Boekbespreking: 
40 JAHRE ORGELBAU JüRGEN AHREND 1954-1994 
FESTSCHRIFT, HERAUSGEGEBEN UND GESTALTET VON GÜNTER LADE.
PRIJS OMSTREEKS f 35,00. VERKRZJGBAAR 0.A. VIA BOEIJENGA, SNEEK.


In 1954 begon Jürgen Ahrend samen met Gerhard Brunzcma een orgelmakersbedrijf. In 1972 zette Ahrend het bedrijf alleen voort, al die tijd vanuit Leer (Noord-Duitsland). In het jubileumjaar 1994 wordt de laatste hand gelegd aan de restauratie van het orgel in de Domkerk van Trondheim, Ahrends 143ste (!) project. Naast de restauratie van het fameuze Schnitgerorgel in de St. Jacobi te Hamburg vormt het Trondheimse orgel alweer een volgend hoogtepunt in Ahrend’s werklijst.
Of Jürgen Ahrend destijds in 1954, op 24-jarige leeftijd, kon vermoeden dat hij eenmaal tot de top in de internationale orgelbouw zou gaan behoren is de vraag. Feit is dat hij door zijn kwaliteit, zijn innovatie, durf en visie in die veertig jaar een welhaast onnavolgbaar hoge kwaliteit in zijn werk heeft kunnen waarmaken.
Günter Lade heelt naar aaleiding van het jubileum een boek samengesteld met het levenswerk van Jürgen Ahrend, samen met co-auteur Peter Golon. Het boek bevat prachtige zwartwit-foto’s van vele door Ahrend gerestaureerde en vervaardigde orgels. Tevens bevat het een levensbeschrijving en een interview van de hand van Peter Golon, die ook de werklijst voor zijn rekening nam. Sympathiek is, dat ook aan de medewerkers bij Ahrend de nodige aandacht wordt geschonken. Sommigen werken er al meer dan 34 jaar! Van diverse werkzaamheden staan foto’s afgedrukt. Het boek is uiteraard in het Duits geschreven, maar alleen al vanwege de werklijst en de foto’s is het de aanschaf waard. Bij één aspect plaats ik een vraagteken: Ahrend bouwt zijn mechanieken zo dat de speelaard zo licht mogelijk is. Om die reden worden er ijzeren welramen cd. gebruikt. De ‘oude meesters gebruikten echter geen ijzer in hun orgels, behoudens enkele uitzonderingen. In het vraaggesprek met Golon geeft Ahrend zijn visie daarop in een interessanle reactie: “In Noord-Duitsland werd ook voor de registertractuur en met name voor de welramen hout gebruikt omdat de meeste orgelmakers vanuit de meubelmakerij in de orgelbouw terechtkwamen en omdat hout zeer goedkoop was. Welramen van metaal komen daarentegen voor in Midden- en ook Zuid-Duitsland; het was zeer duur omdat er een vakkundige smid voor nodig is. Het Compeniusorgel in het slot Frederiksborg met uitsluitend houten pijpen heeft desondanks welramen uit het fijnste smeedijzer. Ook bij Jörg Ebert in de Hofkirchte lnsbrück bestaat de gehele mechaniek uit ijzer. Beide varianten kwamen voor en het is zeker gerechtvaardigd bij restauraties uit te gaan van het historische voorhanden zijnde materiaal. Men dient echter te bedenken dat de situatie bij oude orgels in zoverre veranderd is dat tegenwoordig in praktisch alle kerken moderne verwarmingsapparatuur aanwezig is waardoor de instrumenten aan sterke klimatologische veranderingen bloot staan.

Zouden wij nu dwarshout op langhout lijmen zoals vroeger, dan zou dit spoedig uit elkaar vallen omdati de afzonderlijke delen door het klimatologisch gegeven aan sterke spanningen onderhevig zijn. Omdat verwrongen houten wellen de bedrijfszekerheid in gevaar brengen, prefereer ik hij reconstructies metalen wellen, die ten eerste in de orgelkas minder plaats innemen en ten tweede ook door de onderhoudsvriendelijke eigenschappen reparaties en ingrepen in het binnenste van het orgel besparen.’
Tot zover het interessante, veel informatie verschaffende vraaggesprek dat staat afgedrukt dit door Günter Lade uit- en vormgegeven boek.