Het Naber-orgel in de Grote Kerk te Sliedrecht opnieuw gerestaureerd


De feestelijke her-ingebruikneming van het gerestaureerde Naberorgel te Sliedrecht vond plaats op vrijdag 17 november. Sinds 1938 had het orgel niet meer zo mooi geklonken. De originele dispositie uit 1852 was hersteld en zelfs nog met een extra register, de Cornet, uitgebreid.
Die uitbreiding mag gezien de huidige normen voor (orgel)restauraties een uitzonderingsgeval genoemd worden, immers men wenst zich strikt te houden aan wat eens geweest is.

Orgels die bijvoorbeeld een aangehangen pedaal hebben worden om die reden dan ook bij een restauratie niet verrijkt met een vrij pedaal. Hoogstens treft men een voorziening, zoals bij het Bätz-orgel in de Grote Kerk te Harderwijk, waarbij middels inkepingen in de registertrekkers van de 16 voetige Hoofdwerkstemmen deze in het laagste gedeelte (tot kleine e) apart klinken. Het nadeel van een aangehangen pedaal wordt zo enigermate ondervangen. in het zojuist aangehaalde Bätz-orgel werkt dit mijns inziens niet tot volle tevredenheid; zeker wanneer je weet dat binnen de kas ruimte is om enkele zelfstandige pedaal-registers te plaatsen. Angst om een monument te verrijken is dan de drijfveer om van dergelijke mogelijkheden af te zien. Overigens is het Scheuer-orgel in Den Ham een voorbeeld waar wél zelfstandige pedaal-registers zijn gekomen bij de jongste restauratie.
Het Naber-orgel te Sliedrecht wijkt nog meer af van restauratienormen, namelijk vanwege het feit dat, gedeeltelijk om financiële redenen, niet is gekozen voor een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie van de oorspronkelijke staat: De moderne wijze van windlade-restauratie uit 1973, door Van den Heuvel, bleef grotendeels intact. Ook de opschuivingen met expressions uit 1883 is gehandhaafd.
De verdwenen oorspronkelijke doorslaande tongwerken van Naber uit 1850 (Trompet 8’ van het pedaal en de Dulciaan) zijn door opslaande tongwerken vervangen. Voor de kelen van de Bazuin en Fagot is een wijdere mensuur aangehouden.
Kortom enkele verschuivingen die van betekenis zijn voor de huidige gang van zaken rondom orgelrestauraties trof ik aan bij deze belangwekkende restauratie. Dat deze restauratieopzet van rijkswege wordt gesubsidieerd mag als een novum gezien worden. Een restauratie die door de firma Blank uit Herwijnen overigens met veel vakmanschap is uitgevoerd onder advies van Klaas Bolt namens de Orgelcommissie der Ned. Herv. Kerk en O.B. Wiersma, rijksadviseur.

Sliedrecht Beknopte geschiedenis van het orgel
1851/52: 12 september 1851: bestek en voorwaarden voor de bouw van het orgel door C.F.A. Naber te Deventer voor
f.6.750,--.
2e Kerstdag 1852: ingebruikname. In deze dienst werden tevens een nieuwe bijbel, een nieuw doopvont en de nieuw beschilderde preekstoel in gebruik genomen.

1883: Herstel en wijziging door J. van den Bijlaard te Utrecht .voor f. 1.252,--. Geen gegevens bekend. Vermoedelijk vonden toen de opschuivingen (1/2 toon wijder) in verschillende registers plaats en intonatiewijzigingen van sommige registers door opsnede-verhoging en het aanbrengen van kernsteken.
Mogelijk is toen ook de Mixtuur diskant vervangen door een Cornet 3 sterk en de Fagot 16 Vt. door een Cello 8 Vt. Op het bovenwerk werd een Fernflöte geplaatst, die later weer is vervangen door een Voix Céleste. Ook werden de discanten van de beide Prestant registers en van de Gamba vernieuwd.

1938: Restauratie door G. van Leeuwen te Leiderdorp voor f. 2.635,--. Op het bovenwerk een Mixtuur i.p.v. het Carillon, alsmede een nieuwe Dulciaan en nieuwe registerknoppen. Het orgel werd nu voorzien van een windmachine.

1954: Opnieuw een reparatie door Van Leeuwen:
Hoofdwerk: de Bourdon 16 vt. vervangen door een Sexquialter 3 sterk, de Cornet disc. (uit 1883?) vervangen door een nieuwe Mixtuur 4-6 sterk, de gehele Mixtuur thans op 8 Vt. basis, de Cello 8 Vt. (uit 1883?) vervangen door een Cymbel 3 sterk, de Trompet vernieuwd.
Bovenwerk: de Voix Céleste vermaakt tot een Quint 11/3 Vt.
Pedaal: de Trompet 8 Vt. vervangen door een Trompet 4 Vt.
Nieuwe frontpijpen met afwijkende spitslabia.

1973: lngrijpende restauratie door J.L. van den Heuvel te Dordrecht voor f.38.895,-- (offertes van Blank en van Pels & Van Leeuwen rond de f.61.000,--). De Quint 1 1/3 vt. vervangen door een Carillon 3 sterk.

1986: Toenemende klachten over het functioneren van het instrument. Rapport van de Orgelcommissie der Ned. Herv. Kerk: het speelmechaniek functioneert gebrekkig, een deel van het pijpwerk is sterk beschadigd of zelfs sterk vervormd, een stabiele stemming is onmogelijk. De intonatie laat zeer veel te wensen over. Herstelwerkzaamheden dienen door een zeer kundige orgelmaker te worden uitgevoerd.

1989: lngrijpende restauratie door S.F. Blank te Herwijnen. Adviseur namens de Orgelcommissie der Ned. Herv. Kerk: Klaas Bolt, rijksadviseur: O.B. Wiersma.
Herstel van de dispositie Naber met toevoeging van een Cornet 4 sterk, nieuwe tinnen frontpijpen met opgeworpen labia (Prestant hoofdwerk bas en Prestant bovenwerk bas), doch met handhaving van de opschuivingen uit 1883.
Nieuwe registers: zie dispositie.
Volledige revisie en reconstructie van het speelmechaniek, gedeeltelijk herstel van de windladen en de windvoorziening.
Totale kosten Ca. f.350.000,--.

Detaillering bij de restauratie, geciteerd uit de rapportage van Klaas Bolt, Haarlem

Orgelkas
De zwakke draagconstructie van het bovenwerk werd versterkt door een onder de lade aangebrachte dwarsligger, aan de frontzijde rustend op een nieuwe staander.
Het nog oorspronkelijke witte schilderwerk werd schoongemaakt en bijgewerkt en verguld door W. v.d.Berg te Lienden.

Windvoorziening
De eerste en de tweede balg zijn van elkaar losgekoppeld, de derde balg is wederom aangesloten. Elke balg verkreeg zijn eigen regulering.
De winddruk bedraagt 72 mm.
Er werd een nieuwe opliggende tremulant voor het bovenwerk gemaakt en een nieuwe windmotor geïnstalleerd.

Windladen
In 1973 zijn aan de onderzijde der windladen de sponsels vervangen door linnen, aan de bovenzijde door een plaat + linnen + ringen; dit alles bleef gehandhaafd.
De in 1973 losgemaakte ventielen zijn weer als staartventielen bevestigd en de uitgezaagde stukjes voorde achterstiften zijn weer dicht gemaakt.
De voorstiften zijn vervangen door geleidestiften tussen de toetsen.
De ventielen zijn opnieuw beleerd, de ventielkast is van nieuw leder voorzien en er zijn weer pulpeten aangebracht.
De vervoerstokken voor de frontpijpen zijn weer benut en gecompleteerd.

Klaviatuur en tractuur
De zwakke winkelhaken uit 1973 zijn vervangen door nieuwe van metaal in de nog aanwezige winkelhaakregels van Naber.
Er is een nieuw voetklavier aangebracht volgens wijdere Nabermensuur op het pedaalwellenbord. Hierbij zijn de verplaatste welarmen weer teruggezet.
De in 1973 tevoorschijn gehaalde en bijgewerkte registernamen in neo-gotisch letterschrift op de kas, al dan niet origineel van Naber, zijn buiten medeweten van de adviseur, door een nieuwe verflaag bedekt en er zijn nieuwe registernaamplaatjes gemaakt.
Mogelijk hebben de registerknoppen tijdelijk porseleinen plaatjes bezeten (1883?)

Pijpwerk
Nieuwe sprekende frontpijpen in de twee buitenste torens en aansluitende tussenvelden voor de Prestant 8 Vt. van het hoofdwerk en in de drie binnenste torens en in de bovenste tussenvelden (5 pijpen) voor de Prestant 8 Vt. van het bovenwerk. De voeten van de pijpen in de torens zijn met tinnen binnenvoeten versterkt.
De discanten van de beide Prestanten staan op de windlade en bestaan uit pijpwerk van v.d. Bijlaard, 1883.
Ook de discant van de Gamba en enkele pijpen in het klein-octaaf blijken van V.d. Bijlaard te zijn.
Naber:
tooninscripties voorop ingeritste onderlabia
V.d. Bijlaard:
tooninscripties opzij
bijgedrukte onderlabia

In de loop der tijd zijn extra kernsteken aangebracht en zijn opsneden verhoogd, zoals in de Prestant hoofdwerk en de Ciskant van de Holpijp.
Tevens zijn voetopeningen verkleind.
De kernsteken en pijpvoetopeningen zijn zoveel mogelijk gecorrigeerd, de verschuivingen in prestant- en fluitregisters met bijbehorende stemkrullen (expressions) bleven gehandhaafd.(...) De pijpen van de Mixtuur zijn niet opgeschoven waardoor de mensuratie van dit register naar verhouding iets enger is, hetgeen duidelijk in de kiank waarneembaar is.
Enige originele mixtuurpijpen uit de diskant waren in de bas beland, zij zijn teruggefloten.

De samenstelling van de Mixtuur is:

C: 2 - 1 1/3 - 1 - 2/3
c : 2 2/3 - 2 - 1 1/3 - 1 - 1 
c1 : 4 - 2 2/3 - 2 2/3 - 2 - 2 - 1 1/3
c2 : 5 1/3 - 4 - 4 - 2 2/3 - 2 2/3 - 2
c3 :5 1/3 - 5 1/3 - 4 - 4 - 2 2/3 - 2 2/3

De nieuwe registers Trompet hoofdwerk, Fagot, Dulciaan, Cornet, Carillon en Quintfluit zijn vervaardigd volgens de overeenkomstige registers in het Naber-orgel uit 1845 in de Joriskerk van Amersfoort en naar aanwezige fluitmensuren.
De Bazuin werd voorzien van nieuwe bredere kelen en tongen, de oude werden gebruikt voor de nieuwe Fagot 16 vt. De tongwerken zijn niet beleerd, behalve de Fagot is beleerd van C - f
Het klein-octaaf van de Trompet 8 Vt. van het pedaal werd voorzien van de oude bekers, die waren benut voor de Trompet 4 vt.

Aan het begin van de restauratie word besloten om alsnog de Bourdon 16 Vt. te reconstrueren. De op deze plaats gedachte en aan de oorspronkelijke dispositie toe te voegen Cornet 4 sterk werd via een kantsleep op een verhoogde bank geplaatst.

De toonhoogte ligt iets boven a-440.’


INDRUK

Het orgel bezit een boeiend klankpalet zowel in forse registraties als in de soloregisters. Hoewel ik de keuze van Naber om doublures in registers, zoals de Prestant 8’ in het bovenwerk en de Fluit d’ Amour 4’ in het hoofdwerk, niet altijd een optimale benutting van klankkleur vind. Maar dat is een vaststaand gegeven. Lastig voor de intonateur en adviseurs om de veelal subtiele klankverschillen tussen de registers van het hoofd- en bovenwerk tot uiting te laten komen; dat wel.
Maar dat is volledig gelukt.
De Prestant 8’ van het hoofdwerk klinkt vol, mollig, daarentegen is de Prestant 8’ in het bovenwerk meer strijkend maar evengoed intens van karakter.
De nieuwe Cornet is prachtig; een bijzonder mooie mengende toonkwaliteit.
Do Holpijp is fluwelig. De Fluitd’ Amour belijnder en ronder dan de meer snijdender Fluit 4’ van het bovenwerk.
De Mixtuur 4-6 sterk is uitermate fraai.
De Quintfluit 3’ mengt prachtig en is even sterk zo niet sterker dan de Quint op het hoofdwerk. De Woudfluit vond ik verrassend slank. De Viola is mooi ook in de bas hoewel de C en D wat traag zijn en nog enkele tonen in de bas een hinderlijk bijgeluidje gaven.
Bij de octaven 4’ zet ik wat betreft klankkarakter een vraagteken. Is de klankkleur werkelijk zo wijd en week; zo bijna als een fluit 4’ bedoeld? Ik betwijfel dit sterk. De opschuivingen zuilen aan deze wekere klank van de Octaven 4’ debet zijn. Die opschuivingen hadden bij de Octaven dan ook beter ongedaan gemaakt kunnen worden, zoals bij de Mixtuur.
De opliggende tremulant is fraai maar maakt een bijgeluid dat met name voor de bespeler hinderlijk werkt. De beide werken klinken uitstekend in balans.

Over de tongwerken in het algemeen en de Pedaaltrompet in ‘t bijzonder.
Voor de nieuw gemaakte tongwerken veel lof, hoewel de pedaaltrompet te zuidelijk klinkt. Daardoor onderscheidt deze Trompet zich overigens fraai van de overige tongwerken maar dit kan geen doel op zich zijn. Blijft staan dat de Pedaaltrompet uitstekend solo is te gebruiken tegenover allerlei al tamelijk forse registraties in de manualen. Zo trok ik ondermeer de combinatie
HW = Trompet + Oct. 4’
BW = Dulciaan + Oct. 4’
Ped. Trompet (als drager van een koraalmelodie)
De manualen waren, zowel in triospel als in aparte werken - maar dan meerstemmig bespeeld - uitstekend in balans.
Kortom: Het timbre van de pedaaltrompet vind ik te zuidelijk en te scherp; te benauwd zo men wil, waardoor de klank op den duur te penetrant wordt en daardoor minder gaat boeien.
Blijft dat de dynamische inschatting goed is. In allerlei combinaties is de Pedaaltrompet te gebruiken.
Blijft ook dat Naber bij dit Sliedrechtse orgel de tongwerken oorspronkelijk doorslaand had gemaakt. Orgelbouwers beheersen het maken van doorslaande tongwerken klaarblijkelijk minder. Er is in ieder geval gekozen voor opslaande tongwerken. In dit licht is de klank van de Pedaaltrompet te fel uitgevallen.

Laten we nu de overige Tongwerken wat meer summier de revue passeren, maar niet dan eerst de Trompet en Fagot van het hoofdwerk nog lof te geven: zo fraai en uitnodigend tot bespeling zijn deze registers.
Een geprobeerde combinatie:
BW: Pr. 8 - Oct. 4’
HW: Tr. 8 eventueel met Oct. 4 of Fl. 4’
Ped. Sub. 16 - met een van beide Labiaal 8’
Enfin: er zijn vele combinaties rond de tongwerken denkbaar zoals rond do Fagot 16:
HW Fag. 16 - Hp.8-Pr.8-O.4 BW Dulc. - Rfl.8’ - Fl. 4’
Ped. Trompet
Ondanks deze stevige combinaties in de bas (l.h. op het hoofdwerk) klinkt de Pedaaltrompet prima navolgbaar.
De Bazuin klinkt fors en rond.
De Dulciaan klinkt romantisch en liefelijk, en sluit beter aan bij de klank die we bij Naber ons voorstellen dan de penetrante klank van de pedaaltrompet.
De speelaard is zeker gezien de grootte van hot instrument en de zijkantbespeling prettig en inspirerend, een predikaat dat overigens voor de gehele faktuur van toepassing kan zijn.


Dispositie:

Hoofdklavier  C - f3  
Prestant  8' disc 1883, bas 1989
Bourdon 16' 1989
Cornet D  4 St. 1989
Holpijp 8'  
Octaaf 4'  
Fluit d’Amour 4'  
Quint 3'  
Octaaf 2'  
Mixtuur  4-6 St. disc 1989
Fagot 16' 1989
Trompet B/D 8' 1989
Bovenklavier  C - f3  
Prestant 8' disc 1883, bas 1989
Viola da Gamba 8' disc 1883
Roerfluit 8'  
Octaaf 4'  
Fluit 4'  
Quintfiuit 3' 1989
Woudfluit 2'  
Carillon D  3 st. 1989
Dulciaan B/D 8' 1989
Pedaal  C - d1  
Subbas 16vt.  
Prestant  8 Vt.  
Holpijp 8 Vt  
Octaat 4 Vt.  
Bazuin  16 vt. (kelen 1989)
Trompet  8 Vt.  (1989) 

Koppeling I + II en Ped. +1
Oorspronkelijk 5 keilbalgen thans 3 in werking 
Toonhoogte a-440 
Winddruk 72 mm.

Mixtuur 
C: 2 vt.
c: 2 2/3 Vt.
c':4 Vt.
c'' 5 1/3 Vt.


NABER: Persoon en werk
in 1826 vestigde Carl Friedrich August Naber zich als zelfstandig orgel maker in Deventer. Rond 1840 werkte Naber enige tijd samen met Georg Heinrich Wilhelm Quellhorst. Wanneer een opdracht naar een concurrent verdween kon hij dit soms niet hebben en reageerde hij venijnig; zeker wanneer de redenen hem niet goed voorkwamen, zoals bij de inschrijving voor het orgel in de Grote Kerk te Deventer. Daar kreeg Holtgrave de opdracht omdat hij lager had ingeschreven.
Naber heeft twee grote drie-manualige orgels gemaakt te weten in Apeldoorn en Amersfoort. De meeste van Nabers orgels hebben geen vrij pedaal. Alleen de grotere twee-manualige instrumenten, zoals in Winterswijk, Heusden, Raamsdonk en Delden, hebben een vrij pedaal.
Wat betreft dispositie en klank valt er een verschuiving te signaleren naar grotere accentuering van grondtonigheid.
De instrumenten worden weker van klank dan de achttiende eeuwse orgels. Naber verplichtte zich in zijn in fraai handschrift
geschreven bestekken de registers ‘elk naar zijnen aard, krachtig doch tevens mollig en lieflijk te intoneren en naar de tegenwoordige in Gebruik zijnde gelijkzwevende temperatuur in goede Harmonie op Orchesttoon te stemmen’. (Geciteerd ult: Drs. J.F. van Os, Langs Nederlandse Orgels. Overijssel en Gelderland blz. 48, Baarn, 1978).
Typerend voor de stijl van Naber mag ook worden genoemd zijn doublures in fluitstemmen. Het tweede manuaal, meestal bovenwerk is een afschaduwing van het hoofdwerk. De mixtuur vaak laag van mensurering.
In het algemeen ziet men dat alles wat ongewoon is, zowel in uiterlijk als in klank door Naber ongewenst is. Hij stond daarin niet alleen overigens. Maar hij was wel een toonaangevende orgelmaker waarvan zijn indrukwekkende productie van instrumenten zoals de nu volgende opsomming laat zien, nog heden ten dage getuigt: (Eveneens geciteerd uit het zojuist aangehaalde boek van Drs J.F. van Os, waar overigens het Sliedrechtse orgel niet in voorkomt pp. 47-48).

orgels: Terwolde* (1827), Apeldoorn (1828, uitbreiding orgel uit 1780), Zaltbommel R.K. St. Martinus (1831), Dinxperlo (1831, verbouwing), Bredevoort* (1834 met oud Westfaals pijpwerk), Winterswijk (1834, grote verbouwingen in 1911 en 1972, het onderpositief is nu rugwerk), Raalte (1836, thans in Warnsveld), Rijssen R.K. St. Dionysius (1838, verdwenen), Heusden (1840, in 1944 door oorlogsgeweld verloren), Orgel voor Paramaribo (1840, niet geplaatst, daar het schip waarmee het transport plaats vond, verging), Beekbergen (1842, overplaatsing orgel uit Apeldoorn uit 1780), Arnhem Koepelkerk (1842), Rumpt* (1842), Lienden (1842, Kampen Luth. Kerk (1843), Tiel Luth. Kerk (1843, in tweede wereldoorlog vernietigd), Voorst (1843), Etten (Geld. 1844), Hengelo (Ov., 1844, door ons toegeschreven aan N., thans in Dalfsen), Amersfoort Gr. Kerk (1845, met zeer oud pijpwerk), Bussloo R.K. St. Martinus (1845), Doesburg Luth. Kerk (1845), nieuw orgel voor Paramaribo (1846, deels bewaard gebleven), Apeldoorn Gr. Kerk (1846, in 1890 verbrand), Delden (1847), Terborg (1848), Makkum (1848), Diepenveen (1848, niet meer aanwezig), Sliedrecht (1850), Colmschate (1850, in 1905 vervangen), Raamsdonk (1852), Almen (1852, binnenwerk verdwenen, kas thans in Uitwijk), Vriezenveen Gr. Kerk (1853, kas onlangs vernietigd, Dulciaan thans in Rugwerk Gr. Kerk Amersfoort, rest binnenwerk in Apeldoorn Tabernakelkerk), Deventer Luth. Kerk (1853, fragmentarisch bewaard gebleven), Doetinchem, Luth. Kerk (1854, door oorlogsgeweld vernietigd), Bergen (1854, overplaatsing Hinsz-orgel uit Deventer, Luth. Kerk, thans in Utrecht, Universiteit), Silvolde (1855, gedeeltelijk bewaard gebleven, in 1974 gereconstrueerd). Holten (1855, kas en binnenwerk gewijzigd), Rijssen (z.j., bouwstijl der kas wijst op N.) 

Rond 1840 was Naber korte tijd geassocieerd met Georg Heinrich Wilhelm Quellhorst. In 1856/59 werkt Nabers schoonzoon K. M. van Puffelen in Zaltbommel samen met een Naber (waarschijnlijk F. S. Naber) en bouwt orgels in Buurmalsen* (1856), Geldermalsen (1857, thans in Giessendam), Herwijnen (1858), Neede (1859, in 1945 verbrand), Wierden (1860, thans in Geref. Kerk in deze plaats met modern front), Na de dood van C. F. A. Naber (1861) neemt Frederik Samuel Naber het bedrijf in Deventer over en maakt nog orgels voor Eefde (Ned. Mettray, 1860, in 1952 verbrand), Gorssel (1862), Stompetoren (1862), Gr. Schermer (1863), Deventer, Vrij metselaarsloge (1863, thans in Abdissenbosch bij Heerlen), Heelsum (1864, in de oorlog verwoest). Van Puffelen blijft zelfstandig vanuit Zaltbommel opereren.

Naast deze respectabele productie heeft Naber belangrijke orgels, waaronder grote bekende instrumenten in onderhoud gehad: Arnhem, Nijkerk (restauraties), Alkmaar Grote Kerk (1854, merkwaardige dispositiewijziging), om slechts enkele te noemen.