Alexandre-Pierre-François Boely, 200 jaar geleden geboren

Inleiding
De herontdekking van onbekende componisten blijkt in de orgelwereld soms snel te verlopen. De orgelwereld is op het gebied van muziekpublicatie dan ook springlevend.
Niet in de laatste plaats is dit te danken aan de talloze bespelers/sters van dit instrument die zondag op zondag in de eredienst hun muzikale taak vervullen. Een taak die een gevulde muziekbibliotheek vereist. Uitgevers beseffen dit en zijn daarom logischerwijs geïnteresseerd voor orgel te publiceren.
In dit licht bezien is het niet verwonderlijk dat er componisten zijn wiens namen organisten vertrouwd in de oren klinken, terwijl diezelfde namen bij de rest van de muzikale wereld nauwelijks of geen weerklank vinden. Zo’n naam nu is: Alexandre-Pierre-François Boëly. Ook voor een naam als Lefébure-Wély is hét bovenstaande van toepassing, hij wordt in dit artikel eveneens ten tonele gevoerd als artistieke tegenpool van Boëly, maar daarover straks.
“Slechts een enkele muziekliefhebber zal zijn naam kennen, want Boëly is een vergeten componist” zo las ik op 25 april jl. in een recensie van Christo Lelie, in het dagblad TROUW.
Ik denk dat een organist dit citaat niet zal onderschrijven; een pianist blijkbaar wel, want het bovenvermelde citaat is afkomstig uit een recensie over pianomuziek van Boëly, gespeeld door J. Robin op ARN 38442. Hoe dan ook: Boëly heeft onder organisten de erkenning gekregen die hij verdient. Het leeuwendeel van zijn orgelwerken is weer in een courante druk verkrijgbaar: zijn naam komen we regelmatig bij orgelconcerten tegen terwijl op literatuurlijsten van befaamde cursussen zoals bijvoorbeeld de Internationale Zomeracademie voor Organisten te Haarlem de naam Boëly vanaf 1975 (Cursus Daniel Roth) met zekere regelmaat voorkomt.
Reden genoeg om eens nader op het leven van deze man en zijn betekenis voor de orgelliteratuur in te gaan, zelfs al zou 1985 niet het tweehonderdste geboortejaar van Boëly zijn.
In vogelvlucht zal dit artikel zijn leven trachten te beschrijven, daarbij veel tijdgenoten van Boëly aan het woord latend.

Boëly’s Jeugd en opleiding
Alexandre-Pierre-François Boëly (verder in dit hoofdstuk Alexandre genoemd) werd 200 jaar geleden geboren, op 19 april 1785 in de rue des Bourdonnais no.37 te Versailles. Zijn vader, Jean-Francois, werkte in Versailles als harpist en zangleraar aan het beroemde hof van Lodewijk XVI. Een baan die echter verloren ging toen de Franse revolutie uitbrak op 5 mei 1789. Het gezin Boëly verhuist daarna naar Parijs. Op 25 februari 1792 wordt daar Alexandrine-Thérèse geboren, de lievelingszuster van Alexandre, die we later nog tegenkomen in Versailles. Alexandre had tenminste nog een oudere zuster: Thérése-Philippine.
De eerste muzieklessen had Alexandre toen al van zijn vader ontvangen.
Ook kreeg Alexandre les van J.J. Bourgeois (1741-181 4), organist van de Notre-Dame en de Chapelle Royale in Versailles.
Op dertien jarige leeftijd kreeg Alexandre als leerling van het Parijse conservatorium les van de beroemde Oostenrijkse pianist en Beethovenbewonderaar Ignace Ladurner, die zich in 1788 in Parijs had gevestigd en van Madame de Montgerault. Daarnaast kreeg Alexandre nog les in altviool en bespeelde hij een blaasinstrument in een kwartet.
Nadat Alexandre twee jaar lessen aan het conservatorium had genoten, moest hij het conservatorium verlaten omdat zijn vader, Jean-François (1739-1814) in een heftig meningsverschil over harmonieprincipes was geraakt met de leider van de klas harmonisatie van het conservatorium, Francois-Joseph Gossec (1743-1829).
Jean-Francois verweet Gossec niet op de hoogte te zijn van de harmonie principes van Jean-Philippe Rameau (1683-1764).
Dit werd Jean-François zo kwalijk genomen dat zijn talentvolle zoon zelfs twee jaar later - Alexandre is dan 17 jaar - niet op het conservatorium wordt toegelaten.
Jean-François was een aanhanger van de muziektheorie van J.Ph. Rameau. Diens Traité de l’harmonie. . .(Ed.1722) had hij leren kennen tijdens zijn werk aan het hof van Versailles waar Rameau aan het eind van zijn leven benoemd was als compositeur du Cabinet du Roy.
Via zijn bibliotheek laat Jean-François zijn talentvolle zoon uitvoerig kennismaken met de principes van o.a. Rameau.
Alexandre kon zo zijn belangstelling voor muziek van Bach, Handel, Scarlatti, de Couperins, Pachelbel en Frescobaldi diepgaand ontwikkelen. Een belangstelling die wel uitzonderlijk mag worden genoemd. Immers, in het algemeen was men in ongeveer 1800 alleen maar geïnteresseerd in nieuwe komposities. Met deze interesse tekent zich bij de jonge Boëly al zijn latere persoonlijke artistieke koers af.
Toen de pianolessen van Ladurner geen doorgang meer hadden kreeg Alexandre nog pianoles van een andere Beethoven bewonderaar: Madame Bigot. Aan haar had Ludwig von Beethoven ooit persoonlijk zijn Apassionata opgedragen.
Het conflict van zijn vader met Gossec beleefde haar hoogtepunt toen Jean-François in 1806 Gossec uitdaagde tot een openbaar debat. Gossec ging er niet op in, waarna Jean-Francois besloot tot het schrijven van een meer dan 200 pagina’s tellende brochure. Geen enkele uitgever wilde die brochure echter uitgeven, waarna Jean-François in 1814 als een ontgoocheld mens sterft.
Alexandre en zijn zuster Alexandrine-Thérèse blijven bij elkaar wonen, totdat Alexandrine-Thérèse in 1825 trouwt.


De eerste gepubliceerde komposities

In het jaar 1810 verschijnt Boëly’s Opus 1 in druk. Het zijn twee pianosonates opgedragen aan Ignace Ladurner. Boëly heeft de 2 sonates gecomponeerd in een stijl die verwantschap vertoont m sonates van Ludwig von Beethoven.
In 1812 verschijnt Opus 2, Trente caprices, ou Pièces d’étude opgedragen aan Madame Bigot.
De etudes verkopen goed en Boëly wordt door meer uitgevers waaronder Richault (het beroemde uitgevershuis) gevraagd om komposities. Er verschijnt dan van hem kamermuziek en pianomuziek voor drie en vier handen.
Inmiddels is Boëly orgelleraar geworden aan de koorschool van de Notre-Dame in Parijs; verder verdient hij de kost met het geven van orgel- en pianolessen. Vooral met het geven van pianolessen aan de gegoede burgerij te Parijs kon men, wanneer men beroemd was, een klein vermogen verdienen. De bescheiden Boëly schijnt evenwel niet erg geïnteresseerd te zijn geweest in beroemd worden. In ieder geval bekommerde hij zich niet veel om de smaak van het publiek.
Hoewel zijn eerste gedrukte werken redelijk succesvol zijn lukt het Boëly toch niet het succes van veel van zijn tijdgenoten evenaren.
Zo haalt zijn Opus 1 bij lange na niet de oplagecijfers van bijvoorbeeld Franz Hünten (1793-1878), een Rijnlandse organistenzoon of Heinrich (Henri) Herz (1803-1888), eigenaar van een pianofabriekje en 32 jaar lang pianoleraar aan het Parijse Conservatorium. Beiden vergaarden in Parijs met hun modieuze pianostukken een fortuin!
Boëly’s muziek daarentegen sloot niet aan bij de smaak van het Parijse publiek. De Parijse bourgeoisie adoreerde pianovirtuozen zoals Muzio Clementi (1782-1 832) en vooral diens leerlingen John Field (1782-1837), Friedrich Wilhelm Kalkbrenner (1785-1837), Ignaz Moscheles (1794-1870). Deze pianisten brachten het publiek in verrukking met virtuoze variaties over geliefde operamelodieën. En ... ze lieten zich riant betalen voor hun pianolessen.
Aan voorboden van de Romantiek à la Schubert of Mendelssohn zoals die doorklonken in Boëly’s eerste pianowerken, was het publiek nog niet toe. Toen het er wèl aan toe was (Schuberts Moments Musicaux bijvoorbeeld werden snel populair) liet Boëly zich steeds meer inspireren door Johann Sebastian Bach.
En zo kon het gebeuren dat Boëly ook met zijn op barokke leest geschoeide orgelwerken die vanaf Opus 9 in druk verschenen te vroeg kwam. Pas toen Alexandre Guilmant samen met André Pirro de tien delen omvattende serie Archives des Maitres de l’Orgue (Ed.1898-1914) het licht deed zien, waarin herdrukken van componisten uit de Barok zoals N. Clérambault e.a. werden gepubliceerd, was de tijd rijp voor de ‘Barokrenaissance’.
Dit deed Saint-Saëns in 1902 dan ook verzuchten: Een kunstenaar die doortrokken is van zo’n systeem, hoeft niet te rekenen op steun van zijn tijdgenoten; hij kan pas de aandacht trekken zodra de vraag naar de actualiteit niet meer bestaat; daarom is nu pas de tijd gekomen om de werken van deze getalenteerde en zeer nauwgezette musicus te waarderen.
Of Boëly wist dat zijn orgeloeuvre 50 jaar na zijn dood die positieve waardering ten deel zou vallen, blijft een open vraag; maar dat hij wist dat hij een origineel componist was lijkt me buiten kijf. Hoewel, Boëly was een zeer bescheiden mens.
Over de invloed en inspiratie die Bach op Boëly heeft uitgeoefend komen we straks nog te spreken, thans richten we onze aandacht op de functies die Boëly heeft bekleed als organist.

Boëly en zijn functies als organist en adviseur
49 jaar oud was Boëly al toen hij pas waardig werd bevonden te fungeren als assistent-organist in de St.Gervais te Parijs. Hij speelde er van 1834 tot 1838. In 1840 kreeg hij eindelijk een functie die hem paste: Hoofdorganist van de St.Germain - l’Auxerrois. In beide kerken stond een orgel van Cliquot.
Nog voordat Boély benoemd was als hoofdorganist van de St.Germain-l’Auxerrois had hij aan het bestuur van deze kerk een advies verstrekt, dat erin voorzag een nieuwe windvoorziening aan te leggen en het Franse taenpedaal te vervangen door een Duits (Mechels) pedaal.
In de St.Gervais werden in 1843 eveneens op zijn advies, wijzigingen aan het orgel uitgevoerd, die behelsden dat het instrument weer in de staat werd gebracht waarin Cliquot het had opgeleverd in 1768. Tussen 1847 en 1850 werd andermaal het orgel in de St.Germain - l’Auxerrois gerestaureerd waarbij Boëly een nieuw Récit liet plaatsen, terwijl het aantal klavieren tot drie werd gereduceerd. (Gegevens ontvangen van Ton van Eck, Voorburg)
Het feit dat Boëly in 1838 een Duits pedaal liet aanbrengen bij het orgel van de St.Germain-l’Auxerrois onderstreept het belang
dat hij hecht aan een zelfstandig pedaal.
Nog voor het qua pedaalgebruik revolutionaire concert van Adolph Hesse (waar Hesse volgens Stephen Morelot met de voeten speelde ‘als een derde hand’ Revue et Gazette, 7 juli 184x) gegeven tijdens de inwijding van het Daublaine-Callinet-orgel in de St. Eustache, was Boëly dus al doordrongen van het belang van een goede pedaaltechniek’
Vanaf januari 1846 verscheen in de Revue de la Musique réligieuse populaire et classique uitgegeven onder de directie van Félix Danjou, organist van de Notre-Dame (1840-47) en St. Eustache (1832-44), een uitgebreide verhandeling over Boëly en zijn werken door St. Morelat die zich o.a. over het pedaalspel van Boëly als volgt uitdrukte: "Maar de grootste resultaten welke de heer Boëly heeft bereikt in de studie van het orgel zijn nog een vraagteken voor het publiek. Men moet daar op de eerste plaats toe rekenen het gemak om het pedaal te bespelen, hetgeen de heer Boëly in staat heeft gesteld met succes te worstelen tegen de werkelijk geweldige moeilijkheden, die zich voordoen in deze partij bij de orgelcomposities van J.S.Bach”.
Hoe bescheiden Boëly was lezen we overigens in de aanvang var dit artikel waar Morelot noteert: "Er zijn mensen die in het geheel behoren tot het tijdvak waarin zij leven. . ., de uitnemende artiest die het onderwerp van deze studie vormt behoort hiertoe; de zorg die hij besteedt om zich te verbergen evenaart die welke anderen besteden om zich te manifesteren . . . Hij verdient het, meer dan wie ook, om in onze tijdspanne (. . .) als toonbeeld te worden gesteld van de meest bekwame en minst bekende artiest, die trouw is gebleven aan het in stand houden van de grote tradities’

Twee uitersten: J.S.Bach en L.J.A.Lefébure-Wély
We hebben al gezien dat Boëly zich steeds meer liet inspireren door J.S. Bach van wie hij een groot portret bezat, dat als enige wandversiering aan de muur van zijn kamer hing.
We hebben ook kunnen zien dat Boëly tijdens zijn leven niet erg populair is geworden, dit in tegenstelling tot Louis James Alfred Lefébure-Wély (1817-1869) die met zijn marsen, bolero’s, polka’s, stormen en onweders gigantische successen oogstte.
Dat echter niet iedereen van Lefébures behandeling van het orgel gediend was lezen we in de Revue et Gazette musicale de Paris van 13 juli 1845, p.232 (citaat overgenomen uit: De Parijse orgelwereld omstreeks het midden van de 19e eeuw en Adolph Hesse (1844), E. 
Kooiman, in: Het Orgel 1981, pp. 69-82), waar we lezen: “Wanneer zullen de Franse organisten inzien, dat hun instrument uitsluitend verheven gedachten, een brede stijl, indrukwekkende effecten, verheven melodieën en een rijke harmonie verdraagt? Lefébure is nog erg jong; hij kan nog wat aan zijn talent ontbreekt zich eigen maken; we wekken hem op de goede voorbeelden die hij onder ogen heeft; Boëly organist van de St. Germain-l’Auxerrois, en Benoist, leraar aan het Conservatorium, te bestuderen, en na te volgen; dat zijn twee grote kunstenaars, die hun kunst weten te respecteren, en die onze orgels niet prostitueren met barcarolles, contradansen, galoppen, walsen en polka’s’ (vert. E. Kooiman).
In 1852 schreef de criticus Joseph d’Ortigue in het Journal des Débats het volgende over Lefébure-Wély en Boély: "Op de tegenovergestelde plaats van die welke de heer Lefébure Wély inneemt bevindt zich de heer Boëly, de bekwame en bescheiden organist van de St. Germain-l’Auxerrois, waaronder men slechts met het grootste respect dient te spreken. Wanneer de heer Lefébure, niet zonder ruchtbaarheid gebroken heeft met de tradities van de ernstige stijl, met andere woorden, als hij zich de voorvechter heeft gemaakt van het nieuwe orgeltype, heeft de heer Boëly daartegenover zich reeds sedert lange tijd een aanhanger verklaard van het oude orgeltype. Uitsluitend gewijd aan de verering van Johann Sebastian Bach en van Emmanuel Bach, van Rameau (en) van de Couperins.’
Drie jaar later van 1855 tot 1865 bezorgde uitgever Richault de eerste Bachuitgave in Frankrijk. Maar toen Charles Marie Widor in 1892 César Franck opvolgde als orgelleraar aan het Conservatorium vond men in de bibliotheek een band met orgelkoralen van J.S. Bach in genoemde Richault editie die nog nooit open was geweest. De koraalband moest zelfs worden opengesneden.

Ontslag ais organist in 1851
George Schmitt, ‘Organiste des églises Saint-Sulpice et des Carmes’ wijdde aan het einde van zijn in handzaam klein formaat uitgegeven Nouveau Manuel Complet de l’Organiste (Parijs 1855, p87) de volgende woorden aan Boëly: ‘We eindigen met de waardige voortzetter van de grote traditie van Bach en Handel, M. Boëly (sic!), organist van de hofparochie van St.Germain - l’Auxerrois, en orgelleraar aan de koorschool van de Notre-Dame van Parijs. De zuiverheid van zijn uitvoering, de helderheid van zijn spel en zijn bekwaamheid in het bespelen van het pedaal maken van hem de beste uitvoerdar van de fuga in Frankrijk. Zijn stijl is zeer legato (trés lie) en benadert ten zeerste het symfonische genre. Zijn composities voor orgel zijn zeer opmerkelijk en zeer belangwekkend voor wat betreft de verhouding tussen vorm en stijl. Deze kunstenaar bespeelt het orgel met alleen zijn muzikaal gevoel als leidraad zonder te offeren aan de smaak van het publiek. Dit heeft dan ook geleid tot zijn terugtreden enige jaren geleden, en het orgel waarvan hij de vaste bespeler was wordt sindsdien bespeeld door één van zijn leerlingen. Voor de religieuze kunst is dat een zeer groot verlies, want M. Boëly behandelde het orgel als een waarlijk organist’.
Ja, we lezen het goed: Boëly werd op 1 oktober 1851 ontslagen als hoofdorganist van de St.Germain - l’Auxerrois, omdat hij volgens het kerkbestuur te droog en te dor speelde!
Ik heb niets kunnen lezen over een protest van de kant van Boëly. Hij schijnt het te hebben geaccepteerd. Overigens was hij op het moment van ontslag al 66 jaar, maar toch; men had Boëly tenminste de titel ‘Organist titulair’ kunnen geven, temeer daar een leerling van hem als opvolger werd benoemd. Maar misschien was hij met dat laatste feit al tevreden? Het lijkt in ieder geval in overenstemming met zijn karakter en met zijn zorg en liefde die hij had voor zijn leerlingen zoals een citaat uit een brief gedateerd, 23 oktober 1856 (of 1857) hem laat zien: (Het is een brief verstuurd vanaf zijn vakantieverblijf).
‘Ik verheug me erop ze weer te zien, goed voorbereid om mijn lessen te volgen, die ik hen met zoveel voldoening geef. Zelf ban ik in elk geval goed voorbereid om de scholing van hun muzikale vorming, waarin zij zoveel smaak tonen en zo goed slagen, te hernemen (. . .) De rest van mijn tijd is doorgebracht met gesprekken, met wandelingen en met het biljartspel waarin ik enige vooruitgang heb geboekt. Maar ik kan niet meer doorgaan om mijn tijd zo door te brengen. Ik heb dan ook het besluit genomen om volgende dinsdag te vertrekken (...) Ik heb aan mijn zuster geschreven, dat ik het feest van Allerheiligen in Versailles kom doorbrengen en dat, bijgevolg, ik de eer zal hebben om U te zien (. .

December 1858
Die donderdag in december 1858 zien we Boëly niet in de straten van Versailles. Hij ligt op sterven in zijn eenvoudige kamer in de rue de Ponthieu, no.14. Op 27 december 1858 komt er een einde aan zijn leven.
Tijdens de begrafenis op 29 december spreekt de reeds eerder aangehaalde kritikus J. d’Ortigue onder meer de volgende woorden waarmee ook wij van Boëly in dit artikel afscheid nemen: "Van alle levens van artiesten zou men er niet een kunnen aanhalen die eenvoudiger, bescheidener en nederiger is geweest en met meer wilskracht toegewijd als dat van Boëly. Hij was een artiest van de oude tijden, een man van het verleden, en ik behoor tot degenen die van mening zijn dat deze kwalificatie van ‘man van het verleden’, ondanks dat die een (zekere) eenzijdigheid weergeeft, zijn schoonste lofprijzing is.
Hij is een tijdgenoot van ons geweest, hij heeft (desondanks), in de XIXe eeuw het leven geleid van die grote artiesten uit het verleden die hun kamer niet verlieten en die het gerucht dat hun naam daarbuiten verwekte niet kenden. Als U aan Boëly gezegd zou hebben dat een van zijn werken, gespeeld in een salon, succes zou hebben gehad, dan zou het woord ‘succes’ hem hebben afgeschrikt. . Met welk een zorg onttrok hij zich aan deze bijvallen, aan deze triomfen die hem uit zichzelf ten deel zouden zijn gevallen, als hij, ook maar in geringe mate zich ertoe zou hebben willen lenen! Met welk een bescheidenheid sprak hij over zijn composities, waarin wij een zo rijke en kundige bewonderden, een breedheid en éénheid van stijl en vaak een zo edele en verheven expressie!
Beschouwen we, tot slot, de fraaie eenheid van dit lange bestaan. Deze grote verdediger van de klassieke tradities binnen de muziek heeft getoond hoezeer hij van harte verbonden was aan de religie waarbinnen hij geboren was. De leerling van Haydn en Mozart is gestorven in het geloof van Mozart en Haydn. Boëly heeft al zijn plichten als christen vervuld".

Nog niet vermelde bronnen: