De kracht van ]ürgen Ahrend

Dit jaar bestond de orgelmakerij van Jürgen Ahrend in het Noordduitse Leer 40 jaar. In het nu volgende artikel beschrijft Willem van Twillert de ontwikkelingsgang van het bedrijf en bespreekt hij het boek dat ter gelegenheid van 40 jaar Ahrend Orgelbau verscheen.

Vanaf 1954 is Jürgen Ahrend als zelfstandig orgelmaker gevestigd. De eerste 17 jaren samen met Gerhard Brunzema. Steeds werkend vanuit Leer, Noord-Duitsland. Ahrend en Brunzema hebben van hun onderneming een orgelmakersbedrijf gemaakt dat onbetwiste topkwaliteit levert, om het maar in hedendaagse termen uit te drukken.
Tot de verbeelding sprekende reuzenopdrachten zoals de restauratie van de Schnitgerorgels in de Martinikerk te Groningen (1984) en de St. Jacobi te Hamburg (1993) werden keer op keer tot een voorbeeldig en voortreffelijk einde gebracht. En laten we de grote bewaarde Arp Schnitgerorgels in o.a. Lüdingworth en Norden niet vergeten, die resp. in 1982 en 1985 werden gerestaureerd.

GEHEIM?
Heeft Jürgen Ahrend een geheim dat andere orgelmakers niet kennen? In ieder geval is het opvallend dat in de loop der jaren Ahrend zijn orgelmakerij nooit groter heeft gemaakt dan hij zelf aankan. Dat zelf aankunnen slaat dan op het feit dat elk instrument uiteindelijk door de meester zelf geïntoneerd is. Alleen zo is hij van begin tot eind bij elk instrument, dat de orgelmakerij verlaat, betrokken. Een personeelsbestand van ten hoogste negen mensen is daarvan het gevolg.
Vreemd genoeg komt dit aspect van zijn bedrijfsvoering niet aan de orde in het door Günter Lade uitgegeven jubileumboek. Maar mijns inziens is het feit, dat Jürgen Ahrend van ieder orgel dat de werkplaats verliet zelf alle finesses kende, een belangrijk gegeven in het uiteindelijk welslagen van zijn projecten. Of het nu gaat om nieuwbouw dan wel restauratie.

EEN TEAM SPECIALISTEN ONDER LEIDING VAN EEN KUNSTENAAR
Wanneer men nagaat dat met een personeelsbestand van een negental mensen in veertig jaar ruim 140 (!) instrumenten zijn gebouwd of gerestaureerd, dan betekent dit een enorme productie. Wanneer men zich dan tevens realiseert dat één man het totale overzicht
en de leiding heeft, dan zegt dit niet alleen iets over de fysieke en mentale kracht van Jürgen Ahrend, maar zegt het ook iets van de kwaliteit van de specialisten die Ahrend om zich heen heeft verzameld.
Tenslotte is het ook een prestatie dat bij elk instrument het hoge niveau nog verbeterd wordt. Innovatie, veertig jaar lang! Daarbij komt dat Ahrend zich heeft gespecialiseerd. Niet uitsluitend op de Noordduitse orgelfactuur in de 17e en 18e eeuw, maar wel in hoge mate. Een romantisch orgeltype zal men niet op zijn werklijst aantreffen.

KLINKEND GEDEELTE:
DE PIJPENMAKERIJ
Al in het tweede jaar van hun bestaan werd een ruimte in het atelier ingericht als pijpenmakerij. Het zelf pijpen maken was voor Ahrend & Brunzema vanzelfsprekend. Wilde men historiserend bouwen, dan behoorde daar met name het klinkend gedeelte van het orgel bij. Al uit de beginperiode stamt de samenwerking met de organoloog Cor Edskes uit Groningen, een niet te onderschatten omstandigheid. Na enkele restauraties en nieuwbouw van kleine orgels volgt in 1959 een doorbraak op het nieuwbouwfront. In de Zorgvlietkerk in Scheveningen bouwen Ahrend en Brunzema een drieklaviers orgel met vrij pedaal, hun achttiende project. Mede door de gunstige ontvangst van dit instrument weet het bedrijf grotere orgelopdrachten in de wacht te slepen.
In 1961 wordt in de St. Martinikirche in Bremen een nieuw orgel in een historische kas geplaatst, de dertigste succesvolle opdracht. In die tijd gaan de versieringen aan de orgelkassen steeds meer een rol van betekenis spelen. De kennis wordt verdiept. Er wordt, zonder concessies, streng vanuit het historisch aangereikte orgelerfgoed gebouwd. Steeds vaker wordt een historische, getempereerde stemming aangehouden.
Een waar klankjuweel wordt in 1965 in de historische kas van het voormalige koororgel in de Oude Kerk Ie Amsterdam geplaatst. Met de aanleg van keilbalgen naar historisch voorbeeld en het streven naar een enerzijds ademende en anderzijds niet te labiele orgelwind worden wederom bakens verzet. Andere orgelmakers kunnen slechts volgen.
In 1967 komt ook de eerste uitnodiging om een instrument voor Amerika te bouwen. De trouwste klant in de Verenigde Staten is de universiteit van Berkeley die maar liefst zes (!) orgels van Ahrend en Brunzema (later alleen Ahrend) betrok. Een record?

VAN WESTERHUSEN NAAR STADE
Na het vertrek van Brunzerna in 1971 weet Jürgen Ahrend de lijn die bij Westerhusen (1955) was uitgezet door te trekken naar Stade, waar hij in 1974 het eerste grote orgel van Schnitger (en Huss) in de Cosmae et Damianikirche restaureert. Deze restauratie brengt alom verwondering teweeg in de orgelwereld. Het is een triomf en talrijke plaatopnamen volgen. Jürgen Ahrend is een begrip geworden. (In 1993 is dit instrument gereinigd, vuil geworden vanwege de kerkrestauratie; in 1994 intoneert Ahrend het instrument nogmaals.) De invloed van deze restauratie op Ahrends nieuwbouworgels is groot. Geen ‘sigarenkistfronten’ meer en geen pogingen meer om bij nieuwbouw ook nog moderne elementen aan- en in te brengen. Vanaf 1975 is nieuwbouw een puur historiserend ambacht geworden waarbij Ahrend, op een enkele inzinking na, steeds betere nieuwe orgels creëert.

MARTINIKERK GRONINGEN
Wie kent in Nederland ondertussen niet de door vriend en vijand geroemde restauratie van het orgel in de Groningse Martinikerk? De inspeling door Klaas Bolt, waar ook schrijver dezes bij aanwezig was, behoort tot die evenementen ‘waar men bij geweest moet zijn’. De magistrale improvisatie over Psalm 146 die Klaas Bolt toen op dit instrument ten beste gaf is gelukkig door een opname (hoewel opnemen die avond verboden was) voor het nageslacht bewaard gebleven.* De prachtige plena en tongwerken van dit orgel onderstrepen nog eens het belang dat slechts een persoon, die alle facetten van het vak beheerst, in staat is een instrument in materie en klank volkomen gestalte te geven. In dit licht bezien is het maar de vraag of orgelbouwbedrijven die grote orgels laten intoneren door meerdere monomane intoneurs (d.w.z. medewerkers die slechts één facet van het orgelhouwvak beheersen) de juiste werkwijze hanteren.
Jürgen Ahrend beheerst alle orgelbouwfacetten en heeft in alle bouw of restauratiestadia zijn kunstzinnige vinger in de pap. Werkten ook illustere orgelbouwers uit het verleden niet zo?

DE ‘GROOTSTE’ INSTRUMENTEN
Het grootste restauratieproject in die 40 jaar vormde het viermanuaals Arp Schnitgerorgel in de St. Jacobikirche te Hamburg dat 60 registers telt, en dat Ahrend in 1993 restaureerde. In Melbourne (Australië) installeerde Ahrend zijn grootste nieuwbouworgel dat 45 registers telt, verdeeld over vier klavieren en pedaal.
Het Schnitgerorgel in Norden, met de wonderlijke kas rondom één van de dikke steunpilaren in de kerkruimte -enigszins schuin geplaatst, met een geheel afzonderlijke pedaaltoren kreeg bij de restauratie ook gereconstrueerde registers. Ik heb dit orgel diverse malen bespeeld en beluisterd en... het is niet te horen welke stemmen van Schnitger zijn en welke van Ahrend. Is een groter compliment denkbaar?

Levensbeschrijving van Jürgen Ahrend
Als jongen van vijftien ging Jürgen Ahrend in 1946 bij het orgelbouwbedrijf van Paul Ott in de leer. Er werkten toen twaalf mensen blj Ott. Acht jaar later werkten er ongeveer vijfenzestig mensen. Bij Ott doorliep Jürgen alle facetten van het orgelmaken; niet alleen het houtbewerken maar ook de pijpenmakerij kreeg zijn aandacht.
De oude Noordduitse orgels leerde hij pas kennen nadat hij het Schnitgerorgel in Cappel voor een grammofoonopname door Helmut Walcha opnamewaardig moest maken. Uiteindelijk leerde hij ook intoneren waarbij Paul Ott zich een goede leermeester toonde. Wat betreft de mechanische aspecten en de tongwerken waren er wel problemen bij Ahrend. Samen met Gerhard Brunzema, die ook bij Paul Ott werkte, leerden ze tijdens privé-reizen in Zwitserland de tracturen van Metzler kennen, die grote indruk op hen maakten. Op vragen omtrent de makelij van tongwerken, waarbij vooral een stabiele toon en een snelle aanspraak centraal stonden, werd het koppel door Metzler doorverwezen naar Zachariassen en Marcussen in Denemarken.
De volgende vakantie werd dus besteed aan een reis naar Denemarken waar ze grote, in Duitsland toentertijd nog ongewone prestaties in de orgelbouw bewonderden. Bijvoorbeeld aan alle zijden gesloten kassen die de pijpen beschermen en de klank activeren. Toen echter bleek dat er in Denemarken geen kansen waren om als orgelbouwer emplooi te vinden, besloten Ahrend en Brunzema een eigen bedrijf op te richten. Tussen Ahrend en Brunzema was verschil in inzicht gerezen: Ahrend streefde naar het volledig historiserende bouwen zonder concessies. Brunzema wenste ook eigentijdse elementen in hun nieuwbouworgels aan te brengen. Vandaar de strakke kassen en fronten en de op Deense leest geschoeide mechanieken zoals bijvoorbeeld in de Doopsgezinde Kerk te Haarlem (1968) of de Evangelische Kirche te Bremen-Oberneuland (1966). Gerhard Brunzema emigreerde in 1971 naar Canada waar hij bij de orgelfirma Casavant ging wer ken. In 1992 stierf hij na een langdurige ziekte. 
Terug naar de 16e en 17e eeuw
Op het moment dat Jürgen Ahrend alleen de leiding krijgt, knoopt hij weer aan bij de lijn die al was uitgezet bij hun tweede restauratie, namelijk die van het orgel in Westerhusen, waar al een middentoonstemming was toegepast. In dat jaar, 1955, was de neo-barokke smaak nog in volle wasdom. Ahrend ging als zeer jonge orgelmaker al zijn eigen weg en die leidde terug! Terug naar het besef dat wanneer je kwalitatieve verbetering wilt, je te rade dient te gaan bij orgelmakers uit de 1 6e en 1 7e eeuw. Dat besef en dat leerproces is noodzakelijk.
Jürgen Ahrend kreeg zijn gelijk al in 1974, toen hij twintig jaar het orgelmakersvak uitoefende, bij de restauratie van het Huss-Schnitgerorgel in Stade.