Sanderman trekt frisse sporen in muzikaal landschap reformatorische kerken
Op zaterdag 15 september presenteerde Dick Sanderman zijn koraalboek voor de gereformeerde gezindte tijdens een orgel- en samenzangavond in de Maartenskerk te Tiel. Organist/componist Willem van Twillert had de nieuwe bundel al eerder in huis, speelde eruit, verdiepte zich erin en schreef onderstaande bespreking.

Boek vol kunstzinnige levendigheid

Op de dag dat ik de proefdruk van het koraalboek van Dick Sanderman ontvang, besluit ik eerst het ‘toeval’ op mijn recensie los te laten. Ik spreek met mezelf af het koraalboek gedurende een uur zo grondig mogelijk steekproefsgewijs te beoordelen en daarna de eerste bevindingen aan het papier toe te vertrouwen. Beginnend bij psalm 1 tot we-zien-wel en vervolgens vanaf psalm 150 al terugbladerend.
Wanneer ik bij psalm 8 kom, zie ik een zetting van Bach. Ook de ‘organist der organisten’ componeerde zijn harmonisaties vaak aan de hand van een isometrische melodie. Zou er bij Bach ooit twijfel ‘hierover zijn gerezen? In wezen amputeer je een melodie door het ritme eruit te halen. En de componisten hebben deze melodieën wel degelijk in opdracht van de reformator Johannes Calvijn ritmisch genoteerd. We zullen Bachs antwoord nooit zeker weten. Dat van Calvijn weten we wel: die wilde ritmisch psalmgezang.
Ik ben benieuwd naar zettingen met een tegenstem. Die tref ik in het eerste halfuur nog niet aan, daarom begin ik er gericht naar te zoeken. Mijn blik blijft haken bij de melodie van psalm 150. “Koraal 2 (bovenstem)” lees ik. Koraal 2, bovenstem? We treffen hier toch gewoon twee harmonisaties of zettingen aan?
Koraal 2 (bovenstem) van psalm 150 is zeker geen brave vierstemmige zetting. Dat is één van de goed gekozen uitgangspunten van Sandermans koraalboek, want vierstemmige zettingen/ harmonisaties zijn er al genoeg. Ik begin te lezen. De melodie? Waar is de psalmmelodie? Ik ga de zetting van psalm 150 met bovenstem spelen, ondertussen de palmmelodie meezingend, zodat ik weet waar ik in de muziek ben gebleven. Het is even wennen voor mij vanwege het ontbreken van ritme in de psalmmelodie. Mooi klinkt het, wanneer ik m’n stem hoor begeleiden door de machtige uitwerking van Sanderman. ,,Dick kan wel wat”, gaat het al spelend door me heen. Het is een geweldige klus die hij ook nog in zo’n korte tijd heeft geklaard. Hoed af.
Het is wel onhandig om de psalmmelodie niet af te drukken, omdat je als speler erg goed moet opletten welke noot van de melodie je begeleidt. Bij een eventuele vergissing heb je de ‘noten’ zo aan het dansen en probeer dat maar eens zonder melodie snel te corrigeren. De organist heeft zonder de visuele weergave van de psalmmelodie weinig steun, in de zin dat je weet waar je muzikaal bent. Je muzikaal gehoor en geheugen
moeten je dan voor struikelen behoeden. Gewoon de melodie erbij afdrukken, was verreweg de beste keuze geweest, desnoods met de mededeling dat deze melodie niet uitgevoerd behoeft te worden, maar alleen dient als melodisch baken. Ook al levert dit een druk en gecompliceerd notenbeeld op. Ook voor de lespraktijk en bij (eventueel moeizaam) instuderen van dergelijke zettingen is het ontbreken van een leidraad lastig. In de laatste twee melodieregels van psalm 89 en in de derde en vijfde melodieregel van psalm 98 schrijft Sanderman herhaaldelijk tertsverdubbelingen voor. Jammer.
Het uur is om.

Inleidend voorwoord
Boven Sandermans tekst voorin het koraalboek staat geen titel. De inleiding, want dat is het, ziet er overzichtelijk uit. Met royale letter gedrukt op maar liefst drie pagina’s. Het citaat van Klaas Bolt valt op: ,,(...)Een niet-ritmisch gezongen psalm kan door de orgelbegeleiding zelfs het karakter van een romantische lied krijgen en kan ook dienovereenkomstig, romantisch geharmoniseerd worden. In de praktijk gebeurt dat vaak op een banale manier, maar je kunt ook heel smaakvol romantisch harmoniseren.”
Waar heeft Sanderman dit citaat vandaan? Aha, het staat op de eerste pagina: ,,Uit Zijn (Bolts, red.) mond genoteerd tijdens een studiedag over gemeentezangbegeleiding op 13 april 1985 in Zandvoort.”
Ik herinner me dat Bolt het niet-ritmisch zingen wel billijkte vanuit een zeker respect voor deze traditie, maar Bolt zou, in mijn herinnering, zeker geen propaganda voeren om het niet-ritmisch zingen te behouden. Deze traditie is er nu eenmaal en als organisten moeten we met het fenomeen niet-ritmische gemeentezang zo goed mogelijk omgaan; zo herinner ik mij Bolts opvatting. Ik ben er dus niet helemaal zeker van of Bolt het een goed idee had gevonden om een citaat uit een groepsles in 1985 te Zandvoort in dit koraalboek te plaatsen. Maar een mooi citaat blijft het.
Sanderman vermeldt in zijn goed onderbouwde tekst met één woord dat hij in zijn zettingen met bovenstem de psalmmelodie niet noteert, maar verbergt in de middenstemmem. Hij zegt het als volgt: ,,Een loflied met een bekende melodie kan een extra dimensie krijgen indien de gemeentezang wordt begeleid met een zetting waarbij de melodie verborgen ligt in de middenstemmen.” Er is overigens geen inhoudsopgave die aangeeft waar zettingen met een bovenstem (vierstemmig dan wel veelstemmig) en discantzettingen zijn gehanteerd. Dat was wel handig geweest.

Bovenstem
Bij de zettingen met een bovenstem is het opmerkelijk dat deze stem meestal doorloopt zonder rusten. Het gevaar loert dan dat de bovenstem dominant wordt en gaat overheersen. Het is lastig om voor een doorlopende bovenstem telkens weer boeiende melodische lijnen te bedenken. Sanderman slaagt hier best wel in, maar melodisch is het niet altijd zo fraai als bijvoorbeeld in de bovenstem van psalm 21. Er had meer melodische afwisseling in de bovenstemmen kunnen zijn, zeker wanneer er meer rusten waren ingevoegd of wanneer de bovenstem soms eens op de tweede helft van de koraalregel werd ingevoegd.
In zijn inleidende tekst verwoordt Sanderman het als volgt: ,,Redenerend vanuit een vierstemmige zetting wordt dan de alt- of tenorpartij verplaatst naar of verdubbeld in het bovenoctaaf.” Het gevaar dat bovenstemmen dan iets voorspelbaars krijgen, ligt op de loer, hoewel het op zich een uitstekende vorm is om toe te passen.
Sanderman had wat mij betreft meer zettingen met een bovenstem mogen toevoegen, maar dan wel graag met de psalmmelodie erbij genoteerd. Overigens is er geregeld sprake van meer dan één bovenstem. In wezen is de bovenstem bij Sanderman een versterking van de harmonie, waarbij een deel van zijn harmonische uitwerking een octaaf hoger wordt gelegd. Het gaat dan eigenlijk om zettingen met de cantus-firmus in de tenor.
Inzetten van volgende melodieregels worden door de bijna steeds aanwezige bovenstem versluierd. Dit is geen probleem, omdat Sanderman alleen zeer bekende melodieën selecteerde voor de bovenstemvorm. De zingende gemeente heeft de steun van het meespelen van de melodie dan niet nodig. Alleen bij de belangrijke eerste inzet klinkt de psalm-melodie vaak een paar noten zonder bovenstem (overigens niet bij de zojuist aangehaalde psalm


Twee manualen Wanneer er twee of meer manualen op een orgel voor handen waren, begeleidde Klaas Bolt zijn zettingen met tegenstem nagenoeg altijd op twee klavieren. Alleen wanneer de Haarlemse Bavo behoorlijk bezet was, week Bolt van die speelwijze af. Van dit specifieke effect om de koraalmelodie en de bovenstem uitkomend op een apart klavier te laten klinken, maakt Sanderman geen gebruik. Het gevolg is dat in zijn zettingen met een bovenstem de begeleiding niet op een tweede, zachter geregistreerd klavier uitgevoerd kan worden, omdat de linkerhand de rechterhand geregeld moet ‘helpen’. In psalm 135 bijvoorbeeld legt Sanderman de laatste drie bovenstemnoten ver van de psalmmelodie vandaan. Daardoor wordt de linkerhand, alleen vanwege die drie noten, gedwongen de melodie op die plaats over te nemen. Sandermans discantzettingen met de begeleiding onder c1 mogen met ere vermeld worden. Daar wordt wel de mogelijkheid geboden om de melodie uitkomend te laten klinken, hetzij op hetzelfde klavier met discantregisters, hetzij op een apart klavier.

Levendig lijnenspel Wanneer de ‘gewone’ harmonisaties nu ook in dc bespreking betrokken worden, dan treffen we de hoge kwaliteit aan die we van Sanderman gewend zijn: inventief, afwisselend met vaak spannende, smeuïge akkoordverbindingen. Er is ook wel iets te wensen. Ik mis een vleugje modale karakteristieke kerktoonsoortharmonie. Sanderman past in zijn harmonisaties overwegend een klassieke tot laat-romantische stijl toe. Meer afwisseling had geen kwaad gekund. In de afsluitingen van zowel de melodie als de voorspelen van psalm 65 en 72 (dubbelmelodieën) schrijft Sanderman telkens als lei(d)toon
een dis voor. Waarom niet eens een d in één van de drie voorspelen of zettingen genoteerd?
Het voorspel van psalm 72 is fraai. Curieus is het dat het voorspel over dezelfde melodie (psalm 65, laatste twee maten) eindigt met een cliché. Ik noem zo’n cliché een ‘kosters-slot’. Sanderman gaat zich in ieder geval niet te buiten aan sentimenteel harmonisch geweld in de vorm van allerlei gedurfde dominant- en verminderde septiemakkoorden met avontuurlijke modulaties naar ver afgelegen harmonie-oorden. Hij stelt zich als doel kunstzinnige levendigheid in zijn harmonisaties te creëren om de nadelen van de ritmisch gelijk geschakelde noten van de psalmmelodie muzikaal te ondervangen. De componist schrijft hierover:
,,Zingt men echter de psalmen isometrisch, dan vraagt het wegvallen van ritmische spanning naar mijn overtuiging om compensatie in de vorm van een grotere harmonische vrijheid en een levendiger lijnenspel in de begeleidende stemmen.”

Pedaal
Naar mijn smaak legt Sanderman
dit ,,levendiger lijnenspel” te vaak in de bas, dus in het pedaal. Ik had het graag bij voorkeur in de beide middenstemmen gezien. Al was het maar om speeltechnische redenen. Extra noten in het pedaal zijn technisch het lastigst te realiseren. Zeker bij amateurs is het pedaalspel vaak de zwakste speeltechnische schakel. Bovendien zijn de tamelijk veel voorkomende octaafsprongen in het pedaal artistiek gezien eigenlijk niet interessant. In voorspel 1 van psalm 124 noteert Sanderman in maat S een octaafsprong in het pedaal die muzikaal gezien zelfs stoort. In het thema staat namelijk als eerste noot een rust.
Het gegeven dat isometrische gemeentezang meestal in een langzaam tempo gebeurt, maakt het pedaalspel uiteraard technisch gemakkelijker. Ook is het klankeffect van de melodische lijn in het pedaal dan duidelijker Dan nog ben ik van mening dat de beweging in de middenstemmen net zo fraai klinkt als meer lijnenspel in het pedaal. Wanneer Sander-man dit doet, levert dit direct een fraaie harmonische meerwaarde op. Gelukkig imiteert Sanderman de zettingen van Bach niet slaafs, want zestiende noten in het pedaal, zoals Bach soms voorschrijft (bijvoorbeeld in de zetting van psalm 23), zie ik om genoemde technische redenen niet zitten.

Voorspelen
Al spelend ontwikkel ik een voorkeur voor voorspelen die uitgaan van uitvoering op twee klavieren, waarbij de melodie in de tenor ligt. Juist bij dit soort voorspelen echter wens ik weleens dat de psalmmelodie integraal in het voorspel was verwerkt. Maar: ,,De lengte van de voorspelen sluit aan hij de gangbare praktijk in de meeste kerken waar isometrisch wordt gezongen”, zo meldt Sanderman in zijn voorrede en daar is geen speld tussen te krijgen. Soms geeft Sanderman een voorspel waarin hij de volledige psalmmelodie verwerkt, zoals in het wondermooie voorspel over psalm 21. Naar mijn smaak klinkt dit perfect met een Fluit 8’ en 4’, maar de componist geeft als ,,globale sterktegraad” forte (sterk) aan.
Bij langer uitgevallen voorspelen had Sanderman verwijzingstekens kunnen noteren om mogelijkheden te scheppen om eerder te stoppen. Frescobaldi noteerde op die manier bijvoorbeeld coupures in zijn toccata’s. Van die mogelijkheid heeft Sanderman geen gebruik willen maken. Soms is er nog wel bladruimte over; anderzijds zou bij lange voorspelen het koraalboek (329 bladzijden) in omvang onhanteerbaar worden.
Met herhalingstekens slaagt Sanderman erin om in voorspel 2 van psalm 86 op een knappe manier, met efficiënt gebruik van de bladruimte, een tamelijk uitgebreid voorspel weer te geven. De organist heeft overigens meer dan genoeg keuze in zowel voorspelen als zettingen, want alle psalmmelodieën -ook de dubbelmelodieën- krijgen doorgaans twee voorspelen en twee harmonisaties. Een goed uitgangspunt van uitgever Lindenberg.
Voorspel 2 bij psalm 115 is een nuttige en geslaagde fuga. Deze vorm is goed gekozen, omdat de wat onbekende melodie herhaaldelijk als fugathema terugkeert. Op die manier wordt de melodie als het ware de gemeente in de mond gelegd. Minder goed vind ik de voorspelen bij enkele andere, tamelijk onbekende psalmmelodieën, zoals psalm 112 en 114. Conclusie
Bij diverse interessante voorspelen kunnen details genoemd worden, maar dat laat de beschikbare ruimte niet toe. In het algemeen concludeer ik dat Sanderman bewondering afdwingt voor het hoge artistieke niveau en de grote mate van afwisseling in zijn voorspelen. De harmonisaties zijn functioneel en voor (massale) niet-ritmische gemeentezang doelmatig. Over de uitgangspunten hebben zowel de maker als de uitgever goed nagedacht. De concrete muzikale uitwerking voldoet meer dan voldoende en dat mag een prestatie van de bovenste plank genoemd worden. Het is een compliment wanneer je al spelend meer van diverse uitwerkingen wilt horen; dat betekent dat de inhoud boeit.
Het is een compliment wanneer je als recensent bij een aantal voorspelen de indruk krijgt dat deze artistiek gezien eigenlijk te beknopt zijn. Enerzijds is de inhoud in de meeste voorspelen goed en boeiend, anderzijds vereist de door Sanderman gekozen vorm soms een uitgebreidere en volledige uitwerking. De componist bijt soms artistiek gezien in zijn eigen staart. Een voorbeeld: psalm 74 (maar ook onder meer psalm 119) begint met een aansprekend thema dat daarna wordt gecombineerd met de psalmmelodie. Een fraai tussenspel volgt en vervolgens klinkt dan niet de muzikaal gewenste tweede melodieregel, maar de laatste melodieregel, want er moet vanwege de beknoptheid worden afgesloten. Dat is kunstzinnig gezien te vroeg, maar vanuit de praktijk bezien alleszins begrijpelijk. Het dilemma speelt zich in een behoorlijk aantal voorspelen van Sanderman af. Is dit te voorkomen? Neen. Ik denk dat Sander-man er goed aan heeft gedaan om niet te kiezen voor een soort uitgesponnen intonatie (wordt gauw ‘priegelwerk’), maar voor stevige voorspelen, zowel qua vorm als klank.
Overigens bestaat er meestal geen dilemma. Veel voorkomende vormen zijn deze: Sanderman koppelt het contrastterende thema direct aan de psalmmelodie en vervolgens houdt hij de thematiek vol gedurende de (bij psalm 110 bijvoorbeeld volledige) psalmmelodie. Of zoals bij psalm 146, waar het begin van de psalmmelodie enigszins vrij in het beginthema is verwerkt en de twee laatste melodieregels ‘notenlijk’ worden behandeld, waarna het beginthema weer even terugkeert. Een mooie ABA-vorm, waarbij beknoptheid geen (negatieve) rol speelt.

Epiloog
Dat organisten en gemeenteleden van de Gereformeerde Gemeenten -en alle andere kerkgenootschappen waar niet-ritmisch gezongen wordt- door de knappe, afwisselende inhoud van dit nieuwe koraalboek geboeid zullen worden, lijdt geen twijfel. Dit koraalboek zal artistiek verantwoorde en frisse sporen trekken in het muzikale landschap van deze kerken. Het is verstandig en historisch en kunstzinnig gezien zorgvuldig om in de voorspelen het oorspronkelijke ritme van de psalmmelodieën te eerbiedigen.
Het is te hopen dat kerkenraden royaal de beurs willen trekken om dit nuttige psalmbegeleidingsboek voor hun organisten ieder afzonderlijk aan te schaffen. Dat is zeker geen luxe. Immers, kerkenraden zullen hun organisten toch de mogelijkheid behoren aan te bieden om de reusachtige inhoud van dit koraalboek thuis op individuele wijze intensief te bestuderen zodat zij er in de eredienst op verantwoorde wijze gebruik van kunnen maken. Een ieder die van psalmmelodieën houdt, of men nu organist, gemeentelid of kerkenraadslid is, kan spelend, luisterend en zingend jarenlang muzikale inspiratie putten uit dit uitstekende koraalboek.