieplan worden opgesteld waarmee Han Reil en Wim Wagenaar aan het werk konden. Met name deze grondige intonatiebeschrijving vind ik baanbrekend. Want het is een opgave om de pretentie waar te maken een orgel te restaureren in de zuivere stijl van de oorspronkelijke bouwer. Op papier is dat gemakkelijk. Maar pretendeert een modern orgelbouwer geheel in de huid van een voorganger te kruipen, dan dienen inderdaad zoveel mogelijk metingen, klankopnamen enz. gedaan te worden. Dat is in Epe op indrukwekkende wijze gebeurd. Men kan zich afvragen of een intonatie uit een (ver) verleden nog te reconstrueren is. Wanneer men echter te werk gaat zoals in Epe, komt men onder de indruk van de inspanningen en de opgedane kennis. Zo liet Tuinstra een register langdurig beluisteren en uiteindelijk kon een behoorlijk beeld van Meere’s klankgeving worden opgemaakt.
Tot slot van deze beschouwing nog een saillant voorbeeld. Van Meere bestaat geen Bazuin 16’ meer. Hoe vindt men dan - zoals in Epe - een houvast voor een klankrichting voor dit register? Om kort te gaan: het werd een niet te luide, mooi kleurende, enigszins knorrende en zeer snel aansprekende Bazuin 16’, enigszins analoog aan de Garrels-Bazuin in het orgel van de Utrechtse Jacobikerk en dus passend in Meere’s klankcultuur. Duidelijk is dat men in zo’n geval al het mogelijke te weten dient te komen over Meere’s werkwijze. Daarover gaat het in een volgend artikel.

KLANKBEOORDELING
Wat nog rest - en dat is uiteindelijk het belangrijkste - vormt de vraag: hoe klinkt dit nu allemaal? Welnu, alle tongwerken klinken uitmuntend; een mooie galante, soepele toon en een accurate aanspraak. In combinatie met labiaalstemmen en eventueel met inschakeling van één van de twee tremulanten ontstaan diverse fraaie en spannende klankkleuren.
Wat de labiaalstemmen betreft is men uiteraard benieuwd hoe de twee samengevoegde werken zich met elkaar verhouden. Curieus blijkt dan dat duidelijk is te horen dat het Bovenwerk uit dikwandiger pijpwerk bestaat. De fluiten klinken vol en tonig. De Fluit 4’ en de Gemshoorn 2’ zijn ware klankjuweeltjes geworden. De Gemshoorn 2’ is overigens nieuw. Het verschil tussen de Roerfluit 8’ van het Bovenwerk en de veel dunner klinkende Holpijp 8’ van het Hoofdwerk is opvallend. De Holpijp 8’, zacht en ruisend, is naar mijn smaak het minst geslaagd. Enthousiast ben ik oven de prestanten. De Prestant 8’ is karakteristiek met een mooie ietwat kamermuziekachtige toon en verrassend egaal, hoewel ook weer niet uitgeëgaliseerd. In nieuwbouwwerk van Reil, o.m. in de Stedelijk Muziekschool in Zwolle, gingen de gebr. Reil wel heel ver in klankafwisseling. Daar is (was?) de Prestant 8’, hoewel mooi in basis, storend onegaal. In Epe neemt hij met name in de discant niet opvallend veel toe in klankvolume. Dat gebeurt wel met de Octaven 4’ en 2’ en dat verleent het orgel een voorname helderheid. Heel boeiend ook om de verschillen tussen de Prestant 4’ van het Bovenwerk en de Octaaf 4’ van het Hoofdwerk te ervaren. Van de Prestant 4’ sprak d'' niet goed toen ik hem beoordeelde. Ook was er hinderlijk gerammel in de deuren van de pedaalkas, evenzo in de laagste toon van de Pedaal-Octaaf 8’.
Aparte vermelding verdient de Quint 3’ op het Hoofdwerk: een mooi geluid zowel solo als in het plenum. De Mixtuur, waarvan nog enkele oorspronkelijke pijpen aanwezig waren die als voorbeeld dienden voor de reconstructie van dat register, ervoer ik als karakteristiek, wat uiteindelijk voor het gehele instrument geldt. Kortom: een uitstekend geslaagde restauratie en een gelukkige hand in de uitbreiding van dit instrument met een Bovenwerk en een zelfstandig Pedaal.
Het instrument klinkt in een voortreffelijke akoestiek, die in harmonie is met de grootte van het instrument of is het andersom?

Dispositie 1994

Hoofdwerk
Praestant 8’ 1994
Bourdon 16 1809/1994
Holpijp 8’ 1809/1994
Octaaf 4 1809/1904
Fluit 4 1809
Quint 3’ 1809/1994
Octaaf 2’ 1809/1994
Woudfluit 2’ 1867 (Naber)
Mixtuur B/D III-V 1994(1809)
Cornet D IV 1994
Sexquialter II 1994(1809)
Trompet B/D 8’ 1994

Bovenwerk
Roerfluit B/D 8’ 1806
Quintadeen 8’ 1994
Viola di Gamba 8’ 1994
Flute Travers 0 8 1994
Praestant 4’ 1806/1994
Fluit 4 1806
Gemshoorn 2’ 1994
Sifflet 1 1/3’ 1809*
Flageolet 1 1994
Carillon D II 1994
Vox Humana 8’ 1994

Pedaal
Bourdon 16’ 1806
Octaaf 8’ 1994
Octaaf 4’ 1809/1994
Bazuin 16’ 1936/199**
Trompet 8’ 1994

*) uit oude Prestant 4
**) nieuwe stevels. tongen en kelen

Tremulant hele werk
Tremulant Bovenwerk
Manuaalkoppel
Pedaalkoppel Hoofdwerk
Pedaalkoppel Bovenwerk
Manuaalomvang : C-f'''
Pedaalomvang : C-d’
Stemming : Neidhardt I
Toonhoogte : a’= 429 Hz


MUZIEK OP HET MEERE-ORGEL
Elke laatste zaterdagavond van de maand is er een orgelconcert in de Grote Kerk van Epe.