Hans Haselböck: Een gesprek

Hans Haselböck werd in 1928 in Nesselstauden bij Maria-Langegg in Oostenrijk geboren.
Hij volgde in Wenen gelijktijdig twee studies namelijk Muziek en Filosofie.
In 1947 werd hij als docent benoemd voor orgel en improvisatie aan de Wiener Musikhochschule. Hij leidt daar de afdeling kerkmuziek.
Aan de Weense Dominikanerkirche is hij als organist verbonden.
In de vijftiger jaren won hij drie maal het Haarlemse Orgelimprovisatie concours. Als componist liet hij van zich horen met een 'Salzburger Messe' en Psalm 103 voor koor en orgel.
Van Kerll en Sechter heeft hij muziekuitgaven verzorgd evenals van het totale orgeloeuvre van Johannes Brahms.
Haselböck is een veel gevraagd en geliefd gastdocent, onder meer in Haarlem in 1988, waar de schrijver van dit artikel een vraaggesprek met hem had.

"Wanneer ik helemaal vooraan begin: Ik ben geboren in een klein dorp bij Maria Langegg met een mooie kerk waarin een meer dan 200 jaar oud (1782) orgel staat van Stefan Helmich, een Weense orgelbouwer die de klassieke stijlperiode in de orgelbouw afsloot. Ik ben vroeg met orgelspelen begonnen; heb het gymnasium doorlopen en begon op 18 jarige leeftijd in Wenen met twee studies namelijk de muziekstudie en de studie in filosofie. Ik was bevreesd, ook vanwege de oorlog, dat het in muziek alleen misschien moeilijk zou zijn een bestaan te vinden. Men weet niet of men goed genoeg is het met de muziek alleen te redden".
"Wel, je weet van Haarlem in de vijftiger jaren. En omdat ik daar prijzen in de wacht sleepte was dit voor m'n karrière interessant, ook vanwege de kontakten die men in Haarlem krijgt, en de grote orgeltraditie die Holland bezit.
Daarna ben ik benoemd aan de Wiener Musikhochschule en is mijn concertpraktijk op gang gekomen, die in de loop der jaren behoorlijk omvangrijk werd. In heel Europa, maar ook daarbuiten b.v. in Canada, de USA, Korea, Japan, Taiwan, de Philipijnen, het Midden-Oosten, Libanon, Egypte, Marokko heb ik concerten gegeyen.

WOLFGANG AMADEUS MOZART
Hoe ik tot improvisatie gekomen ben? In de Katholieke kerk vormt improvisatie een wezenlijk bestanddeel van de Mis. Je kunt hierbij denken aan Wolfgang Amadeus Mozart die in Salzburg enige tijd Domorganist is geweest, maar in die tijd niets heeft opgeschreven voor orgel, omdat in de Katholieke liturgie je niet precies kan bepalen hoelang een bepaalde liturgische handeling duurt. Men is gewend om kleine pauzes etc. door orgelspel op te vullen. Improvisatie is daarvoor het beste en zodoende is mijn interesse voor de improvisatie ook vroeg gewekt.
Aan de Weense Musikhochschule gaf ik les in kerkmuziek terwijl de zes jaar oudere Anton Heiller de concertsector onder zijn hoede had".

ANTON HEILLER
"De kontakten met Anton zijn zeer vruchtbaar geweest. Aan Anton Heiller heb ik veel te danken. Ik ben vaak met hem naar Haarlem gereden en heb de ontwikkelingen van nabij kunnen volgen".
"Ik geloof dat het een kenteken is voor een goede muziekpraktijk dat iedere generatie een nieuwe interpretatie volgt, anders zouden de vragen voor alle tijden opgelost zijn en dan is de muziek tegelijkertijd dood en behoort ze in een museum.
Na de oorlog zijn we nog zeer onder de invloed van Marcel Dupré en Albert Schweitzer geweest. Het absolute legatospel en de 'objektieve benadering van Bach' was een lievelingswoord in die tijd. In Oostenrijk was geen Bachspeltraditie zoals in Duitsland waar de school van Karl Straube veel van zich deed horen. Voor ons in Oostenrijk mondde dit uit in een voordeel, immers, in Duitsland moest elke ontwikkeling als 't ware gerechtvaardigd worden terwijl Anton Heiller die toen zo'n 23 jaar was, alle vrijheid had om in zijn land z'n ideeën over orgelinterpretatie uit te dragen.
"We hebben de retorische principes leren kennen. We hebben geleerd dat het wezen van het Bachspel niet ligt in de dynamiek en niet in het wisselen der registers, maar in de agogiek die wordt verwezenlijkt door het non legatospel (détacher) en de articulatie. Welnu, op dit gebied is in Oostenrijk denk ik eerder een standpunt ingenomen dan in Duitsland, wellicht omdat wij niet de belasting van de traditie hadden".
"Voor Doblinger Verlag heb ik research gedaan: met name naar het totale orgeloeuvre van Anton Bruckner, het is evenwel niet zo omvangrijk. Er zijn enkele uitgaven verschenen.
Op verschillende terreinen, van de orgelbouw heb ik artikelen voor tijdschriften geschreven.

IMPROVISATIE
"Wat betreft de ontwikkelingen in de improvisatie denk ik dat er twee elementen te onderscheiden zijn: Het ene is dat men er vroeger vanzelfsprekend op uit was de klassieke vormen verder te ontwikkelen. Wanneer een organist geen fuga kon improviseren dan was hij geen organist. Dat zijn toch de eerste opgaven die een organist voor z'n neus krijgt wanneer hij naar een organistenpost solliciteert"
"In de vijftiger jaren heb ik een oriëntering geschreven over wat ik modern en wat ik conventioneel vind. Toen waren de modernen onder anderen Paul Hindemith en Anton van der Horst waarop men zich kon oriënteren.
Ondertussen heeft de muziek zich verder ontwikkeld en momenteel is alles mogelijk. Dat is het andere element. We zijn rijker maar tegelijkertijd ook armer geworden, omdat we nu de oriëntering ontberen moeten. Strawinsky zegt het in zijn brieven meermalen: Er moet in de kunst en het leven steeds jets zijn dat niet geoorloofd is. Daaraan kan ik mijn grenzen verkennen, daardoor word ik sterk en dat verschaft me ordening. De kunst die me alles mogelijk maakt wordt spanningsloos en zonder avontuur. Wanneer alles geoorloofd is, is het niet meer interessant.
"Ook in de science fiction heb je dit. Wanneer men science fiction maakt dan dient men voor zichzelf duidelijk de grens gelegd te hebben wat mogelijk is en wat niet, anders wordt het spanningsloos. Kortom, wanneer alles mogelijk is kan men geen stukken schrijven. Dat is het probleem dat we hebben. Ook bij mijn cursussen zie ik dat steeds.

VORM & STIJL
"Ik probeer, ook wanneer ik over de vorm nadenk, de stijl als iets secondairs te zien. Maar ik weet dat wanneer ik alleen strenge thema's opgeef ik vaak zeer conventionele muziek krijg". "Met een 'wild'- of twaalftonig thema kan men provoceren; dat wil men. En dat is zoals gezegd in het onderwijs een probleem. We leven in een tijd waarin men de vorm vaak geringschat.
Ook ik wil uiteraard geen imitatie, maar ik wil de vorm testen. In hoeverre kunnen de overgeleverde vormen nog een model zijn om iets uit te drukken wat we thans willen zeggen; wat we thans actueel vinden. immers, de bekende vormen zijn een ervaringsschat van vele generaties!
Is het evenwel niet mogelijk om hetgeen we thans actueel vinden in een overgeleverde vorm uit te drukken, welaan dan zal men die vorm moeten vergeten.
Het is bijvoorbeeld voor veel jongeren moeilijk fuga's te improviseren. De fuga is natuurlijk een zeer conventionele vorm met Tonica en Dominantschema's enzovoorts, en velen willen dit niet meer.
Maar het is een interessante gedachte om bewust datgene te doen wat men een stijlimprovisatie noemt. Dat kan Barok, Romantiek of een andere techniek zijn".

INTERNATIONAAL ORGELFESTIVAL HAARLEM
Wanneer ik Haselböck vraag naar zijn mening over het internationaal orgelfestival Haarlem en hem voorleg of het niet beter is, in plaats van één, meerdere prijzen voor verschillende stijlen beschikbaar te stellen zegt hij:
"Nou ja, daar is ook nog wat anders: Je moet Haarlem ook vanuit een psychologische situatie zien. Er zijn plaatsen die beroemd zijn vanwege hun historische orgels en Haarlem heeft een der mooiste orgels van de wereld. Maar er zijn mensen die zeggen dat een orgel moet beschikken over vrije combinaties en dat soort dingen, om over elektronische speelhulpen maar te zwijgen. En ik wil niet zeggen dat men in Haarlem complexen zou hebben maar het kan zijn dat men in Haarlem er bevreesd voor is om als ouderwets betiteld te worden omdat in Haarlem men so-wie-so een historisch orgel bezit. En wanneer men dan ook nog historiserende improvisaties gaat maken...
Men wil aantonen dat men up to date is in Haarlem, dat geldt niet alleen voor Haarlem maar ook voor andere plaatsen waar een historisch orgel staat. Tijdens het Festival van Vlaanderen in o.a. Brugge heeft men een Bachstijl verlangd maar dat festival is geheel gewijd aan de historische muziek. In onder andere Haarlem wil men aantonen dat de ontwikkeling doorgaat, dat men weliswaar een historisch instrument heeft maar dat men actueel wil zijn. Men kan zich afvragen wat het hoogste doel moet zijn. Het hoogste doel kan zijn de beste improvisator onder de jongere mensen te vinden. Een ander doel kan zijn een attractief gebeuren voor een groot publiek te hebben en het publiek voor het orgel te werven. Dat zijn dan twee extreme doelen. Bij het eerstgenoemde doel zitten zeg maar acht mensen en enkele belanghebbenden; bij het tweede moet het dan minstens actueel zijn en zo mogelijk ook populair. In Haarlem doet men moeite een verbinding te leggen: Het moet veeleisend zijn en een hoog niveau hebben; het mag niet op goedkope en simpele effecten uit zijn maar het dient toch ook een groter publiek aan te trekken. Dat is momenteel de Haarlemse positie".
"Wat betreft de voorronden zou het een goede gedachte zijn misschien alleen een historische improvisatie te vragen. Men moet dan riskeren dat een goede speler die zich actueel zeer goed kon uitdrukken dan in de voorronde verliest omdat hij/zij de klassieke zaken niet zo goed beheerst". "Misschien een zaak nog belichten, die 00k interessant is. Het is al een twintig jaar geleden dat er in Europa overal revoluties aan de Universiteiten en Hoge scholen uitbraken. In Wenen hadden we toen een vacature aan de Musikhochschule voor het vak compositie. Er was een gesprek met Ligeti. De studenten dachten: 'Ah.... eerst hadden we een oudere, conservatieve docent maar nu komt er een jongere waar we ons kunnen realiseren' Dat is op een teleurstelling voor hen uitgelopen. Ligeti en de studenten hebben met eikaar gesproken. Ligeti heeft toen gezegd: "Ik wil niemand teleurstellen. Wanneer iemand, indien ik hier professor zou worden en de klas over zou nemen, dan neem ik alleen die mensen die perfect de strenge stijl gestudeerd hebben. Dus ook de historiserende kompositie". "In Haarlem kan men uiteraard een thema proberen zo te formuleren dat het realiseerbaar is om in verschillende stijlen te behandelen".

VERSCHIL TUSSEN KOMPOSITIE EN IMPROVISATIE
Over het verschil tussen compositie en improvisatie geeft Hans Haselböck een antwoord dat gelijkluidend is aan de eerder in deze vraaggesprekkenserie aan het woord zijn de organisten namelijk: "dat men bij het componeren meer kan berekenen, terwijl tijdens improviseren het uiteraard meer afhangt van de spontane invallen". "Improviseren is het gelijktijdig bedenken en uitvoeren van muziek". 
"De improvisatie is voor een enkele keer, terwijl een compositie veel ingewikkelder structuren bevatten kan die men na één desnoods drie of vijf maal horen pas volledig herkent". "In de muziekgeschiedenis wordt er herhaaldelijk op gewezen dat er een bijzondere kracht uitgaat van die komposities waarvan men zou kunnen geloven dat ze geImproviseerd zijn. Dat fantasierijke, enigszins rapsodische, dat kan compositie bijzonder sterk maken".
Op m'n vraag of hij een voorliefde heeft voor een bepaalde compositiestijl reageert Haselböck: "Wanneer je als organist zegt dat je je thuis voelt bij Bach dan zeg je daar niets bijzonders mee, omdat wij als organisten het geluk hebben dat Bach veel voor orgel heeft geschreven; zoveel dat we benijd worden door andere muzikanten".
"Ik hou erg van de impressionisten in de muziek. Ook denk ik dat de muziek van Bela Bartok (1881-1945) en Zoltàn Kodaly eigenlijk te snel vergeten is". "Deze mensen hebben harmonisch veel gekund en wij hebben hun oeuvre te snel opzij gelegd. Veel harmonisch interessante bladzijden van hen moeten wij nog eens naar voren halen want er is in hun oeuvre nog veel schoons te ontdekken".

LES GEVEN
"Als ik lesgeef voel ik me jong met de jonge mensen. De studenten hebben in hun opvattingen alleen al vanuit een biologisch standpunt gelijk. De jongere generatie zoals tegenwoordig, die Bach vertolkt op een manier die me zeer goed bevalt.
De muziek is levendig omdat men altijd weer een nieuwe benadering zoekt, en argumentatie voor een andere benadering is altijd een nuttige zaak".

GEMANIEERD
"Het gevaar daarbij is, zoals zo vaak, dat jonge mensen, en ook studenten die hier aan de Internationa!e Zomeracademie voor Organisten Haarlem zijn, iets met 200%, dus overdreven, uitvoeren waardoor de muziek gemaniëreerd gaat klinken "Nach dem Manier" spelen is iets positiefs. Dat is zoals het in de juiste stijl moet worden uitgevoerd. Speelt iemand echter gemaniëreerd dan is het verkeerd, men speelt dan van het goede teveel, een subtiel non legato wordt dan te grof.