De orgelgeschiedenis van de Hervormde kerk te Arnemuiden, uitmondend in een nieuw Van Vulpen orgel

Op vrijdag, 1 juni 1990 's avonds om half acht werd het nieuwe Van Vulpen-orgel overgedragen aan en in gebruik genomen door de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk te Arnemuiden.
Het orgel werd door Rudi van Straten, één van de twee adviseurs, gepresenteerd. De andere adviseur was Klaas Bolt, die echter op 11 april was overleden. Dit instrument werd zo Bolts laatste nieuwbouwproject.
De kerk te Arnemuiden kent een bewogen orgelhistorie die in deze bespreking dan ook een ruime plaats krijgt toegemeten.
In de bescheiden ruimte van deze kerk prijkt nu hoogstand en gedragen door een stijlvolle verhoging op de gaanderij een 'echt' nieuw orgel dat er zijn mag.

Orgelhistorie
Zeker drie maal werd in de Nederlands Hervormde Kerk te Arnemuiden een orgel gesloopt. De eerste keer was dat in het jaar 1707. De balgen en de pijpen uit het binnenwerk werden aan ene David Sandra voor £ 25 verkocht. Het overige werd voor £ 5:16:10 enkele jaren later te gelde gemaakt. In de kerk te Arnemuiden brak toen een orgelloos tijdperk aan van 88 jaar.
Op 6 augustus 1795 werd evenwel door Mr. Daniel Radermacher, Ambagts Heer van Nieuwerkerk, een brief geschreven waarin hij de gemeente een flink kamerpijporgel als geschenk aanbood, met het doel dit te plaatsen in de kerkruimte. Dit genereus aanbod werd aanvaard en op 17 april 1796 werd dit orgel ingewijd door Ds. Jacobus Hoek.
Het instrument kreeg een plaats tegenover de kansel, boven de ingang.
Reparaties volgden in de loop der jaren tot het in april 1935 weer noodzakelijk werd om het orgel onder handen te nemen. Ditmaal verliep het noodlottig : Ondanks dat men de orgeltrappers voor hun verdiensten bedankte en overging tot het aanbrengen van een motor die de wind opwekte bleek de gewenste verbetering uit te blijven, volgens de bestuurders.
Anderhalf jaar later was de maat vol: er werd op 23 oktober 1937 een orgelfonds opgericht .
In 1941 werd een ledenvergadering gehouden die tot gevolg had dat binnen enkele weken een zodanig bedrag verzameld was dat een nieuw orgel in het verschiet lag. En zo kon het gebeuren dat na 145 jaar dienst een tweede orgel werd gesloopt. Jammer. Door de firma Spiering uit Dordrecht werd het overgenomen. Het spoor van dit naamloze waardevolle(?) instrument loopt uiteindelijk daar dood.

1942. Een Spiering-orgel
In het oorlogsjaar 1942 werd op 18 januari het 'nieuwe' orgel in gebruik genomen. Het was geen nieuw instrument want Spiering had uit onderdelen van diverse makelij en leeftijd een instrument geassembleerd met de volgende dispositie:

HOOFDWERK
Praestant 8'
Bourdon 16' b/d
Roerfluit 8'
Viola di Gamba 8'
Octaaf 4'
Quint 3'
Octaaf 2'
Mixtuur IV
Trompet 8'

BOVENWERK
Vioolprestant 8'
Salicionaal 8'
Holpijp 8'
Openfluit 4' (feitelijk grotendeels gedekt)
Picolo 2'
Sesquialter II doorlopend 2 2/3 en 13/5

PEDAAL
Subbas 16'
Bas van hout

Pedaalkoppel
Klavierkoppel
Tremblant

De frontbreedte van het door Spiering geleverde orgel werd van 3.60 m. verbreed tot ca. 6.10 m. waardoor het gehele orgelbalkon in beslag werd genomen. In de rechterzijwand bevonden zich de twee manualen en pedaal. De kas had geen dak en geen achterwand. De aanleg van de windtoevoer en het speelmechaniek is naar 19e eeuwse traditie. Onderin de kas bevond zich de grote magazijnbalg, daarboven het wellenraam en de windlade van het hoofdwerk en bovenwerk. De makelij rechtvaardigt voor wellenraam en windladen een datering rond 1850. De registers waren voorzien van porseleinen naamplaatjes. Enkele pijpen van de Prestant 8' en de Bourdon 16' stonden in het front en waren van zink.

Pijpwerk
Het pijpwerk was van zeer uiteenlopende makelij, kwaliteit en leeftijd.
Zo bevonden zich in de Openfluit van het Bovenwerk een vijftiental gedekte pijpen dat volgens het rapport van de Orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk, gedateerd 16 april 1985, 'onmiskenbaar' van de hand van de beroemde orgelmaker Appolonius Bosch is. Bosch werkte omstreeks 1700 in ons land. Van hem bleef slechts weinig werk bewaard'.
Deze enkele waardevolle pijpen zijn uiteindelijk terecht gekomen bij de orgelmakers Van Vulpen die dit orgel bij de bouw van het uiteindelijke nieuwe instrument voor f. 12.000,-- hebben overgenomen.
Het pijpwerk van de Mixtuur en van de tonen C" t/m f'' van de Openfluit is in het recente verleden geplaatst door de firma Nijsse te Wolphaartsdijk. Het overgrote deel van het pijpwerk dateert uit de periode 1890-1941 en is van fabrieksmatige makelij, maar in diverse registers bevonden zich pijpen 'van hoge ouderdom'. Zo zijn enkele pijpen uit een Cornet bewaard en enkele pijpen van prestantmensuur'.


Lade-indeling (Orgel 1942)
De indeling van de lade van het vorige orgel in de N.H. kerk te Arnemuiden was veelvormig.
We lezen in het artikel: Een "nieuw" orgel, afkomstig uit het archief van het orgelcomité te Arnemuiden het volgende: 'Bij de plaatsing ondervond het een belangrijke uitbreiding door toevoeging van een paar nieuwe registers, terwijl de frontbreedte zal uitgebreid worden van 3.60 m. (sprekend front) tot ± 6.10 m.'
Deze uitbreiding heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat er voor een a-symmetrische cancel-ordening in de lade werd gekozen.
Vanuit de kerkruimte gezien stonden de laagste twaalf tonen (het groot oktaaf) chromatisch op de lade. De overige 42 hadden een symmetrische ordening, de tonen C° t/m f' stonden in twee torentjes van 9 tonen daartussen de tonen fis' t/m f'' in een piramideopstelling. De bovenwerklade had een volledige piramide-indeling. (zie foto)
De samensteller van het rapport van de Orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk, Aart van Beek, rapporteert hierover:
'Een definitieve toeschrijving kunnen wij niet doen, de lade-indeling van het hoofdwerk is nogal ongebruikelijk. De orgelmakers Schölgens, Van der Weijde en Van den Haspel te Rotterdam maakten wel laden met een op gelijke wijze geordend groot octaaf, doch zij deelden de overige tonen anders in'.

Oordeel
Het advies van Aart van Beek luidde uiteindelijk als volgt: citaat: 'Ons oordeel over de muzikale kwaliteiten van het instrument is zeer negatief. Een verklaring hiervoor is enerzijds de toepassing van veelsoortig pijpwerk dat grotendeels van voor een goede klank ongeschikte makelij is en anderzijds het geringe niveau van de orgelmakers Spiering. In het algemeen verkeerde de orgelbouw van ±1900 tot ± 1950 in een artistieke en ambachtelijke vervalperiode. De inbreng van de firma Nijsse in een recenter verleden is evenmin van niveau. De door dit bedrijf geplaatste Mixtuur is veel te luid voor dit orgel. De stemming is in het algemeen slecht.
Ons oordeel over de technische toestand van het orgel is eveneens negatief.
Weliswaar is het orgel bespeelbaar, doch de toestand van de windladen is niet optimaal en het mechaniek is zodanig afgesteld dat de speelaard uitermate zwaar is.
Wij adviseren U dan ook om binnen afzienbare tijd een nieuw instrument te doen bouwen.
Betreffende de plaatsing daarvan zijn er in theorie diverse mogelijkheden. Daar geen enkele zitplaats verloren mag gaan is het vrijwel uitgesloten dat een nieuw orgel op een andere dan de plaats van het huidige zal gezet kunnen worden. Het is in principe mogelijk om een orgel van min of meer gelijke structuur en grootte te realiseren met een beter klankbeeld en degelijker technische aanleg.
Hoewel dit niet kostenbesparend is, is er de mogelijkheid om de windladen opnieuw te gebruiken. Deze onderdelen dienen dan grondig te worden gerestaureerd. Het hergebruik van het pijpwerk achten wij niet raadzaam.
Alle delen van historische waarde die niet opnieuw gebruikt worden zouden aan het Nationaal Orgelmuseum te Elburg in bruikleen gegeven of geschonken kunnen worden.
Uitgaande van de te uwent gebruikelijke zangpraktijk stellen wij ons voor dat een nieuw orgel een brede, draagkrachtige klank krijgt voor het hoofdwerk en een milde klank voor het bovenwerk. De dispositie van het hoofdwerk dient naast het vereiste plenum voorzien te zijn van een Bourdon 16', een Cornet en een Trompet 8'.
De dispositie van het Bovenwerk kan het beste worden gebaseerd op een Praestant 4', aangevuld met een fluitenkoor, een enkele strijker en eventueel een tongwerk. Voor een "Vrij Pedaal" is niet veel ruimte beschikbaar.
Naast een Subbas zou een sonore, niet luide Bazuin 16' zeer wenselijk zijn.
Een orgel met 18 registers is gemiddeld van een voldoende grootte.
De structuur van het gewelf is zodanig dat ook in een volbezet kerkgebouw de orgelklank zich goed kan ontwikkelen.
Zo U ons advies een nieuw orgel te doen bouwen wilt willen volgen raden wij U aan om een ervaren adviseur in de arm te nemen die in samenwerking met een door U in te stellen commissie de zaak ter hand neemt.
Het is de taak van de adviseur om enkele excursies met deze commissie te ondernemen en zodoende tot een principiële keuze te komen. Vervolgens stelt hij een plan op, op basis waarvan een twee- of drietal orgelmakers een offerte indienen. Hij beoordeelt de offertes en zal samen met de commissie Uw college een aanbeveling doen.'

Het uiterlijk
Aan, het fraaie front is veel aandacht besteed. Er was ook enige tijd sprake van om de kast te schilderen maar nadat bleek dat dit geen kosten bespaarde is gekozen voor 2 x gerookt eiken.
Het orgel is mooi van maatvoering evenals de balustrade die ook van massief kwartiers gezaagd eikenhout is en die eveneens werd vervaardigd door de Fa, Van Vulpen. Het kwartiers zagen kost meer hout, maar voorkomt overmatige krimp (zie elders in tekst).
De smaak van Klaas Bolt is mijns inziens in de figuratieve vormgeving duidelijk bespeurbaar. Bolt hechtte in de loop der tijd steeds meer aan een rijk versierd en opgetooid front. Het uiterlijk dient in overeenstemming te zijn met het innerlijk. Welnu aan zijn wens is ruimschoots gestalte gegeven. Kosten noch moeite zijn bespaard. Zo is het snijwerk bijzonder fraai ontworpen en geheel met bladgoud belegd. Zowet het ontwerp als het steken van het hout is in eigen huis door de Fa. Van Vulpen gebeurd.

Bladgoud
Dat men uiteindelijk voor bladgoud koos in plaats van een goedkopere oplossing was een goede keuze. Het geheel vormt zo een gave eenheid. Opvallend maar smaakvol is het gegeven dat de stijlen tussen de pedaaltorens en de hoofdkas niet verguld zijn. De groeven van de stijlen zijn wet alle met bladgoud belegd evenals al het snijwerk. Er is een afweging gemaakt tussen de mogelijkheid om bladgoud te gebruiken of een pasta. De nadelen van deze imitatiegoudkleur zijn groot. Zo wordt het na een aantal jaren zwart, waardoor het opnieuw moet worden aangebracht. Het blijft immers imitatie. Wanneer deze pasta is aangebracht op het snijwerk kan in wezen geen bladgoud meer worden toegepast. De pasta moet dan worden verwijderd, het snijwerk gerei nigd, enzovoort. Ook de labia van de frontpijpen zijn van bladgoud voorzien.

Klavieren
De twee staartklavieren zijn van eiken. Het toetsbeleg is been voor de ondertoetsen en ebben voorde boventoetsen. Het basishout is eiken. de geprofileerde bakstukken zijn eveneens van ebbenhout evenals de klavierlijst en de registerknoppen en registerplaatjes. Er is een schuifkoppeling.
Het orgel speelt voortreffelijk. Het mechaniek is niet ingevoerd* maar functioneert zonder noemenswaardige (bij)geluiden. Het is een fraai gezicht om (als speler) je aan beide zijden als 't ware 'omarmd' te zien door de majestueuze klassieke ronde basementen van de pedaaltorens en boven je hoofd het eveneens barok-klassieke front te zien in golf- en hoekbeweging. Daarboven klinkt het orgel bij de klavieren ook nog eens uitstekend.

Over windladen, windvoorziening, abstracten, panelen en gebruikte houtsoorten
De windladen zijn van massief eiken evenals de wellenborden, de wellen, dokken en armen. De abstracten zijn van grenen terwijl aan de uiteinden deze abstracten belijmd zijn en omwonden met touw. Ten tijde van Arp Schnitger werd in orgels als praktisch enige houtsoort eiken gebruikt. Daarna werd voor de abstracten grenen gekozen omdat deze houtsoort taaier en lichter is dan eiken. Dit grenen moet overigens wel rechtdradig zijn met een fijne nerf. Is dit niet het geval en lopen de nerven krom dan trekken op den duur ook de abstracten krom. Er zijn ook orgelbouwers (Leeflang bijvoorbeeld die red ceder voor hun abstracten en ventielen gebruiken. De reden is dat red ceder nog lichter is, en met name in de jaren zestig gold: hoe lichter materiaal voor de mechaniek, hoe beter. Ook wordt eiken voor abstracten gebruikt (Reil).
Het hout dat voor windladen wordt gebruikt was tot zo'n honderd jaar geleden uitsluitend eiken. Daarna werden de kerkruimten anders verwarmd, waardoor de massieve eiken delen en met name de afdekdelen, de boven- en onderkant van de windlade veel meer begonnen te werken. Daardoor word de lade kapot gestookt. Talloze restauraties waren hiervan het gevolg. Thans gebruikt men voor de boven en onderzijde van de windlade dan ook altijd mahoniehout dat in een oneven aantal (meestal 50/7) 'kras' verlijmd is. De scheien en andere delen van de windlade zijn alle van eikenhout. Dit is dan bestand tegen de veel snellere afkoel- en opwarmtijd die de huidige verwarmingssystemen opleveren Al het eikenhout is zogenaamd kwartiers gezaagd dat wil zeggen uit het hart van de boom.
Er zijn z.g. vlammen in het hout kwartiers gezaagde planken, de jaarringen lopen bijna recht er staan z.g. spiegeltjes op het hout. Het hout wordt gezaagd uit de onderstammen. Er mogen geen kwasten inzitton, die veroorzaakt worden door de takken. Een dergelijke eik is ca. 150 jaar oud.
De panelen zijn opdokkend gemaakt waardoor deze panelen kunnen krimpen en (weer) uitzettén zonder dat er kieren komen. De panelen die in een groef vallen hebben eveneens een overlengte van ca. 1,3cm op 1 meter hout. De groef is uiteraard ook 1.3 cm. dieper, zodat ook hier geen kieren zullen ontstaan. Hout werkt niet in de lengte.

Windvoorziening
De wind wordt geleverd door een elektromotor met een spaanbalg (keilbalg) die in een ruimte schuin achter het orgel staat opgesteld. Er zijn geen regulateurs of schokbalgen. De balg is gemaakt van massief grenen met eiken scheppen. De winddruk is 78 mm.
De windkanalen zijn allo van massief eiken waarbij de verbindingen zijn gelijmd (messing groef) en omzwachteld met schaapsleer.
De conducten zijn alle van lood.
De stemming is 1/5 komma , enigszins gemodificeerd.
De registermechanieken zijn in vierkant staal uitgevoerd voor de wollen, en eiken voor de trekkers.

Tongwerken
De Trompot 8' is uitgevoerd met stevels (huisjes) en kopjes van eiken, de open messing kelen zijn niet beleerd.
De Bazuin 16' heeft wel belegde kelen namelijk van lood en leer. het lood zit overigens wel als beleg op de Trompet 8'. Evenals de Trompet 8' zijn de stevels en kopjes van eiken en zijn alle verlijmingen niet koud maar met een groef (zg. messinggroef) verlijmd.
Ook de windkanalen, de sponsels en de scheidingen in de windladen (de cancellen) zijn op deze manier verlijmd.
De stevels zijn van onderen smaller gemaakt (penvormig) en zo met dit smallere uiteinde op de stok gelijmd, waardoor er een maximale verbinding tot stand komt die niet uit elkaar gaat. Zeker in verband met stoken van belang.

Pulpeten
Het maken van pulpeten gebeurde op het werk. Een pulpeet is een zakje van dun leer om de opening in de ventielkast winddicht af te sluiten. Die opening is nodig om de trekdraden van de speelventielen door te laten.
Het verschil tussen aangeleverde pulpeten en op het werk gemaakte is dat de op het werk gemaakte pulpeten uit een strook leer komen. Met een mal, wordt op het ter plaatse nat gemaakte leer een vorm ingedrukt. Het leer wordt opgerekt en door het gat gedrukt en vervolgens wordt de strook leer rondom het gat met een hete strijkbout met boenderlijm vastgelijmd. Er wordt een draad doorheen gestoken en een rondje. Tenslotte wordt er op gelet dat het rondje en het zakje, dat met de draad mee op en neer gaat, geen overmatig lawaai maakt. Kortom, dit handwerk vereist het nodige gevoel van de maker.

Pijpwerk
Het pijpwerk staat in tertsopstelling, zoals het front laat zien op de lade.
Alle pijpen zijn naar boven toe dunner geschaafd. De klank wordt daardoor intensiever en dragender. Een nadeel van een pijp waarvan het gehele corpus dunwandig is (zoals we dit bijvoorbeeld bij pijpwerk van Van Oeckelen tegenkomen) is dat de toon slapper is. Ook ligt het gevaar van snel tremuleren (wauwelen) op de loer.
Bij Van Vulpen is een speciale schaafmachine ontwikkeld die het orgelmetaal schaaft aan de bovenzijde van het corpus. Zodoende worden de nadelen (niet stilstaan van de toon, wat trager op gang komende resonans) ondervangen, terwijl de voordelen (intensievere toon, o.a. omdat de buik en knopen anders in de pijp liggen) behouden blijven.
Overigens is er ook dunwandig pijpwerk dat prachtig klinkt, maar dat terzijde.
Door het dunner maken van de pijpwand bovenin het corpus, is het gewicht iets minder en daardoor is het risico dat de pijp door de voet zakt minder.
Door een goede legering van het orgelmetaal is het mogelijk dit te voorkomen.

Indruk
Na de uitvoerige beschrijving van de bouw en de bouwwijze van het instrument is een beschrijving van de indruk die het orgel qua klank maakt uiteraard een uitgemaakte zaak, maar tevens geen gemakkelijke.
Zo had en heb ik bij het feit dat faktuurlegering en mensurering van het pijpwerk is afgeleid van het Matthijs van Deventororgel in de Grote Kerk te Nijkerk enige moeite. Immers de twee kerkruimten en de twee kassen zijn zo verschillend dat dit op z'n minst invloed heeft op de klank. Dat heeft het ook. Maar om op dit punt kort te zijn, uiteindelijk heeft deze keuze voor het orgel te Arnemuiden tot een bijzonder fraai en origineel resultaat geleid.

Prestanten
De prestanten klinken fraai belijnd, helder en dragend. De prestant 4' klinkt wat te overheersend in de combinatie pr.8', pr.4' 02'. Ook de Quint 3' is luid. Deze prestanten geven het instrument een pregnant rank karakter. Een helderheid die de Arnemuidense kerkruimte maar net kan hebbon, maar juist dat hoeft iets.

Fluiten
En dan de fluiten die uit lood bestaan: heerlijke registers om te bespelen en te beluisteren. Uitermate boeiend om de prestant- en fluitklanken te combineren. Jammer dat het orgel maar twintig registers telt.
Ook jammer dat op het Bovenwerk niet een Dulciaan 8' is geplaatst. Wat mij betreft had daarvoor de Flageolet 1' het veld mogen ruimen. De reeds besproken helderheid van het instrument vraagt veel meer om een Dulciaan 8' dan nóg een klankspits. Redenen van financiële en praktische aard (stemmen) zullen hieraan ten grondslag hebben gelegen, maar het blijft jammer. Een reservering had ik wenselijker geacht.

Tongwerken
Niets dan lof voor de beide tongwerken. Voortreffelijk in aanspraak.
De Trompet 8' is een juweel. Uitgebalanceerd in klankopbouw. De niet beleerde kelen zorgen voor een schoon geluid. De tongen slaan op het lood en dat geeft een toon die bijzonder boeiend is. Een prachtige combinatie ook vormt de Trompet 8' met de Cornet.
Vanuit praktische gebruiksoverwegingen (met name ook vanwege het ontbreken van een derde tongwerk op het Bovenwerk), betreur ik het dat de adviseurs niet aangeraden hebben de Trompet 8' te delen in Bas en Discant.
Zeker vanwege de mensurering van de Cornet had zo'n deling effect kunnen hebben. Immers de Cornet in de discant, en de Trompet 8' in de Bas zouden een mooie eenheid vormen die nu nooit kan klinken. Een gemiste kans, temeer daar een simpele ingreep voldoende geweest was.

Cornet
Over de Cornet gesproken: inderdaad, de Cornet van Matthijs van Deventer heeft een enge fluit mensuur. Deze mensurering is te Arnemuiden overgenomen.
De Cornet te Arnemuiden is weliswaar bijzonder fraai maar mengt toch te weinig. Door het bijzonder karakter wat betreft mensurering kan deze Cornet ook in het plenum klinken, maar er is voor dat doel ook al een Sesquialter voorhanden. Daarom vind ik de keuze voor dit karakter van de Cornet een minder geslaagde. Men mist daardoor een smeuïge, milde maar toch sterke solostem, temeer daar men iets dergelijks ook al mist op het Bovenwerk. Maar de Trompet 8' vergoedt veel!

Het overig...
En ik heb het nog niet gehad over de Mixtuur die eveneens van kritiek verschoond kan blijven. Zo ook de Bazuin 16' met de donkere, omlijnde klank. De Subbas 16' klinkt daarentegen in het groot octaaf minder grondtonig, verder fraai. De tremulant is verrassend mooi. De Viola di Gamba 8', die niet in de dispositie te Nijkerk voorkomt, is functioneel. In een kerkdienst komen momenten voor waar dit register bijzonder goed werkt. Prima zo'n extra klankvenster.
Een orgel met een duidelijk gezicht zowel visueel als auditief. Geslaagd op alle fronten met hier en daar een lichte schaduwlijn, een schaduw die versterkt wordt door de ruimte. Jammer dat er gordijnen aanwezig zijn en dat de zerkenvloer tamelijk recent is ondergestort door beton. De gordijnen zouden vervangen kunnen worden door een ander soort zonwering bijv. luxaflex, in ieder geval een minder geluid-absorberend materiaal. Hierdoor zal dit orgel nog meer aan glans winnen. Hoewel, het instrument straalt het uiterlijk en innerlijk al meer dan voldoende uit.

Dispositie:

Hoofdwerk
Bourdon 16'
Prestant 8'
Holpijp 8'
Octaaf 4
Quint 3'
Octaaf 2'
Sesquialter 2 St
Cornet 4 st disc
Mixtuur 4-5 St
Trompet 8'

Bovenwerk
Prestant 4'
Viola di Gamba 8'
Holpijp 8'
Roerfluit 4' 
Nasard 3'
Woudfluit 2'
Flageolet 1'

Pedaal
Subbas 16'
Prestant 8'
Bazuin 16'

Manuaalomvang C t/m f"
Pedaalomvang C t/m d'
Koppelingen. H.W. - BW schuifkoppel
Ped. - H.W.
Ped. - B.W.
Tremulant op het Bovenwerk inliggend