Het Hagerbeer/Schnitger-orgel (1645/1725) te Alkmaar opnieuw in gebruik genomen

Op dinsdagavond 9 juni was het zover: Een van onze belangrijkste orgels is weer in oude/nieuwe luister hersteld dankzij een restauratie van circa 2 1/2 miljoen en het vakmanschap en de deskundigheid van orgelmaker en adviseurs.
Z.K.H. Prins Claus gaf het teken voor het openen van de prachtig beschilderde orgelluiken, waarna het magistrale uiterlijk van de orgelkas - in de oorspronkelijke kleurstelling - zich ken laten zien. Het muziek maken op dit verstelijke instrument ken weer beginnen! Deze eer viel Klaas Bolt te beurt die inzette met zettingen over psalm 87 waarbij hij alle drie de werken liet horen, gekoppeld en ongekoppeld.
Na een pauze liet ook Jan Jongepier zich horen met werk van Cor en Piet Kee, Anton van der Horst en een improvisatie. En ze was het Hagerbeer/Schnitger-orgel in de Grote- of Sint Laurenskerk te Alkmaar weer aan de openbaarheid prijs gegeven.
Een verslag met daaropvolgend een beschrijving van de bouwgeschiedenis.

“Ik ben er verrukt van; het orgel heeft meer klankintensiteit dan ik ooit gehoord heb”, zo vertrouwde D.A.Flentrop mij toe tijdens de pauze van het presentatieconcert van het Hagerbeer/Schnitger-orgel in Alkmaar. En ik denk dat deze nestor van de Nederlandse orgelbouw met die uitspraak de algemene opinie over deze restauratie treffend verwoordde.
Het bedrijf dat hij had groot gemaakt is er onder leiding van zijn opvolger, Kees Steketee, opnieuw in geslaagd een voorbeeldige restauratie uit te voeren. Geven tongwerken bij nieuwbouw nogal eens problemen voor orgelbouwers - en Fa. Flentrop maakt hierop geen uitzondering -bij restauratie blijkt het oude materiaal zó te inspireren dat het resultaat historiserende nieuwbouw nog altijd overtreft. Hoe dan ook, de dertien tongwerken van het Hagerbeer/Schnitger-orgel zijn juweeltjes. Ik kan er kort over zijn: De tongwerken zijn voorbeeldig gerestaureerd door Flentrop. Dit predikaat wil ik trouwens op de gehele restauratie plakken. Schitterend. Letterlijk en figuurlijk, want het meubel en het front zijn ook één en al pracht. Ik heb het orgel na de presentatie niet bespeeld, dus van een oordeel over de speelaard onthoud ik me. Hoewel, de tractuur was geluidloos en dit gaf mij op dit punt alle vertrouwen.
“Het speelt uitstekend”, volgens Klaas Bolt.

Windvoorziening
De oorspronkelijke windvoorziening werd helaas in november 1941 verzaagd. Van het prachtige eikenhout van de negen oude spaanbalgen werd menige windlade voor andere orgels gemaakt. Op mijn vraag aan D.A. Flentrop of hij zich de windvoorziening van voor 1941 herinnerde zei hij: “De windvoorziening van voor 1940 was niet om aan te horen. Als jongetje van tien, elf jaar hoorde ik vaak Jan Zwart op dit orgel en je hoorde dat de windvoorziening dit absoluut niet aankon”.
De windvoorziening die in 1987 nieuw werd aangelegd (zie ook beschrijving van de bouwgeschiedenis) blijkt op alle punten op haar taak berekend.
Ook bij forse akkoorden bleef de onderlinge stemming staan. Een stemming die overigens gelijkzwevond is. In combinatie met de vrij strakke windvoorziening is dit orgel uitstekend geschikt voor eigentijdse muziek. Een aspect waarnaar Jan Jongepier in zijn toespraak en zijn bespeling verwees. (Zie verder de beschrijving van de bouwgeschiedenis).

Bepleistering
Adviseurs en orgelbouwer hebben bepleistering van de bakstenen muren voorgestaan omdat het geluid van het orgel door de bakstenen wordt geabsorbeerd. Die bepleistering is echter niet opnieuw aangebracht en dat moet de reden zijn dat de klank van het Alkmaarse orgel niet helemaal van het instrument los komt.
Je moet tijdons het luisteren naar het orgel blijven kijken om de sensatie van de klank ten volle te ondergaan.
Hoewel het uiterlijk van dit orgel daarop ten volle is berekend blijft het ontbreken van de bepleistering in de orgelklank te merken. Jammer.

Gevaar
In de 19e en begin 20e eeuw heeft het Alkmaarse orgel soms gevaar gelopen.
In 1853 wilde C.F. Witte achter het Van Campenfront een orgel zonder vulstemmen bouwen.
In het begin van onze eeuw wilde Dekker iets soortgelijks terwijl nog later, in 1946, Bouman het rampzalige plan had een verbouwing met een chamadewerk à la Reims in de Grote- of Sint Laurenskerk door te voeren.
Bouman had daarvóór onder andere de monumentale orgels van de Martinikerk in Groningen en het orgel van het Concertgebouw en de Westerkerk in Amsterdam reeds geruïneerd. Het Alkmaarse orgel werd echter Boumans ‘Waterloo’.
Dirk Andries Flentrop verijdelde namelijk Boumans plannen.
Als voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Orgelmakers had Flentrop een belangrijke rol in het besluit van de vereniging om geen werk onder auspiciën van dhr. Bouman meer aan te nemen. Dhr. Bouman klaagde daarop begin vijftiger jaren de vereniging aan wegens smaad, maar hij verloor deze rechtszaak.
“En daarmee was de macht van Bouman gebroken”, aldus D.A. Flentrop.
Het historische pijpwerk van het Alkmaarse orgel bleef gespaard en het is anno 1987 in uitstekende conditie. Gaat u maar luisteren.

Het instrument
Het orgel in de Grote- of Sint Laurenskerkte Alkmaar is een van de meest bijzondere creaties op het gebied van de Nederlandse orgelbouw. Het werd gebouwd door een groot orgelbouwer en heeft zijn uiterlijk te danken aan de beroemde architect Jacob van Campen.
Van 1982 tot 1986 ondergingen zowel het instrument als het front een ingrijpende restauratie, die een nieuwe periode in het bestaan van het orgel inluidde.
Reden genoeg om oven stil te staan bij de bouwgeschiedenis van het orgel en de nieuwe inzichten die de meest recente restauratie opleverde.
De bouw van het hoofdorgel in de Grote- of Sint Laurenskerk te Alkmaar is te danken aan stadsorganist Jan van Bochem. Deze beklaagde zich in 1634 bij het stadsbestuur dat de twee orgels die de kerk rijk was niet meer goed voldeden en stelde voor om of een van de orgels te vergroten of een geheel nieuw orgel te bouwen. Het stadsbestuur toonde begrip voor zijn klachten en sloot op 6 juni 1638 een contract met de Amsterdamse orgelbouwer Levinus Eekmans, die de opdracht kroeg om uit de twee bestaande orgels een nieuw instrument samen te stellen. Eekmans kwam echter al in augustus 1638 te overlijden en deze plannen gingen niet door. In oktober van datzelfde jaar kreeg de Amersfoortse orgelbouwer Germer Galtusz. van Hagerbeer opdracht om een geheel nieuw orgel te vervaardigen. Toen de bouw van het orgel al begonnen was, werden de oorspronkelijke plannen gewijzigd; het orgel word daardoor nog groter dan aanvankelijk was voorzien. De bouw verliep traag, doordat Gormer Galtusz. van Hagerbeer tegelijkertijd in Leiden werkzaam was en bovendien werd geplaagd door een zwakke gezondheid. Als zijn vader Galtus Germer en zijn broer Jacobus Galtusz. de bouw overnemen verloopt deze echter voorspoedig. Het orgel kreeg veertig sprekende registers, waarvan drie op het pedaal en drie handklavieren.

Het pijpwerk stond opgestold in 2 orgelkassen, een grote waarin het Hoofdwerk, het Bovenwerk en het Pedaal waren ondergebracht en een kleinere voor het Rugpositief. Het was een voor die tijd kolossaal instrument, waarvan de bouwkosten niet minder dan f. 52.095 bedroegen. In de middentoren van de hoofdkas stond de grootste pijp, die van de Prestant 24 vt. van het Hoofdwerk. Dit laatste was voor 2 registers, in de bas tot contra F uitgebouwd. Vandaar de benaming 24 vt.
Een novum was de toepassing van dubbeltoetsen voor dis en ais. Er waren dus aparte toetsen voor dis, es, ais en bes. Het voordeel daarvan was dat bij de toen gebruikelijke middentoonstemming in een groter aantal toonsoorten gespeeld ken worden. 

Kas en luiken
Vermoedelijk was van Hagerbeer degene die zijn stadgenoot Jacob van Campen, schildor en bouwmeester bij de bouw betrok. Van Campen ontwierp een classicistische orgelkas, dat wil zeggen dat hij zich bij het ontworpen liet inspireren door de bouwkunst uit de klassieke oudheid en de Renaissance. De verschillende onderdelen van het orgelfront proportieneerde hij volgons het principe van de “gulden snede”, waarbij een maat in ongelijke stukken wordt verdeeld op zo’n wijze dat het kleinste zich verhoudt tot het grootste als het grootste tot de oorspronkelijke maat (a:b = b:a+b). Nieuw in de geschiedenis van de orgelvermgeving was de plaatsing van het “sofiet onderaan het rugwerk 
Van Campen betrok verschillende handwerkslieden en beeldende kunstenaars bij de bouw van het orgel. Zo werd het houtsnijwerk op de hoofdkas gemaakt door beeldsnijder Pieter Mathijszoon en vervaardigde Jan Karstijnszoon uit Haarlem de beeldengroep op het rugpositief
De binnenzijden van de luiken worden van een houtimitatie voorzien door Jacob Pinas, torwijl Hendrick Gerbrandsz. uit Hoorn er zwevende putti (naakte jongetjes) op schilderde. Deze zijn zichtbaar op een tekening die Van Campens collega en vriend Pieter Jansz. Saenredam in 1661 van het orgel maakte. De buitenzijden van de luiken werden beschilderd door de Alkmaarse schildor Caesar Boëthius van Everdingen, die tussen 1641 en 1643 547 dagen doorbracht op “Randenbroek”, Van Campens landgoed te Amersfoort, waar hij ten voorbereiding van de dekoratie van de luiken eerst een maquette van het orgel beschilderde.


Veranderingen aan het orgel
In de jaren 1685-1704 werden er door Roelof Barent Duytschot en zijn zoon Johannes enkele veranderingen aan het orgel aangebracht waarbij klavieren worden omgezet en vernieuwd, de windvoorziening werd verbeterd en enkele pijpen door andere vervangen. Zo werd bijvoorbeeld in het hoofdwerk de Trompet 8 verandert in een Bazuin 16. Ondanks deze ingrepen behield het instrument zijn oorspronkelijke karakter.
Hierin kwam verandering door toedoen van de organist Gerhardus Havingha, die vlak na zijn benoeming in Alkmaar voor elkaar weet te krijgen dat het Van Hagerbeor-orgel zal worden verbouwd door Frans Casper Schnitger uit Zwolle. Havingha, zie zelf uit Appingedam kwam, vond de orgels van Schnitger, die qua stijl meer aansloten bij de Noordduitse school van orgelmakers, beter dan de orgels die voortkwamen uit Hollandse traditie. Havingha kende de orgels die de Schnitgers in het Noorden gebouwd hadden en het orgel van F. Schnitger in Zwolle. Hij achtte deze orgels verre van superieur boven de meer vocaal ingestelde instrumenten uit de Holland traditie.
Schnitger vergrootte het orgel met stemmen en behield er 24. Het pijpwer kwam door deze uitbreiding zeer dicht opeen te staan, maar de kas hoefde niet te worden aangepast. De door Havingha gewenste en door Schnitger uitgevoerde vernieuwingen ondervonden veel kritiek. Het Alkmaarse muziekgezelschap Collegium Musicum keerde zich tegen de organist, maar ook Aeneas Egbertus Veldcamp de organist van de Grote Kerk in Den Haag en de Alkmaarse musicus Jacobus Wognum deden dat. Nadat Havingha in 1727 ter verdediging van zijn opvattingen het boekje "Oorspronk en voortgang der Orgelen met de voortreffelijkheid van Alkmaars grootte orgel by gelegentheid van deszelfs herstellinge opgestelt" had laten verschijnen, kwam het tot een ware pennenstrijd tussen de drie heren.


Nog meer veranderingen
Nadat er in 1734 en 1751 door Christiaan Müller enkele reparaties waren verricht aan het orgel, vonden er in de jaren 1781 /82 opnieuw ingrijpende veranderingen plaats. Meestal ging daar een restauratie van het eveneens zeer beroemde koororgel uit 1511 aan vooraf. Daarmee kon dan de gemeentezang begeleid worden in de periede dat het grote orgel buiten gebruik was.
Bij de restauratie van 1782 door Johannes Strumphler worden 8 registers veranderd en deels vernieuwd. De frontindeling van het Rugpositief werd drastisch veranderd. Een poging om de quint 22’ van Schnitger in het pedaal uit te breiden tot een Prestant 32’ werd een mislukking. Uiterlijk onderging het orgel een ware metamorfose. De orgelkassen, die oorspronkelijk zeer licht van tint waren, werden overgeschilderd in een bruine mahoniehout imitatie. Zuilen en pilasters worden zwart gemaakt en de binnenzijden van de luiken donkerbruin. Over deze donkerbruine laag worden engelen geschilderd, die de oorspronkelijke 17e eeuwse engelen moesten vervangen. Het rugwerk verloor zijn luiken en een grote engel die het timpaan sierde, verdween eveneens. Dit uiterlijk werd gehandhaafd tot aan de laatste restauratie.
In 1854 en 1898 werd het instrument nog eens gereviseerd door respectievelijk C.A. Naber en J. Fr.Witte. In 1941 worden alle 17e eeuwse spaanbalgen van de windvoorziening verzaagd. Dit had te maken met restauratieplannen voor het kerkgebouw, waarbij de sloop van het balgenhuis tegen de westmuur was voorzien. Toen deze sloop uiteindelijk niet doorging, moesten er in 1949 weer nieuwe windvoorzieningen worden gemaakt. Dit word gedaan door Flentrop Orgelbouw in Zaandam.


Restauratie orgel 1947-1949
Verandering in muzikale smaak was al vaak een motief om bij het uitvoeren van herstellingen tevens wijzigingen aan te brengen. Hieraan is het orgel van Alkmaar ook niet ontkomen. Gelukkig noopte geldgebrek er meestal toe dat al te ingrijpende wijzigingen achterwege bleven, waardoor met name in de vervaltijd in de orgelbouw (ruwweg de poriede 1900-1947) geen ingrepen plaats vonden. Het is vooral aan de vasthoudendheid en het inzicht van orgelmaker D.A. Flentrop te Zaandam en adviseur Dr. Anton van der Horst te danken, dat allerlei boze plannen in 1949 geen doorgang vonden. Zij waren de tijd - achteraf gezien - ver vooruit met hun opvattingen over hoe een historisch instrument diende te worden gerestaureerd.
Het orgel verkreeg grote internatienale bekendheid door talrijke plaatopnamen en concerten. De Kaasmarktconcerten werden door duizenden bezocht.

Restauratie orgel 1982-1986
Al vanaf 1960 waren er regelmatig klachten over het functieneren van het orgel. Er was veel windverlies bij de windladen. Het gevolg was dat de pijpen abnormaal vaak bijgestemd moesten worden hetgeen tot allerlei beschadigingen leidde. Daarom werd tenslotte besloten om het stemmen zoveel mogelijk te beperken. De problemen met de windladen waren o.a. het gevolg van lekwater uit bevroren dakgoten, dat kort voordat in 1947 met de restauratie begonnen werd, in de windladen was gelopen.
Door gebrek aan tijd kreeg het hout daarna onvoldoende gelegenheid om te drogen en bleef het “werken”. Aanvankelijk werd nog overwogen om de euvels aan de windladen in fasen te verhelpen, maar spoedig bleek dat het pijpwerk zozeer geleden had dat daarmee niet volstaan kon worden.
Daarbij speelde ook een rol dat in het licht van allerlei ontdekkingen van de laatste jaren andere opvattingen waren ontstaan over de wijze van restaureren.
In de jaren na 1947 krabbelde de orgelbouw in Nederland moeizaam naar boven vanuit een diep dal van verwording en verval. Verloren gegane ambachtelijke kennis moest men zich opnieuw eigen maken. Vooral de afgelopen 10 jaar hoeft men bij het restaureren van monumentale orgels grote vooruitgang geboekt, met name bij het intoneren (de klankgeving) van het pijpwerk. Het gelukte aldus steeds beter om aan te sluiten bij het oorspronkelijke karakter van de instrumenten.
Dit betekende dat men langzamerhand de tekortkomingen van de op zich ze verdienstelijke restauratie van 1947-1949 begon in te zien. Van de aanvang af besefte men dat de restauratie een zeer kostbare aangelegenheid zou gaan worden. Op verzoek van de kerkvoogdij belastte het comité “Orgel 78” zich met de inzameling van de benodigde miljoenen. In januari 1980 kwam een rapport van 294 pagina’s van Jan Jongepier gereed waarin deze in samenwerking met de beide overige adviseurs (Klaas Bolt en Piet Kee) een overzicht gaf van de geschiedonis van het instrument en voorstellen deed voor de restauratie. Aangezien de situatie van 1725 een duidelijk hoogtepunt vormde in de lange geschiedenis van het instrument, is zoveel mogelijk uitgegaan van de toestand in 1725.

Flentrop orgelbouw
De opdracht aan Flentrop Orgelbouw te Zaandam kon in maart 1982 gegeven worden. Enkele maanden later werd het instrument gedemonteerd. Door Dr. Jan van Biezen en de Rijksadviseur voor orgels, 0.B. Wiersma, werd elke pijp minutieus onderzocht. Aldus kon de herkomst van de pijpen worden vastgesteld. Dit leidde ertoe dat van alle pijpen de originele plaats in het concept van 1725 van Schnitger kon worden vastgesteld. Daarbij bleek dat door voortdurende inkorting van het pijpwerk een wijziging in het klankbeeld was ontstaan. Besloten word om het pijpwerk zodanig te verlengen dat de oorspronkelijke toonhoogte - een halve toon onder normaal -wederom bereikt werd. Om problemen bij uitvoeringen met andere instrumenten te voorkomen, zal voor een van de klavieren een transpositie-klavier gemaakt worden.
De laatste paar jaren was gebleken hoe belangrijk spaanbalgen voor de klankgeving van orgels zijn. Daarom word in 1980 besloten om 6 van de spaanbalgen te reconstrueren (er is nog plaats voor 3 extra balgen). Tevens werd, om de gebrekkige toegang tot het inwendige van het orgel te verbeteren, een trap in het balgenhuis gemaakt. Deze leidt ook naar een kamertje voor de organist.
De houten achterwand van het benedendeel van de orgelkas werd aangevuld. Om hinder van kalkstof te voorkomen werd de buitenmuur in het bovendeel van de orgelkas met loden platen bekleed. Daar ter plaatse heeft de orgelkas nl. geen houten achterwand. De klavieren werden in oude stijl gereconstrueerd.
Windgebrek was er de oorzaak van dat de pijpen van de Prestant 24 vt. van het Pedaal (tot 1725 fungerend als een 24 vt. op het Hoofdwerk) in het verleden nooit gebruikt konden worden. Het bleek dat er voldoende blinde cancellen in de pedaalladen aanwezig waren om daarop de veel wind verbruikende grote pijpen aan te sluiten. Aldus kon de Prestant 24 vt. samen met de Prestant 16 vt. een akoestische 64 vt. in het pedaal gaan vormen.
De intonatie-ingrepen uit 1898 en 1949 werden zoveel mogelijk ongedaan gemaakt. De speelaard werd belangrijk verbeterd. Helaas bleek het niet mogelijk om de middelen en de bereidheid te vinden om tot herbepleistering van de bakstenen muren in het middenschip over te gaan. In feite betekent dit dat veel van de klank geabsorbeerd wordt door deze wanden. Aldus ontbreekt een belangrijk element van de situatie van 1725. Afgezien van deze tekortkoming mag gesteld worden dat de thans voltooide restauratie een groot succes vormt voor Flentrop Orgelbouw en de adviseurs.

Over de orgelkas en de tentoonstelling
De binnenzijden van de orgelluiken
Het uiterlijk van het orgel word ook weer zoveel mogelijk van zijn laat 18e eeuwse toevoegingen ontdaan. Alleen de engelen op de binnenzijden van de grote luiken herinneren nog aan die letterlijk donkere periode. De verloren gegane luiken van het rugpositief werden gereconstrueerd. 
Het onderzoek naar de oorspronkelijke kleuren van de orgelkas word geleid door Gijs van Hilton, terwijl Sandra de Vries, hoofd en conservator van het Stedelijk Museum te Alkmaar zich meer in het bijzonder bezig hield met het onderzoek aan de luiken. Het schilderwerk aan de orgelkas werd uitgevoerd door het schildersbedrijf Jan Schoen te Zaandam.
Nadat de orgelkas zijn oorspronkelijke kleuren had teruggekregen, leek het voor de hand te liggen om ook de binnenzijden van de luiken weer hun 17e eeuwse aanzien te geven. Daartoe diende nagegaan te worden of er nog wel iets van die 17e eeuwse schildering bewaard was gebleven. Dit gebeurde aan de hand van röntgenopnamen en verfmonsters. Nadat een proefopname was gemaakt door de heer G. van den Voorde, stafmedewerker van het Koninklijk instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel, bleek dat een deel van de 17e eeuwse schildering kon worden getraceerd. Dit resultaat was zo bemoedigend, dat besloten werd om de bedoekte delen van de luiken vrijwel in hun geheel door te lichten. Dat werd een zeer spectaculaire operatie, die gesponsord werd door Agfa-Gevaert te Antwerpen. Van de kant van de pers en de Vlaamse televisie werd hiervoor veel belangstelling getoond. Na rijp beraad werd om allerlei redenen toch afgezien van het opnieuw in het zicht brengen van de 17e eeuwse schildering. Wel slaagde men er in om de 17e eeuwse hout-imitatie op het ovorige gedeelte van de binnenzijden van de luiken te voorschijn te halen. Deze had een veel lichtere kleur en paste beter bij het herkregen 17e eeuwse aanzien van de orgelkas. Aldus ontstond een combinatie met de 18de eeuwse overschildering met engelen.

De buitenzijden van de orgelluiken
Door het ontbreken van geldelijke middelen kon de restauratie van de buitenzijden van de grote luiken nog niet ter hand worden genomen. Als dit niet spoedig geschiedt, dreigt het monumentale schilderij van Van Everdingen verloren te gaan. Gehoopt wordt dat de vele manifestaties een prikkel zullen vormen om ook dit laatste onderdeel van de grote restauratie alsnog tot uitvoering te brengen.


Dispositie
Het Alkmaarse orgel bevat zeven windladen. De samenstelling van de registers is daar als volgt:

Onderste klavier

Rugpositief, (I), C-d'''

Praestant 8’

1782

Quintadena 8’

1645-1782-1949-1986

Octaaf 4’

1725

Nasaat 3’

1725

Fluit 4’

(1645)-1725

Superoctaav 2’

1725

Quintfluit 3’

1986

Waldfluit 2’

(1645)1725-1986

Quintanus 1½’

1725

Sexquialtera 2 st.

1725

Mixtuur 5-6 st

1725

Cimbel 3st.

1725

Trompet 8’

1725-1782

Fagot 8’

1725

Vox Humana Inferior 8’

1725

Midden klavier

Groot Manuaal, (II), C-d'''

Praestant 16'

1645

Praestant 8'

1645

Praestantquint 6'

1645-1782-1986

Octaav 4'

1645

Quinta 3'

1986

Octaav 2'

1645

Flachfluit 2'

1645-1725

Ruyschpyp 2 st

1645-1725

Tertiaan 2 st

1725

Mixtuur 6 st

1986

Trompet 16'

1725

Viool di Gamba 8'

1725

Trompet 4'

1725

Bovenste klavier

Bovenwerk, (III), C-d'''

Praestant 8'

1645

Baarpijp 8'

1685

Rohrfluit8'

1725

Quintadena 8'

(1645)-1725

Octaav4'

(1645)-1725

Fluit Dous 4'

(1645)-1725

Spitsfluit 3'

1725

Superoctaav 2'

1645

Speelfluit 2'

1725

Sexquialtera 2 st

1725

Scherp 4 st

1725

Cimbel 3 st

1725

Trompet 8'

1725

Haubois 8'

1725

Vox Humana 8'

1725

Pedaal

C-d' 

Principaal 22'

22’ 1645

Praestant 16'

16’ 1645

Rohrquint 12'

12’ (1645)-(1725)-1782-1949-1986

Octaav 8'

8’ 1645

Quinta 6'

6’ 1645-1725-1782-1986

Octaav 4'

4’ 1645

Nachthoorn 2'

2’ 1725

Ruyschpyp 3 st

3st. 1725

Mixtuur 8 st

8st. 1725

Bazuin 16'

16’ 1725

Trompet 8'

8’ 1725

Trompet 4'

4’ 1725

Cornet 2'

2’ 1725

Werktuigelijke registers
Speerventiel Onder Manuaal
Speerventiel Pedaal
Speerventiel Over Manuaal
Speerventiel Rugpositief
Tremulant
Tremulant Ruckpositiv
Coppel Rugpositief en Onder Manuaal
Coppel Rugpositief en Boven Manuaal
Coppeling Onder en Boven Manuaal
Coppel Pedaal en Onder Manuaal
Coppel Pedaal en Rugpositief 
Calcant

Stemming: gelijkzwevend
Toonhoogte: a' 415 herz
Balgen: 1986
Windladen: 1725
Tractuur: 1726, 1986
Klaviatuur: 1986