Het hoofdorgel in de Westerkerk herbouwd. Anno 1992

De hernieuwde kennismaking met het herbouwde hoofdorgel in de Westerkerk gebeurde tijdens het evenement ‘Mokum Zingt’ op zondagmiddag 5 april 1992. Een uitgelezen mogelijkheid om het imposante instrument te beluisteren in massale gemeentezang.
De dag erop werd door het district Noord-Holland van de K.N.O.V. ‘s avonds een vergadering belegd die honderden bezoekers en leden telde.
Dhr. Steketee, directeur van Flentrop orgelbouw hield een lezing, gecombineerd met het afzonderlijk presenteren van registers en groepen, registers (plena, tongwerken enz.)
De bespeling deed de organist van de Westerkerk, Jos van der Kooy. Hij deed dat op zijn eigen wijze: imponerend, vakkundig en.... humoristisch.
Beide gebeurtenissen gaven de schrijver dezes dermate ‘goede gevoelens’ dat het schrijven van een commentaar over het herboren instrument zeker niet te moeizaam zal verlopen.

Het Orgel
Dit fraaie instrument bevindt zich in de renaissancistische kas, vervaardigd door de stadskistenmaker Jan Jansz.
Uitvoerig onderzoek bracht aan het licht dat dit fraaie meubel oorspronkelijk geschilderd was in een marmerimitatie.

Kas
Ik ken het Westerkerkorgel als een doorgaans zwijgend instrument (de honneurs werden meestal waargenomen door het koororgel). De uiterlijke uitstraling was mat door de grauwgele kleur en de matte frontpijpen. Toch zag men de grandeur en de latente glorie van het instrument nog duidelijk. Immers de kas was verder onaangetast en de fraaie laat-Renaissancevorm rijst als altijd fier op tegen de kerkmuur.
De hoofdwerkkas waarin -typerend voor de Hollandse classicistische vormgeving- geen echte pedaal torens zijn te ontdekken, is volmaakt in evenwicht met de door Hendrick de Keyser ontworpen kerkruimte. Soortgelijke kassen staan ondermeer in de Laurenskerk te Alkmaar (ontwerp Jacob van Campen), in de Pieterskerk te Leiden, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, in de Westzijderkerk te Zaandam; laatstgenoemd instrument van Duyschot (1 711) bestaat uit louter een hoofdwerkkas, Nieuwe Kerk te Den Haag, de St. Janskerk te ‘s-Hertogenbosch. U ziet: Dit classicistische Hollandse Orgelfront is in vele kerkruimten te bewonderen.
(Het front van de Nieuwe Kerk in Amsterdam lijkt anders, omdat daar de pedaaltorens wel aanwezig zijn. Daar nemen de pedaaltorens de ruimte in beslag van de pilaren die, in de Westerkerk bijvoorbeeld, het hoofdwerk schragen). De forse ronding van de middentoren in het Westerkerkorgelfront is opvallend.


Chaotisch Binnenwerk: Steenkuyl (1895) 
Was het orgelfront in de Westerkerk nog intact, daaraan tegengesteld was de situatie van het binnenwerk chaotisch. Een ruïne. Vele renovaties hadden daar het zijne toe bijgedragen, maar de teloorgang van het binnenwerk werd met name bewerkstelligd door de werkzaamheden van D.G. Steenkuyl in 1895: klavieren en regeerwerk werden weer, voor de vijfde keer, vernieuwd en pneumatisch gemaakt. De spaanbalgen werden verwijderd; het pijpwerk van 20 registers werd vervangen. Het Bovenwerk misvormde Steenkuyl in een romantisch werk. De windvoorziening van Knipscheer maakte zoals gezegd plaats en nu werden er twee magazijnbalgen neer gezet met twee regulateurs en een kompresseur. In deze staat ging het instrument de 20ste eeuw in.

Ned. Klokken- en Orgelraad (1939)
Had Steenkuyl in 1895 het instrument al van haar karakter ontdaan in 1930 werd dit nog eens dunnetjes overgedaan. In opdracht van de Nederlandse Klokken- en Orgelraad werd een offerte gevraagd aan verschillende orgelbouwers. Bijzonderheid was daarbij de eis dat iedere orgelbouw per rubriek een prijs moest maken. Zo kon het derhalve gebeuren dat de ene orgelbouwer de laagste prijs had voor intonatie; de ander voor de windvoorziening en weer een ander voor het overige. Een gevaarlijke handelswijze omdat voor het werk geen eenheid is gewaarborgd.

Hoe dan ook, in 1939 kreeg:
- Th. Strunk uit Rotterdam de intonatie;
- C. Verweys uit Amsterdam de windvoorziening en levering nieuw pijpwerk;
- J.C. Sanders uit Utrecht, werd opgedragen al het overige uit te voeren.

Er kwam een nieuw Borstwerk zodat het instrument van toen af aan vier manualen
telde. Het oude pijpwerk had het originele karakter door al deze ingrepen volledig verloren.
Van toen aan was het wachten op een nieuwe kans voor het instrument, of was dit al te laat en was de oorspronkelijke staat van het instrument door al deze ingrepen al niet meer te achterhalen7 In ieder geval deed de tijd haar werk in die zin dat in de naoorlogse jaren het vakmanschap van Nederlandse orgelbouwers gestaag toenam.

Rond 1990 was het zover: de toonaangevende orgelbouwer in grote en grootse orgelrestauraties, Flentrop B.V. te Zaandam was er klaar voor. Fondsen en sponsors waaronder Z.K.H. Prins Claus hadden zich bereid getoond de herbouw financieel te ondersteunen; thans prijkt het instrument weer in oude glorie.
Hoewel.... is het oude of nieuwe glorie? Is het een reconstructie, een restauratie of herbouw geworden?

Oude- of nieuwe glorie?
De verdere ontstaansgeschiedenis (1680-1686)
Op 8 maart 1683 begon de bouw, maar op 31 mei 1684 werd de verdere bouw, via notariële aktie, overgedragen aan de zoon Johannes. Deze voltooide vervolgens het orgel op 24 december 1 686. R.B. Duyschot stierf vermoedelijk in 1688. Diens bestek luidde in 1682 als volgt: overgenomen uit:Geschiedenis van het orgel in de Westerkerk te Amsterdam, door Prof. Dr F.C. Stam. Een uitgave van de Stichting Vriendenkring Westerkerk, Prinsengracht 281-1016 GW Amsterdam. prijs f. 5,--.)
De auteur vermeldt als bron het lijvige (ca 600 pag.) restauratierapport van Jan Jongepier.
Voor het antwoord op de vraag: oude of nieuwe glorie zullen we allereerst de zeer bewogen geschiedenis van het Westerkerkorgel verder nagaan. Dat dit in grote lijnen gebeurt, laat zich raden.
Twee jaar nadat in Amsterdam besloten was dat het voortaan ‘onder het singen van de Psalmen opt orgel sal worden gespeelt’ 1) besloten de stadsbestuurders dat in de grootste, na de reformatie gebouwde,kerk een orgel moest komen.
De opdracht werd gegeven aan Roelof Barend Duyschot, die een bestek maakte voor een twee-manualig orgel met vrij pedaal.
Hoewel F.C.Stam een vlot lezend informatief boekwerkje heeft geschreven is het toch jammer dat Jan Jongepier geen verzoek heeft gekregen om zijn onderzoekingen in een boek vast te leggen. Het meest recente voorbeeld van een dergelijke uitgave is het boek d3t naar aanleiding van de restauratie van het orgel in de Laurenskerk te Alkmaar verscheen. Jammer dat iets dergelijks thans niet is gebeurd. Maar goed, nu het bestek uit
1688:
De orgelkas werd gemaakt door Jan Jansz. Het orgel bevatte 29 sprekende registers.

Christiaan Vater (1726)
Christiaan Vater had net (in 1724-26) het orgel in de Oude Kerk in Amsterdam gemaakt. Hij bleef in Amsterdam zodat hij op 13 september 1726 de opdracht kon bemachtigen om het orgel in de Westerkerk schoon te maken, te herstellen en uit te breiden. Dit uitbreiden gebeurde in de vorm van een derde klavier dat de volgende registers kreeg:
prestant 8’ in de discant dubbel
quintadena 8’ 
baarpijp 8’
octaaf 4’ in de discant dubbel
holfluit 4’
quint 3’  in de discant dubbel
ruijspijp 3 sterk in de discant 4 sterk
tertiaan 2 sterk met verdubbeling van de terts in de discant
woudfluit 2’ in de discant dubbel 
vox humana 8’
tremulant
De beide klavieren werden door nieuwe vervangen, evenals de twee blaasbalgen. De frontpijpen werden met tinfolie beplakt.
Het gehele orgel werd opnieuw geïntoneerd zodat het nieuwe Bovenwerk een geheel kon vormen met de rest.

Schultze (1840), Vool (1786), Gabry (1830)
In de periode daarna werd het orgel in 1740 schoongemaakt en gerepareerd door
Matthias Schultze. In 1786 werkte J.J. Vool aan het orgel. Al het pijpwerk werd door hem van de lade genomen, van vele werden de voeten afgesneden en vervangen. Alweer werden de klavieren vervangen. De traktuur werd nagezien, kleppen opnieuw beleerd.
In 1830 verrichtte B.J. Gabry uit Gouda nog de nodige reparaties.

Knipscheer (1842-46)
De Amsterdamse orgelmaker H. Knipscheer greep stevig in ten aanzien van de factuur van het orgel. Vooral omdat hij het front vernieuwde. Alle frontpijpen werden vernieuwd.
De middenvelden werden van zeven pijpen naar zes pijpen per veld teruggebracht. Daartoe werd het snijwerk door Knipscheer uit elkaar getrokken. De toonhoogte werd op a = ±435Hz gestemd; terwijl deze hoogte bij Duyschot en Vater ongeveer een halve toon boven de gebruikelijke toonhoogte (a = 440 Hz) lag.
Meerdere verdubbelingen haalde Knipscheer weg. De sexquialter werd van 4 st. teruggebracht tot 2 sterk. Knipscheer’s reparatie in 1844 aan klavieren en koppels had niet veel succes, want twee jaar later bouwde Knipscheer drie nieuwe klavieren. Uit het rapport van G. Nijhoff uit januari 1844, vernemen we dat het orgel van zijn zoetheid in de klank was beroofd door de ‘wijde’ opsneden die het gevolg waren van
een verhoging van de winddruk. De inliggende tremulanten werden door opliggende vervangen om een grotere bedrijfszekerheid te verkrijgen en om het ‘heigen’ van de toon tegen te gaan.

Zeven maal nieuwe manualen
Ondanks de vernieuwing van de manualen en het regeerwerk zou de nieuwe speeltafel het slechts vijftig jaar uithouden, waarna deze voor de vierde(!)(en niet de laatste keer) zou worden vervangen.
De nieuwe speeltafel, thans door Flentrop gemaakt is de zevende(1) set nieuwe klavieren:
Duyschot le; Vater 2e; Vool 3e; Knipscheer 4e, Steenkuyl 5e; Verweys 6e; Flentrop 7e. Gemiddeld twee maal per eeuw derhalve. En zo ging het instrument ontdaan van oude glorie, volgens de toen heersende smaak op naar de volgende ingreep die plaatsvond in 1895 toen Steenkuyl zich met het instrument bemoeide. Op dat moment is er in wezen al zoveel verloren gegaan dat het ruim een eeuw later niet meer mogelijk is om te spreken van een rekonstruktie, dit omdat er teveel onbekenden overblijven. Laat staan een restauratie.

3000 nieuwe pijpen (en het antwoord)
Want hoeveel pijpen zijn er nu precies overgebleven uit de periode DuyschotVater-Knipscheer?
Welnu, volgens opgave zijn dit:
- 250 pijpen van Duyschot
- 277 pijpen van Vater
- 42 18e eeuwse pijpen (van Vool?)
- 108 frontpijpen van Knipscheer
- Het register Baarpijp 8’ van Steenkuyl

De pijpenrnakers van Flentrop maakte circa 3000 nieuwe pijpen. Daarbij werd zo dicht mogelijk aangesloten bij de factuur van Duyschot en Vater.
De originele stokken van de windladen hebben veel invloed gehad op de huidige dispositie, evenals het raamwerk van de windladen dat eveneens grotendeels oorspronkelijk bleek. En zo dient het antwoord op de vraag: Oude- of Nieuwe glorie zich eigenlijk als vanzelf aan: Het antwoord is:
Nieuwe glorie.
Geen restauratie; geen reconstructie, maar herbouw met het nemen van vrijheden om te komen tot een ‘zo flexibel mogelijke klank’. ‘De overgeleverde factuur van Duyschot en Vater werd hierbij zoveel mogelijk gerespekteerd’, aldus de orgelmaker.

Indruk

Tongwerken
Zoals Jos het enige oorspronkelijke tongwerk, de Vox humana 8’ (Vater) liet horen was van respectievelijk grote klasse en schoonheid. Een prachtig register zowel in allerlei combinaties als solostem, dan wel als enkele getrokken stem, waarbij in dit laatste geval de Vox als het ware van gedaante verandert.
Dit register had al meer harten en pennen in beroering gebracht. Zo schreef Jacobus van Hoorn, organist van de Nieuwezijds Kapel op 2 februari 1727 dat hij het werk van Vater ‘goed en wel’ bevonden had, en over de Vox humana: ‘die is soo goed als die van de oude kerk is’. Dit register is volmaakt in oude glorie hersteld, dankzij het vakmanschap van Flentrop medewerkers en de adviseur Jan Jongepier. Alle overige tongwerken zijn nieuw gemaakt, waarbij enerzijds is getracht ‘het nieuwe materiaal zoveel mogelijk bij het bestaande mensuurbeeld aan te laten sluiten, anderzijds heeft de orgelmaker de door het vele nieuw, te maken pijpwerk (± 80%) ontstane speelruimte benut, om een sluitend klankbeeld te creëren.
De verschillen tussen Hoofdwerktrompet en Rugwerktrompet zijn waarneembaar in timbre en karakter. De Trompet van het hoofdwerk klinkt meer snaterend dan de Rugwerktrompet, die ik geslaagder vond klinken dan zijn collega uit het hoofdwerk. De hoofdwerktrompet werkte overtuigend in het plenum en volle werk - dat geldt hier trouwens voor alle tongwerken, uitgezonderd de Vox Humana uiteraard, die uitsluitend solistisch wordt gebruikt. - maar als solostem klonk de Tr.8’ welluidend maar saai. 1k miste de typische ‘Hollandse’ wóhklank. De Fagot 16’ is daarentegen een juweel; prachtig belijnd, grondtonig, karaktervol en exact in aanspraak tot de laatste tonen. En hier is de orgelmaker er wel degelijk in geslaagd dit register zowel als solostem als tuttistem veel schoonheid te geven.
De Pedaaltrompetten 8’ en 4’ heb ik niet als solostem of als uitkomende stem kunnen beluisteren. Daarom alleen de bespreking van de totaalklank van het pedaal.
Die is fors en geeft de manualen uitmuntend van partij. Dat moet ook wel gezien de vele verdubbelingen. Een vraag die steeds sterker tijdens het luisteren bij mij opkwam betreft het karakter van de Bazuin 16’: Is dit werkelijk in de stijl en geest van Duyschot/ Vater? Het naar de Bombarde-klank neigende geluid begint na wat langer luisteren wat te vervelen. Niet in de stijl passend, misschien. Wel dient gezegd te worden dat de grondtonigheid en de luidheid de gehele kerk vult, 66k wanneer deze ruimte vol ut met zingende mensen, zo bleek tijdens de manifestatie ‘Mokum Zingt’. Als gemeentezangbegeleiding scoort het instrument dan ook uitmuntend, en is het heerlijk de klank te ervaren en erbij te zingen. Niet in de laatste plaats dankzij de registratie en begeleidingskunst van de vaste bespeler: Jos van der Kooy.

Bijzonder
Een aantal registers bekoorden in het bijzonder. Ik noem de Sifflet 1’; zal het vanwege de verdubbeling vanaf c zijn dat dit register door de ruimte parelde? Het register versmelt fraai in combinaties.
Zo ook het bijzondere register Halve scherp (vanaf a) waarin een Terts 13/5’ vt (vanaf c) Bijzonder fraai, zowel als vulstem en als solostem te bespelen.
De Quintadeen 8 op het Rugwerk is een buitenissig register omdat de bas een Quintadeen is; vanaf c’ (diskant) wordt het evenwel een Roerfluit. De overgang vind ik abrupt. Mijns inziens had de overgang ook een octaaf hoger kunnen liggen, of de overgang had vloeiender kunnen verlopen via intonatie.

Plenum
De verschillende plenumklanken zijn homogeen, sluitend en inderdaad flexibel te noemen. Flexibel ook in de betekenis dat het orgel zich goed leent als concertinstrument. Niet alleen J.S. Bach klinkt er boeiend op, maar ook Olivier Messiaen. In dat opzicht drong zich bij nu even de vergelijking op met het gebruik van het Müller-orgel in de St. Bavo te Haarlem. Ook daar is het instrument een veelzijdig concertinstrument, en wie zal zeggen of dat niet een groot compliment is aan het adres van de oorspronkelijke bouwer(s) en de restaurateurs? Wel dient direct hieraan volgend gesteld te worden dat het specifieke 17e eeuwse karakter (Vater) niet (volledig?) uit de verf komt. Dit heeft alles te maken met: wel- of- geen evenredig zwevende temperatuur, het wel-of-niet doen van concessies ten opzichte van de oorspronkelijke factuur, enzovoort.
In de Westerkerk heeft men de eisen van de huidige muziekpraktijk zeer zwaar laten wegen. Het orgel is ten opzichte van de dispositie van Vater nog uitgebreid met een Fagot 16’ op HW, een Dulciaan 8’ op BW en
een Trompet 4’ op Ped.
Te begrijpen allemaal. Even goed valt te begrijpen dat er collega's zijn die het betreuren dat niet consequent, zonder knieval voor de huidige concertpraktijk, is geprobeerd het Duyschot-Vater-concept te doen herleven. Zou er in dat geval overigens wel sprake zijn geweest van rekonstruktie? 1k geloof dat beide richtingen even legitiem zijn. Een beslissing moet evenwel gemaakt worden, en dat is in de Westerkerk dan ook gebeurd. De toekomst zal uitwijzen of dit de beste beslissing was. Vooralsnog denk ik dat de herbouw een aanwinst is. In ieder geval vormen de huidige organist en het Westerkerkorgel Anno 1992 een hechte muzikale eenheid. Dat de organist van het huis invloed op beslissingen heeft gehad laat zich duidelijk uit de versiagen opmaken. Of dit negatief is? Zoals ik het orgel in twee evenementen heb beluisterd. bespeeld door Jos van der Kooy ben ik geïmponeerd. Aan een uiteindelijk waardeoordeel over beslissingen zoals toonhoogte, vrijheden in intonatie (het oude is niet verheerlijkt ten koste van het nieuwe), geen angst voor nieuw, door uitbreiding van Vater-disposities enzovoort, waag ik me niet. Hoeft ook niet: Goede beslissingen worden door de toekomst en het toekomstperspectief dat ze bieden gedragen of omgekeerd evenredig verworpen.
Alle beslissingen, alle werkzaamheden zijn genomen met een bepaald doel en zo bezien is het in zijn algemeenheid een geslaagde herbouw.
Nieuwe balgen, naar gegevens uit 1686 samen met nieuwe windkanalen enzovoort, geven het instrument een mooi ademende wind, die een essentiële functie vervult bij het tot klinken brengen van het orgel.
Laten we afwachten of deze herbouw een langere adem heeft dan alle ingrepen ervoor.

De organisten van de Westerkerk  
Jurriaan Bouff 1687- 1690
Jan Jansz. Backer 1691 - 1707
Johannes Clermont 1708 - 1742
Jacobus Potholt 1743 - 1766
Adolf Steckwey 1766 - 1783
Bartholomeus Ruloffs 1783 - 1791
Anthony Cornelis Bourse 1791 - 1793
Isaäic van Hoven 1793 - 1805
Gerrit van Oort 1805 - 1830
Jan Wiggers 1830 - 1831
Christoffel van Overeen 1832 - 1840
J.B. Geel 1840 - 1870
Jan Barent Koelman 1870 - 1894
J.A. Rooks 1894 - 1906
Cornelis Pameyer 1906 - 1907
Jan Barend Willem Koelman 1908 - 1927
Francois Bernardus Marinus Hasselaar 1927 - 1950
George Stam 1950 - 1951
Simon C. Jansen 1952 - 1980
Jos van der Kooy 1981 - heden



De herbouw van het orgel in de Westerkerk te Amsterdam (technische gegevens) door Hans Chr. Steketee
Na een jaren durende restauratie is de Westerkerk weer in zijn oude glorie hersteld. Het resultaat is op z'n minst indrukwekkend te noemen. Ondanks het sobere karakter straalt het bouwwerk aan de Westermarkt zowel van binnen als van buiten wederom frisheid en allure uit: een kathedraal waardig. Naarmate de restauratie vorderde viel het tegen de westwand staande orgel meer en meer op. Echter niet in positieve zin, want nu werd duidelijk merkbaar hoe verwaarloosd dit prachtige meubel erbij stond. Het zich daarin bevindende instrument was met deze uiterlijke situatie volledig in overeenstemming. Als zodanig was het een eenheid, die echter een pijnlijk contrast vormde met de ruimte waar het deel van uitmaakt. De thans voltooide werkzaamheden hadden tot doel dit contrast te elimineren.
Het uiterlijk van het orgel heeft een ware metamorfose ondergaan. Behalve dat de oorspronkelijke kleur weer is aangebracht (01) zijn alle frontpijpen met tinfolie bekleed en hangen ook de vier orgelluiken weer op hun plaats. De orgeldeuren van de grote kas zijn geheel nieuw. De geschilderde voorstellingen (02) van Gerard de Lairesse die op doek aan de binnenkant van de oude luiken waren aangebracht, zijn als het ware naar de nieuwe getranspianteerd. De originele luiken van het rugwerk (03) hebben jarenlang in een zijbeuk rechts van het orgel gehangen en zijn thans weer op hun oorspronkelijke plaats bevestigd. Hierdoor is vanuit de kerk gezien de speeltafelkas, die zich onderaan de grote kas achter het rugwerk bevindt, bijna geheel aan het oog onttrokken. Deze speeltafelkas is geheel nieuw geconstrueerd, aangezien het origineel in 1939 is verdwenen. Was de uiterlijke structuur van het orgel mm of meer onaangetast, wat betreft het innerlijk kon dat zeker niet gezegd worden. De bovengenoemde eenheid gold alleen in figuurlijke zin. Letterlijk genomen was er van een eenheid geen sprake. Het orgel dat in de afgelopen drie eeuwen tot een viermanualig en 56 stemmen tellend instrument was uitgegroeid, vertoonde weinig overeenkomst meer met het van oorsprong uit twee manualen bestaande Duyschotorgel. Het was dan ook duidelijk dat er een nieuw concept moest komen om de eenheid ook in letterlijke zin te kunnen herstellen.
Om tot een nieuw concept te komen, diende er een grondige inventarisatie te worden gemaakt van wat aanwezig was. In grote Iijnen leverde dit het volgende
resultaat op:
- een windvoorziening die vrijwel geheel uit 1895 stamt (staande in de torenruim te achter het orgel).
- een vol ledig elektrische tractuur en de daarbij behorende speeltafel uit 1939.
- delen van de oude windladen van Duyschot (1686) en Vater (bovenwerk 1726)
- ongeveer 20% oud pijpwerk (Duyschot, Vater, Knipscheer 1845)

De gegevens van met name de windladen hadden een herziening van het aanvankelijk geheel nieuwe concept tot gevolg, waarin uiteindelijk de invloed van Duyschot en Vater duidelijker merkbaar is. In 1895 waren de stokken van de windladen van opdikken voorzien. Toen deze werden verwijderd kwamen de originele stokgegevens weer boven en hebben zodoende grote invloed gehad op het ontstaan van de huidige dispositie. Hierin zou het oude pijpwerk zonder problemen haar oorspronkelijke plaats kunnen terugkrijgen. Alvorens echter de herstelwerkzaamheden een aanvang konden nemen, moest ten aanzien
van twee problemen een beslissing worden genomen: de omvang van de klavieren en de toonhoogte.
De omvang bij Duyschot van CDEF t/m c”, wat o.a. is at te leiden uit de originele cancelramen.

Rekening houdend met de eisen van de huidige muziekpraktijk heeft men besloten de omvang te vergroten voor zover de windladen dit op verantwoorde wijze toelieten. Door gebruik te maken van aanwezige blinde cancellen in het groot octaaf, ontstond ruimte voor Cis en Dis. De bovenste twee cancellen zouden gesplitst kunnen wordén om cis” en d” toe te voegen. Aldus zijn de windladen hersteld en is de omvang voor alle manualen nu C t/m d”, uitgezonderd het rugwerk waar Cis en Dis nog steeds ontbreken. Tevens is van het rugwerk de bovenlade nieuw gemaakt, waarbij de originele stokken zijn gehandhaafd. Aan het pedaal hoefden alleen Cis en Dis te worden toegevoegd, aangezien dit bij Duyschot reeds de omvang CDEF t/m d’ had.

Niéuwe klavieren, waarvan de vormgeving haar inspiratie ontleent aan een beschrijving van Vater (04), werden vervaardigd. De speel- en registermechaniek zijn eveneens nieuw en zijn ondergebracht in de al genoemde speeltafelkas. Om de allure van de speeltafel flog te vergroten zijn de registerknoppen in messing uitgevoerd, zoals oorspronkelijk ook het geval was.
Het probleem van de toonhoogte lag aanmerkelijk gecompliceerder. De volgende aspecten speelden hierbij een rol:
- de toonhoogte bij Duyschot en ook bij Vater lag ongeveer een halve toon hoger dan de tegenwoordig gebruikelijke toonhoogte (a’= 440 Hz).
- het huidige front door Knipscheer in 1845 vervaardigd stond iets lager, namelijk op ±435 Hz.
- gezien de uiterst belangrijke rol die dit instrument in de muzikale praktijk van de Westerkerk zou gaan spelen, was het wenselijk om de huidige toonhoogte van a’ = 440 Hz aan te brengen.

Welke beslissing er ten aanzien van de toonhoogte ook genomen zou worden, de pijpen dienden hun juiste verhouding te behouden. Deze verhouding tussen lengte en diameter (mensuur) is van groot belang om een pijp optimaal te kunnen laten kinken. Het was slechts mogelijk aan deze laatste eis tegemoet te komen, door het oude pijpmateriaal (Duyschot en Vater) een halve toon naar boven op te schuiven en de groot C ‘s bij te maken. Een bijkomend gunstig effect was dat door de uitbreiding tot d” geen pijpen hoefden te vervallen. De frontpijpen zijn daarentegen iets hoger gestemd. Bij de keuze het orgel in de evenredig zwevende temperatuur te stem men, heeft men evenals bij de beslissing over de omvang de eisen van de huidige muziekpraktijk zwaar laten wegen. De werkzaamheden aan het pijpwerk bestonden hieruit, dat de in het nieuwe concept gehandhaafde pijpen, waartoe ook de Baarpijp van Steenkuijl uit 1895 en wat 18e eeuw materiaal behoort, in hun originele staat zijn terug gebracht en het ontbrekende pijpwerk nieuw is bijgemaakt. Zodoende zijn ook alle verdwenen dubbelkoren weer geplaatst. Daarnaast is het orgel uitgebreid met de volgende registers:
op het hoofdwerk een Fagot 16’, het bovenwerk een Dulciaan 8’ en het pedaal een Trompet 4’. Hierbij is enerzijds getracht het nieuwe materiaal zoveel mogelijk bij het bestaande mensuurbeeld aan te laten sluiten, anderzijds heeft de orgel maker de door het vele nieuw te maken pijpwerk (±80%) ontstane speelruimte benut, om een sluitend en toch flexibel klankbeeld te creëren.

Naar de gegevens tot 1686 zijn vervolgens zes blaasbalgen van negen bij zes voet gemaakt, die zich op een nieuwe balgenstoel wederom in de torenruimte achter het orgel bevinden. Nieuw zijn ook alle windkanalen. Samen zorgen baigen en kanalen voor de windvoorziening en vervullen als zodanig een essentiële rol bij het tot klinken brengen van het orgel.

  1. Onderzoek heeft uitgewezen dat het een blauwmarmerimitatie moet zijn geweest. Geïnspireerd door oude technieken is deze weer op beide kassen aangebracht door het schildersbedrijf G. Slegt uit Edam De vergulde ornamenten zijn gerestaureerd door A. de Klerk.
  2. Het linkerluik stelt voor: Koning David met zijn zingend en dansend gevolg bij de terugkeer van de Ark des Verbonds naar Jeruzalem. Op het rechterluik zien we hoe de koningin van Sheba aan koning Salomo geschenken aanbiedt. Deze schilderijen zijn verdoekt en gerestaureerd door J.H. van Litsenburg.
  3. Aan de buitenkant zijn op hout de vier evangelisten met hun symbolen geschilderd in grisaille. De binnenkant is door festoenen met instrumenten opgesierd, die bijeengehouden worden door linten.
  4. In het bestek van 14 september 1726 staat: ....‘het derde manuaal met ondertoetsen van zwart ebbehout en de boventoetsen van ivoor, de beide andere manualen vernieuwen op deze wijze’