Gerrit Rietveld en Jacob van Campen Beiden veelzijdige architecten, maar slechts een ontwierp orgelkassen

De periode rondom de jaarwisseling (1992/1993) kan ook een uitgelezen tijd zijn voor het bezoeken van tentoonstellingen, theater, (orgel)concerten enz. Kortom: zaken die de geest verrijken en scherpen waardoor de culturele bilk wordt verruimd, waardoor misschien weer nieuwe verbanden tussen verschillende kunstuitingen worden gezien.
Wat heeft dit nu te maken met: 'informatie te verschaffen over orgels, orgelbouw, orgel- en kerkmuziek, en alles wat daarmee direct of indirect samenhangt'? (Doelstelling van de Stichting waarvan dit blad een product is).
Welnu; dat vraagt om uitleg: Wanneer men de gelegenheid heeft om de uitgebreide tentoonstelling te bezoeken (t.e.m. 21 februari) in het Centraal Museum te Utrecht, dan zal men onder de indruk kunnen komen van de veelzijdigheid van vormgever, meubelmaker en architect, Gerrit Thomas Rietveld (1881-1964).
Dwalend door de expositieruimten kwamen al kijkend naar al het moois dat Rietveld heeft ontworpen gedachten op hoe nu Rietveld een orgelkas zou hebben vorm gegeven.
Direct daarop denk je dan aan het fameuze Marcussen-orgel in de Nicolaikerk in dezelfde stad, dat in de scheppingstijd van Rietveld in 1956/57 tot stand kwam. En onder adviseurschap van Lambert ErnÚ die uit eigen zak de Fagot 32' bekostigde, zo ijverde hij voor de in dit instrument, ideaal gevonden klankschoonheid. Een klankkarakter die Rietveld waarschijnlijk had bekoord en ge´nspireerd. Want Rietveld wenste uiterste eenvoud en doelmatigheid in zijn ontwerpen. Zijn huizen zijn haast transparant.
Voor een bungalow ontwierp Rietveld zelfs een glaspartij die in totaal 121(!) ramen in het gebouw deden belanden, zo 'helder' stond bij Rietveld zijn vormideaal hem voor de geest!

Transparant
Het klankideaal van een orgel in de naoorlogse jaren was: transparant en helder. Door enge mensuur, stabiele wind en onder andere spuck in de intonatie werd gestreefd naar een zo helder en doorzichtig mogelijke karakteristieke klank.
Die klank nu kan men in optima forma beluisteren in de Nicolai-kerk, waar Marcussen zoals gezegd in 1956/57 een instrument bouwde.
Hoe had dit kunstwerk er uitgezien wanneer Rietveld was uitgedaagd de orgelkas te ontwerpen?
We zullen het nooit weten. Want hoewel Rietveld werkelijk van alles heeft ontworpen - van vliegtuig-interieur tot de jaarbeurshal, Irene te Utrecht - weten we niets van een dergelijke orgelactiviteit.
Maar... de fantasie wordt geprikkeld de geest gescherpt, het voorstellingsvermogen geactiveerd bij het bezoeken van (dergelijke) tentoonstellingen ...aanbevolen.

Overigens
Overigens kent Nederland wel degelijk een traditie op het gebied van orgelkassen van beroemde architecten.
De bekendste en meest indrukwekkende orgelkas die het beste voorbeeld is van het Hollandse classicistische orgelfront is wel de kas van het Van Hagerbeer/Schnitgerorgel in de Grote- of St. Laurenskerk te Alkmaar.
Het gaat te ver om de karakteristieken van dit front onder woorden te brengen, maar gelukkig kennen we in Nederland een bloeiende orgelcultuur, die ook fraaie boeken oplevert!
Een van deze boeken is de publicatie van Jan Jongepier: Het Van Hagerbeer/Schnitger-orgel in de Grote- of St. Laurenskerk te Alkmaar, dat hij schreef met betrekking tot de recente restauratie van het genoemde orgel.
De ge´nteresseerde lezer slaat van dit boek de bladzijden 11 - 13 (en 117-132 De Vries) maar op en hij/zij vindt een geconcentreerde, heldere beschrijving van de karakteristieken van de kas van dit in 1639/46 vormgegeven orgel dat thans in alle luister (weer) te pronk en te luister staat.
Is het toeval dat enkele dagen na bezoek aan de Rietveldtentoonstelling schrijver dezes werd afgeleid van al het gebodene in de Nieuwe Kerk te Amsterdam - de expositie: Terug naar Pompe´ door- juist, u raadt het al: het Schonat-orgel.
En door wie werd deze orgelkas ontworpen? Door Jacob van Campen, beroemd schilder/architect die leefde van 1595 tot 1657.