Tentoonstelling: Psalmzingen in de Nederlanden

“Zoveel vooraanmeldingen voor een tentoonstelling hebben we nog nooit gehad” (Citaat van medewerker van het Historisch Documentatiecentrum van de VU, overgenomen uit Ad Valvas, het weekblad van de vrije universiteit, 10 oktober 1991)

Tot 23 november 1991 kan men in de foyer van het hoofdgebouw van de VU (de Boelelaan 1105, Amsterdam, van maandag t/m vrijdag 10-18 uur) de tentoonstelling bezoeken over Psalmzingen in de Nederlanden van de zestiende eeuw tot heden. Verzuim dan niet het cassettebandje aan te schaffen. Voor een tientje krijgt men zo een heldere toelichting van Wim Kloppenburg te horen. Met name psalmzang met behulp van een voorzanger is zelden te beluisteren. Dit bandje geeft deze mogelijkheid naast andere vormen van psalmgezang, zoals het vierstemmig zingen van psalmzettingen.

De beknopte toelichting op het cassettebandje door Wim Kloppenburg krijgt een meer uitgebreide plaats in het boek dat naar aanleiding van deze tentoonstelling is verschenen.
Het boek is een waardevolle bundel met studies van diverse auteurs; het boek geeft al met al een beeld van de geschiedenis van het psalmzingen door de eeuwen heen. Achterin treft men de catalogus van de tentoonstelling geschreven door dr. W. Heijting. Het boek is uitgegeven door Kok in Kampen en kost f. 34,50.

Een bespreking van een bespreking
“Nog even, denk ik, en het zingen van psalmen is voorgoed verleden tijd” (Maarten ‘t Hart, in de NRC van 11 oktober 1991) Doordat schrijver dezes de tentoonstelling pas op 19 oktober bezocht deed zich de gelegenheid voor ook andere reeds verschenen besprekingen in deze bespreking te betrekken.
De meest uitgebreide bespreking stond in het Cultureel Supplement van de NRC (1110-’91) en is van de hand van Maarten ‘t Hart.
Een schrijver die erom bekend staat nogal eens theologen per direkt de gordijnen in te jagen. Ook nu weer door bondig het verschil tussen gezangen en psalmen te analyseren, maar met voorbijgaan aan de profetische inhoud van de psalmen.
Het volgende citaat wordt de lezer niet onthouden, omdat organisten het verschil tussen psalmen en gezangen, los van de melodische stijlkenmerken, helder uit de doeken wordt gedaan.

"Het is jammer dat het verschil tussen psalm en gezang op die overigens stijlvolle, eerbiedwaardige tentoonstelling niet grondig en helder uit de doeken is gedaan. En het is zo eenvoudig: als er in een geestelijk lied sprake is van Jezus, het Kruis, de Verlosser, Kerstmis, Pasen en de Verrijzenis, Hemelvaart, Pinksteren, dan heb je te maken met een gezang. Psalmen zijn namelijk, en dat is en blijft iets geweldigs, niet christelijk. In die psalmen is niets te vinden over de blijde boodschap dat Jezus is gestorven. Vandaar ook dat zovele generaties gelovigen aan die onchristelijke psalmen niet genoeg hadden en allerlei gezangen, spirituals, en liederen over Jezus’ verzoenend sterven hebben gedicht. Of ze hebben, zoals Luther deed toen hij psalm 46 berijmde als ‘Een vaste burcht is onze God’, Jezus gewoon in die berijming binnen gesmokkeld”(...)
Dat de psalmen van huis uit joods zijn, en met het christelijk geloof niets van doen hebben, is op de tentoonstelling wel te zien
- er is een afdeling Psalmen in de synagoge
- maar nergens wordt nu eerst ronduit gezegd: psalmen hebben van Jezus’ kruisdood en een christelijke levensbeschouwing geen weet. In die psalmen wordt er bijvoorbeeld ook nooit over gezongen dat wij later naar de hemel zullen gaan.
De psalmen bezingen onveranderlijk de rechtstreekse verhouding tussen God en de mens, zonder tussenkomst van een middelaar. Dat ook maakt die psalmen zo prachtig. Al die flauwekul van het Nieuwe Testament kun je vergeten als je psalmen zingt
”.
Tijdens de bespreking voor de Dienst kwamen Ds J.R.Nienhuis te Amersfoort en schrijver dezes te spreken over deze tentoonstelling en het artikel van Maarten ‘t Hart. 
Ds J.R. Nienhuis verwerkte ‘t Harts artikel zondag 20 oktober in zijn preek en was zo vriendelijk mij de tekst toe te zenden, waaruit het volgende,met toestemming wordt geciteerd: "Bij de voorbereiding van de dienst had ik een gesprek met organist van Twillert, die naar de tentoonstelling over de psalmen in de VU in Adam geweest was. Hij had de recensie van Maarten ‘t Hart in de NRC gelezen en moest zelf ook over de psalmen schrijven. Wij kwamen te spreken over de tekst van ‘t Hart. Nu is een kansel niet de geëigende plek voor polemiek. Zijn tekst biedt echter een schoolvoorbeeld van bovengenoemde vergissing (abusus(non)tollit usum, misbruik heft het goede gebruik (niet)op). Omdat ‘t Hart opgegroeid is in dat deel van de kerk, waar alles, maar dan ook alles in bijbel en kerk betrokken wordt op het verzoenend lijden van Christus, is het voor ‘t Hart bevrijdend te ervaren dat de psalmen “van Jezus’ kruisdood en een christelijke levensbeschouwing geen weet hebben”. En dan concludeert hi] ‘al die flauwekul van het Nieuwe Testament kun je vergeten als je psalmen zingt. Misbruik van het NT heft voor ‘t Hart nu het goede gebruik van het NT (=flauwekul) op bij het zingen van psalmen. Een feit is: de psalmen hebben niet met Jezus kruisdood te maken:
Jezus’ kruisdood heeft echter alles met de psalmen te maken. Als door en door wetsgetrouwe jood leefde Jezus met het gebeden- en liedboek van Israël: de psalmen. In deze preek kwamen we dat al tegen bij zijn duiding van het lied van de kinderen in de tempel (psalm 8), bij het laatste avondmaal zingt hij, zoals het hoorde, de hallel-psalmen 113-118 (Mc 14:26), één van de kruiswoorden is niet anders dan een psalm (Psalm 22, vgl.Mc 15:34). Psalmen en NT zijn onverbrekelijk verbonden (vgl.Col.3:16), omdat Jezus leefde in de geest van de psalmen. Het misbruik van het NT tav. de psalmen heft het goede gebruik van het NT niet op.



Tentoonstelling
De tentoonstelling geeft aan de hand van één berijming - psalm 130- de melodische maar vooral ook de literaire (lees berijmingen) ontwikkeling van het psalmzingen.
Men volgt het ontstaan en allerlei latere uitvoeringen van de melodie (het psalter ontstond tussen 1539 en 1562).
Zo is bijvoorbeeld twijfelachtig of na de reformatie ooit in de Nederlanden de psalm-melodieën wel ritmisch zijn gezongen.
De tweede stelling van Jan Luth in zijn proefschrift: Daer wert om ‘tseerste uytgekreten.... luidt: “Aan het begin van de zeventiende eeuw was de isometriek bij het zingen van Datheens psalmen een bekend verschijnsel” en Luth vervolgt in het aanhangsel:“Wanneer er -algemeen gezien- als sprake is geweest van goede gemeentezang, dan moet die in de periode voor 1600 hebben geklonken, want daarna zijn de bronnen eensluidend negatief”.
Op pagina 194 van het n.a.v. deze expositie uitgegeven boek: Psalmzingen in de Nederlanden herhaalt Jan Luth zijn conclusie op dit punt in iets andere bewoording: “Al aan het begin van de zeventiende eeuw was het zingen in een ritme een uitzondering en bovendien werden de melodieën al zingend gewijzigd”. Het is interessant op het punt van psalmzingen door de eeuwen heen aan de hand van dit tentoonstellingsboek de huidige stand van zaken te vernemen. lmmers, de afgelopen 20 jaar is zeer veel onderzoek verricht. Maar, men gaat de laatste jaren volgens Kloppenburg veel materiaal met een andere kijk bekijken. Kortom: de tentoonstelling is op het goede moment, op de goede plaats.

Anders kijken naar negatieve bronnen
Het artikel van Wim Kloppenburg, een van de drijvende krachten achter deze tentoonstelling, is wat betreft het anders kijken naar de negatieve beschrijvingen uit de loop der tijd verfrissend en helder geschreven.
Zo betitelt Constantijn Huygens de man er van psalmzingen in zijn tijd als ghehuyl en geschreeuw. ‘Deze negatieve beoordeling van de gemeentezang heeft tot in onze tijd doorgewerkt’, volgens Kloppenburg en hij verwijst dan een naar interview van Leo Samama in Hervormd Nederland van 24 maart 1990. Maar hij had ook dichter bij huis kunnen blijven want Jan Luth is ook ‘eenvan deze musicologen’. (Zie citaten van Luth eerder in dit artikel) overigens met redenen. Hoewel.... het “eensluidend negatief” van de bronnen is wel pretentieus van Luth. Want geeft Nicolaas Beets, alias Hildebrand, in zijn beroemde boek ‘Camera Obscura’ (1839) niet een positief beeld van de samenzang? Laten we Beets' tekst eens volgen, het is: "Een hoofstuk, waarmee de Auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie Rol in speelt...’. Hildebrand vervolgt even verder in dit hoofdstuk van zijn Camera Obscura: "Nu gebeurde het dat Hildebrand, op zijn weg naar de beddenwinkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, waaruit het gezang der gelovigen prachtig opsteeg; en hij gevoelde lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij te wonen.
Hildebrand is geen voorstander van het te laat verschijnen in het huis des Heren. Hi] beg rijpt dat Gods woord er geenszins voor niet wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het gedrang om plaatsen en het geschuivel met stoven; maar wel moet hi] bekennen dat het lets
bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft, zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen, waar een grote schare reeds met ongedekt hoofd ter neder zit en, onder het statig intoneren van het orgel, zijn lofzang als uit éner harte opheft. De aanblik ener gemeente, vereningd, ten minste uiterlijk verenigd, in de dienst van God, heeft reeds op zichzelf een ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik, zo menige goede en christelijke indruk aan verplicht, dat het, aI was het alleen daarom, de moeite waard is de les van de apostel te betrachten: Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten.’

‘t Hijgend hert,

zo zong de saamgevloeide schare met de woorden van de tweeënveertigste psalm:

‘t Hijgend hert, der jacht ontkomen
 schreeuwt niet sterker naar ‘t genot
Van de frisse waterstromen, 
Dan mijn ziel verlangt naar God.

0, gij, die meent dat tehuis een ‘goede’ preek te lezen - gij; leest gewis altijd goede preken, en krijgt niet dan slechte te horen?o gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zovele mensenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhoren, en dezelfde Vader in de hemelen, in naam van dezelfde Verlosser, aan roepen, teweeg brengen
kan?
Jammer dat de organist de kracht van de roep der gemeente tot God in een laf naspel liet verloren gaan".

U leest het goed, in deze bron komt de organist er minder goed af dan de gemeentezang.
Luths mening dat er geen andere dan negatieve bronnen zijn behoeft derhalve correctie. Een correctie die Wim Kloppenburg in zijn hoofdstuk: ‘Een nieuwe visie’ blz. 236-240 dan ook geeft.
Maar liefst zesennegentig Nederlandse één Groningse en zeven Friese berijmingen van psalm 130 zijn geëxposeerd, evenals talrijke fraaie titelpagina’s, harmonisatie -boeken, een harmonium, een groen lampje dat ooit in de jaren na de W.O.II ging branden wanneer er een psalm ritmisch werd gezongen, psalmborden, talrijke weetjes (hoeveel psalmboeken er per jaar werden verkocht) anekdotes, enzovoort sieren deze tentoonstelling die eigenlijk maar een element te wensen overlaat, namelijk een aparte ruimte waarin met dia’s of film en bovenal met geluid(!) de diverse elementen nog eens auditief kunnen worden doorgenomen en doorleefd.
Gelukkig is er een cassettebandje met een tijdsduur van 35 minuten, maar die tijd is schromelijk kort, dat smaakt naar meer. Dat ‘meer’ kan ook beluisterd worden via IKON op zondagavond Radio V, 18.00 uur. Maar toch waarom geen 90 minuten klankbeelden bij een fraaie tentoonstelling en -boek? Op de valreep een ‘weetje’ dat wil worden doorgegeven.
In het hoofdstuk ‘Het gereformeerde psaimboek en het boekenbedrijf’ geeft de auteur, W.Heijting opsommingen van de aantallen gedrukte en verkochte psalm- en gezang boeken.
Het zijn indrukwekkende getallen: zo verschenen er in het jaar dat het psalter voltooid werd (1561) 27.400 exemplaren gedrukt door maar liefst 45 drukkers; 19 in Geneve en 26 in Lyon, Parijs en elders. De Nederlandse uitgeverij J. Brandt en Zoon verkocht in de periode 1920 tot 1940 zo’n 77.100 gemiddeld per jaar, hetgeen volgens Heijting neerkomt op het feit dat per 35 jaar ieder lid zich een nieuw gezangboek aanschafte.
Een aanschaf waard dit boek.