Foto's rond het concert op zaterdag 29 november in de Hervormde kerk te Epe
Orgel door Abraham Meere (1809)

Artikel door Willem van Twillert over dit instrument in de Orgelvriend: 1995/03

Hier is Jan Koelewijn intonateur en stemmer bij Reil bezig de Trompet 8' te stemmen vlak voor de aanvang van het concert op zaterdag 29 november 2003. De kelen en de stevels zijn een kopie van de Trompet 8' van het Meere-orgel te Poortvliet, terwijl de mensurering van de bekers en de kelen vervaardigd is naar de maten van de Trompet 8' te Twello. Het schuin omhooglopende windkanaal vervoert de orgelwind naar het Bovenwerk. Jan Koelewijn is een oud-plaatsgenoot van mij. Wij trokken in het verleden vaak samen op en wij bewaren daaraan goede herinneringen.

 

De Vox Humana 8' op het Bovenwerk.Deze werd rechtstreeks gekopieerd van Sommelsdijk. Goed te zien is dat de Vox Humana grotendeels is afgedekt. Door het deksel loopt de stemkruk. Op de voorgrond kijken we in een schalbeker van de Trompet 8' van het Hoofdwerk.
We zien ook rooster en voorslagen van de bovenwerklade.

 

Een blik in het binnenwerk van het Hoofdwerk. We zien de achterkant van een stijl van het front met links van deze stijl een aantal (stomme) frontpijpen met zeer lange slanke voeten.
Vlak achter de frontpijpen staan houten pijpen van de Bourdon 16' .We zien midden op de foto de conducten lopen naar de frontpijpen en we zien een bank waarop de Bourdon 16 staat. Rechts houten achtvoetspijpen met een stop.

 

Het fraaie front en de balustrade gemaakt in 1809. Rechts onder het vleugelstuk is het luik te zien waardoor de organist kan kijken naar het liturgische deel. Achter de originele hoofdkas ziet men nog net een deel van de in 1996 vervaardigde losse kas waarin het pedaalpijpwerk zich bevindt. Let ook op de fraaie medaillons en het Dorische balkon dat van hout is en ook dient als klankbodem van het geheel.
Let ook op de prachtige kruisribgewelven van deze driebeukige pseudo-basiliek uit de tweede helft van de 15e eeuw. Het koorgedeelte is iets ouder. De toren stamt uit de 12e eeuw.De ruimte geeft een prachtige warme akoestiek, waardoor dit orgel tot een van mijn favoriete instrumenten in Nederland behoort.

 

Het front van onderen gefotografeerd. De drie ronde torens en de gedeelde vlakke tussenvelden zijn kenmerkende elementen voor het design van Abraham Meere. De consoles onder de drie torens zijn opgebouwd uit bladelementen en verbonden door guirlandes iets wat Meere ook vaak toepaste bij zijn orgelfronten. In de kappen van de torens zijn tandlijsten met daaronder guirlandes. De zeer rijke blinderingen boven de tussenvelden geeft dit front een koninklijke allure. De tegenstelling met de slank gesneden vleugelstukken is opvallend.
Het front en de bekroning op de torens.
De zijtorens worden bekroond door vazen die ook weer omhangen zijn met guirlandes en bij de hals kroelen zelfs twee engeltjes. Op de middentoren steunt een vrouw met haar linkerhand op een zuilachtig element waarop de tafelen der wet te zien zijn. De rechterhand is met geopende handpalm uitnodigend omhoog gericht. Aan haar voet een olielamp.

 

   
De trap die Meere maakte van onderen afgezien met de toegangsdeur naar de toren. Via de balgkamer komt men dan bij het orgel terecht.
Dezelfde trap als van de foto hierboven. Het is een brede trap die steil afloopt.
De in 1996 gemaakte klavieren en het pedaal van bovenaf gezien.
De manualen van opzij gezien. Met ziet de achterkant van het vleugelstuk en daaronder het geopende luik. De bank is in verband met de weinige ruimte rond gezaagd om de buiging van de balustrade te volgen.

Deel van de  registers van het orgel boven de klaviatuur van links naar rechts gezien

Een blik in de pedaalkas die los achter de orgelkas staat. Op de voorgrond de Trompet 8' van het pedaal. Daarachter de houten Bazuin 16', waarvan de grenen bekers dateren uit 1939. Deze zijn qua lengte iets ingekort om de gewenste mensuur te verkrijgen. De kelen van de Bazuin 16' kregen de doorgezette mensuur van de Trompet 8'. Van Meere bestaat overigens geen originele Bazuin 16' meer. Deze is enigszins analoog aan de Garrels-Bazuin in het orgel van de Utrechtse Jacobikerk.
Pijpwerk van het bovenwerk vlakbij de speeltafel. Zichtbaar zijn de registertrekkers. Ook zien we linksachter de boveneinden van de frontpijpen van de rechtertoren (vanuit de kerk gezien). Op de voorgrond zijn enkele bekers te zien van de Vox. Humana 8'.
Detail van bekers en stevels van de Trompet 8' van het Hw.
Detail van het snijwerk aan de pijpenvoeten van de linkertoren en de front Prestant 8. Op de voorgrond het vleugelstuk. De Prestant 8'is karakteristiek voor Meere met een mooie ietwat kamermuziekachtige toon en verrassend egaal, hoewel ook weer niet uitgeëgaliseerd. De intonatie van Meere is geroemd. Men dient te weten hoe bij Meere de aan- en afspraak was. Hoe de windstroom in de pijpvoet verloopt en hoe de boven- en onderlabia ten opzichte van elkaar staan.
De onderkant van het Bovenwerk. Rechts schalbekers van de Trompet 8'. De beker- en keelmensuur is een kopie van de Trompet uit het Meere-orgel te Twello. We zien onder de lade het wellenbord lopen met de abstracten die via de pulpeten in de lade verdwijnen naar de ventielen (niet zichtbaar uiteraard) lopen. Geheel boven zien we nog het pijpwerk van de Vox Humana 8'. Onderaan zien we drie pijpen van de Bourdon 16'

KARAKTERISTIEKEN IN MEERE’S ORGELBOUW
Het pijpwerk van Meere was meestal dunwandig met een aparte legering van het orgelmetaal, lage opsneden en weinig wind. Meere hield niet van zware, lage tonen. Zo zijn de ladeboringen in de bas bij Epe aan de kleine kant. Er is duidelijk onderscheid te horen in het klankvolume van de laagste toon van de Bourdon 16’ op het Hoofdwerk en die van de Bourdon 16’ op het Pedaal. Laatstgenoemd register geeft een vollere toon dan de Hoofdwerk-Bourdon.
In de bas maakte Meere ook smallere labia. De winddruk hield hij laag. In Epe is dit 68 wk, hetgeen belangrijk is voor de intonatie. Die wordt daardoor moeilijker, met name wat betreft de aanspraak van de pijpen.

Enkele opvallende Meere-karakteristieken:
- lage opsnede; gevolg, in combinatie met lage winddruk: geen open, forse klank maar meer een kleuren de klank;
- enigszins variabele labiumbreedtes en kernfases;
- frontpijpen geheel van tin;
- karakteristieke onderlinge stand van boven- en onderlabium;
- enigszins afwijkende metaallegering: 3/4 deel lood en 1/4 deel tin.