Willem van Twillert over galante en klassieke orgelmuziek en... een fictieve dialoog met Johann Christoph Kellner (1736-1803), gevolgd door conclusies met een overzicht van de belangrijkste orgelleerlingen uit de school van J.S.Bach. 

Deel I De periode 1750-1800 
Woord vooraf 
In de 16e eeuw was het gewoonte dat onderwijsboeken werden gesteld in de dialoogvorm. Het bekendste voorbeeld hiervan schreef Girolamo Diruta (ca.1554-ca.1612) die met zijn ‘Il Transilvano’ ons waardevolle informatie heeft geschonken omtrent o.m. de techniek van het orgelspel. Een dergelijke dialoogvorm is in dit artikel (omlijst met illustraties) gehanteerd om de geïnteresseerde lezer een globale indrukte kunnen geven van de stijlkenmerken van orgelmuziek uit de periode van ca. 1750 tot 1800. Deze tijdspanne wordt ook wel samengevat als: de periode na Bach.


Na-Bachse Periode
De na-Bachse periode sluit af met de publicatie van ‘Drei Praeludien und Fugen' van Felix Mendelssohn-Bartoldy (1809-1847), die in 1837 verschenen. Met deze publicatie wordt algemeen aangenomen dat de romantiek in de orgelliteratuur haar intrede deed.
De mening dat de orgelmuziek tussen Bach en Mendelssohn is te verwaarlozen valt steeds minder te beluisteren, integendeel. Muziek uit 1730-1830 is momenteel zelfs in de mode! Er verscheen de afgelopen jaren een behoorlijk aantal nieuwe uitgaven met galante orgelmuziek op de markt.
Kortom: De galante en klassieke orgelmuziek blijkt het spelen anno 1986 meer dan waard, en daar is in het verleden wel eens anders over gedacht.
Wist u overigens, dat rond 1930 in Duitsland hecht doortimmerde studies zijn verricht naar deze orgelmuziek? Onder meer K.G.Fellerer (01), H.Löffler (02), (Bachjahrbuch 1953), R.Sietz (03) (Bachjahrbuch 1935 , maar in 1930 als dissertatie in Göttingen verschenen), F.W.Donat (04), G.Frottscher (05) e.a. hebben zich met deze periode bezig gehouden.
Toch verschijnt pas de laatste tien jaar regelmatig orgelmuziek uit de periode 1750-1830 . Maar dit heeft veel te maken met het feit dat na WOII in de eerste plaats de schijnwerper op de vroege Barok (Pachelbel, Walther e.a.) werd gericht.
Enfin, om meer inzicht te verkrijgen in de galante stijl gaan we, in onze fantasie, een kleine tweehonderd jaar terug in de tijd.
We kloppen aan bij Johann Christoph Kellner die in 1736 in het kleine Gräfenroda (nu D.D.R.) werd geboren als zoon van Johann Peter Kellner (1705-1772), die vanaf 1728 als organist en kantor in Gräfenroda werkzaam was (02+06)


Geachte heer Kellner, Ik kom u een aantal vragen stellen met het doel de lezer anno 1986 duidelijkheid te verschaffen over de stijlperiode via J.S. Bach. In onze eeuw wordt u gezien als een zuivere vertegenwoordiger van de galante orgelstijl. U kreeg van uw vader de eerste orgellessen?
Ja; mijn vader was een goede vriend van Seb.Bach (02). Mn vader heeft mij menig manuscript met orgel- en klaviermuziek van de grote Bach nagelaten. In de zomer van 1729 heeft hij Bach hoogst waarschijnlijk leren kennen.
Voor Johann Peter Kellner zie http://www.johann-peter-kellner.de

Is het waar dat uw generatiegenoten de muziek van Bach ouderwets vonden?
Dat is waar. Mijn generatie voelde zich aangetrokken tot de Natuur. ‘Retour de la Nature’ schreef Rousseau in Frankrijk. Vandaar de imitatie van naturalistische taferelen zoals het onweer, vogelgeluiden, vogelgezang, etc. In uw land bijvoorbeeld werd het register Carillon veel op orgels gedisponeerd. In de St. Stevenskerk in Nijmegen werd dat onder andere gedaan. Petrus Beyen (1751-1790) sinds 1782 organist van de St.Stevenskerk, schreef in zijn ‘Brief aan den Heer Joachim Hess’ (ik heb hem hier) over de manier van bespelen van het carillonregister: ‘In de behandeling, op zich zelve moat men omzichtig te werk gaan, en altoos, S t a k a t o spelan; geen vinger mag den minsten tyd neergehouden worden; dan geeft dit pypwerk een geluid van zich als kleine Klokjes" (07).Wat Duitsland betreft hoef ik natuurlijk maar de naam Abbé Vogler (1749-1814) te noemen die beroemd en berucht is geworden door zijn naturalistische improvisaties. Heel Europa trok hij door met zijn orgelprogramma’s die geheel (!) uit improvisaties bestonden: Variaties over volksliederen hadden daarbij een vaste plaats. Zeeslagen, beweging van schepen, gekerm van gewonden, een Afrikaanse dodenzang, het laatste oordeel, het laten rollen van de donder, en noem maar op, dit alles verklankte Vogler op het orgel. De grote Wolfgang Amadeus Mozart echter was een van degenen die niet zo onder de indruk waren. Mozart schrijft op 4 november 1777: "Der h: Vice-kapellmeister Vogler (...) ist ein musickalischer Spassmacher (grappenmaker), ein Mensch der sich recht viel einbildet und nicht viel kann." (Citaat overgenomen uit Frottscher, P.1121 (05)) Overigens heeft Vogler ook in Holland concerten gegeven in de periode 1785/90.

U bent behoorlijk op de hoogte van de Hollandse orgelsituatie.
Voordat ik hier in Kassel als hoforganist en kantor van de Lutherse kerk werd benoemd heb ik een studiereis naar Amsterdam en Den Haag ondernomen, zodoende. 

Goed, we hadden het over Bach.
Dat we Bach ouderwets vonden wil zeker niet zeggen dat we zijn grootheid niet zagen! Collega Jacob Adlung heeft toch in 1758 geschreven: "aber alle bekennen, es say nur ein Bach in der Welt gewesen". (08) De muziek van Bach wordt ook na zijn dood uitgevoerd. Forkel is bezig met Bach’s biografie, in 1744 correspondeerde hij met Carl Philipp Em. Bach om inlichtingen te verkrijgen uit de eerste hand over het leven van Bach. Een jaar na Bachs dood verscheen de ‘Kunst der Fuge’ in druk. In allerlei Duitse steden wordt zijn werk uitgevoerd; in 1798 zong het Thomaskoor in Leipzig bijv. Bachs motet ‘Singet den Herren’ waarbij ook Mozart aanwezig was, die meteen een afschrift van het werk wilde hebben. Het ‘Wohltemperiertes Klavier’ zal in 1801 bij maar liefst drie uitgevers (!) tegelijk in druk verschijnen. Kortom, Bach is zeker niet vergeten. Persoonlijk ben ik er trots op dat de generatie na de muzikale reus Bach er toch in geslaagd is een nieuwe stijl te vinden.
Maar in tegenstelling tot genoemde Vogler stonden wij wel een meer waardige orgelstijl voor.

Anno 1986 wordt de muziek van u en uw kollega’s weer regelmatiger gespeeld. Uw muziek heeft echter bijna 200 jaar lang in bibliotheken gelegen. Men vond de orgel muziek van u en uw collega’s namelijk vaak oppervlakkig.
Dat onze stijl niet hetzelfde niveau heeft als de Barok verbaast me helemaal niet, want wij wilden geen ‘geleerde’ stijl met fuga’s, chaconnes, enz. Neen, mijn generatie wilde de melodie op de voorgrond plaatsen. Dus homofonie (melodie plus begeleiding) in plaats van polyfonie (iedere stem zelfstandig).
Dit ideaal heeft Johann Mattheson treffend verwoord in zijn ‘Vollkommene Capellmeister", Hamburg 1739, (reprint Kassel 1954). Daarin staat op pagina 142: ‘Das in einer guten Melodie ein etwas seyn müsse, ein ich weiss nicht was, weiches so zu reden die ganze Welt kennet’ en: ‘Das Gehör will immer etwas haben, dass es schon einiger maassen kennet...’. Wij wilden dus bekoren op het eerste gehoor.
Komt bij dat galante muziek een kleurrijke en geraffineerde registratie vereist om op ‘hat eerste gehoor’ te bekoren.
Jacob Adlung (08) schrijft over de registratie in zijn hoofdstuk over het koraalspel (p.687): ‘Die Register sind fleissig zu verändern.’ Men behoort zich dus terdege om ‘des klugen Gebrauchs der Register’ (p.752) (het geraffineerde gebruik van de registers) te bekommeren. Voor de waardering van deze muziek is dat iets om te onthouden. In de eerste plaats schreven we voor de eenvoudige amateur-organist.
Mijn veertiende band besluit ik dan ook met deze tekst:

Je ziet dus dat wij meer voor ‘leerlingorganisten’ dan voor ‘goede’ organisten wilden schrijven. Goede organisten improviseerden trouwens in de eerste plaats zèlf. (Vandaar dat er in de periode na Bach niet zoveel orgelmuziek is geschreven als in de tweede helft van de 19e eeuw). In het eerder genoemde werk maak ik ook reclame voor mijn orgelcomposities, en wel als volgt: ‘De orgelspeler welke deze stukkan nog te moeilijk vindt en graag gemakkelijker praeludia of koraalvoorspelen wil hebben, kan deze bij mij in afschrift, tegen contante betaling, verkrijgen”. En dan volgen de titels van acht van mijn bundels.
De functie van uw muziek was dus gaan concertante kunstmuziek, maar liturgische gebruiksmuziek.
Juist. En als latere generaties deze muziek te oppervlakkig vinden dan hebben ze het functionele, dus de kerkelijke gebruiksfunctie, waarschijnlijk niet bij hun beoordeling betrokken.
Uiteraard kwamen er ook excessen voor. Er zijn collega's die teneinde een koraaltekst zo ‘natuurlijk’ mogelijk (vanuit hun visie dan) muzikaal te onderstrepen, zich te buiten gingen.
Zij improviseerden dan bijvoorbeeld een koraalbegeleiding met trommelbassen. Er kwamen te vaak ‘empfindsame’ (gevoelige) versieringstrucjes of clichématige tussenspelletjes tussen koraalregels aan te pas; of man maakte ovenmatig gebruik van gebroken drieklanken. Dit laatste is een element uit de klavier- (piano) muziek die opgang maakte in de Orgelkunst en die uiteindelijk in de slechtste gevallen de waardige orgelkunst geheel verdrong. Deze muziek zal terecht in bibliotheken blijven rusten, denk ik.
Over Abbé Vogler heb ik zojuist al iets gezegd.
Daniel Gottlob Turk ageerde in zijn belangrijke boek: ‘Von den wichtigsten Pflichtan eines Organisten’ (Halle 1787, herdruk Knuf, Hilversum 1966) tegen slechte gewoontes en excessen van organisten van zijn tijd.
D.G.Türk heeft tegen deze manier van musiceren met recht geprotesteerd.

Was er veel vraag naar kerkelijke gebruiksmuziek?
Talrijke uitgaven waarin op de titelpagina in allerlei varianten vermeld staat: ‘Zum Studium und zum gottesdienstlichen Gebrauche’ verschenen vanaf 1770.
Vanaf 1791 warden ook orgelscholen uitgegeven. U weet dat J.G.Vierling (1750 1813) in 1791 zijn ‘Versuch eine Anweisung zum Praeludieren’ uitgaf te Leipzig . En dat de zuid-Duitser Justn Heinnich Knecht tussen 1795 en 1798 zijn ‘Vollständige Orgelschule für Anfänger und Geübtere’ het licht deed zien. Ook Bachs laatste leerling, J.C.Kittel (1732 1809) zal straks zijn ‘der angehende praktische Organist’ uitbrengen (Erfurt
1801/1806).
Overigens was Knecht van deze drie de enige die Abbé Vogler bewonderde. In zijn ‘Vollständige Orgelschule’ tref je dan ook verscheidene stukken aan die het orkest imiteren zoals een hobo- en fluitconcert maar dit terzijde.
Er was dus behoefte aan orgelscholen?

Ja, met de theoretische toelichting in die orgelscholen konden de organisten, die vaak schoolmeester als hoofd- of nevenberoep hadden, zich zelf de nodige vaardigheden en kennis bijbrengen. Goede orgelleraren werden zeldzaam. De generatie die nog van Bach had les gekregen stierf uit.
Met dit fictieve vraaggesprek met Johann Christoph Kellner (1736-1803) nemen we in dit artikel afscheid van de zogenaamde galante periode in de orgelliteratuur.

Konklusie

AANTEKENINGEN
(Onderstaand de belangrijkste titels van geraadpleegde literatuur. De voetnootnummers geven aan uit welke titel een citaat afkomstig is. Er wordt geen paginanummer vermeld.)

1) K.G.Fellerer, Studien zur Orgelmusik des ausgehenden 18. und frühen 19. Jahrhunderts, Kassel 1932 Reprint Knuf, Hilversum 1984.
2) H.Löffler, Die Schüler Joh.Seb.Bachs, Bachjahrbuch 1953.
3) R.Sietz, Die Orgelkompositionen des Schülerskreises um Johann Sebastian Bach, Bachjahrbuch 1935.
4) F.W.Donat, Christian Heinrich Rinck und die Orgelmusik seiner Zeit, Bad Dehnhausen 1931 Dissertatie. (Aanwezig in lnstituut voor muziekwetenschappen Rijksuniversiteit te Utrecht)
5) G.Frottscher, Geschichte des Orgelspiels und der Orgelkomposition, Berlijn 1935/59/66.
6) Naast hedendaagse encyclopedieën, zoals Grove dictionary, M.G.G. en Riemer geeft E.L.Gerber in diens Historisch-biografisches Lexikon der Tonkünstler, Leipzig 1790-92 en diens Neues Historisch-biografisches Lexikon der Tonkünstler, Leipzig 1812/14 waardevolle informatie. (Beide edities zijn in reprint verkrijgbaar) Verder zijn gegevens ontleend aan o.a. 19e eeuwse naslagwerken.
7) Citaat overgenomen uit inleiding van F.Hauff, Voor 't Orgel om te Registreren & c, Boeijenga, Sneek 1981. 
8) J.Adlung, Anleitung zu der musikalischen Gelahrthell, Erfurt 1758, reprint Kassel 1953.
9) Het hobo- zowel als het fluitconcert zijn beide in recente druk verkrijgbaar, resp. bij Harmonia, Hilversum en Willemsen, Amersfoort.

Van Joh.Christoph Kellner zijn twee moderne uitgaven in de handel:
1. Incognita Organo, band 18 (Uitg.Harmonia, Hilversum)
2. Sechs Choralvorspiele (Uitg.Heinrichshofen, Wilhemshafen)
3. In voorbereiding is band V in de serie ORGANISTEN de 18e en 19e EEUW. Deze is geheel is gewijd aan orgelwerken van Joh. Chr. Kellner.
(Uitq. Willemsen, Amersfoort. Verschijnt juni/juli 1986

Naschrift februari 2007:
In ARS ORGANI 53, December 2005, bladz. 214-218, verscheen een interessant uitvoerig gedocumenteerd artikel over JP Kellner, getiteld: Felix Friedrich, ‘Aufführungspaktische Beobachtungen am Orgelschaffen Johann Peter Kellners im Zusammenhang mit der Orgel von Johann Anton Weise in Gräfenroda’
Zie voor bijzonderheden over dit orgel onder meer:
 -Peter Harder, ‘Die Kellner-Weise-Orgel von 1737 in Gräfenroda und der Wandel der Klangvorstellungen’ (ARS ORGANI sept. 2005,bladz 154-161)
 -Joachim Stade, “Zur Restaurierung in Gräfenroda’ (ARS ORGANI, 53, 2005 Bladz.161-164)