Een vraaggesprek met de Weense Organist Peter Planyavski

IMPROVISATIECURSUS
Wil je de opzet van je improvisatiecursus beschrijven die je zojuist hier in Keulen hebt gegeven.
Ja. Het uitgangspunt is steeds hetzelfde: Ik wil zo veel mogelijk vormen aan bod laten komen bij zoveel mogelijk verschillende koralen, en niet een cursus waar zeer lang over een vorm wordt gesproken waar zeg maar vijf cursisten allen dezelfde opgave spelen tot het perfect is. Ik prefereer de cursisten te vertellen water zoal mogelijk is en dat kan dan iedere cursist benutten door het thuis te oefenen of het tijdens een kerkdienst aan te wenden.
Met deze methode kan men eigenlijk overal een cursus opzetten. Hier in Keulen bijvoorbeeld was sprake van een hoog niveau waardoor alles sneller en ook wel beter gaat. Maar in Amerika waar het niveau in het algemeen lager is, functioneert deze cursusopzet ook goed.
Het tweede basis idee is, zoals ik ook tijdens de cursus herhaaldelijk heb gezegd, het ritme en alles wat daarmee samenhangt. Dat is het allerbelangrijkste bij het improviseren. De periode- bouw - kort -lang etcetera dat alles is veel belangrijker dan het feit of er een foot verkeerd is. Ik vind het slecht wanneer mensen bij foute noten (moeten) stoppen. Ik wil dat mensen moed ontwikkelen om te improviseren.
Je moet met het voorspel tenminste duidelijk aangeven wan neer je wilt laten zingen. Dus: slot; inademen en zingen. Je moet dat trainen want dat komt precies aan. Bij een bekende melodie kun je wat betreft aanpak veel verder van de melodie weg-improviseren dan bij een ombekende melodie. Bij dat laatste komt het in de eerste plaats erop aan dat de gemeente weet hoe de melodie verloopt. Samengevat in vijf elementen namelijk (In het Duits de vijf ‘t’s genoemd
- Toonsoort
- Tempo
- Tekst
- Maatsoort (Takt)
- ‘Zeitpunkt’ (moeilijk te vertalen: Het heeft met name hier te maken met de plaats
waarbinnen de liturgie het lied voorkomt. Is er bijv. veeltijd beschikbaar, of juist niet
Al deze elementen liggen in het lied. De organist moet trachten deze elementen er alle uit te halen en te verklanken en daarbij nog de aandacht van de luisteraar wekken. Dat alles ook ZO economisch mogelijk. Immers: een perfecte machine is die machine waaraan niets overbodigs zit. 00k strijden tegen teveel aan een stuk doorspelen. Zogenaamde creatieve pauzes inlassen.
Met name het ritme accentueren door goed en afwisselend te articuleren.

RITME
Welke van de volgende drie elementen komt binnen de muziek op de eerste plaats: De melodie, de harmonie of het ritme?

Inderdaad: het ritme.
Precies, een mens is in de eerste plaats een ritmisch mens, dan komt de melodie en dan pas de harmonie.
Wanneer je tijdens een concert luisteraars opneemt merk je dat indien ze bewegen, ze bewegen op het ritme en bijvoorbeeld niet op de wisselingen van de harmonieën. Te vaak wordt er op het orgel legato gespeeld. Daardoor krijgt de orgelklank veel te weinig ritmiek.
Bij de koraalzetting is ook een duidelijke relatie tussen akkoordwisselingen en accenten in de tekst en melodie. Je kunt met op zich zelf juiste akkoordwisseling toch de ademtechniek kapot maken, gewoon door de akkoordwisselingen binnen de tekst verkeerd te plaatsen.

STIJL
Wat voor stijl hanteer je in de St. Stephansdom in Wenen waar je organist bent.

Oh, zo ongeveer als je in deze cursus hebt gehoord. Een vrij-tonale stijl, maar die kan ook vaak heel romantisch uitpakken. Minder barokstijl omdat ook het orgel daarvoor niet uitnodigt.

Bij koraalzettingen hanteer je veelal een klassieker klankbeeld dan de meeste van je voorspelen.
Ja, je kunt stellen dat ik de klassieke barokke of nog vroegere zetting overschilder maar dat het geen abstracte beelden zijn geworden. Het wordt niet zo veel meer bespeeld omdat het enthousiasme is weggeëbd.

Over orgels gesproken: hoe vind je het Reil-orgel in Wenen
Dat vonden we in het begin zeer interessant maar het wordt nu weinig benut. Mensen die zich in Wenen goed op de hoogte stellen van barokprincipes en barokstijlen en dergelijke stellen dat het maar voor een deel een Bach-orgel is. Het is een beetje Reil en een beetje Bach-invloed. Het is een van de vele orgels in Wenen.

Hoeveel missen speel je per week?
Tijdens de Kerstdagen zo’n vijftien. Normaal een zes tot acht missen.

Waar haal jij je inspiratie vandaan?
Eigenlijk ook uit het onderwijs. Dat heeft als ‘t ware een wisselwerking. Zo heb ik ervaren dat je een derde klank kunt creëren door met een hand op twee manualen te spelen. Je trekt bijvoorbeeld op het onderklavier een 4 voet waarop je met de linkerhand een octaaf lager de begeleiding speelt. De rechterhand speelt op het bovenklavier, waarbij de duim op het ondermanuaal een derde stem, een derde klank speelt. (Zoals bijvoorbeeld in het tweede deel van de vijfde symfonie van Widor. W.v.T.)

Jij hebt mij zojuist voor een keuze gesteld nu wil ik er een aan jou stellen. Wat doe je het liefste
- Lesgeven
- De mis begeleiden
- Concerten geven
- Eigen studie

Ah misschien.... Dat vind ik heel moeilijk te beantwoorden. Ieder gebied heeft iets wat ik graag doe.

Wanneer ik nu een van de vier elementen moet doorhalen, welke moet ik dan van je wegstrepen?
Eh,.... Eigen studie.... (lacht) verschrikkelijk hè.... (lacht weer).

MENDELSSOHN
Heb je een voorliefde voor een bepaalde componist?
Dat wisselt tamelijk veel. Een behoorlijke tijd was ik heel tevreden bij Georg Böhm. Ondertussen is het César Franck en ook speel ik graag Mendelssohn.

Waarom Mendelssohn in ‘t bijzonder?
Ik geloof dat hij onderschat wordt.

In Nederland wordt Mendelssohn veel gespeeld. Zo staat in de uitnodigingsbrief die ik kreeg voor een concert (Oude Kerk, Amsterdam, 1990) onder meer: ‘In 1990 s.v.p. geen werken van Mendelssohn’.
Nou dat kan ik wel begrijpen omdat er in Holland vele orgels zijn waarop men geen Romantische muziek kan uitvoeren, maar de muziek van Mendelssohn kan er wel goed op klinken. Men hoeft geen zwelwerk te hebben dus het is duidelijk dat Mendelssohn in Holland veel gespeeld wordt.
Mendelssohn wordt in Duitsland vaak gering ‘geschat’. Er wordt steeds gesproken van: De Romantiek; en die periode beslaat dan de tijd van Mendelssohn tot Hindemith. Maar dat is een periode van meer dan honderd jaar. Maar men kan Mendelssohn niet zo spelen als Reger. In Duitsland wordt dit voor een deel wel gedaan, met veel rubato. En daarbij vindt men dat vanwege het feit dat er bij Reger veel meer noten staan enzovoort~ dan bij Mendelssohn de laatste minder interessant is. Zo kan men dit geloof ik niet zien. Mendelssohn heeft een geheel eigen stijl. Even zo goed als Liszt, Reubke en Karg-Elert hun eigen interpretatie verdienen.

Men speelt de muziek van Monteverdi en bijvoorbeeld Haydn toch ook niet op dezelfde manier?
Maar Mendelssohn, Liszt, Reubke, Karg-Elert gooit men wel op een hoop. Want dat is ‘de Romantiek”. Dat gevoel voor onderscheid heeft men in Nederland wel beter door.


CONCERTLEVEN
Kun je iets vertellen over je ervaringen met het concertleven. Hoogte- en misschien ook dieptepunten.
Er zijn situaties waarbij je later tot de conclusie komt dat je goed gespeeld hebt maar dat toch alles doelloos, onnodig is geweest. Een middelmatig of slecht orgel een slechte akoestiek,een publiek dat niet reageert en zo; dat komt voor. Het komt vooral voor in Amerika, waar de akoestiek vaak heel slecht is of soms zelfs nul is. Dan heeft orgelmuziek eigenlijk weinig zin. Ik word daar dan niet warm van.
Een goede ruimte met een middelmatig orgel kan nog veel situaties opleveren waardoor men toch warm wordt, maar wanneer geen van beide deugen dan wordt het moeilijk.
En wat ik niet kan hebben is wanneer de optische componenten versterkt worden tijdens een concert. Er zijn dan monitoren in de kerk geplaatst met een videocamera bij de speeltafel. Dat vind ik vreselijk.
De mensen verleren het luisteren en willen eigenlijk alleen maar kijken.
Het liefste speel ik hoog in de kerk. De mensen zijn dan gedwongen werkelijk te luisteren. Ze gaan dan tenslotte weg en moeten alleen via het luisteren bepalen of ze het goed of niet goed vonden. En dat vind ik de beste situatie.

AMERIKA
Heb je fraaie orgels bespeeld in Amerika
Ook in Amerika zijn enkele bijzonder fraaie orgels onder andere van Charles Fisk en John Brombough waarvoor je weliswaar lang moet reizen maar ze zijn er, bijvoorbeeld in Boston, Minneapolis. Dat waren fraaie belevenissen.

En in Oostenrijk
In de Dom van Linz staat sinds 1968 een Marcussen-orgel en een instrument wat ik ook bijzonder graag bespeel is het orgel in Bertelsdorf en Brixen is m’n lievelingsorgel. In Wenen staat een orgel van Hradetzki; het eerste orgel in Wenen met flexibele wind, misschien iets te veel flexibel; het heeft ongeveer 20 registers.

Wanneer je voor een concert wordt uitgenodigd komt dan ook de wens om een improvisatie?
Ja, die wens is er wel steeds bij. Ik doe het dan zo dat ik niet na een groot meesterwerk zoals dé Sonate van Reubke of de grand pièce symphonique van César Franck, ga improviseren. Wellicht daarvoor, maar zeker niet er na.
Op een oud orgel wil ik ook liever niet improviseren omdat ik mijn muzikale spraak niet wens op te geven. Ik geloof dat een historisch orgel dan beter via literatuur getoond kan worden dan dat ik dit via een stijlkopie-improvisatie doe.

In Haarlem heb je vaak aan de cursus mee gedaan. Later maakte je ook tweemaal deel uit van de jury. maar je vertelde me dat je ook verschillende keren met het vliegtuig overkwam om de improvisatiewedstrijd te volgen.
Toen ik bij Anton Heiler studeerde waren zijn leerlingen zeer op hem gefixeerd. Men had alleen les van Heiler, men ging niet ergens anders naar toe. Dat is nu heel anders.
We gingen dan met Heiler mee naar Haarlem, alhoewel we het hele jaar ook les van hem hadden. We deden er een cursus bij van Gustav Leonhardt of Tagliavini. Ik heb acht jaren bij Anton Heiler gestudeerd en in die jaren ook Holland goed leren kennen.
Toen ik zeventien jaar was heb ik ook een improvisatiecursus bij Cor Kee gevolgd in Haarlem.
Hij had mij 10 dagen lang gedwongen om een trio en een trio fuga te maken. Heel streng was dat. Iedere dag moesten we weer verder en steeds beter; het tegendeel eigenlijk wat we nu hier gedaan hebben. Maar dat was bijzonder goed voor mij. Ik heb toen konsekwent de improvisatie moeten oefenen; ik geloof ook dat het de enige keer was dat ik improvisatie geoefend heb toen in Haarlem. Veel, ik geloof
ver boven de vijftig procent heb ik pas later door ervaring en luisteren me bijgebracht. Door reizen en zelf concerteren en het luisteren naar deelnemers te Haarlem waar ik veel mensen heb horen spelen.
In het begin begreep ik niet dat men zo analytisch kon improviseren. In Oostenrijk improviseert men veel meer harmonisch met periodebouw enzovoort. Maar dat men uit een thema drie noten kiest en ergens anders weer drie noten zoals Piet Kee en ook zijn leerlingen Jan Jongepier en eh... Jan Raas en Jos van der Kooy, dat was zeg maar nieuw voor mij.
Ik herinner me nog heel goed hoe Arie J. Keijzer in 1964 toen ik voor ‘t eerst in Haarlem was een hele sterke indruk op me heeft gemaakt. Hij won toen. Heden weet ik nog steeds precies hoe hij het thema had geanalyseerd en geharmoniseerd tijdens het spelen. Het was een hele belangrijke indruk.
Heiler zat naast mij. Arie J. Keijzer was de vijfde en de laatste speler en er moest een sonate worden gemaakt met een gecompliceerd thema.
De andere deelnemers hadden allen het thema geharmoniseerd en konden niet voldoende onthouden, niet markeren, hoe ze dit thema hadden geharmoniseerd.
Arie J. Keijzer had eenvoudigweg twee tonen in het pedaal genomen en alle andere tonen in de rechterhand snel gespeeld. Dat kon hij in het verloop van de sonate meermalen herhalen. En Heiler die naast me zat zei: “Precies, zo moet je het doen, zo moet het, anders gaat het niet”.
Wezenlijke improvisatie-indrukken waren dat. Het was een belangrijke as in mijn ontwikkeling.

Hoe ben je met bet orgel in aanraking gekomen?
Als klein kind improviseerde ik al veel op de piano.
Mijn grootvader nam me een keer mee naar een orgel en ik heb daar toen fijn op kunnen spelen. Er was in de familie ook een orgelbouwer, die pneumatische en elektrische orgels bouwde en zo. In zijn werkplaats had hij steeds half afgebouwde orgels staan. Iedere zaterdagmiddag heb ik daar als acht-negen-tienjarige jongen zo’n twee uur een eind weg zitten improviseren. En zo ben ik steeds meer met orgels in aanraking gekomen.
Ik ben toen begonnen schoolmissen te spelen op de school.
Later besloot mijn vader dat ik les moest gaan volgen bij Anton Heiler. Eigenlijk wilde hij niet dat ik organist zou worden. Ja, ik kwam dan bij Anton Heiler want die was all-round, kon dirigeren, componeren. improviseren, begeleiden, ja hij kon alles. Hij heeft - en dat is misschien niet iedereen bekend - jarenlang het “Collegium für Zeitgenössische Musik” in Wenen geleid, als dirigent. En dat was ook het motief om bij hem les te nemen. En toch ben ik uiteindelijk organist geworden.

Heb je hobbies
Orkesten dirigeren is de laatste tijd wel een hobby aan het worden, alhoewel het ook bij mijn beroep behoort. Verder reis, en lees graag en heb ik thuis een hele verzameling vliegtuigjes staan.

Je bent geen /iefhebber van Reger, heb ik begrepen. Waarom niet?
Ah... (en lacht verrast), dat is schijnpolyfonie, dat is niet eerlijk. Ik houd wel van Romantiek, hoor, maar prefereerdan Karg-Eler. Dat is interessanter, harmonischer en niet zo dominant.
Zijn ‘Kathedral Fenster’ bijvoorbeeld wat een verzameling van improvisaties is, vind ik boeiend. Steeds laat hij het koraalvoorspel in een nieuwe vorm horen, heel creatief. Interessant zijn ook zijn Opus 65 naar Bach en zijn “Jesu meine Freude”.

Hebt u Klaas Bolt horen spelen?
Ja, van hem heb ik geleerd dat begeleiden van de gemeentezang zo belangrijk is. Je kunt daar urenlang over praten, in wikken en wegen. Eigenlijk moet je in gemeentezang niet zoveel improviseren. Ik ken ook veel Japanners die vaak in Holland naar hem kwamen luisteren. Klaas Bolt speelde en zong met hen liederen. Op die manier ben ik er ook mee in aanraking gekomen.