Het Van Vulpen in Zuidhorn een bespreking 

Een nieuwbouw orgel van vijfentwintig stemmen trekt in de huidige tijd van ontkerkelijking sterk de aandacht. Omdat nog slechts sprake is van groei in de behoudende kerkgenootschappen, zal men daar dan ook voornamelijk die nieuwe orgels moeten zoeken. De gereformeerd vrijgemaakte kerk van Zuidhorn (Gr.) beschikt sinds drie jaar over een nieuw gebouw ‘De Rank’. Toen de bouw van de kerk voltooid was werd direct de orgelbouw ter hand genomen, hetgeen eind 1989 resulteerde in een kloek orgel dat met name geschikt is voor begeleiding van de gemeentezang.

Het specifieke uiterlijk springt op deze foto in het oog. Het eiken blinderingswerk bij de voeten en de uiteinden van de pijpen is ontworpen door de Zwitserse kunstenaar J. Bürgi.
De kas is witgeschilderd met als kontrast een rode bies en bladgoud naar ontwerp van L.P. Vasse. Fraai zijn ook de vergulde spitslabia.
Aan de zijkant is duidelijk de aftekening van de rode biezen te zien. De balustrade is in een fraaie aansluitende stijl ontworpen, hetgeen niet gezegd kan worden van de fantasieloze plafondprofilering met schroten, die ook de akoestiek nadelig beïnvloedt.

Op zondag 27 januari maakte schrijver dezes de morgendienst mee. Jan Roelof van Luit was de organist. Via zijn muzikale verrichtingen kon men uitstekend de klankwerking van het nieuwe instrument in combinatie met de gemeentezang beluisteren.

BOUWTRANT
Wanneer de lezer de bijgaande dispositie bestudeert zal opvallen dat op beide manualen tertsregisters zijn gedisponeerd. Tegelijkertijd valt op dat op het hoofdwerk de 16 voeten royaal vertegenwoordigd zijn in de vorm van de Bourdon 16’ en Fagot 16’. Eveneens vallen de beide mixturen op. Over het nagestreefde klankbeeld vermeldt het programmaboekje van het presentatieconcert op 20 januari 1990 door Jan Jongepier, de adviseur van dit orgel het volgende: "Uitgangspunt voor de klank van het orgel was een klankbeeld dat de gemeentezang zou kunnen dragen en leiden. Hiertoe is aansluiting gezocht bij maatvoering en makelij van orgels uit de bloeitijd van onze Nederlandse orgelbouw: de late 17e en vroege 18e eeuw. De pijpen zijn voor het overgrote deel van lood. De pijpen van de Subbas 16-voet zijn van eiken.
In de dispositie is rekening gehouden met de praktijk van de gemeentezang-begeleiding, maar ook met het spelen van literatuur vooral muziek voor de Eredienst. Door halvering van enkele stemmen is koraalspel met uitkomende stem op één klavier mogelijk".
Er zijn twee soorten tertsregisters gedisponeerd: op het Hoofdwerk vanuit 16-voet gedacht en op het Rugwerk vanuit 8-voet. Het Hoofdwerk kreeg een 16-voets tongwerk dat zowel bij koraal- als bij literatuurspel (basso-continuo-register) dienst kan bewijzen.
Het orgel is gestemd in de min 1/5 komma middentoonstemming, enigszins aangepast aan de meest voorkomende verlaagde tonen.
De meest reine tertsen zijn: f-a, c-e, d-fis, g-b, bes-d. Hoe verder van de hoofdtoonsoorten verwijderd, hoe minder rein de tertsen zijn.
De winddruk is 78 mm H20. De windvoorziening geschiedt d.m.v. een spaanbalg. (H20 is waterdruk. W.v.T.)
De bouwkosten bedroegen f. 500.000,--. Gezien de norm van f. 20. 000,-- per register een normaai bedrag, zeker ook gezien de royale dispositie.

GRONDTOONRIJK
Het orgel is zeer grondtoonrijk.
Het is zeker niet nodig om bij de Prestant 8’ ook een tweede acht voet (roerfluit) te trekken. Dit vanwege het probleem van ongewenste zwevingen.
Er waren inderdaad wat stemmingsverschillen te horen. Uiteraard zijn die kleine zwevingen ongewenst maar wellicht niet te vermijden bij volle kerken. De temperatuur loopt dan snel op.
Het orgel klonk bij een volle kerk wat mat en dichtgeslibd wat betreft de klankuitstraling. Wanneer je dan naar de dispositie kijkt om na te gaan hoe je dit via registreren kunt opvangen geeft de dispositie daarop niet zoveel mogelijkheden, temeer wanneer je ervaart dat alle tongwerken een forse ronde-, grondtonige klank hebben.
Alleen de Dulciaan 8’ is slanker van toon.

TWIJFEL
En hiermee bekroop me twijfel omtrent de doelmatigheid van deze zo bewust samengestelde dispositie. Wanneer men pretendeert zich zoveel mogelijk door de gemeentezang-begeleiding te laten leiden komt het vreemd over dat er geen Cornet is gedisponeerd.
Als ‘vervanger’ fungeert de tertiaan, maar die is toch meer bedoeld als verrijking van het plenum? Als registers voor het samenstellen van een solostem-registratie toch minder voor de hand liggend?
“Dan de Quintfiuit eens getrokken”, zo redeneerde ik na afloop van de dienst toen ik deze klankervaring wilde toetsen. Welnu, de Quintfluit is te zacht om de klank van de zeer fraaie maar ook zeer grondtoonrijke en volumineuze achtvoeten van het Rugwerk te verdragen. Met name de Dulciaan straalt luid de kerk in. Fraai; maar welke combinatie behalve de bijna tutti-registratie op het hoofdwerk is dan mogelijk? De cornet, wel of niet in combinatie met de Trompet op het hoofdwerk en grondstem(men) had wel een fraaie uitkomende stem opgeleverd. Jammer.
Dit gaat temeer klemmen wanneer je merkt dat in een volle kerk de klankwerking zodanig wordt tegengewerkt dat de diskant haar glans gaat verliezen maar de grondtonigheid daarentegen juist meer van zich doet horen.

UITKOMENDE STEM
Het meest voor de hand liggend is dan om te begeleiden met uitkomende stem.
Maar dat moet dan wel een krachtige uitkomende sten zijn, bij voorkeur op 16-voet basis.
Daardoor kun je niet veel kleuren op het hoofdwerk. De Trompet is als solostem te gebruiken, maar gecombineerd met de Quintfluit (een veel voorkomende combinatie met de Trompet) is de klankdynamiek te gering. Een Quint met prestantmensuur had hierbij betere diensten kunnen verlenen. De Octaaf 2’ is overigens bijzonder fraai, dus die zal er dan bij getrokken worden met eventueel de tertiaan. Maar nogmaals: ik vond dit geen echt bevredigende combinatie.
Kortom: Deze dispositie vergt bij een volle kerk heel wat registratiekunst. Is de kerk minder vol dan zijn er geen problemen.
Wellicht zullen er lezers zijn die stellen dat men toch als solocombinatie met de mixtuur een fraaie combinatie kan samenstellen. Natuurlijk kan dit. Mijn bedoeling van dit betoog is om aan te geven dat er binnen deze dispositie niet zo gek veel kleurrijkdom voorhanden is.

Beluistert men de registers afzonderlijk dan is men zonder meer tevreden.
De klank doet mij evenwel niet volledig authentiek aan. Om het kort te zeggen: De klank is in overeenstemming met het uiterlijk.
De aangepaste middentoonstemming beperkt (mij althans) in de muzikale mogelijkheden. De ruimte en de klank nodigden mij niet a-priori uit om te blijven spelen in het klankidioom zoals dit zich had ontwikkeld tot 1750.
Leent een Werckmeister- of desnoods een aangepaste Kirnberger-stemming zich nog net voor hedendaags improviseren; een middentoonstemming zoals bij dit orgel te Zuidhorn laat dit niet toe.
Gemist werd ook een Viola di Gamba 8’. Met name omdat de labiaalgrondstemmen alle zeer toonrijk en volumineus zijn zoals al gesteld.
Uiteraard voorziet de, in zich zeer fraaie Quintadeen, in het registreren van o.m. zacht spel.


TOT SLOT
Tot slot wil ik zeggen dat te Zuidhorn een fraai orgel staat.
De authentieke klank wordt m.i. niet gehaald. Ik vraag me af of Van Vulpen dit authentieke ook uiteindelijk heeft gewenst. Hoe dan ook: Naar mijn opvatting kunnen een Naber of een Bätz-orgel zoals te Harderwijk beter toegeruste orgels voor de gemeentezang genoemd worden, omdat men zich daar niet zo beperkt hoeft te voelen in de stilistische mogelijkheden
Trouwens gemeentezangorgels om die term te gebruiken zijn in Nederland naast de genoemde Bätz uiteraard door veel meer orgelmakers gebouwd. Om in het Noorden te blijven: ‘Hinsz’, de Van Dams. Een orgel als in de lmmanuelkerk te Ermelo bijvoorbeeld is toch ook een typisch gemeentezangorgel dat werd gebouwd in 1981 door Gebrs. Reil naar voorbeeld van het ‘Hinsz’-orgel te Tzum.
Waarom te Zuidhorn specifiek voor de 17e eeuw werd gekozen zal een persoonlijke keus van adviseur en Orgelcommissie zijn geweest. in hoeverre deze keuze zal (blijven) voldoen zal de kerkmuzikale praktijk te Zuidhorn leren.


LEGE KERK
Ben ik niet zo enthousiast over het functioneren van de orgelklank in een volle kerk; geheel anders wordt dit wanneer er sprake is van een lege en derhalve akoestisch veel beter klinkende kerk.
Pas dan komt het orgel qua klank tot volle ontplooiing. Na de kerkdienst speelde Roelof van Luit op fraaie wijze een fuga van Johann Sebastian Bach. Naarmate de kerk leegstroomde werd de klank van het orgel aangenamer, voller, rijker. Wat uiteindelijk toen als indruk bij mij overbleef was het gegeven dat dit instrument een metamorfose ondergaat zodra de kerkruimte meer nagalm geeft.
Het plenum met tongwerken klonk tijdens de fuga fraai en indrukwekkend. De totaalklank sloot uitstekend. Kortom: een aanwist als concertinstrument. Een concertinstrument met een heel typerend karakter dat de een sterk zal aanspreken en de ander wellicht minder zal ‘raken’ (vanwege het ‘Vulpiaanse’ karakter?)
Met name de literatuur tot 1750 zal er uitermate fraai en boeiend verklankt kunnen worden.


DISPOSITIE

HOOFDWERK  I, C-g3 RUG WERK,  II, C-g3 PEDAAL C-f1
Bourdon  16 vt Holpijp  8 vt Subbas  16 vt
Praestant  8 Vt Quintadeen 8 vt Praestant  8 vt
Roerfluit  8 vt Praestant  4 vt Octaaf  4 vt
Octaaf  4 Vt Roerfluit  4 vt Bazuin  16 vt
Gemshoorn  4 vt Octaaf  2 Vt Trompet  8 vt
Quintfluit  2 2/3 Vt Woudfluit  2 vt    
Octaaf  2 Vt Mixtuur  3-4 St    
Mixtuur  4-5-6 st (b/d) Sexquialter 2 St    
Tertiaan  2 St (b/d) Dulciaan  8 vt    
Fagot  16vt (b/d) Tremulant      
Trompet  8 vt (b/d)        
Tremulant          

Manuaalkoppel
2 pedaalkoppeis