25-jarig jubileum Willem van Twillert in de Johanneskerk

1 Toespraak tijdens het jubileum door Hans Wilschut: "Willem van Twillert, ambachtsman of kunstenaar?"
2 Toespraak door Piet Wassink 
3 Toespraak Willem van Twillert na aanbieding van Liber Amicorum
4 Bijdrage aan Liber Amicorum van Jan en Jenny Slagt 
 

Toespraak tijdens het jubileum door Hans Wilschut: "Willem van Twillert, ambachtsman of kunstenaar?"

Rechts predikant Jan Roelof Nienhuis waar WvTaltijd zeer inspirerend mee samenwerkt. VRNL Rombout Stegink, kerkenraadslid, Mevr.  Jettie Nienhuis en Mevr Antoinette Mooy Het is verleidelijk bij een jubileum van een musicus te rade te gaan bij een filosoof–componist voor wie de muziek de hoogste kunstvorm was: Friedrich Nietzsche. Als componist wordt hij nauwelijks serieus genomen, maar als filosoof geeft Nietzsche ons steeds te denken. Wat betekent muziek veel. Nietzsche schrijft in een aforisme- en ik mag voor de veel in Duitsland spelende Willem wel in het Duits citeren-: “Wie wenig gehört zum Glücke! Der Ton eines Dudelsacks.- Ohne Musik wäre das Leben ein Irrtum. Der Deutsche denkt sich Gott liedersingend.” Wie van muziek zijn beroep heeft gemaakt kan zeker met stelligheid beamen dat zijn leven zonder de toonkunst een dwaling zou zijn. En verrassend is dat de geduchte godloochenaar zijn landgenoten niet typeert als mensen die over God nadenken, maar al zingend God denken.

Deze gedachten zijn van toepassing op de kerkmusicus, die Willem van Twillert in de eerste plaats is. Zijn vele composities horen vrijwel allemaal tot het genre kerkmuziek, met tot nu toe als opus magnum de voorspelen voor de 150 psalmen. Vanuit een religieus perspectief zijn dat pogingen om God muzikaal te denken of te spelen. Soms met heel weinig middelen, een liggend akkoord in de linkerhand, bij wijze van spreken een doedelzak, maar op andere momenten met alle middelen die het orgel biedt, met klavierwisselingen en trompetregistratie in psalm 122, zoals door Willem zelf gespeeld en vastgelegd op de cd in Krefeld.

Willem krijgt de officiële papieren en de tekst van de toespraken van (staande links) de voorzitter van de kerkenraad C.A. (Kees) Kamerbeek en Piet Wassink .Ik wil hier ingaan op het onderscheid dat Willem zelf maakt tussen de kunstenaar en de ambachtsman, waarbij hij zichzelf typeert als een ambachtsman, die in het voetspoor van oude meesters oude technieken toepast op oude maar ook wel nieuwe (kerk)melodieën. Zijn bescheidenheid is volgens mij eerder ingegeven door respect voor de grote oude meesters dan door twijfel aan eigen prestaties. Ik ben niettemin van mening dat hij ongelijk heeft en dat hij zich wel degelijk kunstenaar mag noemen.
Wat is een ambacht? De hoofdbetekenis is volgens Van Dale: handwerk dat aangeleerd moet worden, als broodwinning beoefend. Synoniemen voor een ambachtsman zijn: handwerksman en werkman. Uitgaande van deze betekenissen is Willem geen ambachtsman, hoe zeer hij ook met zijn handen, zelfs met voeten, werkt. Bovendien weten we niet precies in welke mate de ambachtelijkheid van Willem bijdraagt aan zijn broodwinning. Wat dit laatste betreft is hij eerder een zakenman, die dat vak leerde van zijn vader.
Nu bedoelt Willem ongetwijfeld met het ambachtelijke het degelijke en het vakbekwame en volgens mij -het oordeel van een amateurorganist- voldoen zijn composities daar zeker aan. Een moderne betekenis van het ambachtelijke is dat het een tegenstelling vormt tot het fabrieksmatige seriewerk. Een hedendaagse ambachtelijk meubelmaker zal geen kast precies hetzelfde maken. Dat geldt natuurlijk ook voor composities, die altijd anders moeten zijn, anders tellen ze niet mee. De overeenkomst met de meubelmaker en Willem snijdt in dit opzicht wel hout!
Een kenmerk van een aantal psalmvoorspelen van Willem is dat ze, als men dat wil, ingekort, of van een ander slot voorzien kunnen worden. Soms zijn het dan drie mogelijkheden binnen één compositie. Dr. Hans Wilschut auteur van een uitgebreid artikel (over ambacht of niet) in het Liber Amicorum. (Hans zeer bedankt. Eindelijk vond je de afweging waar ik al lang naar op zoek was.)Het is als een kast waarin een extra ladenblok kan worden geplaatst,of een set boekenplanken. Handig en zakelijk: drie in één.
Wat is kunst dan meer dan het ambachtelijke? De kunstenaar beheerst altijd het ambacht, de techniek. Dat gold althans voor de beroemde barokcomponisten maar ook voor de oude meesters in de schilderkunst. Niemand twijfelt eraan dat Rembrandt en Rubens met hun penseel alles konden wat ze wilden. Of dat ook voor moderne schilders opgaat, is een moeilijke vraag. Ik ga er hier maar van uit dat het wel geldt voor moderne componisten, waarbij het ambacht dan onder meer de beheersing van harmonieleer en vormleer is. Kunst omvat dus altijd al het ambacht, maar is meer dan dat.
Sinds de romantiek is het begrip kunst verbonden met het éénmalige kunstwerk, dat een ervaring van schoonheid moet opwekken. Het is toch ondenkbaar dat Willem met zijn uitspraak over zijn ambachtelijkheid bedoelde dat zijn composities weliswaar ambachtelijk in orde zijn, maar verder niet de moeite waard. Zelfs voor ambachtelijk gebakken brood ga je de volgende keer naar dezelfde bakker om het je nog eens te laten smaken. Kunst is ook weinig waard als ze niet om herhaling vraagt en daartegen niet bestand is. Het criterium dat we dus moeten vasthouden is de blijvende schoonheid. Ook het aspect van de duur is weer een moeilijke zaak. Hoeveel composities van oude meesters zijn niet na jaren vergetelheid onder het stof vandaan gehaald. Willem heeft daar ook zijn verdienste door stukken van Knecht en Rinck opnieuw op de lessenaar te plaatsen.
Ik doel bij blijvende schoonheid in ieder geval op composities die om herhaald beluisteren vragen. Een vriend van mij, een oud-testamenticus en dus een liefhebber van psalmen, vertelde dat hij steeds weer de CD van Krefeld afspeelde in zijn auto. Voor mij komt daar nog het plezier bij de psalmvoorspelen zelf te spelen. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de meer ambachtelijke en de “kunstreichere” , om een onderscheid dat Bach maakte in zijn koraalvoorspelen te gebruiken. Naarmate Willem verder kwam met zijn psalmenreeks maakte hij vaker de uitgebreide versies, de meer “kunstreichere”.

Van de psalmvoorspelen, het opus magnum van Willem, wil ik er hier een aantal nader vermelden. Daarmee zeg ik niet dat ander werk van Willem minder de moeite waard is, maar ik moet mij beperken. Willems productie is de laatste tijd niet meer bij te houden. Je zou soms denken dat hij stiekem componeert, ’s nachts of ‘s ochtends vroeg. Het wordt hoog tijd voor een “Van Twillert Verzeichnis”.
De psalmen dus. Ik denk aan het al betrekkelijk vroeg “opusnummer”, het Trio over psalm 68, waarbij het moment van de inzet van de melodie in het pedaal even vanzelfsprekend lijkt als de koorinzet in het slotkoor van het eerste deel van de Mattheus Passion. Het zou kunnen zijn dat Willem daardoor ook geïnspireerd was maar dat doet aan de kracht van de compositie niets af. Verwant en al even goed is het trio over psalm 150. Een ander geweldig stuk( het lijkt wel Maarten ‘t Hart,van wie ik overigens vermoed dat hij Willem zal weten te waarderen) is de fuga over psalm 98: het zit hecht in elkaar; de kracht zit, denk ik, vooral in de vondst van het thema, dat een verende cadans heeft, waardoor het geheel energiek is en past bij het feestelijke van de psalm.
Er zijn ook veel meditatieve stukken. In willekeurige volgorde noem ik: psalm 76/30/139, psalm 18, 130, 133,en ook wel 128/1. Het laatste is een trio, vooraf gegaan door een inleiding met seufzerfiguren, die passen bij de psalminhoud, een prachtige vondst. Mooi zijn ook de contrasten in het trio over psalm133: een aarzelend begin met dalende noten in het pedaal en dan komt uit de stilte de melodie te voorschijn; de sopraan, alt en bas zijn heel verschillende zussen en broers die samenkomen in harmonie, als de bijbelse broers die lieflijk samenwonen. Meditatief en door zijn ritmiek en chromatiek bijzonder is psalm 145/1.
In veel voorspelen zijn vondsten aan te wijzen die de composities tot kunst maken: het is geen “maakwerk”. De vondst zit vaak niet eens in het aparte of buitenissige, maar in de toepassing van een motiefje dat typerend is voor de melodie, zoals in de eerste drie noten van psalm 146, waarop een heel manualiter “spel” wordt gebaseerd.
Voor mij zijn deze voorspelen van Willem kunst: ze strelen het oor, vragen om herhaling, doen je verbaasd staan vanwege de vondsten. Juist het schone doet het ambachtelijke vergeten. Tegen liefhebbers van psalmen zou ik willen zeggen: het is een “Irrtum” als je de voorspelen van Willem niet kent.

De gelukwensen van enkele gemeenteleden in de gemeenschapsruimte onder de kerkzaal. Vlnr Els Dankert (Cantorijlid) , Toos Muller, (zeer verdienstelijke koorzangeres), Jos Roth, pianiste bij het DOREJE-cantorij en  Nelleke Jansen.Wie Willem hoort spelen hoeft zich niet af te vragen of er een ambachtelijke orgelman aan de toetsen zit of een kunstenaar. Helaas is er een vreemde stoornis in het oordeelsvermogen van velen waardoor ze een pianist wel als een kunstenaar zien en een organist niet. Misschien speelt hierin mee dat de organist doorgaans onzichtbaar aan de speeltafel zit, terwijl de pianist voor het publiek zijn virtuositeit kan etaleren. Het virtuozendom is ontstaan in de negentiende eeuw met de grote klavierleeuwen. Toch vergen de grote virtuoze orgelwerken van Liszt, Widor en Vierne een vergelijkbare techniek. Willem laat zich meestal niet van deze virtuoze kant zien, maar heeft deze virtuositeit wel in huis. Ik kon dat vaststellen toen hij de zesde symfonie van Widor op het Bavo-orgel speelde. Maar het kunstenaarschap zit evenzeer zo niet meer in de fijnzinnigheid waarmee Willem kleine stukken vertolkt. Ook bekende orgelliteratuur weet hij nieuw en sprankelend neer te zetten. Voorbeelden zijn van de grote Bach de fuga in g, de dorische toccata en de triosonate in Es. Meeslepend zijn de Italiaanse stukken op de Epe–cd.
Daarbij wil ik ook nog zijn registratiekunst noemen, bijvoorbeeld in “Ach wir armen Sünder” van Weckman op het onvolprezen Leensorgel, bij de stukken op het orgel van de Stevenskerk in Nijmegen en natuurlijk bij de psalmen op het Krefeldorgel.

Het was een gezellige drukte tijdens de receptie die op uitdrukkelijk verzoek van Willem een sober karakter had. Er werd aan alle gemeenteleden en belangstellende taart aangeboden omdat Willem een liefhebber daarvan is. Op de voorgrond dochter Lidewij.We kunnen Willem wekelijks horen spelen, waarbij hij aan het kleine orgel van de Johanneskerk demonstreert dat “groter” niet altijd hoeft, hoewel zijn spel toch ook doet verlangen naar demonstraties op een orgel van groot formaat. Zijn composities horen we hier soms ontstaan uit een improvisatie. Fantastisch is als hij de koraalzetting omlijst met een vijfde ( boven) stem en met allerlei tussenspelen, zodat de gemeente precies in cadans meezingt.


Ik weet dat velen met mij genieten van Willems kunst en zijn steeds maar groeiend oeuvre. Ik wens Willem veel inspiratie toe en hoop dat hij nog lang in de DoReJo-gemeente zijn kunstenaarschap dienstbaar kan maken in de liturgie.

Hans Wilschut

 

 

 

Toespraak door Piet Wassink

Beste Willem,

Toen ik de opdracht toegeschoven kreeg jou toe te spreken bij je jubileum dacht ik wat moet ik in vredesnaam zeggen. Dat je sinds je aanstelling zondag aan zondag in de kerk gespeeld hebt, dat ik destijds bij jouw benoeming betrokken was en daar nu geen spijt van heb is natuurlijk mooi maar daar vul je nog geen toespraak mee. Verder behoor ik als penningmeester natuurlijk precies je bescheiden salaris te kennen, maar de discretie vereist dat ik daar over zwijg. Dat alles geeft dus te weinig stof om je zó toe te spreken dat jij er gelukkig mee bent en de gemeente verbluft. Trots zo’n organist in dienst te mogen hebben.

Maar gaandeweg kreeg ik materiaal te pakken. Ik begon er natuurlijk mee mijn oude langspeelplaten op te duiken. Bijvoorbeeld de door Drost & Sein in 1982 uitgegeven langspeelplaat “Het Hinsz-orgel in de Petruskerk te Leens” of de “Oorspronkelijke muziek voor orgel en hobo” samen met Hans Meijer. En ook daarna zijn er tot zeer recent cd-opnamen verschenen.
Je gaf en geeft concerten alom in den lande, daar worden recensies over geschreven. Je doorvorst in bibliotheken de orgelliteratuur, je ontdekt min of meer vergeten, maar belangwekkende, componisten, daar publiceer je over, zorgt dat die muziek bekend wordt. Je schrijft zelf muziek, daar nemen de Nederlandse organisten kennis van.

Kortom, Willem, van niet weten wat te zeggen, kwam ik alras op het punt hoe alles in één toespraak na de dienst zo samen te vatten dat er geen al te grote gaten vallen.

Het volgende behoort gezegd te worden: Willem is geboren te Bunschoten/Spakenburg in 1952. Hij studeerde onder meer orgel bij Piet Kee aan het Sweelinck-conservatorium te Amsterdam. Hij slaagde — met onderscheiding — in 1978. Hij studeerde daarna nog 3 jaar bij Gustav Leonhardt en anderen. In 1979 werd hij organist in de Johanneskerk, en wel op 9 september, vandaag exact 25 jaar geleden.

Willem ik ben absoluut niet bevoegd over je te spreken als musicus, dat moeten anderen doen. Hooguit kan ik concluderen uit het feit dat je veel concerten geeft en het toch niet alleen maar idioten zullen zijn die je vragen, dat de mening die we hier in de gemeente hebben, n.l. dat je een uitstekende organist bent alom wordt gedeeld. Je gaf niet alleen concerten hier te lande; maar ook — in 1991 — in Amerika en — in 1994 — in Italië. Je was finalist van het concours ‘Grand Prix de Chartres’. Zondag aan zondag kunnen we hier je kwaliteiten ervaren. We hebben maar een eenvoudig Van Vulpen orgel dat geen mogelijkheid biedt gebrek aan vakmanschap met veel lawaai te maskeren. Maar ‘in der Beschränkung zeigt sich der Meister’.
Het respect dat je hier geniet blijkt wel uit het feit dat de muziek na de overdenking van een “stukje tijdens de collecte” geëvolueerd is tot een zelfstandig onderdeel van de eredienst.
Ook buiten deze gemeente kennen de mensen jouw manier van musiceren. De reeds genoemde langspeelplaten werden inmiddels op cd uitgebracht. In het totaal verschenen er — voor zover mij bekend — 12 cd’s.
6 daarvan bevatten een breed spectrum van muziek uit diverse stijlperioden van renaissance tot romantiek;
1 bevat hedendaagse koraalbewerkingen van Joachim Frisius;
3 bevatten eigen koraalbewerkingen;
1 cd bevat improvisaties, tezamen met collega’s en 1 cd bevat een selectie uit de eigen psalmvoorspelen. Kortom ook hieruit blijkt wel jouw breed interessegebied.

Daarnaast gaf en geeft Willem muziek uit, niet alleen in Nederland maar ook bij een Duitse muziekuitgever. Al met al inmiddels tientallen uitgaven. Je komt onder de indruk van zijn werklust en gedrevenheid. Wij kennen Willem vooral van zijn musiceren op zondag, één dag in de week. Bedenk dat de week zeven dagen heeft en bedenk dat die andere dagen de echte werkdagen zijn, en je kunt je enigszins een beeld vormen van zijn productie, die is ongelooflijk. Het gaat echt te ver hier alles te noemen. Bekijk de website. Deels zoals reeds gezegd ontdekkingen in muziekbibliotheken, deels eigen werk. Zo heeft Willem van november 1995 t/m september 2002 gewerkt aan een serie van zeven delen met daarin voorspelen over alle psalmmelodieën. Je kunt er dus zeker van zijn dat Willem van Twillert zondag aan zondag op allerlei plaatsen te horen is, al heeft hij het niveau van de uitvoering niet geheel in de hand. Maar natuurlijk beter een niet zo goed uitgevoerde van Twillert dan een eigen improvisatie van een suikerbietkweker uit Noordwolde (ik noem maar een dwarsstraat) Voorspelen dus die bedoeld zijn om de amateur-organist die het improviseren niet in de vingers heeft van dienst te zijn. Daaruit blijkt Willem’s intentie: muziek te maken die functioneert in de gemeente.
Muziek maken met een diepgang die de kenners verrast en met een eenvoud die ontroert.

Piet Wassink, penningmeester van de kerkenraad spelt Willem het draaginsigne in zilver van de Nederlandse Hervormde Kerk op.Willem de CAO staat ons toe je bij dit jubileum een gratificatie te geven en dat doen we graag. Maar daarnaast heeft de kerk ook minder grof stoffelijke mogelijkheden om aan haar waardering uiting te geven. Hierbij het draaginsigne in zilver van de Nederlandse Hervormde Kerk dat je blijvend aan dit jubileum zal herinneren.
Willem ik hoop dat je nog lang voor ons zult blijven spelen. Mocht de overdenking ons niet bereiken, jij ons nog ‘ohne Wörter’ zult treffen.

Dank je wel, Willem.



 

 

 

 

 

 

 

 

Toespraak Willem van Twillert na aanbieding van het Album Amicorum:

De herinnering aan het vergelijkend proefspel in 1979 is bij mij nog levendig. Ds Aad van Peski, Riet Stegink en Piet Wassink, de laatste als lid van de kerkenraad, vormden toen de beoordelingscommissie om een nieuwe organist te benoemen als opvolger van Gert Muts.
Wat ik toen speelde? ‘Freu dich sehr o meine Seele’ van Georg Böhm.
Toepasselijk eigenlijk, want “meine Seele freut sich” nog steeds, elke zondag wanneer ik hier in de Johanneskerk ben, en dat ervaar ik als een groot goed.
Toch is 25 jaar niet meer dan een getal voor mij. Want iedere zondag ben ik blij dat ik in goede gezondheid en gecoacht door Antoinette kan improviseren en musiceren om zo, met mijn muzikaal zoeken en tasten (zoals het leven zelf) te verklanken wat zich in de eredienst in de Johanneskerk ontwikkelt. Dat wil ik graag blijven doen, wat mij betreft tot in lengte van dagen, want naast organist voel ik me ook volbloed gemeentelid.
Dat ik 25 jaar heb mogen volmaken ervaar ik niet als een verdienste, maar als een zegen. Fijn, lieve mensen om daar samen een moment bij stil te mogen staan.
Soms word ik stil van de mooie complimenten die ik te horen krijg. Zo lopen we samen op in het leven. Blij ben ik telkens weer om gemeenteleden te zien, te horen en, vooral ook, te horen zingen, want wat wordt er goed gezongen hier in deze mooie akoestiek van de Johanneskerk.
Veel bewondering heb ik voor de mensen die deze levendige gemeente vormen. De energie van de kerkenraadsleden, de inzet van de vele vrijwilligers op alle fronten. Geweldig, dat inspireert mij ook en maakt me bescheiden. Een ieder doet in deze gemeente op zijn of haar eigen wijze mee. Die eigen wijze, en soms dat eigenwijze, dat wordt toegestaan; dat wordt mij ook toegestaan en daar ben ik blij om.
In mijn musiceren grijp ik vaak terug op stijlen van honderd en soms honderden jaren geleden. Wij allen en ook wij toonkunstenaars leven in een tijd dat we mogen putten uit de hele muziekgeschiedenis. Muziek is universeel. Menselijke emoties blijven over de gehele wereld al eeuwen dezelfde. Het is mooi om daaraan te refereren via orgel- of pianospel.

Martinus Nijhoff (1894 — 1953), in 1952 door de synode van de NH Kerk benoemd tot adviseur van de Hervormde Commissie Psalmberijming, heeft slechts zeven psalmen kunnen berijmen. Met psalmmelodieën heb ik iets. Die inspireren mij. Een gedicht van deze vooraanstaande psalmdichter, getiteld HERINNERING wil ik graag voordragen. Het is een ode aan zijn moeder. Het bijbeltje van zijn moeder was voor Nijhoff zó onafscheidelijk dat dit met hem in het graf daalde in 1953.
De moeder wordt in de bijbel vaak als metafoor gebruikt om er de ‘de kerk’ mee aan te duiden en zo vat ik de moeder in dit gedicht ook op. De moeder, dat is hetgeen ik hier bij de DOREVH wekelijks ervaar.

“Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
Iedren nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot, en dacht,
In mijn nacht-goed kleine jongen,
Aan ‘t geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
 ‘t Oude, altijd-eendre lied,
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet,

Hoe zijn eeuw ‘ge, groote wond‘ren
Steeds beschermend om ons zijn,
-Nimmer zong je, moeder, zonder ‘n
Beven dat refrein­

Dan zag ik de sterren flonk ‘ren
En de maan door wolken gaan,
d’ Ouden nacht met wijze, donk ‘re
Oogen voor me staan.”

Die warmte en geborgenheid, die de moeder in dit gedicht uitstraalt, die ervaar ik elke week weer hier bij de gemeente van DOREVH.
Voor die ervaring dank ik ieder uit de grond van mijn hart.

Bijdrage aan liber Amicorum van Jan en Jenny Slagt

Amersfoort, 9 oktober 2004

Hoewel al sinds 1990 in Amersfoort woonachtig voelden wij ons kerkmuzikaal nergens thuis. In sommige kerken werd voor de dienst geen orgel gespeeld. Of de organist maakt zich er na de dienst snel van af omdat er kennelijk een trein moet worden gehaald.
Of de kwaliteit is erbarmelijk. Gerrit ’t Hart, de orgelleraar van Jan, vroeg begin 2004 of we al eens in de Johanneskerk waren geweest.
Dat waren we niet dus snel geprobeerd. Toen we er een half uur voor de dienst aankwamen werden we hartelijk verwelkomd en werd er al gemusiceerd op het orgel. Bovendien werd er ook nog eens J.S. Bach gespeeld. De organist was Willem van Twillert, die vanaf dat moment, evenals de Johanneskerk en zoals Jenny dat zo mooi kan zeggen, “niet meer stuk kon” bij ons.
Het orgel van de Johanneskerk is bepaald bescheiden maar Willem weet er meer uit te halen dan er feitelijk in zit. Geweldig!
Ook ontdekte hij al snel dan Jan als amateur-organist kan invallen en Willem maakte daar gedurende de zomervakantie van 2004 meteen dankbaar gebruik van.
Dat leverde Jan een CD op waarop de meest virtuoze werken van Willem zijn te beluisteren.. Adembenemende muziek! Jan krijgt van Gerrit ’t Hart compositie.
Gerrit geeft hem alle ruimte om een klein beetje een eigen stijl te ontwikkelen. Willem noemt dat “een beetje pedant” en wil Jan aan modernere composities als Cantilena (klinkt als tante Lena) en het Choral Dorien hebben, maar ik heb besloten me daar niets van aan te trekken.
Zo zie je maar weer dat geen mens volmaakt is. Beste Willem, van de 25 jaar die je viert kennen wij er pas één, maar toch hopen we je zondags nog vaak achter het orgel aan te treffen en te kunnen genieten van je prachtige muziek voor, tijdens en na de dienst op piano en orgel.. Als je dan ook nog tijdig informeert naar de te spelen liederen gaat daar alles goed.
Fijn dat je het af en toe een toontje lager doet, te vaak die D zingen is niets voor mij.
Beste Willem, gezien je leeftijd kun je er nog makkelijk 25 jaar aan vastplakken en dat moet je dan ook maar doen want wij vinden het allemaal zeer de moeite waard.

Jan en Jenny Slagt