Nieuwe Orgelmuziek - Stof tot nadenken als voorbereiding op de Anlooër diskussie tussen vijf organisten

Kan een nieuw orgelwerk dat teruggrijpt naar een bepaalde stijlperiode ook kunst met een grote K zijn?
Moet er meer functionele liturgische orgelmuziek worden gecomponeerd vooral voor amateur-organisten, of is er juist behoefte aan nieuwe orgelcomposities die verrassende toevoegingen bieden aan het bestaande?

Dergelijke vragen passeren de revue tijdens een gesprek dat werd gevoerd met vijf organisten na afloop van de feestelijke presentatie van het Anlooër Orgelboek in de Romaanse kerk te Anloo op 27 september.
Alvorens ik u, lezer, laat kennis maken met dit gesprek, heb ik getracht een inleiding te schrijven over de ontwikkelingen in de hedendaagse orgelliteratuur in Nederland. Dit idee heb ik echter laten varen; het is een te groot onderwerp om in een inleiding te behandelen. Beter leek het me om stof tot nadenken aan te dragen in plaats van een uitgesproken mening te ventileren of een conclusie te formuleren.
Eén conclusie durf ik echter wèl te trekken namelijk ‘Nieuwe orgelmuziek’ is anno 1986 een rekbaarder term dan sommigen denken. Want muziek die anno 1986 wordt genoteerd is per definitie immers nieuw? Of het nu avant-garde is of muziek in een oude stijl. Ik ben me bewust dat vele collega's het met deze mening niet eens zullen zijn, vandaar onder andere dat een discussie met een aantal organisten die hebben mee gewerkt aan het Anlooër Orgelboek me een zinnig gedachte leek.
In die mening ben ik nog gesterkt nadat ik het oktober nummer van ‘Het Orgel’ las dat geheel gewijd is aar ‘Nieuwe orgelmuziek in de jaren ‘80’.
Naast interessante artikelen van Paul Peeters en Huub ten Hacken treffen we in dit nummer ook een gesprek met Daan Manneke, Wim de Ruiter en Joep Straesser door Klaas Hoek aan (Het Orgel, pp.344-349). Met uitzondering van Daan Manneke bleek dat deze componisten niet waren over te halen om een religieus koorwerk te componeren. De vraag of de drie componisten, die ooit allen organist waren, bereid zouden zijn een liedvariatie of een psalmvoorspel te te componeren werd niet gesteld. Jammer.

Deze vraag was een van de centrale vragen in het gesprek te Anloo.
Een ander punt dat om de hoek kwam kijken was van eenzelfde strekking als de vraag die Klaas Hoek zich stelde in het artikel Nieuwe orgelmuziek: een bespreking. Klaas Hoek: “Welke verrassende toevoegingen aan het bestaande worden er in deze werken geboden?”
Bij een behoorlijk aantal werken komt hij tot de conclusie: “dat het eerder een aftreksel is van wat anderen al veel beter gedaan hebben.”
Door geciteerde vraagstelling komt men al gauw in het nauw, persoonlijk vind ik deze vraag als uitgangspunt, als criterium, dan ook te eng. Dat er ook anders over gedacht wordt, komt in de hierna volgende discussie naar voren.
Om de tongen los te krijgen poneerde ik de stelling dat er veel te weinig muziek en ook improvisaties, in oude stijl genoteerd en uitgegeven worden als tegenwicht tegen de talloze werken van lager allooi, die wel gretig aftrek vinden bij (amateur)organisten.
NB: Het gesprek te Anloo vond plaats op 27 september. Deze inleiding schreef ik op 11 oktober, na lezing van het themanummer van Het Orgel over: ‘Nieuwe orgelmuziek in de jaren ‘80.


Een diskussie over nieuwe orgelmuziek te Anloo op zaterdag 27 september 1986

Johan Beeftink, Henk Gijzen, Gerard Legierse, Euwe de Jong en Willem van Twillert in gesprek over nieuwe orgelmu ziek en over de vraag wel-of-geen gebruik van oude stijlen in nieuwe orgelmuziek.

Willem van Twillert: Het Anlooër Orgelboek toont aan dat er verschillend over klankidioom en stijlmiddelen wordt gedacht, en dat is eigenlijk een nieuwe ontwikkeling in de orgelliteratuur. In de orgelbouw ervaren we dit al enige tijd. Daar kan al sinds ca. 1970 gekozen worden voor een instrument uit een bepaalde stijlperiode. Binnen die stijl wordt dan zo creatief mogelijk te werk gegaan maar uitsluitend met middelen en materialen die voor deze stijl in zwang waren. (Zie o.a. hierover het vraaggesprek met Harald Vogel in ‘De Orgelvriend’, juni ‘86).
Ik wil nu beginnen met te stellen dat dit ook steeds meer zal gaan gebeuren in de geschreven en geïmproviseerde orgelmuziek. Men zegt dan bijvoorbeeld, zoals sommigen dit nu hebben gedaan met betrekking tot het Schnitger-orgel in Anloo, dat men zich qua stijl en idioom laat leiden door een instrument of een bepaalde stijl of beide.
Daar wil ik graag een mening over. Om met Gerard Legierse te beginnen. Jij hebt je in je Preludium & fuga laten inspireren door de Barok, in samenhang met het orgel te Anloo.

G. Legierse: Het uitgangspunt voor het schrijven van mijn stuk was het Schnitger-orgel te Anloo. Als je het tijdstip neemt waarin dit orgel is gebouwd en de stijlen die er het best op klinken, dan zit je toch wel in de Barok. En de stijl die mij het meest aanspreekt is de Barok, Bach enzovoort.

Willem van Twillert: Nu kan ik me voorstellen dat het verwijt klinkt dat dit epigonisme is. Dat is niet origineel en dientengevolge kun je dergelijke muziek wel improviseren als naspel in een Eredienst of tijdens een concert, maar zodra je dit gaat opschrijven dan krijgt het qua pretentie een dimensie meer en komt de grote K van Kunst er voor te staan.

G. Legierse: Nou, het is zo dat wat je schrijft toch nieuw is; het werk heeft nooit bestaan.

Willem van Twillert: Johan, zou je hierop iets willen zeggen? Tenslotte kies jij met je stukken voor een ander uitgangspunt.

J. Beeftink: Ik heb lang nagedacht over de  vraag wat ik zou doen: ‘t is een Barok-orgel,  doe je daarom dezelfde stijl; in hoeverre kun je dan nog spreken van een hedendaagse bijdrage aan de orgelcultuur.

Willem van Twillert: Dat laatste vind je belangrijk.

J. Beeftink: Ja, dat vind ik wel, want als je dan een bijdrage levert moet dit niet alleen een oefening of bekwaamheid zijn, maar ook een poging om echt iets nieuws te maken. Als je dichter bent schrijf je ook niet in de taal van bijvoorbeeld Vondel en als componist schrijf je dus ook niet in de stijl van een Buxtehude of Bach, lijkt mij. Wat je dan wèl doet is soms sterk afhankelijk van dingen die je niet goed kunt rationaliseren. Dat is in mijn geval nu een wat meer modern Frans idioom. Maar het kan ook geheel iets anders zijn. Die keuze is er dan niet meer, dan ben je gewoon jezelf.

Willem van Twillert: Gerard zegt: ‘ik voel me in de Barokstijl het meest prettig’, Johan zegt: ‘als componist moet je een eigentijdse bijdrage leveren’. Dus hier komt de tegenstelling Kunst ambacht om de hoek kijken. Wat vindt Henk Gijzen hiervan.

H. Gijzen: Ik ben het met Johan eens. Ik zou niet zo gauw een uitgever benaderen met een stuk in oude stijl. In het geval van het Anlooër Orgelboek is dit in mijn geval wel gebeurd omdat het een improvisatie is die ik hier eerder heb gespeeld. Uitgangspunt was dat een amateur-organist het moet kunnen spelen en omdat het voor dit orgel was dacht ik: ik ga m’n improvisatie gewoon noteren. Maar vanuit mezelf zou ik niet zo gauw zoiets doen. Als improvisator vind ik het leuk om me met oude stijlen bezig te houden maar ik vind het geen echte originele bijdrage anno 1986’.

Willem van Twillert: Moet het dan altijd een vernieuwende bijdrage zijn? Je noemde zojuist al dat je wilde voldoen aan de eis dat het gemakkelijk uitvoerbaar moet zijn. Hierover wil ik wel zeggen, Henk, dat jij in deze bundel mijns inziens er het best in geslaagd bent een gemakkelijk speelbaar stuk te schrijven.
En op dit punt onderscheidt de orgelliteratuur zich nu net van bijvoorbeeld de pianoliteratuur. In de pianoliteratuur zal er niet veel muziek in een oude stijl bij komen, even afgezien van leermethoden en dergelijke. Het orgel evenwel functioneert binnen de Eredienst. Daarom is op het gebied van koraalbewerking voor orgel een constante behoefte te constateren. En met name is er, zo blijkt mij, behoefte aan koraalbewerkingen en variaties over psalmen etc. in oude stijl.

H. Gijzen: Het is een goede zaak wanneer er meer goed bruikbare, liturgisch functionele, (dus speelbare) orgelmuziek zal worden uitgegeven in allerlei stijlen; met name ook oude stijlen. Maar wil je muziek waar men over pakweg 100 jaar zich nog in wil verdiepen dan denk ik niet dat je nu ‘oude’ stukjes moet gaan maken zoals ik nu heb gedaan met mijn partitaatje in Pachelbelstijl. Wat dat betreft is het te betreuren dat de kerken in Nederland vanaf de Reformatie zich nooit veel om de kerkmuziek hebben bekommerd. Er werden geen opdrachten aan organisten verstrekt om muziek te schrijven. Dit gat in de Nederlandse orgelliteratuur dicht je niet meer. En wanneer je nu bruikbare muziek voor de Eredienst wilt schrijven zal dit in elk geval koraalgebonden muziek moeten zijn. Vrije stukken zie ik persoonlijk niet zo zitten om te noteren. De cantorijpraktijk heeft in ons land overigens door het voortreffelijke werk van een Willem Vogel en Frits Mehrtens een goede ontwikkeling doorgemaakt de laatste decennia.

Willem van Twillert: Ik ben het met Henk Gijzen eens dat het gat in de orgelliteratuur dat in Nederland, in tegenstelling tot Duitsland, is geslagen niet ongedaan te maken is. En wanneer je daarvoor in de eerste plaats de beschuldigende vinger uitsteekt naar de kerkbestuurders uit de voorbije eeuwen dan val ik je daarin ook geheel bij. Maar het moet anno 1986 toch mogelijk zijn om de eenvoudige amateur kerkorganist rijkelijk van allerlei goede koraalgebonden orgelmuziek te voorzien, zodat Klaas Bolt zich in de toekomst niet als volgt hoeft uit te laten. (Citaat uit ‘Improviseren veronderstelt kennis’ een artikel dat verscheen in TROUW dd. 31 juli 1986). ‘ledere zondag veroorzaken organisten, voornamelijk amateurs, een dikke walm van muzikale wansmaak en onkunde die uit tal van Nederlandse kerken ten hemel stijgt. Dit is te wijten aan het hardnekkige misverstand dat ‘echte’ kerkmuziek zou afhangen van een religieus-bevlogen willekeur’.

Willem van Twillert: Valt er onderscheid te maken tussen liturgisch bruikbare muziek - om dat woord maar te gebruiken - en het ideaal dat Johan met zijn muziek heeft?

xxxxxxxxxxxxxxxxxxx

J. Beeftink: Dat ideaal is óók liturgisch. Kijk, je kunt een Pachelbel-partite spelen als liturgische muziek maar ook een Communion van Langlais. Het is allebei liturgisch en allebei eventueel op concertniveau; dat maakt niets uit! En ik denk dat je de mensen onderschet wanneer je voortdurend uit voorzichtigheid die moderne muziek niet introduceert.

Willem van Twillert: Langlais zal toch niet ècht goed gedijen binnen Calvinistische kerkdiensten.

J. Beeftink: ‘Nou, noem dan de koraalvoorsplen van Micheelsen’.

Willem van Twillert: Oké, maar lééft die Neo-barokke muziek dan nog?

J. Beeftink: Nou, dat vind ik persoonlijk niet.

Willem van Twillert: En vind je niet dat Arnold Schönberg met zijn twaalftoonstechniek een vergissing is gebleken? Jij hebt ook twaalftoons-technieken in je werk, dus ik stel jou die vraag.

J. Beeftink: ‘Helemáál geen vergissing. Het was een hele noodzakelijke geboorte van de 20e eeuwse muziek via dat stadium!

Willem van Twillert: Ik durf te stellen dat de twaalftoonstechniek in al zijn verscheidenheid een veel te overtrokken zaak is geweest die de voortgaande vernieuwing van de muziek op een bepaald moment heeft doen verzanden.
En ik vind dat je dit kunt vaststellen: al heb je bij wijze van spreken alleen maar geluisterd naar Otto Kettings opera "Ithaka", die zojuist tijdens de opening van de Stopera te Amsterdam in première is gegaan. Maar misschien gaan we nu te ver.

J. Beeftink: Daar ben ik het wel mee eens. Kun je overigens, Willem, nog even duidelijk maken wat je met bruikbaarheid bedoelt. Bedoel je speelniveau of bedoel je de hoeveelheid spelers die het moeten kunnen spelen. Dus commercieel als je voor het laatste kiest.

Willem van Twillert: Als je de hoeveelheid spelers commercieel wilt noemen kies ik voor commercieel. Maar niet commercieel vanuit het oogpunt dat het, om voor de massa geschikt te zijn, aan veel mindere kwaliteitseisen behoeft te voldoen. Dat geloof ik niet.

G. Legierse: Ik vind dat je het beste je leerlingen alle stukken uit bijvoorbeeld het Anlooër Orgelboek kunt voorspelen en ze zelf laten kiezen welk stuk ze willen studeren.

J. Beeftink: Ja, dat vind ik prima want om te stellen dat je in een hedendaagse stijl je doel voorbijschiet’....

G. Legierse: Nou, dat weet ik niet. Dat zal de praktijk dan moeten uitwijzen.

Willem van Twillert: Euwe, wil jij iets over de bruikbaarheid van je stuk zeggen?

Euwe de Jong: Ik heb meer aan de concertliteratuur gedacht en zie mijn Scherzo ook meer als -laat ik het woord maar noemen een grapje; een knipoog.

Willem van Twillert: Stel dat een uitgever ons uitnodigt om een bijdrage te leveren voor een uitgave inhoudend 30 bekende psalmmelodieën in Orgelbüchleinstijl. Zouden jullie daaraan willen meewerken?

H. Gijzen: Ik wil zoiets in oude stiji maken voor dit doel.

E. de Jong: Jawel.

Willem van Twillert: Wat zouden dan jouw overwegingen zijn Euwe?

E. de Jong: Gewoon een notenschrijver, een ambachtsman om het zo maar te zeggen. Niet de pretentie om in dit geval componist te zijn.

J. Beeftink: Dan zou ik direct meedoen, vind ik leuk, geen enkel probleem voor een keer. Het zou ook een uitdaging voor me betekenen.

Willem van Twillert: Een vijftien jaar geleden werd daar anders over gedacht, ben je het daarmee eens?

J. Beeftink: Nee, waarom? 

Willem van Twillert: Omdat het nooit gebeurd is.

J. Beeftink: Ja, omdat de opdracht nooit is gegeven.

Willem van Twillert: Dat verwijt is terecht want in plaats van zich hoofdzakelijk te beperken tot het beoordelen van wat er wordt aangeboden, zouden dit soort impulsen, ideeën etc. van uitgevers soms verwacht mogen worden. Aan de andere kant zouden organisten ook actiever mee kunnen denken, vind ik.

J. Beeftink: Ik merk, in de kontakten die ik tot nu toe gehad heb, dat de uitgevers niet zo happig zijn op het uitgeven van nieuw werk. Ze vinden het risico veel te groot.

Willem van Twillert: Het zou toch ook zo kunnen zijn dat uitgevers denken dat wij in het algemeen toch niet te porren zijn om eens in een voorgeschreven stijl te componeren. Vandaar dat ik er waarde aan hecht om van collega's meningen over dit soort zaken te vernemen. En ik mag nu constateren dat bij elke dealnemer aan deze discussie voldoende bereidheid aanwezig is om, zonder meer, hun medewerking aan bijvoorbeeld een Orgelbüchleinprojekt te geven.
Het is wellicht nu aan uitgevers en niet te vergeten aan de Organistenverenigingen (!) om na te gaan of op dit gebied misschien een herhaling van het Anlooër initiatief mogelijk is.

J. Beeftink: Ik denk dat uiteindelijk de stijl er niet toe doet, omdat wanneer je een goed vakman bent, of hoopt te zijn, je in welke stijl dan ook, eenvoudig speelbare muziek moet kunnen maken. Dat eenvoudig speelbare heb ik in mijn bijdrage aan het Anlooër Orgelboek dan niet helemaal waargemaakt, dat is iets moeilijker geworden; maar het kàn wel degelijk. Ik heb er niet ècht naar gestreefd om het gemakkelijk speelbaar te houden moet ik bekennen. Ik heb me toch een beetje laten gaan, maar natuurlijk kan het gemakkelijker speelbaar worden. Waarom zou dit overigens alleen in Barokke stijl kunnen? Want de consequentie zou zijn dat bij ons dan de ontwikkeling zou gaan stil staan. We kijken dan voortdurend achterom en niet onbekommerd vooruit. Dat is toch volkomen knots eigenlijk.

G. Legierse: Nou, ik vind gewoon: vrijheid/blijheid. Je moet schrijven in een stijl die je aanspreekt en die je mooi vindt. Ik vind niet dat je alleen maar een bijdrage aan de hedendaagse muziek levert als je ook hedendaagse muziek componeert. Dat kan ook als je in een hele vroege stijl schrijft of in een Romantische stijl. Je levert gewoon een bijdrage door een compositie te tonen die nog nooit eerder bestond.

J. Beeftink: Je levert dan een kwantitatieve bijdrage , maar geen ontwikkeling.

G. Legierse: Dat hoeft toch ook niet persé. Je legt je dan die beperking op.

J. Beeftink: Prima. Ik vind ook dat je dit standpunt best mag huldigen. Ik huldig het niet.

G. Legierse: Ik geloof dat je op allerlei manieren kunt bijdragen aan de orgelliteratuur door in allerlei stijlen te schrijven, maar inderdaad, wat jij zegt, niet aan de ontwikkeling.

J. Beeftink: Daar doe je dan niks aan. En de consequentie is dat als we dit allemáál zouden doen er dan geen ontwikkeling meer zou zijn.

Willem van Twillert: In ieder geval geeft dit nu verschenen Anlooër Orgelboek een prima staalkaart van wat wij denken en doen. Ik hoop dat deze discussie ook duidelijkheid heeft verschaft in de motieven van verschillende organisten.