Willem van Twillert als kerkorganist

Antwoord van Willem van Twillert op een enquete van een muziekstudent
Interview met Willem van Twillert in het IKON-radio-Programma Musica Religiosa op 5-1-2006
N.B. Het kan even duren voordat het bestand is ingelezen vanwege de grootte: 28MB
Interview met Willem van Twillert in Amersfoort Nu d.d. 7 juni 2006
Radio-interview met Willem van Twillert CASA LUNA (2004) , 300e uitzending met onderwerp 'genieten'
25-jarig jubileum Willem van Twillert in de Johanneskerk
Diverse interviews met Willem van Twillert
Ds. Jaap Gulmans: sfeerimpressie Johanneskerk

Elke zondag worden de diensten in de Johanneskerk te Amersfoort begeleid.
Link naar de website van de kerk.
Hij bespeelt er een Van Vulpen-positief van 5 registers.
Foto links: Hans Wels

Van Twillert:
"Het fraaie moderne kerkgebouw uit 1963 herbergt een werkelijk schitterende akoestiek. De door de architect Simon van Woerden in 1963 prachtig vormgegeven kerk (in de stijl van het nieuwe bouwen, geïnspireerd door de architect Gerrit Rietveld)  herbergt ondermeer fraaie kerkramen ( ik noem dit "betongotiek" en ik bedoel het als een compliment). Ik ervaar het sobere gebouw als louterend voor ziel en oren.
Hoewel het orgel in omvang klein is, vormt dit geen beletsel voor mij om er fijn op te musiceren. Ook de gemeenteleden zijn verknocht aan het orgelspel. Dit valt ook af te lezen aan de waardering.
Ik ben in 1979 benoemd . Er werd toen een vergelijkend examen gehouden tussen vier kandidaten.
De aanstelling geschiedde toen in de rubriek kerkmusicus II. Sinds 1991 mag ik me verheugen in een vast dienstverband met de honorering uit de eerste categorie (kerkmusicus I, met max. aantal dienstjaren) volgens de regeling voor de kerkmuziek".

 

 

 

 

Foto van Janco SchoutHet orgel werd vervaardigd door de Gebrs.  Van Vulpen te Utrecht en enige tijd na de oplevering van het kerkgebouw  (1963) in deze ruimte opgesteld.  De intonatie is  geheel oorspronkelijk. Stilistisch vormt het instrument zeker een eenheid. Met name de neobarokke intonatie is hier prachtig. In 1994 zijn de labia van de frontpijpen verguld door orgelbouwer Ide Boogaard te Rijssen. Verder is niets aan het instrument veranderd.

Foto links is van Janco Schout.

Dispositie:
Manuaal  C - f'''
Holpijp  8'
Prestant  4'
Fluit  4'
Octaaf  2
Mixtuur  II B/D

Pedaal: aangehangen (C - d1)


Er zijn al pogingen geweest om het kerkgebouw te slopen, maar gelukkig is daarvan thans geen sprake meer; integendeel het gebouw is nu geplaatst op de lijst van toekomstige monumenten.
Aanvang dienst 10.00 uur.
Adres Johanneskerk:
Westsingel 30 (bij het stadhuis)
3811 BB Amersfoort

Predikante is: Greteke de Vries
E mail:g.a.devries@planet.nl
Er zijn regelmatig bezoekers die de kans grijpen om Van Twillert als kerkorganist te horen.
Hij improviseert tijden de eredienst veel. Soms speelt hij ook piano op een fraaie Hoffmann piano.

De aquarel rechts is van de hand van Maja ten Have


Foto: Janco Schout

Interviews

Amersfoortse Courant 14 mei 2004 Interview met Willem van Twillert door Piet van Dijk "Organist gebruikt eigen stem als extra register"

Foto: Hans Wels Willem van Twillert aan het orgel van de Johanneskerk te AmersfoortMensen kopen geen kaartje voor een kerkdienst, vindt organist Willem van Twillert uit Hoogland. Het is dus niet de bedoeling dat hij ‘s zondags in de Johanneskerk in Amersfoort een virtuoos concert ten beste geeft. Alhoewel sommigen daar wel op hopen, zegt Amersfoorter Jan Slagt als trouw toehoorder.
Toch is het een publiek geheim dat er ook mensen zijn die de kerkdienst een mooie gratis gelegenheid vinden om Willem van Twillert eens te horen spelen. Dat is slim van hen, want Van Twillert is dan en daar het meest in zijn element. Het hart van de kerkorganist - wie geluk heeft kan hem in de dienst ook op de piano horen - klopt in de wekelijkse vieringen. “Concerten geven vind ik heel eervol,” zegt Van Twillert “en die zijn uitdagend en inspirerend. Maar dat heb ik ook met de vieringen. Ik probeer daar te verklanken wat er zich in de dienst ontwikkelt. Ik kan er spontaan, al improviserend, voortborduren op wat er aan de orde wordt gesteld. Dat heeft een aparte bekoring, omdat het net als het leven zelf ook letterlijk soms een muzikaal zoeken en tasten is. Mensen voelen dat aan en beleven dat mee, temeer daar ze de organist ook zien spelen.”

Meditatie
Heeft een dominee een sombere overdenking, dan laat Van Twillert het orgel juist vrolijk spreken. Schetst de voorganger het leven als een heerlijke roeping om vrijuit te leven, dan ontlokt hij wellicht het tegenovergestelde “om de mensen en mijzelf ook de diepte in de meditatie te laten beleven”.

Vaak springt hem een gezang of psalm in de oren die goed aansluit bij de woorden die in de dienst klinken en daar gaat hij dan mee aan de slag. Jan Slagt herinnert zich de maansverduistering in 1999. Dat was voor Van Twillert een reden om de zondag daarop Claire de Lune (maneschijn) van Debussy te spelen. Van Twillert: “Mensen zeggen aan het eind van een dienst soms: Willem, wat speelde je daar nou? Dat vind ik leuk. De muziek heeft ze iets gedaan, heeft meegespeeld in hun beleving van de viering. Sinds 1979 mag ik hier als vaste organist spelen. Het is geweldig als mensen je waarderen. En als ze kritiek hebben, hoor ik dat ook graag. ‘t Is leuk als mensen dat durven zeggen.” De Johanneskerk profileert zich als een vrijzinnige gemeente, waarin hervormden, remonstranten en doopsgezinden elkaar gevonden hebben. Een ideaal klimaat voor Van Twillert. “Vrijzinnig zie ik als: onderzoek alles en behoud het goede. Laat het maar gebeuren. Leg niet alles vast. Een dienst dient mensen tot inspiratie. Muziek vervult daarin een belangrijke rol, omdat het emoties oproept en kan verankeren.” Van Twillert moet het in de kerk doen met een orgel met vijf registers. Dat zou toch eigenlijk meer moeten zijn voor een organist en componist van naam in Nederland en het buitenland met een uitgebreid concertprogramma. Maar nee: “Dit orgel is een wondertje. Het is vervaardigd en geïntoneerd voor deze ruimte en de klank past in de sobere ruimte en juist in die beperking komt het goed over en voel ik me goed. Er ontbreekt een tweede klavier maar wanneer ik een melodie uitkomend wil spelen dan gebruik ik mijn eigen stem waardoor de koraalmelodie wordt geaccentueerd.”

Dat Van Twillert goede orgelmuziek in de kerkdienst belangrijk vindt, blijkt ook uit zijn publicaties. Hij publiceerde voorspelen voor de 150 psalmen en legio voorspelen voor andere liederen.
Voorspelen die bedoeld zijn om de amateur-organist, die het improviseren niet in de vingers heeft, van dienst te zijn. “Frits Mehrtens, een bekend kerkmusicus en één van mijn docenten, heeft eens gezegd: een goed organist moet de mensen het lied in de mond leggen door middel van zijn voorspel. Daar sta ik helemaal achter. Daarom sleutel ik niet aan de melodie en maak ik variaties om de melodie heen.”

Improviseren doet organist Willem van Twillert ook graag op concerten. De luisteraar wil steeds verrast worden, merkt hij. En daarom staan op zijn concertprogramma’s en op de vele cd’s die hij heeft uitgebracht ook vaak werk van onbekende componisten, naar wie hij vanuit een onstuitbare nieuwsgierigheid steeds op zoek is.

“Natuurlijk, Bach gaat boven alles uit, maar om juist ook de wat kleinere meesters te horen komt de grootsheid van Bach nog meer en nog spannender tot uiting. Composities van de mindere goden is als het voegwerk tussen de stenen. Mijn ervaring is dat een goed, gevarieerd programma zestig procent van je succes uitmaakt.”
Van Twillert, geboren in 1952, studeerde kerkorgel bij Piet Kee, Klaas Bolt en Gustav Leonhardt, klavecimbel bij Anneke Uittenbosch, piano bij Willem Brons en orkestdirectie bij Anton Kersjes. Van 1976 tot 2002 leidde hij een particuliere muziekschool in Bunschoten. Hij is één van de redacteuren van het maandblad De Orgelvriend. Aan de Pastorielaan 131 in Hoogland heeft hij een bescheiden lespraktijk voor orgel en piano. Hij is secretaris van de stichting Promotie Orgel Projecten.

Wie Van Twillert wil horen kan elke zondag om 10.00 uur terecht in de Johanneskerk aan de Westsingel 30 in Amersfoort. 

Reformatorisch Dagblad 10-02-2003 Interview met Willem van Twillert door Gert de Looze  

Willem van Twillert wil met zijn psalmvoorspelen goede gebruiksmuziek aanreiken 
Een mooie kwintparallel mag

Voorspelen maken is voor Willem van Twillert vooral hard werken. "Vaak van 's morgens vroeg tot 's avonds laat improviseren en schetsjes maken. De buurvrouw snapt er niets van dat het licht op mijn muziekkamer al om zeven uur brandt." Inmiddels heeft de Amersfoortse organist de uitgave met voorspelen van alle psalmen gereed. "Het mooiste compliment? Dat mensen mijn muziek goed kunnen gebruiken in de eredienst." Van Twillert rondde onlangs zijn reeks psalmvoorspelen af. 
"Zal ik mijn nieuwste werk laten horen?" Het kost weinig moeite Willem van Twillert tot een klankdemonstratie van zijn Van Vulpen-orgel te bewegen. Alle registers komen aan bod. Vlot werkt de Amersfoortse organist zich door de uitgebreide bewerking van Psalm 80 heen, een manuscript dat uit aan elkaar geplakte A4'tjes bestaat. Het is een werk met een vroegmoderne toets. Niet direct het idioom waar Van Twillert om bekendstaat. 
De musicus houdt van de werkplek op de tweede verdieping van zijn huis. "Dat uitzicht op de kerk van Hoogland... Vaak is het licht hier al om zeven uur 's morgens aan en gaat het elf uur 's avonds uit. Deze kubieke meter orgel is dan mijn wereld, wat een enorme rust geeft. Ik ben maar gestopt om de buurvrouw uit te leggen wat me bezielt. Componeren is gewoon heerlijk, want je máákt iets. Van eind 1995 tot eind vorig jaar heb ik me voornamelijk met het schrijven van psalmvoorspelen bezig gehouden. Gelukkig kan ik het me veroorloven om minder les te geven." 
De noten blijken Van Twillert niet aan te komen waaien. "Inspiratie? Voorspelen maken is voor mij vooral hard werken. Meer transpiratie dan inspiratie. Vrijwel alle muziek ontstaat al improviserend achter de klavieren van mijn orgel. Wanneer er iets moois boven komt drijven, leg ik dat in een schets vast. Later speel ik dit probeersel weer door en kijk of ik het nog steeds een leuk idee vind. Zo niet, dan belandt het in de prullenbak. Zie ik er wel iets in, dan werk ik mijn aantekeningen verder uit en wordt al snel een vorm duidelijk." 
De Amersfoortse organist hoort in zijn voorspelen echo's van dertig jaar kerkorganistschap doorklinken. "In feite dik ik mijn improvisaties in tot voorspelen, overbodige zaken verdwijnen daardoor. Natuurlijk volgt een technische screening. Overigens laat ik wel eens een kwintparallel staan wanneer die mooi is, al vindt niet iedereen dat juist. Soms heb ik de neiging net als Feike Asma de voetnoot: "Deze parallel staat hier bewust" toe te voegen. 
Rustperiode 
Het schrijven van voorspelen bij alle psalmen was voor Van Twillert een vrij constant proces. "Een enkele keer heb ik een rustperiode van een paar maanden ingebouwd. Na mijn vierde bundel voorspelen wist ik even niet meer hoe ik verder moest. Of dat eng is? Nee, inmiddels weet ik dat er altijd wel weer iets komt. Soms moeizaam, zoals bij Psalm 88, waar ik bij een van de twee voorspelen heb gekozen voor de vroegste (van rond 1100) en eenvoudigste vorm: een organumstijl met kwarten en kwinten. 
In mijn hoofd klinkt een compositie prachtig en klopt alles. Totdat ik het probeer te spelen, dan ben je meteen weer terug in het gebroken bestaan en blijkt lang niet alles te kunnen." 
De organist stelde vooraf grenzen vast. Zijn psalmvoorspelen moesten aan verschillende criteria voldoen, zoals een eenvoudige speelbaarheid, herkenbaarheid van de melodie en uitvoerbaarheid op een eenmanualig orgel. De delen I, IV en V bevatten voorspelen waarin de volledige psalmmelodie aan bod komt, terwijl in de nummers II en III een deel van de melodie klinkt. 
"De eerste en de vijfde bundel hebben de rijkste inhoud", vindt Van Twillert. "Verschillende voorspelen uit deze boeken vragen meer studie. Over het algemeen kan een gemiddelde amateur-organist goed uit de voeten met mijn voorspelen." 
Herkenbaarheid van de melodie staat hoog in het vaandel bij Willem van Twillert. "De lessen van mijn vroegere liturgiedocent Frits Mehrtens nemen een belangrijke plaats in mijn denken in. Volgens Mehrtens is een voorspel bedoeld om mensen een lied in de mond te leggen. Daarom moet je in een voorspel de melodie niet opsieren -wat in een koraalbewerking wel kan- of met een soort negentiende-eeuws karakterstuk op de proppen komen." 
Spiegel 
Werk van achttiende-eeuwse componisten als Kittel, Homilius en Krebs diende voor Van Twillert vaak als inspiratiebron. "Aan Bach spiegel ik me nooit, want diens niveau is voor mij onbereikbaar." 
De psalmbundels bevatten echter niet alleen voorspelen in een achttiende-eeuwse stijl, maar ook veel werken in een romantische toonzetting "Veel mensen weten niet dat ik bijvoorbeeld graag symfonieën van Widor speel. Ik heb de achttiende-eeuwse stijl vroeger bewust gehanteerd en ben door het werk van de meesters uit die tijd gekropen. Een zinvol leerproces, want componisten uit die tijd waren ontzettend inventief. 
Inmiddels heb ik het pad van de stijlkopie verlaten. Niet voor niets heb ik voor de cd die voornamelijk psalmvoorspelen uit mijn bundels bevat, gekozen voor een compromisorgel. In dit Metzler-orgel in het Duitse Krefeld smelten barokke en romantische klankkleuren prachtig samen. Overigens staat op deze uitgave ook een bravourestuk in een zwierige Frans-romantische stijl, de Intrada Nuptial "Wilt heden u treden". 
Ik ben tegenwoordig vooral eclectisch bezig. Poulenc is een van mijn favoriete componisten. Hij haalde de bouwstenen voor zijn muziek uit allerlei stijlen en maakte daar iets moois van." 
Geen zwaktebod 
Dat zijn psalmvoorspelen geen eigentijds klankbeeld hebben, is een bewuste keus van Van Twillert. "Naar mijn mening hoort avant-gardemuziek niet in de kerkdienst thuis. Ik kies daarin een andere weg dan verschillende collega's en mijn conservatoriumdocent Piet Kee, aan wie ik goede herinneringen bewaar." 
Enkele psalmvoorspelen van de Amersfoortse organist, zoals die van de Psalmen 46, 56 en 80, klinken desondanks een tikkeltje modern door de open kwinten in de begeleiding. Na reacties van organisten dat ze dergelijke voorspelen niet in de eredienst konden gebruiken, besloot Van Twillert deze stijl minder te hanteren. "Ik vind dat geen zwaktebod. Mijn doelgroep bestaat uit spelers die elke zondag naar de orgelbank trekken en soms pijn in de buik hebben, die zich afvragen: Zal het wel lukken? Die mensen wil ik bruikbare muziek aanreiken, op diverse niveaus. Dat ik elke twee weken een brief of een mailtje krijg met de oproep door te gaan met componeren, doet me goed." 
Willem van Twillert kijkt tevreden terug op het psalmproject. "Het is goede muziek binnen de grenzen die ik mijzelf had gesteld. Muziek met een eigen aanpak. Neem bijvoorbeeld het voorspel van Psalm 27. Bij een kort, eenvoudig voorspel waarin je niet aan de melodie wilt sleutelen en je niet voor een fugavorm kiest, zijn de mogelijkheden beperkt. Wat kun je harmonisch dan nog? Ik neem in zo'n geval een kernachtig motief uit de psalmmelodie en voer die op een naar ik hoop verrassende manier door verschillende toonsoorten. 
Ik val voor een zekere soberheid. De soberheid die ook de muziek van mijn leermeester Klaas Bolt kenmerkte. Wat hij liet horen, leek zo simpel. Totdat ik het zelf moest doen" 
De musicus heeft na de afronding van zijn psalmenproject overwogen zijn pen een tijdje neer te leggen. Veel komt daar nog niet van terecht. "Soms vraagt een leerling om een voorspel over een lied uit het Liedboek. Het wordt dan bijvoorbeeld veel gezongen, terwijl hij er maar één voorspel van heeft. Dan ga ik maar aan de slag en ben er vervolgens vaak dagenlang enthousiast mee bezig. Ik ben gelukkig met mijn bestaan. Ik geloof dat ik niet ziek behoef te worden om te leren dankbaar te zijn of om te genieten van kleine dingen." 
Mede n.a.v. "Voorspelen over alle psalmmelodieën", door Willem van Twillert; zeven bundels, circa 11,- per stuk. 
De cd "Willem van Twillert speelt eigen werk IV", Metzler-orgel, St.-Cyriakus, Krefeld-Hüls; STPOP 2002/2; 17,95. 
© Reformatorisch Dagblad, alle rechten voorbehouden

Interview in het Reformatorisch Dagblad van 9 juni 2001 door Drs. H. Vermeulen in de rubriek Meesterschap

Willem van Twillert meldde zich vele zondagen in de Haarlemse Bavo
Op de handen van Klaas Bolt kijken

"Klaas Bolt fungeerde voor mij als een soort "patron". Hij was zorgzaam, hield je in de gaten, maar gaf je toch het gevoel dat je kon doen wat je wilde. Tegelijk bewaakte hij het niveau. Men heeft mij wel een Bolt-adept genoemd en daar ben ik ook wel eens op afgerekend. Maar niemand zit op een tweede Bolt te wachten. "Organist Willem van Twillert uit Amersfoort is zijn leermeester niet vergeten. "Toen ik een cd van Bolt opzette, schoot ik toch weer even vol.
(Einde inleiding)
Inleiding
De jonge Van Twillert kwam bij de organist van de Haarlemse Bavo nadat hij zijn conservatoriumstudie in 1978 met succes had afgerond. Aan het conservatorium studeerde hij bij Piet Kee, die hij nu nog roemt als een fantastisch docent. Maar tijdens het laatste deel van zijn studie begon Van Twillert zich toch wat anders te oriënteren. 
In die tijd maakt Van Twillert kennis met Bolts opname van een "voorbedachte improvisatie" over Psalm 130. Dat maakte indruk. Niet alleen de term "voorbedachte improvisatie" was nieuw, ook de stijl en de vorm waarin de improvisatie was gegoten. Hoewel, nieuw... Klaas Bolt greep in zijn improvisaties terug op vormen van zo'n 200 jaar geleden, waarbij hij zo dicht mogelijk aansloot bij de mogelijkheden van het orgel waarop hij speelde. En dat in een tijd waarin iedere improvisatie en iedere compositie volgens de vakmensen origineel moest zijn, dat wil zeggen in avant-gardestijl. 
Beetje waterig
Willem van Twillert besloot zijn beurs te gebruiken om bij Klaas Bolt lessen in stijlimprovisatie te nemen, naast zijn orgellessen bij Gustav Leonhardt voor de authentieke uitvoeringspraktijk en de clavecimbellessen bij Anneke Uittenbosch.
"Klaas had niet veel zin om privé-les te geven, meestal waren het groepslessen, dan stonden we daarboven bij de klavieren van het Bavo-orgel en ging bijvoorbeeld een hele les lang over het spelen op het pedaal. Zoiets gebeurde als hij ergens een orgel had ingespeeld met een mooie pedaaltrompet. Dan improviseerde hij gerust alleen met het pedaal. Zijn spel was altijd verrassend en gericht op de omstandigheden.
Ik probeerde dat ook wel, een beetje in de Krebs-stijl: de melodie op de voorgrond en daaromheen allerlei variatievormen. Toch klonk dat dan altijd een beetje waterig. Klaas Bolt had zo'n simpele, "to the point"-manier van improviseren. Hij was wars van uiterlijk vertoon, maar z'n improvisaties waren uiterst suggestief. Klaas vond mijn improvisaties meestal wel goed, maar aan dat commentaar had ik niet zo veel. Als hij daarna iets speelde in dezelfde vorm, dan hoorde je toch zonder woorden het kwaliteitsverschil. Daar leerde ik ook het meest van: gewoon op z'n handen kijken. Je leert ontzettend veel van alleen maar luisteren.
"
Ziener
De verhouding leerling-meester groeide steeds meer uit tot een vriendschap. Vele zondagen meldde Willem van Twillert zich bij de Bavo in Haarlem. Dan kwam hij daar aan op zijn fiets. "Hallo Willem", zei hij dan wel eens. "Ik heb vandaag niet zoveel zin hoor, doe jij het begin maar". Zo was hij: niet de autoriteit die het wel even zou vertellen. Hij ging heel natuurlijk met mensen om. Niks geen gewichtigdoenerij. Dat heeft mij gevormd".
Steeds meer raakte van Twillert er van overtuigd dat in die vriendelijke, bescheiden Haarlemse speelman een ziener stak, "een echte reformator". Die eretitel slaat allereerst op Bolt visie op de orgelbouw. "Toen in 1956 het Marcussenorgel in de Utrechtse Nicolaikerk in gebruikt werd genomen, liepen zo'n beetje alle organisten onder leiding van Lambert Erné hun neobarokke neus achterna. Dat heeft geduurd tot de bouw van het orgel in de Rotterdamse Laurenskerk in de jaren zeventig.
Bolt was een van de eersten die tegen die neobarokke principes ingingen.
Hij vond dat je je moet oriënteren op de historische instrumenten. Zo doet iedere orgelbouwer in Nederland dat nu.
In het verlengde daarvan greep hij ook terug op oude begeleidingstechnieken, zoals het gebruik van een bovenstem of het laten klinken van de cornet. En dan natuurlijk zijn improvisaties in oude stijlen. Dat was absoluut "not done".
Eigen weg
Al wil van Twillert de typering "reformator" enigszins relativeren, de invloed van Klaas Bolt in zijn leven is duidelijk. "Ik heb veel van hem geleerd. Denk aan al z'n bekende uitgangspunten. Vorm en registratie horen in een improvisatie bij elkaar. Improviseer altijd vanuit de kennis van de harmonisatie. Hij legde ook grote nadruk op de voordracht: altijd vocaal, altijd zangerig. Voor Bolt betekende dat een waardig tempo. Dat kwam terug in zijn begeleidingskunst: niet de zingende gemeente opdrijven en een halve maat vooruitspelen, maar een natuurlijke balans zoeken".
Hoe groot z'n bewondering voor de Haarlemse "orgelreformator" ook is, Willem van Twillert is op diverse punten zijn eigen weg gegaan. Bolt trad in zijn leven bij honderden orgels als adviseur op, maar zijn leerling heeft zich daar niet op toegelegd. De Amersfoortse kerkmusicus relativeert het gedragen tempo van de gemeentezang: voor iedere ruimte en iedere gemeente geldt een eigen "natuurlijk" tempo.
Muziekuitgaven vormen een ander belangrijk verschil.  Hoe vaak Klaas Bolt in zijn leven ook improviseerde en hoezeer hij daar ook om geroemd werd, hij heeft nooit z'n eigen werk uitgegeven. Van Twillert heeft er diverse keren op aangedrongen dat wel te doen.
"Och, dat doen ze maar na mijn dood". zei Klaas dan. "Ik vind het uitschrijven van die muziek veel te lastig. Elke keer moet je weer kiezen welke kant je met een stuk op wilt en er is zoveel mogelijk".
Van Twillert doet dat anders: hij heeft inmiddels al een flinke stapel koraalmuziek uitgebracht.
Fluistering
Van Twillert neemt over zijn muziekuitgaven geen grote woorden in de mond. Hij zal zijn eigen werk niet op de voorgrond schuiven - wel dat van Klaas Bolt. Want zoals Klaas dat deed, kan Willem niet improviseren, zegt hij zelf. "Ik wil iedere musicus aanraden de kunst van het bewonderen goed te leren. Musici zijn vaak een beetje narcistisch en autistisch bezig. Het is heel gezond om je licht op te steken bij anderen".

Interview in Bunschoten NU 16, december 1998 door Louis Schuijt
Willem van Twillert is organist in de Johanneskerk in Amersfoort. Hij is een van de weinigen in Nederland die dat beroepshalve doet. Tijdens de kerst heeft hij het druk. Kerstavond is er een kerstviering in de Johannneskerk. Op de eerste kerstdag is de kerstdienst en op de tweede kerstdag werkt Willem een orgelprogramma af in de Grote kerk in Harderwijk.
Vanaf 1979 is Willem Van Twillert beroepsorganist. Hij stapte over van de Noorderkerk in Bunschoten naar de Johanneskerk in Amersfoort, waar de diensten worden gehouden van drie samenwerkende kerken.
Volgens Willem zijn er niet zoveel beroepsorganisten. Desondanks is er wel een aparte regeling voor de beroepsgroep. Willem heeft alle schalen van de regeling en alle jaarlijkse verhogingen al doorlopen. Recent heeft de kerkenraad besloten Willem toch nog een extraatje te geven. Het aantal vrije zondagen werd verhoogd van 5 naar 7. Dat maakt de positie van Van Twillert alleen nog maar unieker.
Ik doe dat werk met veel plezier. Ik voel me ook helemaal op mijn plek. Ik kan mijn ei op deze manier volledig kwijt. Veel van het orgelspel is improvisatie. Het is inspelen op de situatie. Ik zit in een 'flow', er is nog altijd een vooruitgang te bespeuren. De hele situatie in onze kerk ontplooit zich steeds verder. Ik merk ook dat ik respect en waardering krijg. Dat is heel belangrijk voor mij. Het gaat niet alleen om geld."
Echt feest
Op kerstavond is er een kerstviering in de Johanneskerk. Van Twillert: "Ik kan iedereen aanraden te komen. Het wordt een gezellige boel. De kinderen spelen een kerstspel. Dochter Lidewij speelt engel en zoon Lodewic doet ook mee. Ik geef ondersteuning op het orgel, zodat er een soort theatereffect ontstaat. Veel daarvan is improvisatie. De hele avond staat in het teken van creatief bezig zijn. We hebben wel eens een heel circus gehad. Mensen die een strak georganiseerd geheel verwachten moeten maar niet komen. Voor ons is het een echt feest."
Op tweede kerstdag speelt Willem van Twillert op het orgel van de Grote kerk in Harderwijk. Willem is één van de ongeveer 50 organisten in Nederland die regelmatig een concert geven. Waarom hij behoort tot een van de meest gevraagden, is een vraag [...]: " Mijn zeer gewaardeerde collega's zijn minstens zo goed als ik, daar ligt het dus niet aan. Ik denk dat het te maken heeft met het programma dat ik bied. Het programma is zo samengesteld dat zowel de liefhebber als de kenner aan zijn trekken komt. De kenners weet ik nog steeds te verbazen met een stuk dat ze nog nooit gehoord hebben. Ik heb een uitgebreide bibliotheek van muziekstukken.
Mijn kennis van orgelmuziek is groot. Voor de liefhebber speel ik de vlotte, goed in het gehoor liggende nummers zoals het Eerste Kerstlied {bedoeld wordt de eerste kerstsuite wvt] van Jan Zwart. Ik improviseer veel. Ik geef er een persoonlijke noot aan. De zoon van Johann Sebastian Bach schreef het al in zijn boek: ' Von den wahren Art das Clavier zu spielen' wvt): 'speel niet als een afgerichte vogel maar speel alsof je telkens opnieuw geroerd wordt door de emoties in de muziek'. Zo'n concert zit dan ook vol avontuur, vol belevenissen." Willem van Twillert, benadrukt het ' vrij spelen'. Dat betekent niet dat hij het leggen van een stevige basis achterwege kan laten. Integendeel, om een programma in grote lijnen te maken heeft hij twee dagen denkwerk nodig. Heeft hij het eenmaal in zijn hoofd [dus vele weken studie om bijvoorbeeld een volledig nieuw programma in te studeren wvt] dan moet er uitgeprobeerd worden. In een sessie [ter plaatse] van ongeveer zes uur bereidt hij alles zo goed mogelijk voor. Zo moet er bijvoorbeeld een speelplan komen voor de bediening van de registers. Een orgel heeft de registers links en rechts zitten dus moet iemand hem helpen. Dat doet meestal zijn vrouw [student, vriend of iemand van de concert-organisatie wvt]. Ook is het zaak de goede klankkleur te bepalen. Ieder orgel is weer anders. Op een orgel met dertig registers kan men heel wat combinaties maken. Willem schildert vanaf een pallet met heel persoonlijke kleuren. "Ik probeer een beetje naar buiten te brengen wat ik vind van de situatie. Voel ik een vrolijke, luchthartige omgeving dan gebruik ik veel lichte tonen met zwierige accenten . Ik vind de kerst een feest waarbij de mensen bij elkaar komen. Een lichtpuntje in de donkere dagen. In mijn spel komt dat tot uiting."

Interview in "Amersfoort Nu" d.d. 10 - 04 - 1996 Titel: 'Bij presentatie beknopte Voorspelen' - 'Willem van Twillert staat op de bres voor organisten' door Onno Vos
AMERSFOORT - "Het is een soort bezetenheid." Maar waar die bezetenheid vandaan komt; dat weet Willem van Twiller niet. Hij is fulltime bezig met het orgel. Hij geeft les, schrijft erover, componeert en speel natuurlijk zelf. Aanstaande zaterdag presenteert hij in de Sint Joriskerk de eerste drie delen van zijn Beknopte Voorspelen.
Hij zal spelen, maar in zijn speech maakt hij ook een statement. "Sommige organisten worden uitgebuit."

In september begon hij met het componeren van zijn eerste versies van de Beknopte Voorspelen. In elk deel staan dertig muziekstukken die gemaakt zijn voor de psalmen. Met deel drie is Twillert bij psalm 90 aanbeland. De geboorte van deel vier en vijf laat hij afhangen van het succes van de eerste drie delen.
Willem van Twillert: "Een van mijn studentes bracht mij op het idee om met deze serie te beginnen. Zij was gevraagd door haar kerk om zo snel mogelijk in dienst te treden als organiste. Het spelen was geen probleem; maar de improvisatie wel. Het is voor mensen soms een mentale belasting om te improviseren. Dat meisje speelt nu mijn voorspelen."
Zijn ervaring is dat vooral vrouwen moeite hebben met improvisatie. "Het heeft te maken met het verschil tussen man en vrouw. Een vrouw wil zekerheid. Mannen doen dingen gewoon en dan zien ze wel wat het wordt. Een man springt over de sloot, een vrouw gaat op zoek naar de brug."
Bekaaid
Zaterdag wordt het eerste exemplaar uitgereikt aan wethouder De Man. Willem van Twillert zal ingaan op de ontstaanstijd van de psalmmelodieën em zijn motivatie en werkwijze voor zijn boeken. In zijn speech wil hij de positie van jonge organisten aan de kaak stellen: "Ik heb studenten van rijke kerken. Die onderhouden talrijke zendelingen en geven de dominees hoge salarissen. Dat is prima, maar de organist komt er bekaaid af. Een student betaalt per jaar elfhonderd gulden lesgeld en moet daarnaast voor ongeveer zevenhonderd gulden boeken kopen. En dan krijgen ze van de kerken een jaarlijkse vergoeding van hooguit vijfhonderd gulden. Sommigen krijgen zelfs niets. Ik vind dat alle kosten gedekt moeten worden. Nu worden er organisten uitgebuit."
Hij benadrukt dat er veel kerken zijn die het wel goed doen. Ongeveer de helft van de kerken betaalt de onkosten: "Het is vaak onwetendheid. Een ouderling zegt tegen mij: ik doe het toch ook voor niets. Maar dan vergeet hij dat een organist per dag wel anderhalf uur moet oefenen. Voor niets. En het begeleiden van de gezangen vindt men vanzelfsprekend. Een organist hoort pas iets als het misgaat en het gekke is dat gemeenteleden het helemaal met mij eens zijn. Het is een bestuurlijke kwestie."
Cum Laude
Willem van Twillert studeerde in 1978 cum laude af aan het Sweelinckconservatorium in Amsterdam. Nu is hij met veel plezier organist van de drie samenwerkende kerken in Amersfoort. Tevens is hij een van de redacteuren van het tijdschrift 'de Orgelvriend'. Hij is fulltime bezig met het orgel. "Het leukste van mijn vak is dat ik kan doen waar ik zin in heb. Ik kan gaan componeren, onderzoek doen, spelen. Of wat administratie."
Joe Jackson
Er zijn dagen dat hij geen zin heeft in orgelmuziek. Dan zet hij wat anders op. Meestal klassiek, maar soms ook Joe Jackson of Jan Akkerman.
"Soms waarschuw ik mijn studenten dat ze niet neerbuigend moeten doen over popmuziek. Dan zeg ik: zij spelen tenminste nog eigen muziek en jij zit Bach te coveren."
"Mensen denken soms ook dat ik het uit mijn mouw schud. Maar voor elke vijf minuten muziek staat tien uur studie. En elke zondag zit ik s 'ochtends om acht uur de liederen en overige muziek van die ochtenddienst door te nemen. Misschien hoeft het niet maar zo voel ik me er lekker bij. Natuurlijk is het ook talent, maar je moet altijd oefenen. De jongens van Ajax hebben talent, maar waarom trainen ze elke dag? Het is hun vak. Ze moeten scherp zijn en er staan."

 

In het "Algemeen Doopsgezind Weekblad", Jaargang 59, 20 maart 2004, schreef Ds. Jaap Gulmans een column over de sfeer tijdens de zondagse kerkdiensten in de Johanneskerk te Amersfoort. 
Gulmans ging er op 7 maart 2004 zelf voor.

"EXCITING
Opwinding. Zo'n woord, dat bij mij al gauw het weggetje wil inslaan van sex. Niet een woord, dat ik ras associeer met een kerkdienst. Tot afgelopen zondag. Toen ik te gast was bij een kerkvolk, dat me plots in opwinding bracht. Dat was in de Johanneskerk in Amersfoort. 's Ochtends was ik zonder veel illusies de trein ingestapt om daar in de dienst vóór te gaan. Zwart pak aan, de woorden over God en Zijn heil achter de rode brillenkoker in de binnenzak.
Onder de cadans van de trein werden stukjes gebed geboren. Zonder veel moeite bereikte ik in de zondagse stilte het centrum van Amersfoort. Daar lag de Johanneskerk: een hoge, ruime dorpskerk met van binnen mooie grijze tinten: een fraai wandkleed aan de achtermuur, een bescheiden preekstoeltje, een orgel en een vleugel aan weerszijden van de prediker. Tijdens de dienst gebeurden er dingen, waarvan je als verkondiger alleen maar dróómt. Zo ontwaarde ik de bijna-emeritus pastor loci als een servus servorum dei (een slaaf der slaven Gods) in de kerk als zorgzame helper naast een invalide vrouw in een rolstoel. En door me heen gierde het: van die Nienhuis kun jij nog heel wat leren... Zo musiceerde de organist zó ontroerend in het voorspel bij de te zingen liederen dat het even leek, alsof het Koninkrijk Gods die morgen werkelijk doorbrak in Amersfoort. Er waren veel mensen in de kerk, vond ik. Natuurlijk: velen waren van de leeftijd waarop Abram met zijn vrouw vanuit Ur vertrok voor een verstrekkende cultuurschok. Dus in de zeventig. Maar de middelbare leeftijd was eveneens royaal present. Religieuze opwinding stopt niet zo gauw: in die stemming verkerend zag ik ineens op de kansel, hoe beduimeld en 'geconsumeerd' de bijbel was. Prima toch? Toen we koffie dronken stroomde een vrolijke groep jongeren binnen uit de jeugdruimte van de kerk. Op hun gezichten geen spoor van gêne of onwil om in de kerk te verkeren in plaats van in de disco. Integendeel: een vrolijke boel en een hartelijk-aandoend engagement, daar bij die coöperatie van remonstranten, vrijzinnig-hervormden en doopsgezinden. Thuis kwam mijn opwinding maar moeizaam tot bedaren.
Wat een leuke gemeente! "

 

Antwoord van Willem van Twillert op een enquête van een muziekstudent

Een student vroeg Willem om een reactie op twee onderstaande vragen.
Deze en vele andere antwoorden zullen in een scriptie verwerkt gaan worden, reden om niet de naam van de student nu nog niet te vermelden maar hiermee te wachten tot de scriptie is gepresenteerd.

Beste organisten,

Op dit moment ben ik bezig met het schrijven van een afstudeerscriptie over de functie van het orgel binnen de protestantse eredienst in verleden, heden en toekomst. Voor dat laatste gedeelte, de toekomst, zou ik u enkele vragen willen stellen.
1) Kunt u kort iets vertellen over de functie die het orgel heeft binnen de gemeente waar u organist bent?
2) Welke toekomst ziet u voor het orgel binnen de eredienst, zowel in uw eigen gemeente als daarbuiten?
Uw reacties hoop ik in mijn onderzoek te verwerken

Antwoorden

Vraag I
Het Van Vulpen-positief in de Johanneskerk (Architect: Van Woerden, 1963) is specifiek op deze kerkruimte geïntoneerd.
Het orgel voldoet uitstekend, ook bij een volle kerk, mede door de fraaie akoestiek van de kerkzaal. De gemeente zingt graag bij dit bescheiden orgel. Een luide, zeg maar majestueuze forse klank past niet zo bij het karakter van de Johanneskerk-gemeente.
Wanneer ik gemeentezang begeleid, speel ik boven de koraalmelodie vaak een tegenstem, soms wordt zelfs de koraalmelodie achterwege gelaten en wordt er min of meer volgrepig met akkoorden begeleid met tevens een bepaalde contrapuntische ritmiek. De gemeenteleden zingen dan als het ware met tegenspel van het orgel. Dit harmonieert uiteindelijk fraai en is spannend om bij te zingen. Ik probeer zo veel mogelijk fris te blijven en hoedt me tijdens het improviseren van voorspelen of vrij orgelspel voor clichés en of (te) vaste patronen.
Soms zijn er liederen die beter tot recht komen als deze op de piano, die ook aanwezig is, worden begeleid. Ook wordt er, als muziek na de overdenking of tijdens de dienst van de offerande (zo’n drie tot vijf minuten) regelmatig gekozen voor de piano. Maar de begeleiding van de gemeentezang wordt met name met het orgel gespeeld.

Vraag II
Zolang er een gemeente bestaat, zal er ook een orgel staan dat is kort gezegd mijn stelling.
De ontkerkelijking heeft echter zware tol geëist. De gemeente waar ik sinds 1979 organist ben, met honorering van eerste graad, (een uitzondering voor deze tamelijk kleine gemeente van circa 380 leden) waardeert het orgelspel in hoge mate. De eisen die aan de organist worden gesteld mogen hoog genoemd worden. De sollicitatieprocedure was fair tijdens een vergelijkende proefspel van vier kandidaten.
Veel is er in de Johanneskerk muzikaal mogelijk. Soms begeleid ik een kerklied waarvan ik denk, ‘hmm, het kan stijlvoller,…’ maar ik pieker er niet over om met het vingertje te gaan zwaaien. De geschiedenis heeft anderen en mij geleerd dat (ook) in de Johanneskerk-gemeente de leden uiteindelijk zelf kritisch zijn en blijven. Bij liederen die een keer gezongen zijn en iets missen, wordt dit uiteindelijk niet alleen door de organist, maar ook door de gemeenteleden opgemerkt en zo komt een minder goed lied of tekst uiteindelijk niet vaak, of niet meer op de borden. Het uitproberen van nieuwe teksten en nieuwe melodieën heeft een eigen bekoring en charme en houdt gemeenteleden èn organist bij de liturgie en bij de les. Is uit proberen van liturgisch materiaal ook niet onderdeel van liturgie?Hoe dan ook het devies in de Johanneskerk is:
Veel proberen en het goede behouden. Zo blijft de eredienst in het algemeen en in de Johanneskerk in het bijzonder levendig en spontaan zonder stijlloos te worden.