COLUMNS

14 december 2012 Zorgvuldig omgaan met muziek
23 juni 2008 Over de Afscheidsdienst van Ds. Bas Plaisier; het Bätz-orgel (1831); Jan Jansen en hoe mooi het werd en hoe collegiaal
3 december 2007 Nieuwe muziek gepubliceerd in het kwartaaltijdschrift Kunst en Wetenschap (September 07)
22 augustus 2007 Op naar een nieuw Liedboek
22 augustus 2007 Top Twaalf Liederen
1 juni 2007 Het raadselachtige van componeren
30 mei 2007 ‘,…maar tot een eenmaal afgesloten compositie keer ik nooit terug.’ Sjostakovitsj in 1954
30 april 2007 Het goede gevoel. Willem Brons en Piet Kee , twee fenomenale leraren
14 april 2007 Zou Mozart…? Over het Mozartjaar 2006
18 augustus 2006 Column Orgelfestival Limburg
september 2006 Een column (Tekst bijgewerkt tot 06-01-2011) , ‘Het imago van de organist’ door Willem van Twillert is gepubliceerd in het kwartaalblad: KUNST EN WETENSCHAP, september 2006, pagina37. [ISSN: 0927-3506]
Besteladres:Smidstraat 12
8746 NG Schraard
Tel 0517 532042
Mail: kunstenwetenschap@planet.nl
Een jaarabonnement kost Euro 12,=
Het artikel is nu ook opgenomen op deze pagina
   
10 juni 2006 Joost Langeveld met HUMAN BITS tijdens museumnacht, Utrecht 5 november 2005
10 mei 2006 Nederlandse muziek al eeuwen lang ondergewaardeerd.
1 mei 2006 Wat doe je nou zo op een dag.
30-3-2006 Mentaliteit door twee tips
26-3-2006 Wat is er mis met orgelwerken voor electro-pneumatische orgels
Edwin Lemare (1865-1934) bewijst het: Helemaal niets!
20-3-2006 Flarden - Gedachten na de DVD opname te Aarle-Rixtel
8-3-2006 Een goede techniek, hoe ontwikkel je die?

5-3-2006

Hoe komt een programma voor DVD tot stand?

25-02-2006

Nieuwsgierigheid is dè emotie bij nieuwe muziek

15-02-2006

Orgelconcerten die je bij blijven. (12 februari, Catharinakerk, Doetinchem)

16-11-2005

Geïmproviseerde orgelmuziek bij zwijgende film

8-11-2005

Over live musiceren en meer

22-08-2005

Hoe noteer ik mijn muziek?

01-03-2005

Zelfbewustheid en zelfvertrouwen bij orgelspel

19-01-2005

Diversiteit in stijl nootzaak

15-01-2005

Omgaan met gedrukte muziek

november 2004

Het Haarlemgevoel

november 2003

Opnamen in Noordwijk aan Zee

juli 2003

Orgel spelen om fit te blijven

maart 2003

Je hobby je werk

 



14-12-2012 Zorgvuldig omgaan met orgels en muziek

Dat je zorgvuldig met muziek en muziekinstrumenten behoort om te gaan zal niemand tegenspreken. Keurig de noten spelen en alles benaderen in de geest van de componist. Zo wordt je dat bijgebracht aan de conservatoria en bij privé docenten, tenminste,… als het goede docenten zijn. Wees dus ook zorgvuldig in het kiezen van de juiste docent. Onderhoud je muziekinstrument en/of zorg goed voor het orgel dat je is toevertrouwd in de kerk, waar je als organist in functie bent. Bewaak de authentieke staat van het instrument en zorg dat je als organist niet mee doet aan allerlei voorbij waaiende modes.

Dat sommige docenten er (ook) streng op toezien dat studenten zorgvuldig en netjes met muziek omgaan (geen ezelsoren, voldoende uitgevouwen) was weliswaar niet nieuw voor mij, maar toch spitste ik de oren toen ik dit in mei 2004, via de radio in het mooie programma A4 van de pianiste Tan Crone vernam. Zij werd op haar eerste les bij Nadia Boulanger te Parijs, nu zo’n dertig jaar geleden, over haar omgaan met de gedrukte muziek streng toegesproken.
Tan Crone vertelde hoe ze bij haar eerste les van Boulanger niet alleen te horen kreeg dat ze er keurig verzorgd en in de goede houding hoorde bij te zitten, maar dat ze ook netjes haar muziek moest behandelen. Geen ezelsoren en vlekken in de muziek; geen oude en nieuwe aantekeningen door elkaar (alleen relevante opmerkingen met potlood in de muziek genoteerd), het boek keurig en recht op de lessenaar, enzovoorts. “Het ging er in die twee jaar dat ze er les volgde streng aan toe. Nadia Boulanger had de wind er onder bij haar leerlingen. Met de toon op de piano blijf je je hele leven bezig”, aldus Tan Crone.
Organisten blijven hun hele leven bezig met het telkens weer opnieuw uitzoeken van klankkleuren door middel van het uitzoeken van registraties bij een orgelwerk. Dit veroorzaakt zeer veel noties in de bladmuziek. Veel organisten noteren dit bv. Op geeltjes, die later weer verwijderd kunnen worden of met potlood.

KOPIËREN
Nu, met die enorme toename van het fotokopiëren en het achteloos en soms wetteloos gebruik maken van kopieën zou Nadia Boulanger zich in haar graf omdraaien.
Goed dat we eens horen dat ook het omgaan met muziekboeken netjes en correct behoort te zijn Dus geen kopieën gebruiken. En al helemaal niet in een eredienst. En toch gebeurt dat zonder dat organisten zich er veel om bekommeren. Alleen als het om praktische redenen noodzakelijk is dan mogen er kopieën benut worden. Maar als het even mogelijk is behoort het “echte” boek in de boekenkast te staan. Eenvoudigweg lenen van een collega of bij een muziekbibliotheek en dan vervolgens een kopietje maken en die gebruiken bij een openbare uitvoering kan dus niet. Dat is oneigenlijk gebruik; ergo dat is diefstal. Dat geldt voor elke muzikant.

UITGEVERS
Zorgvuldig omgaan met gedrukte muziek is ook van belang voor uitgevers. Immers, ook zij willen hun brood kunnen verdienen. En ook uitgevers kunnen als ze zorgvuldig werken de voortgang en verbreiding van de muziek en de muziekcultuur mede waarborgen. Het is zo simpel als het zijn kan. En toch?… toch halen veel musici en ook veel (kerk) organisten hun schouders op. “Waar maak je je druk om” is vaak de reactie.
Eenzelfde strijd tegen kopiëren voeren de platenmaatschappijen tegen het illegaal kopiëren en downloaden van muziek. Maar in de strijd tegen het branden winnen piraten het vooralsnog van overheid en industrie. Vertaalsleutels waarmee branders en computers zogenaamde “copy controlled cd’s” kunnen lezen, zijn meestal binnen no time beschikbaar.
[Bron: Menno Pot, “Strijden muziekpiraterij geen succes”, Volkskrant 2 mei 2003]
Het komt voor dat een organist niet tevreden is met het orgel dat hij wekelijks bespeelt in de kerk waar hij organist is. Maar is het dan geoorloofd om het orgel aan te passen aan zijn wensen? In ieder geval niet als het orgel daarmee beroofd zou worden van zijn oorspronkelijke opzet.
In de kerk waar ik organist ben (zorgvuldig gehonoreerd als kerkmusicus I) staat een Van Vulpen-positief met vijf registers. Het orgel is nog oorspronkelijk op één facet na: in de jaren negentig heb ik toegestemd om de labia van de frontpijpen te laten vergulden door orgelmaker Boogaard te Rijssen. Van diverse gastorganisten heb ik de verzuchting gekregen waarom ik niet opteer voor een groter orgel. Maar ik prefereer om zorgvuldig met dit instrument om te gaan en wil het orgel behouden voor de ruimte waar het oorspronkelijk voor is vervaardigd en waar het ook prachtig klinkt. Ook de intonatie wens ik niet te veranderen.
Tenslotte
Aan de universiteit van Twente is een musicreader ontwikkeld die het mogelijk maakt dat orkestleden de muziek op hun lessenaars verruilen voor een musicreader, een beeldscherm waarop de muziek verschijnt. De dirigent kan op zijn beeldscherm met een speciale pen zijn aantekeningen noteren, waarna deze direct op de partijen verschijnen in de beeldschermen van de orkestleden waar deze notitie voor bedoeld is. Dirigent Kees Stolwijk heeft er mee gewerkt en was enthousiast.
Tegelijkertijd heeft Anne Offermans aan de Technische Hogeschool te Delft iets soortgelijks ontwikkeld met haar E-Book. Momenteel zijn beide instituten bezig om gezamenlijk hun geesteskinderen tegen het licht te houden.
Over beeldschermen gesproken: Eind februari was schrijver dezes op bezoek bij Henk Kooiker, die had ook een beeldscherm op zijn lessenaar had staan waarop hij zijn muziek leest. Zijn hele muziekbibliotheek staat op de harde schijf. Het enige bezwaar van het door Kooiker ontwikkelde beeldscherm was dat je op een knopje moet drukken om de volgende pagina te laten verschijnen. Maar wat een uitkomst als je in het buitenland moet concerteren. Je neemt je beeldscherm mee en het enige dat je verder moet doen is zorgvuldig (let op het juiste voltage) de stekker in het stopcontact steken.






x

 

23-6-2008
Over de Afscheidsdienst van Ds. Bas Plaisier; het Bätz-orgel (1831); Jan Jansen en
hoe mooi het werd en hoe collegiaal


Het zal een half jaar geleden zijn geweest dat ik door Ds. Harm Dane gevraagd werd of ik op 6 juni 2008 vrij was. Vrij was ik, hoezo? . Nou,…. of ik tijdens de afscheidsdienst van de scriba van de PKN het orgel dan wilde bespelen. Ik voelde me vereerd, maar eh,… daar zit daar een goeie organist hoor…
 
Het was zover. Ik besloot op die dag mijn auto in een buitenwijk (Tuindorp-Oost) te parkeren en op de fiets naar de Dom te rijden. Het was mooi weer, warm met een briesje die zo lekker ouderwets langs mijn hoofd woei. Een gevoel uit mijn jeugd overkwam me. Ik fietste toen  nog vaker......! Een gevoel van vrijheid ook, want dat  geeft wind als het langs je hoofd kan waaien. De Domtoren doemde op. Een herinnering aan een tekst uit een boek, dat het gewone leven in de middeleeuwen beschrijft kwam naar boven. Op een pakkende manier beschrijft Lennaert Nijgh hoe iemand op weg gaat naar Utrecht en blij is, dat hij de Domtoren ziet, zodat hij kan schatten hoe lang het nog lopen is…. Het boek, als basis voor een TV-serie van Lennaert Nijgh flopte, maar als ik de Domtoren zie oprijzen als ik komend vanuit de richting Hilversum Utrecht nader, doet dit me vaak aan die tekst denken…. En dat het boek en de TV-serie zo mislukte,  al die inzet…Ook dat. Ondernemen wil niet altijd zeggen, dat het lukt.
Het maakte indruk en deed me buitengewoon plezier om de Domtoren te zien opdoemen toen ik langs het Griftpark fietste. Kinderstemmen kwetterden me tegemoet. Van een groene, sterk vervuilde vlakte, omgetoverd tot een perfect functionerend park met mooie architectuur. Het kan verkeren, ook in Utrecht. De blauwe flat van Ben van Berkel aan de rand van dit park heb ik trouwens helemaal zien bouwen. In die tijd verkeerde onze zoon in een levensfase waarin skateboarden het helemaal voor hem was. En als u die geweldige skatemogelijkheid kent in het Griftpark, …we zijn er dus vaak geweest de afgelopen jaren!

Als organist van zo ongeveer het kleinste orgel dat in een kerkdienst kan functioneren: het Van Vulpenpositief met vijf registers, één manuaal en aangehangen pedaal, op weg naar een monster-orgel met  tig stemmen, drie klavieren en een majestueus uiterlijk dat helemaal was vormgegeven om te imponeren. In zijn tijd een gewaagd, modern ontwerp van Sluys, dat Bätz in eerste instantie weigerde uit te voeren, omdat hij de grootste pijpen niet kwijt kon in het hoofdwerk. Om van de immense ruimte in de Domkerk verder maar te zwijgen! Ik verheugde mij erop daar binnen te gaan musiceren. Concerteren is mooi, maar het begeleiden van een eredienst, waar goed gezongen gaat worden en waar belangstelling is voor het orgelspel, dat is voor mij misschien wel het allermooiste. Spannend is het ook, want je weet nooit precies hoe het gaat, al is het maar omdat je niet exact  weet hoeveel mensen er komen en hoe enthousiast ze zingen. Dat zo’n beetje de crême de la crême uit de PKN er zou zitten was me ondertussen duidelijk geworden. Benieuwd of zoveel dominees ook mooie gemeentezang oplevert.

De zaterdag voor de happening belde ik de beheerder Van Tuin. Hij zei me, dat er de gehele week niet op het orgel kon worden geoefend, omdat het instrument gestemd werd.
Gelukkig kon ik nog net terecht op de zaterdag van vijf tot zeven. We maakten tevens een afspraak dat ik me vrijdagmiddag de zesde juni zou melden nadat het stemmen was afgelopen. “Dat kan wel tot vier uur duren hoor”,  zei Van Tuin. OK, dan was er verder niet veel tijd meer, maar het was net voldoende. Ik nam geen risico en belde met Marien Stouten en Matthijs Schilder, twee bekwame registranten. Marien voor het geval er op het gebied van registeren in verband met tijdgebrek of wat dan ook geïmproviseerd moest worden. Marien onthoudt namelijk dermate goed de gekozen registraties, dat ik  er praktisch geen omkijken meer  naar heb in het vastleggen ervan omdat  Marien een eigen notatiesysteem hanteert. Het meeste onthoudt hij.
Met Matthijs deel ik veel liefde voor het orgel. We luisteren veel naar opnames en hebben er  plezier in   registraties uit te pluizen. Met Matthijs werk ik zeer methodisch en gedisciplineerd en we noteren alle registraties.
Matthijs wilt altijd het naadje van de kous weten hoe er geregistreerd wordt. Hij woont om de hoek van de Domkerk, recht tegenover de toenmalige ateliers van Van Vulpen in de Ambachtstraat, What’s in a name…!  De zesde juni besloot ik me eerder te melden en het resultaat was, dat ik om half drie de Domkerk in stapte en aan het werk kon gaan; het stemmen was voorspoedig verlopen, Matthijs was op de hoogte gebracht en we konden aan het werk.  
De nacht ervoor had ik maar een paar uur geslapen. Toch de spanning. Er zullen radio- en TV-opnamen gemaakt worden en dat overkomt me niet elke dag en zeker niet in de Dom. Telkens sloop er een melodie in mijn hoofd die ik begon te zingen: is het tempo goed, kreeg ik een ideetje voor een voorspelletje of een harmonisatie. Mijn gedachten leidde ik af met het herlezen van de prachtige biografie van Henri Troyat, ‘Flaubert biografie’.  (uitgave De Prom Baarn 1989, vertaling Jean-Pierre Plooij) Hoe Gustave Flaubert in het leven stond, met collegea omging en zijn eigenzinnige keuzes verdedigde, is interessante kost.
 
De laatste keer dat ik in een kathedraal de gemeentezang begeleidde was in de Grote- of St.-Bavokerk te Haarlem, toen Klaas Bolt nog leefde. Ik herinner me  ook het begeleiden in de Nieuwe kerk te Amsterdam tijdens de herdenkingsdienst naar aanleiding van het vliegongeluk te Suriname. Dat was toen lastig begeleiden met de pedaaltorens vlak naast je. Er werdem toen integraal TV opnamen gemaakt in een live uitzending. De organist werd niet genoemd; over imago van organisten gesproken...
 
Na drie kwartier dacht ik dat Marien Stouten er aan kwam. Op de trap kwam iemand in elk geval met gezwinde spoed naar boven. Verrassing: het bleek Jan Jansen te zijn. Zelden een organist zo luchtig gekleed gezien: een korte broek en een dun T-shirt, gympen aan de voeten en geen grammetje vet, zo ziet de Domorganist sinds 1987 er uit. Jansen keek een beetje verbaasd. “Jij hier?” “Eh, ja, voor straks weet je wel,… die dienst van Ds. Plaisier, ja, ze hebben me ervoor gevraagd.  
 
Na een pauze keek Jan met wat bezorgde blik  aan en zei toen: “ Och ja, dat is waar ook... Maar,... volgens mij heeft de beheerder een fout gemaakt want  ik heb afgesproken met een violist om nu te repeteren, ze komt zo”. Ik bood aan wat tijd in te leveren. “We hebben aan minimaal een half uur  wel genoeg”, reageerde Jan.
Omdat ik vroeger was gekomen kon ik een half uur  gelukkig wel missen, dus geregeld. Ik zei Jan Jansen, dat ik blij was dat ik hem nu even trof en ik vertelde hem, dat ik toevallig een paar dagen geleden met Kees van Eersel mailde en ook even over deze dienst schreef. Kees mailde me toen terug met onder meer de constatering, dat hij Jan Jansen tot de toptien van de Nederlandse organisten rekent. “Wie is Kees”, vroeg Jan. “Kees van Eersel”, antwoorde ik. Jan glimlachte. “Ken je Ds. Plaisier persoonlijk?”, vroeg hij. Ik schudde nee. ”Misschien wilde de top van de PKN ook eens een organist aan de bak laten komen die op een heel klein orgel zijn wekelijkse diensten speelt. “ reageerde ik erbij. “Och ja, misschien speelde ik wel te modern,…maar ik gun het je hoor” zei Jan eenvoudig. En met die collegiale constatering was het ijs gebroken.
 
Ik vroeg hem of hij even naar mijn registratie van Gezang 312 met die mooie melodie van Bastiaans wilde kijken, waarvan de registratie zojuist was uitgezocht en vastgelegd. De registers stonden nog open. Jan bekeek het eens. Nou, dat zou ik zo doen, en met een snelle (zeg maar zéér snelle)  geroutineerde greep had hij de registratie veranderd en speelde hij een zetting. Met zijn gympen met versterkte zool en korte broek bewees hij weer eens dat een vakman geen status in kleding nodig heeft, een mooi gezicht was het. ”En dan voeg ik zo nu en dan een tegenstemmetje toe”, en hij keek jongensachtig (of was het een beetje plagend?) naar me.
Jan Jansen had wat hoge stemmen, eigenlijk alles boven de twee voet, weggedaan en alle grondstemmen toegevoegd. Hij speelde uitkomend op het rugpositief, maar speelde er als het uitkwam ook  tweestemmig, dus de alt onder de koraalmelodie.
De begeleiding op het hoofdwerk, gekoppeld aan het bovenwerk. Het rugpositief gekoppeld aan het hoofdwerk èn bovenwerk. Het gaf een brede, volle klank. “Ik vermijd een te schreeuwerige klankkleur, oppassen met octaveren, het orgel geeft zo, met onder meer die krachtige cornet al genoeg”.
Ik was van plan geweest om de melodie met gekoppelde klavieren met een registratie, zonder cornet nu, te spelen omdat ik in andere begeleidingen de cornet ook al gebruik, maar de cornet  klonk bij deze melodie zo goed, dat ik de suggestie van Jan uiteindelijk overnam.

De dienst verliep uiteindelijk naar wens, het zingen was voortreffelijk evenals de opname. Veel dominee's die met elkaar zingen levert dus inderdaad goede kerkzang op.
Jammer was  dat Gezang 312 sneuvelde op de montagetafel omdat de dienst uitliep.
Want toen ik een paar dagen na de uitzending bij IKON informeerde of de dienst nog integraal bewaard was, kreeg ik een ontkennend antwoord, alleen hetgeen uitgezonden is werd bewaard, de rest was gedeleted; gewist zeiden we vroeger.    Deze dienst is als CD te bestellen voor 8 Euro en ook te beluisteren op internet via de site van de IKON: http://www.omroep.nl/  

Willem van Twillert
 




Column 3-12-2007
Nieuwe muziek gepubliceerd in het kwartaaltijdschrift Kunst en Wetenschap (September 07)

Kan de weg vrijgemaakt worden voor ontplooiing van eigentijdse muziek, zónder  dogma’s?  Alleen als een componist anno nu zichzelf durft te zijn, zonder zich wetten te laten voor­schrijven. Zelfs in de wereld van de kunstfondsen schijnt dit streven nu door te dringen. ‘Subsidiebe­leid ouderwets en con­traproduc­tief,’ lezen we in De Pers van 15 mei 2007, waarin Tisha Eetgerink het boek Second Opinion – Over beeldende kunst­sub­sidies in Nederland belicht. Een van de auteurs, Lex ter Braak, direc­teur van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormge­ving en Bouw­kunst en van de Mondriaan Stichting: ‘Wie er ook maar een beetje toedoet in kunstenland zit wel ergens in een commissie.’ In HP/De Tijd van 25 mei 2007 publiceert Ad Fran­sen een interview annex beschouwing met en over Lex ter Braak onder de titel Trek kunstenaars uit de welzijnshoek. ‘Het moet anders met ons subsidiesysteem voor de beeldende kunst. Maar hoe? Bijzon­der: daarover zwengelt subsidiever­schaffer Lex ter Braak zelf een scherp debat aan.’

Twee genera­ties na‑oorlogse componisten heb­ben zich wetten laten voorschrij­ven door de geniale nestor van de twaalftoon­smuziek Arnold Schönberg. Gevolg? Een groot deel van hun werk kan als verloren worden beschouwd. Neem een vooraanstaand componist als Jan van Vlijmen (1935–2004), wiens denken model kan staan voor de tijdgeest van de muziekwereld in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het Osiris Trio verzorgde op 28 april 2007 de première van Van Vlijmens zwa­nen­zang Trio Estatico. De pianist van dit trio Ellen Corver maakt in een interview met Marianne Broeder in de VPRO‑gids van 28 april 2007 enkele opmerkingen, waaruit blijkt hoezeer dogma’s, formalis­me en strengheid het naoorlog­se Nederlandse componeren in zijn greep hadden. ‘Ik leerde hem kennen op mijn dertiende toen ik bij de Jong Talent‑afdeling van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag ging studeren, waar Jan van Vlijmen directeur was. Jan vond het interessant dat wij zijn werk speelden en wilde komen luisteren naar de les­sen. “Jasses, je speelt een octaaf.” Ik begreep er niets van. Wat wist ik op die leeftijd van moderne compositietechnieken. Ik dacht, wat is er nou mis met een octaaf? Maar ik had het inderdaad misgelezen. Een harmo­nisch zuiver interval als een octaaf was in die tijd volstrekt uit den boze.’

Een kenmerk van seriële muziek is dat zij in beginsel eenvou­dig in een schema is samen te vatten. Je zorgt er bij deze strenge compo­si­tie­techniek in de simpelste vorm voor dat de twaalf tonen van het octaaf alle­maal ge­bruikt zijn voordat je weer opnieuw één van de twaalf tonen gebruikt. Het creatieve dat na het samenstel­len van de toon­reeksen voor de compo­nist overblijft is kleu­ring en ritme, want melo­die, harmo­nie, en later zelfs ook het ritme, zijn óf over­boord gegooid óf worden in grote mate aan het toeval over­gelaten of ook in een reeks onderge­bracht. Ellen Corver in hetzelfde inter­view: ‘Jan was een echte Stock­hausen­fa­naat.’ Twee Zaanse harpistes, Ma­rian­ne Smit en Esther Kooi, verzorg­den in 2006 in de Dom van Milaan de pre­mière van Freude van Karl Heinz Stock­hausen. In dit werk gooit Stock­hau­sen de dogma’s van het moderne componeren uit de tweede helft van de twintigste eeuw in de prullenbak. Want wat horen we? Melo­die, harmonie, ritme Stock­hau­sen componeert anno 2006 hier ge­woon vol­­gens regels van de aloude componeerkunst.

Omdat het Stockhausen gegund is langer te leven dan Van Vlij­men kon hij alsnog een stijlbreuk in zijn werk aanbren­gen teneinde aan te sluiten aan de heersende smaak, sa­men­gevat onder de noemer: ‘Muziek mag weer mooi zijn.’ (Eric Vloeimans in de VPRO‑gids van 14 april 2007) ‘Stockhausen ontpopt zich uiteindelijk dan toch als een andere componist dan de avant‑garde componist te Donau­eschin­gen een halve eeuw eerder. Samen met Pierre Boulez en Luigi Nono ver­liet hij daar op 20 oktober 1957 theatraal de zaal uit protest tegen de in première gaande Nachtstücke und Arien van Hans Werner Henze. Naar hun dogmati­sche opvatting was dit werk van Henze niet modern genoeg. Het werd één van de meest gespeel­de ­composi­ties van Hans Werner Henze.’ (Deze en andere legen­da­rische premières heeft Piet De Loof gepubliceerd in zijn boek De dirigent is gevlucht, dat momenteel te koop is bij De Slegte.)

Dat aansluiten bij de huidige tijdgeest leverde Stockhausen op de valreep een, naar mijn smaak, prachtige moderne compositie op die toegankelijk is en waarbij je als luisteraar, net als bij een goed boek, nieuwsgierig wordt naar hoe het werk afloopt. Guido van Oorschot schrijft er in de Volkskrant van 23 april 2007 overigens anders over: ‘Het moet gezegd: de als priesteressen in het wit gehulde Smit en Kooi tokkelen en zingen begenadigd. Aan hen ligt het niet dat veertig minuten Freude er ongeveer dertig teveel zijn. Alle spirituele dyna­miek ten spijt blijven de noten hangen in statische aanbid­ding. De zang, meisjesachtig blanco, neigt naar quasi­middel­eeuwse mystiek. Arpeggio­wol­ken halen fladderende sprookjes­feeën voor de geest, die worden belaagd door vaak lang nasis­sende s‑en uit de hymnetekst.’

Hoe de tijd zal oordelen over het oeuvre van Van Vlijmen om me tot deze componist te beperken? Afgaande op de recensie (de Volks­krant van 30 april 2007) van Frits van der Waa, die toch niet vies is van serieel werk, zal dat niet meevallen: ‘Het spaarlampencomponeren van Van Vlijmen moest concurreren met de hartverwarmende voltages van de beide klassieke mees­ters [vioolconcert van Mozart en zesde symfonie van Schubert]. [...] De uitvoering werd dan ook eerder gedragen door de grote kwali­teiten van het Osiris Trio dan door de even asceti­sche als langdradige notensubstantie. Het Trio estatico doet zich tussen een goede kop en een mooie staart voor als een lange keten van organisch verbonden, maar verder tamelijk oeverloze gebeurtenissen, waarin erg weinig extase te bespeu­ren is.’ Om deze woorden te verwerken is het goed Kees Fens te lezen (column Vergrijsde figuur in korte broek in De Volkskrant van 19 april 2007): ‘Lof is moeilijk of niet in te halen, de tij­dens het leven onthouden eer is na de dood vaak niet meer dan het schepje zand van het afscheid. Zelfs bij de postume prij­zers van de beste wil is er onvermijdelijk voorbehoud: de ware gedaante van de dode is na een paar jaar te voorschijn geko­men. De schijngestalte van de levende is verdwenen. Op het kerkhof begint het ware leven. En dat gaat zeer snel voorbij.’

Eer is Van Vlijmen tijdens zijn leven zeker niet onthouden. Maar naar mijn gevoel zal ‘op het kerkhof het ware leven’ van zijn oeuvre en dat van vele van zijn collegae seriële compo­nisten gaan beginnen. Begraven zal het worden in bibliotheken waar het tot stof zal vergaan, hoewel dat laatste misschien overdreven is in het digitale tijdperk waarin wij leven. Er zal toch wel ergens een plekje op een geheugenchip gevonden worden? Dat is dan een geluk bij een ongeluk, want dan kunnen generaties nadien er lering uit trekken dat vernieuwing op zichzelf niet vanzelfsprekend leidt tot meesterwerken. Zelfs de meest rigide opvattingen verdampen in het verloop van de tijd en dat is een hoopvol perspectief. Jan van Vlijmen was een Pierre Boulez‑achtige schoolmeester, maar die mogen er ook zijn. Er zijn geen overbodige mensen. Dankzij Jan en Pierre kan de volgende generatie weer vrij en ongedwongen componeren. En dat dit gebeurt is wekelijks op diverse podia te constateren.

NASCHRIFT
In de Volkskrant van 25 oktober 2007  op pagina 16-17 van de bijlage [kunst] verscheen een interview van Anneke Stoffen met jurist en econoom Nachoem Wijnberg over het vak ondernemen in de kunsten dat naadloos aansluit bij de subsidieproblematiek aangekaart in het begin van bovenstaande column. Enkele citaten:
Wijnberg, sinds 25 oktober 2007 hoogleraar cultureel ondernemerschap en management aan de UvA stelt: ‘Ik  doe onderzoek dat mogelijk helpt een beetje te begrijpen welke factoren succesvol cultureel ondernemerschap bevorderen of tegenhouden.’
Over de beoordelaars in subsidiecommissies: ‘In de praktijk ontstaat er in die commissies een inner circle van steeds dezelfde soort personen die dezelfde soort criteria hanteren.(…)Om dat te doorbreken moet je zo nu en dan andere criteria hanteren voor het geven van subsidie.’
Er moet dus altijd ruimte zijn voor nieuwkomers
In het interview geeft Wijnberg aan dat er een kloof is tussen kunst en economie:‘Wie te veel bezig is met de zakelijke kant, wordt minder serieus genomen als kunstenaar.’
‘Stap één voor de cultureel ondernemer is te zorgen dat hij in elk geval meedoet in het proces. Want zolang je niet wordt gezien of gehoord, doet de kwaliteit van wat je maakt er niet toe. Je moet aandacht genereren. En internet maakt het mogelijk jezelf buiten de reguliere kanalen om in de schijnwerpers te zetten.’
De interviewster vat tenslotten samen ‘Een fabrikant van koelkasten die nooit een koelkast verkoopt, zal uiteindelijk wel stoppen met zijn productie. In de kunst is de bereidheid om langer te wachten op succes volgens Wijnberg groter dan in veel andere delen van de economie.’
Er moet ruimte zijn voor nieuwkomers

 

Column 22-8-2007
Op naar een nieuw Liedboek

Het Liedboek voor de Kerken heeft vanaf haar eerste druk in 1973 nooit kunnen dienen als de enige zangbundel in de kerken. In 1966 kwam de liedbundel Alles wordt Nieuw uit.
Op 20 april 2007 nam de Synode van de Protestantse kerk in Nederland unaniem het besluit om de ISK, de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied, de opdracht te verlenen om in 2012 met een nieuw liedboek te komen.
Betekent dit dat het huidige liedboek geen succes is?
Niets lijkt mij minder waar. De uitgave van het liedboek heeft elan en  structuur gebracht in de Nederlandse kerkmuziek in het algemeen. In de jaren 1950-1960 zijn er bij de gezangen bijvoorbeeld zelfs een flink aantal ‘klassiekers’ ontstaan.
De ISK stelt zich nu opnieuw ten doel een stimulans te geven aan de Nederlandse kerkmuziek. Dit doel wordt breed gedragen gezien de unanieme instemming van de synode van de PKN met het voorstel.
In de ISK participeren voor het nieuwe liedboek vier kerkgemeenschappen:
-PKN
-Broederschapraad van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit,
-Commissie tot de zaken van de Remonstrantse Broederschap
-Landelijk bestuur van de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB

Predikanten en kerkmusici ervaren het blijkbaar als toenemend lastig om een bevredigende liedkeuze te maken. Naast het liedboek zijn er inmiddels tenminste 34 liedbundels te vinden, inclusief de acht bundels Zingend Geloven. Persoonlijk ervaar ik liedbundels die trachten leemtes op te vullen ten opzichte van HET Liedboek, als  positief. Waarom zou men dit onwenselijk vinden?
Het synode-besluit zal de nodige pennen en toetsenborden in beweging brengen en ook dit is toe te juichen. Laat de kerkmuziek maar optimaal in beweging blijven.

Voorstellen en criteria
De synode baseerde haar opdracht aan de ISK op de 23 pagina’s tellende nota van de ISK uit juli 2006 met voorstellen waarin men in het kort gezegd, streeft naar:
- minder dominant mannelijk taalgebruik;
- voldoende kinderliederen;
- teksten waarin de hedendaagse werkelijkheid en sociaal engagement worden verwoord;
- voldoende niet-strofische- en onberijmde liederen;
- repertoire van buiten Europa;
- zangspreuken, canons en acclamaties;
- onberijmde en nieuw-berijmde psalmen;
- gedeeltelijke overname van gezangen uit het LvdK;
- selectie uit bundels als Gezangen voor Liturgie, Evangelische Liedbundel, Zingend Geloven. Tussentijds, Zingende gezegend, uitgaven van (de) basisbeweging(en) etcetera.
In de voorstellen wordt er verder naar gestreefd om naast een tastbaar liedboek ook een digitale versie te publiceren, zodat weergave via beamers eenvoudig mogelijk wordt.
De kerkorde van de PKN verwoordt: De generale synode bevordert de eenheid in de kerk door (…) het aanbieden van een of meer psalm- en gezangboeken
Tot in de puntjes uitgewerkte criteria worden door het ISK (nog) niet geformuleerd. Voor geselecteerde liederen geldt in elk geval het criterium dat: minimale eisen gesteld mogen worden wat betreft tekst, muziek, liturgische functionaliteit en theologie.
Het lijkt mij overigens beter te spreken van maximale eisen want persoonlijk kan ik me  weinig voorstellen bij de term ‘minimale eisen’. Men heeft toch redenen om aan te nemen dat er maximale eisen aan de liederen en de tekst zullen worden gesteld, gezien het niveau van het huidige liedboek dat ook internationaal waardering heeft.

De teksten zullen zich kenmerken door:
- eenvoud;
- beeldend vermogen;
- evocatief of belijdend karakter;
- goede prosodie (de verhouding tussen woord en toon) met zingbare, memorabele melodieën.

Visie
De ISK ontwikkelde de volgende kort weergegeven visie:
Behalve gebruik in de eredienst zal  het gebruik van het liedboek ook mogelijk zijn in leefkringen, zoals vieringen in kleine kring, pastoraat en meditatie.
Bij de samenstelling van het nieuwe liedboek wordt een selectie uit het huidige Liedboek voor de Kerken overgenomen en zal er uit bestaande liedbundels worden geselecteerd, omdat de ISK het culturele en hymnoligische erfgoed van de kerk wil koesteren. Daartoe worden ook alle psalmmelodieën en de berijming van 1967 worden overgenomen.

Proeve
In de kerkorde is al geregeld dat een nieuw liedboek eerst wordt beproefd.
Dat is mogelijk via proefbundels, informatiebulletins, deelkaternen, landelijke en regionale zangdagen en het produceren en op de markt brengen van cd’s. Verder zullen er instrumentale en vocale zettingen worden aangeboden om nieuwe liederen in de gemeente te introduceren.

Budget en werkwijze
De synode heeft 600.000 euro beschikbaar gesteld als basisbedrag en 150.000 euro begroot voor opdrachten aan dichters en componisten en voor het inwinnen van adviezen. Vijf jaar is voor het project uitgetrokken.
In de planning worden de kosten van een eventuele proefbundel gedekt  door de verkoopopbrengsten, zoals dit ook is gelukt bij de bundel Tussentijds.
Gedurende vijf jaar zal een coördinator worden aangesteld die de dagelijkse leiding heeft over het redactieproces en lid is van alle werkgroepen met allerlei deelopdrachten.
Er komen supervisoren met uitsluitend een adviserende rol, die kerken, geloofsgemeenschapppen , stromingen en organisaties vertegenwoordigen.

Tijd – verandering - gevoel
De tijd dat liedbundels meerdere generaties mee konden is, gezien de snelle veranderingen die in ons tijdgewricht plaatsvinden, voorbij. Waarom daarover treuren? Veranderingen, mits goed doordacht en geregisseerd, kunnen bij velen creatieve energie opwekken en mogelijkheden bieden om telkens opnieuw nieuwsgierig te worden.
In dat licht bezien betwijfel ik overigens wel of een periode van vijf jaar voor de vorming van het nieuwe liedboek voldoende is. Zeven jaar is dunkt mij niet alleen een mooi bijbels getal, maar in dit geval ook een meer realistische  periode. De proeftijd is juist een creatieve tijd en daarom is het jammer dat er binnen vijf jaar al een einde aan de wordingsgeschiedenis van het nieuwe liedboek zal komen.. Enfin, de tijd zal het leren of vijf jaar voldoen is...
De voortvarendheid om het huidige liedboek te vervangen wekt ook wel wat verbazing. Is de algemene teruggang van het ledental van de kerken niet eerder een reden voor krachtdadige initiatieven? Maar wellicht behoort het gezamenlijk nastreven van hetzelfde doel, in dit geval het nieuwe liedboek, óók tot één van die pastorale initiatieven.
In de Johanneskerk zullen eventuele proefbundels met enthousiasme en plezier worden ontvangen en gezongen. Als uw organist verheug ik me in ieder geval om me te laten inspireren door nieuwe melodieën en teksten teneinde deze zo fraai mogelijk in voorspelen en introducties te laten horen.
Alleen als zou blijken dat een voorspel onvoldoende houvast biedt aan de gemeente, hetgeen in mijn beleving in de Johanneskerk maar zelden voorkomt, vind ik het voor de dienst ‘inzingen’ van melodieën te prefereren boven een uitgebreid voorspel.
Een dienst mag namelijk, in mijn beleving, een voortdurende spannende Godsdienstoefening blijven. Het spontane pure liturgische gevoel dat men kan ervaren bij het zingen van het gezang op de bedoelde plaats in de liturgie kan door het vooraf oefenen juist aangetast worden.
Wanneer meerdere coupletten gezongen worden ervaart men dat het samen zingen van een onbekende of moeilijke melodie steeds beter gaat. Dat ervaren van steeds beter, steeds saamhoriger zingen, dat is ook liturgie.

Voetnoot:citaten en informatie over het ISK rapport 2006 overgenomen uit, Peter Ouwerkerk, ‘Een nieuw liedboek’, Muziek & Liturgie, juni/juli 2007 pagina 5-7

 

 

Column 22-8-2007
Top Twaalf Liederen

Tekst verschenen in de MAANDBRIEF van de Johanneskerk te Amersfoort JULI/AUG nummer 2007

Top Twaalf Liederen
Liederen die iedereen zou moeten kennen
Pieter Endedijk, predikant in Didam en kerkmusicus, stelde een top twaalf van protestantse kerkliederen samen.
De liederen bevatten een tekst die ook vandaag nog aanspreekt, en een melodie die
uitnodigt tot meezingen. Zijn keuze omvat vijf eeuwen kerkgeschiedenis.
Opvallend aan Endedijks keuze vind ik dat er ook melodieën zijn die amper worden gezongen in Nederland zoals ‘De maan is opgekomen’. Het gaat dan ook niet om populariteit. Het is de persoonlijke lijst van Endedijk die zijn keuze wel uitgewisselde met andere kerkmusici. Men kan dit boekje op vakantie meenemen want de liederen zijn internationaal in het protestantisme bekend. Maar het is ook interessant de keuze eens na te lezen in het liedboek want op één na staan alle liederen in het Liedboek voor de Kerk de nummers staan achter de titel.
Dit is de selectie:
1. Kom tot ons, de wereld wacht (122), voorreformatorisch/16e eeuw,Duitsland
2. Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven (Psalm 8), 16e eeuw,Zwitserland
3. Op, waakt op, zo klinkt het luide (262), 16e eeuw, Duitsland
4. O morgen van verblijden (214), 17e eeuw, Duitsland
5. Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere (434), 17e eeuw,Duitsland
6. De maan is opgekomen (391), 18e eeuw, Duitsland
7. O Jezus, hoe vertrouwd en goed (446), 19e eeuw, Engeland
8. De Heer is mijn herder (14), 19e eeuw, Nederland
9. De nacht is haast ten einde (130), 20e eeuw, Duitsland
10. De aarde is vervuld (223), 20e eeuw, Nederland
11. De Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt (247), 20e eeuw,Nederland
12. In de schoot van mijn moeder geweven, 20e eeuw, Nederland

Pieter Endedijk publiceerde begin juni 2007 het boekje 'Canon van het protestantse kerklied' ‘twaalf kerkliederen 'die iedereen zou moeten kennen'. Het is een idee van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) met het oog op 'startzondag' in september 2007.
Willem van Twillert

 

Column 1 juni 2007
Het raadselachtige van componeren

Het proces van laten stollen van je gedachten, het schaven, het zoeken naar grotere verbanden, alle mogelijkheden die je vakkennis je aanreikt benutten om iets tot stand te kunnen brengen waarvan het geheel groter is dan de afzonderlijke delen. Dat schenkt een gevoel van schoonheid en van voldoening, tenminste als het lukt.
Componeren leert je om in jezelf te ontdekken wat je het beste kunt. Componeren ervaar ik dan ook als een verlangen om iets te creëren om energie vrij te maken voor concentratie en afzien, want het is geen gelopen race. Tijdens het proces is het maar de vraag of het allemaal zo mooi blijft als je denkt. Soms wordt een besluit om een compositie te maken ook mede ingegeven door de overtuiging dat het beter is je tijd te benutten aan iets blijvends dan tijd te wijden aan het genieten van het uitzicht op de tuin of iets dergelijks. De voldoening die gloort als een uitdaging tot tevredenheid is getrotseerd heeft een aparte bekoring.
Een bekoring die zelfs groter is naarmate de problemen die je hebt getrotseerd omvangrijker waren. Volharden op zich houdt overigens niet in dat je compositie (om me tot die bezigheid te beperken) ook daadwerkelijk altijd alle moeite waard is. In je werk ultieme kwaliteit nastreven is een voorwaarde maar houdt helaast niet automatisch in dat je met dit streven altijd kwaliteit afdwingt. Maar zo’n houding leidt er soms wel toe dat je je poging een kunstwerk tot stand te brengen staakt. Een mens is maar een mens en falen hoort bij het mens zijn. Overschatting van je mogelijkheden is een valkuil waarin je op die manier ook niet intuint. Dat onderbreken of staken houdt bovendien in, dat je weer energie vrij maakt voor een nieuwe poging. Uiteindelijk zeeft de tijd de ware kunstwerken, Dat is een ordening die je als sterveling maar buiten je bereik moet laten vallen omdat het te groot is voor een mens uit de eenentwintigste eeuw. Denk als kunstenaar dus ook gewoon en doe en onderneem derhalve dat waar je zin in hebt. Is ook goed voor een positief levensgevoel trouwens.
Kees Fens, één van de door mij bewonderde columnisten schreef in zijn column, ‘Een onvergetelijk onaanzienlijk mannetje (de Volkskrant op 22 maart 07): ’Ik kijk weer naar de foto (van Bruckner wvt) en sta voor de zoveelste keer voor het raadsel van de creativiteit, dat voor mij, bij muziek altijd groter is dan bij literatuur.’
Ik zwicht voor de verleiding om van Valéry wat indrukwekkende teksten te citeren. Waarom?
Zijn woorden inspireren me altijd weer en ze raken me omdat ze dicht bij mijn belevingswereld komen. Aan woorden van Valéry ontleen ik vaak energie om door te gaan en het ontwikkelt bij mij een positief gevoel met het noodzakelijke restje realiteitsbesef, waardoor ik de krachtmeting tussen zwoegen en flow; tussen vrijheid en ordening weer aan kan gaan.
Daarom lees ik regelmatig in Paul Valéry (1871-1945), ‘Cahiers –De macht van de afwezigheid’, Nederlandse vertaling: Maarten van Buuren / Utrecht, Historische uitgeverij 2004.
Onderstaan wat citaten van hem:
‘Schoonheid leidt tot verlangen naar herhaling, schijnbaar oneindige herhaling en is daarom het tegendeel van het verlangen naar iets nieuws.’ (p. 94/68)
‘De exclusieve liefhebbers van het nieuwe beseffen niet hoe groot het vermogen van een werk is om weer herhaald te worden, weer beluisterd, weer gezien te worden – hoe belangrijk de Weer-waarde – van een kunstwerk is.’ (p.99/70)
‘Kunst begint, als natuurlijke behoefte – met de behoefte om te maken. De bevrediging zit in het doen – een doen dat voldoening vindt in zichzelf, zichzelf boeit, zich spiegelt in wat het maakt –(…)’ (p.109/78)
‘Bach, Triomf van de intrinsieke Muziek. Niets komt van buiten. Alle kaarten liggen op tafel – Geen schaduwen. Geen gevoel. Geen mysterie, anders dan dat (het Allerhoogste -) van het bestaan in en door zichzelf.’ (p.112/75)
‘Kunstwerken hebben als voorwaarde dat ze een gemoedstoestand scheppen, of van een gemoedstoestand uitgaan.’(p.128/82)
‘Het is nu eenmaal niemand opgevallen dat we uit onszelf evenveel onbenullige als mooie dingen naar boven halen. Het IK kiest uit het IK.’ (p.180/197)
‘Advies: Kunstenaar, doe wat je het beste doet. Maar zet daarbij alle intelligentie in waarover je beschikt – Leer in jezelf ontdekken wat je het beste kunt en voor het maken waarvan je om zo te zeggen gemaakt bent.
[Het eerste pagina nummer verwijst naar de oorspronkelijke uitgave, het tweede nummer naar de aangehaalde Nederlandse vertaling.]
Ook de inleiding van de uitgavebezorger van Valéry, Maarten van Buuren, met de titel, ‘De geest als narcissus’, p. 15, bevat trouwens behartenswaardige tekst zoals: ‘Voor Valéry ‘zijn afgeronde kunstwerken op zijn best afvalproducten van een wordingsproces waarin zich alle creativiteit samenbalt…’
Een mooi citaat om mee af te ronden.

Willem van Twillert

 

Column 30 mei 2007
‘,…maar tot een eenmaal afgesloten compositie keer ik nooit terug.’ Sjostakovitsj in 1954

Graag lees ik muziekgeschiedenis en biografieën van componisten.
In mijn jeugd verslond ik het in 1967 verschenen ‘Mozaïek der Muziekgeschiedenis’ van Otto Glastra van Loon,  Bosch & Keuning, Baarn 1969.
Halverwege 2006 las ik, ‘Sjostakovitsj zijn leven, zijn werk, zijn tijd’ van Krzysztof Meyer (vertaling van Willem Bruls, uitgegeven bij Atlas Amsterdam /Antwerpen1996).
Het citaat dat de titel is van deze column wordt regelmatig herhaald als ik pogingen doet om te componeren. Een snelschrijver van noten ben ik niet. Keuzes maken ervaar ik als lastig en tijdrovend. Er wordt door mij veel gesleuteld ook vaak nog als een compositie (bijna) klaar is.
Als het te gek dreigt te worden, wellicht te wijten aan gebrek aan talent, dan helpt dit citaat mij om verantwoord met  de materie om te gaan.
Daarom geef ik dit citaat graag door met nog wat citaten.
Sjostakovitsj nam in 1954 tijdens beraadslagingen in het componistenhuis te Moskou het woord in een discussie over zijn nieuwe werk:
‘Aan de Tiende symfonie werkte ik in de zomer van het vorige jaar en ik voltooide het stuk in de herfst. Ik schreef haar, net als al mijn andere werken – zeer snel. Dat is overigens geen deugd maar eerder een gebrek, want met zo’n werktempo is het niet mogelijk veel en goed te schrijven. Zo snel ik met een werk klaar ben, verdwijnt de geestdrift ervoor. Als ik – soms zeer ernstige – fouten in een nieuw stuk ontdek, denk ik dat het goed is om dit in de volgende werken te vermijden, maar tot een eenmaal  afgesloten compositie keer ik nooit terug.’ (pagina 332 in aangehaald boek) Een geweldig statement vind ik dit. Het verklaart tevens het grote oeuvre van deze componist en verleent een sleutel tot het verstaan van de muziek van Sjostakovitsj.
Op pagina 279 wordt een brief van Sjostakovitsj afgedrukt, ‘… de bliksemsnelle wijze waarop ik componeer verontrust me. Het is ongetwijfeld slecht. Men zou niet zo snel moeten componeren als ik . Het is tenslotte een ernstig proces en daarom zou men niet moeten “galopperen’’ (zoals een bekende ballerina placht te zeggen). Ik componeer akelig snel en kan mezelf niet afremmen. […] zo gauw ik een werk afheb, ben ik er niet meer zo van overtuigd dat ik de tijd nuttig heb besteed. Maar de domme gewoonte overwint telkens en ik componeer vervolgens op precies dezelfde manier verder. ‘
Op pagina 230 lezen we over gemeenschappelijke lessen die hij gaf.:
‘Omdat Sjostakovitsj steeds beweerde dat er in de muziek geen ‘minderwaardige’genres bestonden, liet hij zijn studenten kennis maken met de polka’s en de walsen van Johann Strauss en met de muziek van Jacques Offenbach. Ook werden vragen over de populaire muziek de dansmuziek den de massaliederen behandeld.’
Laten we blij met zijn met alle genres in muziek. Anderzijds… ieder mag voortdurend voorkeuren koesteren.
Sjostakovitsj was in het bijzonder gehecht aan twee composities getuige het feit dat hij elk jaar met zijn vrienden twee gelegenheden vierde,  namelijk de premiere van zijn eerste symfonie op 12 mei en de voltooiing van zijn dertiende symfonie op 20 juli 1962 (Hij begon er mee in maart 1962)
Uitvoeringen van de dertiende symfonie werden tot aan de dood van de componist voortdurend door de Russische machthebbers gedwarsboomd met pesterijen en het opwerpen van bezwaren en belemmeringen vanwege het gebruik van een gedicht van Jevgeni Jevtoesjenko die de tragedie verwoord van de joden die in het ravijn Babi Jar bij Kiev waren vermoord. S werd eenzijdigheid verweten omdat in het gedicht alleen sprake is van het lijden van de joden terwijl er bij dit drama ook mensen met andere nationaliteiten zijn omgekomen.

Willem van Twillert

 

Column
Het goede gevoel. Willem Brons en Piet Kee , twee fenomenale leraren

Op stille zaterdag 7 april 2007 hoorde ik een interview met Willem Brons in het programma viertakt www.nps.nl/viertakt  Bijna 70 jaar is hij nu, maar Willem Brons klinkt nog even vitaal als ik hem herinner tijdens de pianolessen aan het Muzieklyceum (later het Sweelinckconservatorium) te Amsterdam in het midden van de jaren zeventig. Een stem veroudert niet.
Hij spreekt zoals hij piano speelt. Met een bronzig timbre, met veel legato en levendigheid. Stellig en badinerend tegelijk. Het klonk of ik weer terug was in 1974 in het pand van het Muzieklyceum op de Prinsengracht in Amsterdam. In die hoge kamer aan de voorkant van het gebouw met twee nieuwe Bösendorfer-vleugels. Uitzicht op de Prinsengracht, het kan slechter…
Geweldige lessen gaf Willem Brons daar. Hij lesgevend aan de ene vleugel, altijd aan de rechterhand van de student. Soms speelde hij even met je mee. Vaak illustreerde hij gelijktijdig hetgeen hij aan het verklaren was. Intensief. Ook toen had hij al die natuurlijke innemende en overtuigende doceerhouding. Je wilde direct na de les als het ware weer verder studeren om zijn visie uit te proberen en in klank te vangen.
Aan sopranisten (pianisten die vooral de nadruk leggen op de bovenstem) had en heeft Willem Brons een hekel. Een levendige voordracht met oog en oor voor elke stemvoering is zijn ideaal. Geen wonder dat pianisten in Japan met hem weglopen. Volgens Willem Brons omdat ze daar nieuwsgierig zijn naar zijn muzikale beweegredenen. De technische kant van de medaille hoef je aan Japanse pianisten niet zo snel uit te leggen. Nooit zal Willem Brons techniek loskoppelen van muzikale zeggingskracht. Timing, klankkleur, analyse, de betekenis van muziek, daar gaat het om, behoort direct in het oor te springen. Op zijn “debuut”-CD (label Eusebius) speelt hij werken van Mozart. Op de radio hoorde ik die zevende april 2007 de pianolessen van een kleine dertig jaar geleden weer naklinken:

Het tempo opjagen in muziek dat doe je niet tenminste als je student wilde blijven van Willem Brons. Want bij hem hoef je niet aan te kloppen voor het snelste tempo. Hij zal je direct proberen te overtuigen dat er mooiere aspecten zijn dan zo snel mogelijk spelen van een werk.
Om van Willem Brons les te mogen krijgen moest je overigens eerst een toelatingsexamen afleggen want ook toen al was Willem Brons een gevierd docent.
Nooit zal ik de introductieweek vergeten op Queekhoven, een schitterend gebouw aan de Vecht te Breukelen dat als conferentie- en ontmoetingsoord voor musici is opgezet door harpiste Phia Berghout.
Daar hoorde ik hem voor het eerst de Sonate in Bes grote terts van Schubert spelen. Een wereld ging voor me open, het klinkt als een cliché, maar zo ervoer ik het. Nadien heb ik Willem Brons ook in het concertgebouw gehoord, zowel in de kleine als in de grote zaal. Een grote carrière scheen voor Willem Brons toen in het verschiet te liggen, maar misschien was hij voor een virtuoos wel te introvert of voelde hij zich teveel ook een docent.
Hij heeft, voor zover ik weet, niet telkens de globe rondgereisd om zijn naam te vestigen, nee hij is vooral docent gebleven.
Gelukkig dat hij nu meer opnamen gaat maken. Laat het niet bij deze ene debuut-CD blijven.
Hij heeft trouwens geen afkeer van opnemen, integendeel: Voor deze Mozart-opname had hij naar eigen zeggen zijn fans meegenomen oftewel zijn vrouw en de twee opnametechnici. Tijdens de opname die anderhalve dag duurde is hij steeds beter gaan spelen hoorde ik hem zeggen.

Maar Willem van Twillert, jij wilde toch organist worden? Zeker, maar gelukkig speel ik zowel piano als orgel. Een voor mij gelukkige combinatie. De voordracht en intensiteit die ik bij Brons leerde kan ik vaak vertalen bij interpretatie van romantische orgelwerken. De combinatie Piet Kee voor orgel en Willem Brons voor piano ervoer ik als buitengewoon creatief. Willem Brons was trouwens één van de eerste orgelleerlingen van Piet Kee. Zij respecteren elkaars opvattingen. Piet Kee kreeg zelfs vaak glans in zijn ogen als ik probeerde het zangerige, cantabile element ook in mijn orgelspel te leggen. Hij behoedde mij daarbij voor overdrijving. Liet me de zogenaamde rode draad, de eenheid van een compositie ervaren. Zo’n ervaring kreeg je trouwens pas als je van een compositie technisch de noten beheerst.
Piet Kee was ook de man van de onberispelijke techniek. Maar ook bij hem stond techniek in dienst van de muziek. Ik herinner me in het voorbereidingsjaar op het conservatorium dat Piet Kee een keer niet zo tevreden was over mijn techniek. Ik moest de vingers zonder een enkele overbodige beweging op de toets neer laten komen. Enfin ik kreeg daarvoor een oefening en o ja, of ik over enkele dagen wilde terug komen om de oefening voor te doen. Dus reisde ik een paar dagen laten van Bunschoten, waar ik gewoon was blijven wonen, naar Amsterdam, naar de Maranathakerk waar Frits Mehrtens de cantor en organist van het drieklaviers Flentrop-orgel was, en ik deed de oefening aan Kee voor. Na vijf minuten stond ik weer in de Rijnstraat. Het resultaat hiervan was dat ik vanaf toen zeer bewust met techniek omging. Onachtzaamheid was er bij mij al niet, maar toen was er naast toewijding ook een grote alertheid bijgekomen.
Overigens leerde ik bij Willem Brons spelen vanuit het grote gebaar met het gewicht van de arm in plaats van louter het vingerspel. Ik denk dat ik daardoor nog steeds graag een uitgebreid repertoire probeer te onderhouden van middeleeuwen tot en met de modernen. Anno 2007 ervaar ik het nog steeds als een groot goed dat ik van beiden les heb mogen ontvangen. Zowel Piet Kee als Willem Brons zijn charismatische persoonlijkheden die hoge eisen stelden aan eigen bekwaamheden en die van hun studenten. Zij konden dit ook zonder veel ophef op een natuurlijke manier op hun studenten overbrengen. Qua karakter verschillen ze trouwens hemelsbreed van elkaar. Interessant trouwens om, als min of meer naïef student, die verschillen in persoonlijkheid te ervaren. Hoewel naïef? Misschien, maar ik was me zeker bewust van mijn keuzes. Misschien ligt dit aan het feit dat ik ben opgegroeid in een vissersdorp waar het niet vanzelfsprekend is dat je voor muziek koos. “Waarmee ga je dan je brood later verdienen”, was toentertijd een veelgestelde vraag. En misschien was die vraag wel terecht. Bewust van je beroepskeuze word je daar in ieder geval wel van.
Daar les te mogen volgens waar de meeste kwaliteit geboden werd daar was ik naar op zoek. Maar hoe weet je dat? In 1970 was het de bedoeling dat ik naar het Utrechtse Conservatorium zou gaan. Op een keer kwam Louis Mol de kerkruimte van de Maranathakerk te Bunschoten inspecteren voor een uitvoering met zijn oratoriumkoor te Baarn, waar hij dirigent van was. Ik oefende er aan het Willem van Leeuwen-orgel uit 1955, een mooi instrument. Lous Mol die ooit orgelstudent was bij Piet Kee, kwam uiteindelijk naar boven naar de klavieren, nieuwsgierig als hij was geworden blijkbaar door mijn spel. Hij bond me aan het eind van het gesprek op het hart om toelatingsexamen te doen aan het Muzieklyceum te Amsterdam om dat daar Piet Kee als orgeldocent werkzaam was. Mocht ik het toelatingsexamen niet halen dan was er altijd de mogelijkheid dit nog eens te doen aan een ander conservatorium.
Lous overleed slechts een een paar jaar na dit gewaardeerde advies, jong nog. Gelukkig heb ik onder zijn leiding te Baarn nog als continuospeler mogen meespelen in de cantate BWV 6 met onder andere Jaap Hüllsman als cellist, de zoon van de toenmalige organist van de Grote- of St. Joriskerk te Amersfoort, Willem Hüllsman.
Willem Brons is ‘still going strong’ als docent. Piet Kee evenzo, maar nu als componist. Dit jaar viert Kee zijn tachtigste verjaardag in een Stadsorgelconcert, een concert, te geven door Jos van der Kooy op 4 september 2007 in de Grote- of Sint Bavokerk te Haarlem. Aanvang 20:15 uur.
Zie ook: www.haarlemcultuur.nl  en www.willembrons.nl

 

Column
Zou Mozart…? Over het Mozartjaar 2006 2006-08-18

Dat we de muziek van Mozart in 2006, het Mozartjaar in het zonnetje zetten,… wat zou Mozart daar zelf van denken? We zullen het nooit weten.
Volgens mij zou hij in lachen uitbarsten en niet begrijpen dat wij ons anno 2006 nog steeds massaal vergapen aan zijn opera’s. Wij, met onze moderne middelen, met digitale belichtingstechnieken, terwijl opera’s in Moarts tijd alleen met de grootst mogelijke moeite in het licht konden worden gezet door honderden kaarsen. Zou Mozart begrijpen dat we nog steeds zijn pianosonates spelen? (En hoe, luister naar de CD van Willem Brons zie column Het goede gevoel en/of www.willembrons.nl)
Zou Mozart niet verbaasd zijn, en zich afvragen of er de afgelopen tweehonderd jaar geen muziek is bijgekomen die zijn werk in de schaduw heeft kunnen stellen?
Och, misschien ook niet, Mozarts muziek is binnen zijn stijl van ongeëvenaarde klasse. Dit geconstateerd hebbende geloof ik toch dat Mozart anno nu, zich zou verkneukelend over het feit dat meer dan twee eeuwen lang zijn werk al repertoire houd.

 


Column Orgelfestival Limburg 2006-08-18

Van 14 juli tot 13 augustus speelde zich al weer het vijftiende ‘Orgelfestival Limburg’ af. Een festival met orgelbustochten, een orgelwandeltocht ( Maastricht), rond de zestig concerten en een slotconcert met een nazit met zelfs gratis koffie. Wat wil een mens nog meer… En dat door geheel Zuid-limburg. Er blijft in de zomermaanden in Zuid-limburg op orgelgebied dus weinig te wensen over. Er heerst dan ook een echte festivalsfeer. Mensen komen elkaar tijdens de dagelijks gegeven concerten weer tegen en leren elkaar zo beter kennen; er kunnen zelfs diepgaande gesprekken ontstaan.
Na afloop van het concert wordt bij het dichtstbijzijnde café een nazit gehouden. Ik ervaar dit als typisch Limburgs. Voorafgaand aan het concert, wordt meegedeeld, waar en in welk etablissement, die nabespreking zal gaan plaatsvinden. Het concert te Eckelrade was daar een voorbeeld van. Het enige plaatselijke café bleek overigens, ondanks de afspraak, gesloten te zijn. Geen probleem: het gehele gezelschap begaf zich vervolgens naar Sint Geertrui, een kleine drie kilometer verderop. Aan de afstanden van de plaatsen kan men zien dat tot 1830 het nu Hollandse Limburg Belgisch grondgebied was want in Nederland zijn dorpen niet zo dicht bij elkaar gelegen als in ons Limburg en in België.

Te Eckelrade is in 2005 het G. Robustelly orgel uit 1780 gerestaureerd door Verschueren. Remy Syrier speelde er nu één van de eerste concerten.
De helft van het concert bespeelde Remy zijn fraaie clavecimbel, dat in de jaren zeventig door Gerrit Klop te Garderen werd gebouwd. Hoewel ik het Robustelly-orgel zonder meer interessant genoeg vind om er een heel concert van te beluisteren, was het klavecimbelspel een mooie afwisseling.

NOORBEEK (Zie ook fotoreportage)
Ik had de eer een concert te mogen verzorgen te Noorbeek waar het grootste orgel staat dat van de hand van de Duitse Orgelmaker Wilhelm Koulen is bewaard gebleven. Koulen was werkzaam in het vlakbij de grens gelegen Heinsberg. Het tweeklaviersorgel stamt uit 1851 en was toendertijd een orgel voorzien van alle mogelijke “moderne” snufjes, zoals een doorslaande Tuba 16’ en Euphone 8’, beide van hout. Ook de Fernflaut 8’ discant, en de fraaie strijkers zijn qua karakter duidelijk registers van hun tijd.
De windvoorziening heeft een wel heel specifieke trapinstallatie (zie foto). Enkele jaren geleden heeft men achter het orgel de nis in de muur weer open gemaakt; verlichting bij aangebracht; schoongemaakt en,.. nu kan de trapinstallatie zelfs weer functioneren. Er was achter het orgel slechts een krappe halve meter diepte om de balgtreden in aan te brengen. Hoe Koulen dit met succes heeft opgelost kan men op de bijgaande foto zien.
Het pedaal loopt tot klein b en ligt een hele toon verschoven naar rechts. Een hele opgave om als bespeler op een pedaal met een afwijkende ligging onder de manualen je weg te vinden. Als liefhebber van het Zuid-limburgse landschap wordt een concert in die streek zoveel mogelijk gecombineerd met een vakantie, zo ook nu. Daarom kon ik me gelukkig uitgebreid op het Koulen-orgel zelf voorbereiden. Het eerste wat me trof was de klank van de Tuba 16’. Geweldig!
In maart van dit jaar speelde ik op het Smits-orgel uit 1854 te Aarle-Rixtel voor DVD-op-namen. We hebben toen dit orgel uitvoerig gefilmd met als gids, Frans Vermeulen die dit prachtige drieklaviersinstrument in 1988 restaureerde en de sinds de oorspronkelijke bouw gereserveerde open plaatsen heeft ingevuld. Één van deze open plaatsen te Aarle-Rixtel was het zestienvoets tongwerk voor het pedaal. Daar was ook een Tuba 16 voet gereserveerd, maar dit register is altijd gereserveerd gebleven. In 1988 plaatste Vermeulen te Aarle-Rixtel een fraaie Bazuin 16’ maar hij gaf toe dat dit niet geheel in overeenstemming met het oorspronkelijke bestek was. Er was ooit een Tuba 16 gereserveerd maar omdat nu eenmaal doorslaande tongwerken traag aanspreken heeft men toen anders beslist. Hoe dan ook, te Noorbeek kan men in elk geval een gaaf exemplaar beluisteren van een doorslaand tongwerk Een doorslaand succes dus, die Tuba 16’ te Noorbeek, laten we er maar zuinig op zijn, want ik ken geen enkele andere, volledig oorspronkelijke, Tuba 16. Hoe je ook over doorslaande registers denkt, toentertijd waren dat gewilde registers, dus we kunnen niet zomaar besluiten om nergens meer deze registers te reconstrueren.
De aanspraak was overigens van de Tuba 16’ te Noorbeek niet zo traag als ik verwacht had. Wanneer slechts in het groot octaaf één toon onaanvaardbaar traag aanspreekt, de A, en in het klein octaaf ook één toon, de d, dan mag men stellen dat ook die beide tonen toch sneller aanspreekbaar zijn te maken. Verschueren heeft overigens dit orgel in 1971 naar behoren gerestaureerd.
De Euphone 8’ was in het geheel wat traag in aanspraak, maar desalniettemin goed bruikbaar in rustige soli. Ondergetekende heeft zich in elk geval me met zijn programma gelukkig gevoeld op dit instrument.
Curieus was dat tijdens de voorbereiding er plotseling een zachte licht knorrende toon te voorschijn kwam, die op gezette tijden van zich liet horen. Was het doorspraak? Ik legde mijn oor te luister aan de orgelkas maar ik kon het niet lokaliseren. Vervolgens daarom de windmotor uitgeschakeld. De toon bleef doorklinken... Het regende die dag en ik kreeg een vermoeden. Ik ging naar buiten om te kijken en inderdaad, pal tegenover de kerk aan de overkant van de straat staat een boerderij en daar was de boer gier uit de put aan het oppompen. Daar kwam die bromtoon vandaan. Probleem gelokaliseerd.

ROLDUC
In de Abdijkerk te Rolduc verzorgde de stadsorganist Tjeu Zeijen in samenwerking met zijn vrouw Yvonne Nijsten, sopraan en het Kamerorkest van de WDR Köln o.l.v. Ludo Claesen een concert dat klonk als en klok. Er met onder andere twee orgelconcerten van Rheinberger.
De kerk was afgeladen vol en toch bleef het orgel van Klais & Pereboom uit 1933 goed klinken. Ook dit instrument was, evenals het orgel van Koulen uit 1851, destijds, het modernste van het modernste met een open front en allerlei speelhulpen. Jammer dat voor dit nieuwe instrument met een kale open opstelling het toen pas zo’n zestig jaar oude Müller-orgel in de Abdijkerk er het veld voor moest ruimen.
Ik zag er allerlei bekende mensen en kon in de pauze Tjeu en zijn vrouw Yvonne waar ik een paar jaar geleden te Geleen mee ben opgetreden, de hand schudden en me verontschuldigen voor mijn afwezigheid, gedurende het tweede gedeelte van het concert vanwege familieverplichtingen.

UNIEK
Zonder overdrijving mag ik stellen dat dit festival vanwege zijn grootschalige opzet in Nederland een unieke plaats inneemt. Waar anders vind je de mogelijkheid als bezoeker een orgelconcert te beluisteren voor slechts een ‘vrije gave’ als entree. Waar treft men niet alleen vakorganisten uit eigen land, maar ook een keur aan buitenlandse musici die komen concerteren. Waar kan men aan de hand van het notabene gratis (!) programmaboek (99 pagina’s) alle disposities compleet met foto van de bespeelde orgels en de beschrijving van de loopbaan van elke medewerkende organist nalezen?
Door de opzet van dit festival en, door een enthousiaste centrale figuur - Henk van Loo - met een eigen visie figuur, die als spil het gehele radarwerk in beweging houdt trekt dit orgelfestival bovengemiddeld veel bezoekers per concert.
De reden voor het succes lijkt mij ondermeer ook gelegen in het feit dat elk concert wordt georganiseerd onder verantwoordelijkheid van een plaatselijke orgelcommissie of stichting. De SOL (Samenwerkende Orgelvrienden Limburg) voegt daarbij dan haar logistieke aandeel in de vorm van een totaalprogrammaboekje en de publicitaire promotie voegt. De SOL fungeert dus met name als publiciteitsorganisatie en de organisatie waar subsidiestromen en stroompje hun weg naar toe vinden, want zonder subsidie lijkt me dit evenement op deze groots opgezette manier niet vol te houden. Het geheel was een groot succes ondanks het soms zeer warme weer, waardoor vooral de orgelwandeltoch te Maastrich het bezoekersaantal van zo’n 300 deed opdrogen tot een schamele 80 in 2006.
Wie nog niet heeft besloten waar in 2007 de vakantie door te brengen: het bezoeken van het Limburgs Orgelfestival is zeker het overwegen waard.

Willem van Twillert

 

Column september 2006
Imago van organisten is bedroevend
Een column, ‘Het imago van de organist’ door Willem van Twillert is gepubliceerd in het kwartaalblad: KUNST EN WETENSCHAP, september 2006, pagina37. [ISSN: 0927-3506]
Besteladres:Smidstraat 12
8746 NG Schraard
Tel 0517 532042
Mail: kunstenwetenschap@planet.nl
Een jaarabonnement kost Euro 12,=

Op de vraag wat mijn beroepskeuze was vertelde ik al op jonge leeftijd, dat ik organist wilde worden. ‘Ja, ja, was dan vaak de reactie en,… met welk vak ga je dan je brood verdienen?' Dat je ook je geld met het organistenvak zou kunnen vergaren komt bij velen niet gemakkelijk op. In Nederland kun je met kunst in het algemeen al moeilijk in je eigen levensonderhoud voorzien, laat staan met het vak van toonkunstenaar en al helemaal niet als die toonkunst de orgelkunst betreft. Overigens zou ik zelf niet uitsluitend met orgelspelen het brood op de plank willen zien te krijgen. Ook in vroeger tijd was dat niet aan de orde. Lesgeven, koordirectie, componeren, schrijven, organiseren, dat waren de bezigheden van een organist. En met deze authentieke combinatie van activiteiten, kun je dus ook heden ten dage nog prima in je onderhoud voorzien, althans een aantal.

Dat het maatschappelijk aanzien van organist in Nederland zo laag is verdient de organistenberoepsgroep niet. Een pianist, hoe matig ook, wordt door de bank genomen gezien als toonkunstenaar, maar gaat die predikaat ook op voor een vakorganist?
Daar volgt vaak een lauwe reactie op, soms zelfs met een grimas op het gezicht, of er wordt helemaal niet op gereageerd, omdat het vak van organist ook nog appelleert aan anti-kerkelijke of anti-klerikale gevoelens. Als er al een blijk van erkenning is, dan geldt het vaak de organist die ook koren dirigeert. Vraag je verder, dan blijkt de betreffende organist een amateur. [Zie ook de toespraak van drs. Hans Wilschut op deze site onder 'Johanneskerk']

In de Volkskrant van 1 april 2006 verpulverde Paul Witteman, kleinzoon van organist Hendrik Andriessen het laatste restje aanzien van de organist:
‘In onze tijd wordt een organist gezien als een wereldvreemd schepsel dat zijn boterham verdient door op zondag in de kerk het schaarse volk aan te moedigen een psalm mee te mompelen. Dat was vroeger wel anders. Buxtehude (1637-1707) was een centrale figuur in een omvangrijke religieuze organisatie van het welvarende Lübeck. Hij was verantwoordelijk voor het personeelsbeleid van de kerk, hield de begroting bij en organiseerde lucratieve concerten voor rijke kooplieden.’
Hier valt niets tegen in te brengen. Of toch wel? Ook in onze tijd zijn er gelukkig nog organisten aan te wijzen die een centrale figuur zijn in een ‘religieuze organisatie’.
Als je het functioneren van organist vergelijkt met de amateurpianist dan valt die wat betreft organisatiegraad en functionaliteit in de gemeenschap, dankzij het wekelijks orgelspelen in kerken misschien nog wel uit in het voordeel van de organist. Maar,… je moet deze grootheden helemaal niet met elkaar willen vergelijken.
Hoe dan ook, er kleeft aan de organist het kerkelijk sfeertje, hoe organisten ook soms hun best doen het tegendeel te bewijzen. Het tegendeel wordt vervolgens weer met de grond gelijkgemaakt door het volgende:
De Amerikaanse pianist Earl Wild werd door Roland de Beer geïnterviewd naar aanleiding van het feit dat deze Wild op zijn 89 ste (!)in het Concertgebouw speelde. Earl Wild liet in de Volkskrant van 24 september 2005 noteren: ‘De wereld zou beter af zijn als iedereen met muziek bezig was. Goed, dat er nu een paus is die piano speelt. Toen ik 10 was, zei ik tegen mijn moeder: “God bestaat niet, anders had hij de organist wel dood laten gaan”.’
Organisten moeten maar blijven opboksen tegen deze scheve beeldvorming.
In de VPRO GIDS van 21-27 april 2007 schrijft Asha in zijn column op pagina 7 onder meer;
“De ideologie van Wilders, die kan worden samengevat met ‘wij moeten het kerkorgel beschermen tegen Mohammed’, is ordinair - en ik heb niets tegen kerkorgels, maar veel mensen in Nederland zijn dol op kerkorgels en het wezen van democratie is dat die mensen gehoord mogen worden. Zijn verdienen het niet om op symposia semi-wetenschappelijk geridiculiseerd te worden.”
[Dit citaat van Asha is niet vermeld uiteraard in de column zoals die werd gepubliceerd in het kwartaalblad, ‘Kunstenwetenschap’ van september 2006. Ook het volgende citaat uit Hans Ree, ‘Mijn schaken’, uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2010, p. 305 is pas later aan de oorspronkelijke tekst van deze column toegevoegd).
Hans Ree schrijft over het orgel in het hoofdstuk, Berry Withuis (1920-2009 het volgende:
“Het kwam miscchien ook door zijn [B. Withuis WVT] streng gereformeerde opvoeding, waar hij op een verbeten manier afstand van had genomen. Op zijn crematie zei zijn dochter Yolande: ‘De klanken van een orgel brachten hem in een staat van woede en paniek.’ “

Er zijn ook initiatieven die het tegenovergestelde tonen. Laat ik er enkele noemen:
Orgelspel bij zwijgende films; spannende programmeringen bij allerlei voorbeeldig georganiseerde manifestaties; de in 2007 opgerichte Stichting Het Orgelpark, in de voormalige Amsterdamse Parkkerk: allerlei comite’s die orgelreizen, orgelconcoursen, orgelconcerten organiseren; organisten die eendrachtig samenwerken op DVD's; symposium van de Vereniging Nederlands Platform voor Orgelkunst en -cultuur (VNPO) waar u aan het slot van deze column enkele citaten uit aantreft.
En laten we vooral het orgel als instrument niet vergeten, dat door alle tijden heen, vanaf ongeveer 1400, zich in velerlei gedaantes naar gelang de smaak van zijn tijd, toont en vertoont, dat doet toch elke organist vergeten dat de beeldvorming van zijn vak zo slecht is?
De orgels tonen zich in ieder geval nog steeds onverschrokken; elk instrument op eigen wijze, zowel in klank als in gedaante. De orgels vormen de frontlijn van de smaak van hun tijd. Toen, in hun tijd van ontstaan, waren orgels juist instrumenten om het imago van de opdrachtgever te verhogen. De opdrachtgever, die zowel een stad als een persoon kan zijn, wilde aan de hand van het orgel demonstreren hoe goed het de stad of de milde gever verging.
Pronkzucht was vaak van orgelfronten af te lezen. Over imago gesproken. Ga maar kijken in de Grote- of Sint Bavokerk te Haarlem. Het front van dit fameuze Müller-orgel was zowel bij de bouw in 1738, als bij de jongste restauratie, voltooid in 1960, kostbaarder dan het eigenlijke instrument, dat zich achter het front bevindt. Van mei tot en met half oktober zijn te Haarlem wekelijks gratis orgelconcerten mee te maken, waar de beste organisten concerteren. Zie: www.haarlemcultuur.nl

Maakt dit het aanzien van het vak van organist misschien wat stralender?
Nietzsche schrijft in een aforisme: “ Ohne Musik wäre das Leben ein Irrtum. ” Wie van muziek zijn beroep heeft gemaakt, kan zeker met stelligheid beamen dat zijn leven zonder de toonkunst een dwaling zou zijn. Ook organisten zullen dit beamen. In ieder geval deze organist. Een heerlijk vak…, dat orgelspelen.
Willem van Twillert

Citaten ontleend aan het symposium van de Vereniging Nederlands Platform voor Orgelkunst en -cultuur (VNPO) in de Doelen te Rotterdam op dinsdag 21 november 2006. Citaten overgenomen uit: http://www.refdag.nl/artikel/1282390/#

Martijn Sanders, voormalig directeur van het Concertgebouw te Amsterdam: „De kerk heeft het orgel gestigmatiseerd. (…) Organisten vechten elkaar de tent uit en een orgelconcert is geen spektakel. Bovendien kost een concert in het Concertgebouw 20.000 euro, een bedrag dat door orgelconcertbezoekers nooit wordt opgebracht. Kortom, ga naar de kerk, die er toch staat terwijl het orgel niets kost.”

Kasper Jansen, kunst- en muziekredacteur van NRC Handelsblad: „Er zijn veel initiatieven, maar het orgel zal nooit een miljoenenpubliek trekken. (…)Bijna alles is al geprobeerd om het orgel te propageren. Ga er vooral mee door, want bij het zien van zo veel orgelpijpen ga je om.”

Cynthia Wilson, artistiek manager van het Rotterdams Philharmonisch Orkest: Maak van het orgel een toeristische attractie, speel in op de festivalgekte van tegenwoordig en maak van de stadsorganist een bekend stadspersoon.”

Hans Fidom, sinds 2006 werkzaam bij de Stichting Het Orgelpark; „Wat je ook aan publiciteit doet, het helpt geen zier” (…) „Ze [organisten wvt] zouden zich beter moeten presenteren, en directies van concertgebouwen moeten meer doen om het orgel te programmeren in concertseries.”

Jos van der Kooy, stadsorganist van Haarlem: „Als organist durf je nog nauwelijks jezelf te zijn.”

Jetty Podt, organist van de Stevenskerk in Nijmegen:„We bieden kwaliteit op vele fronten, spelen in op gebeurtenissen en het publiek wortelt in de muziekcultuur”

Geert Bierling, stadsorganist van Rotterdam: „Door professioneel het orgel aan de man te brengen, gaan we nu ten onder aan ons succes.”

Prosper Sevestre, voorzitter van de VNPO: „Er zijn genoeg mensen die helemaal niets van het orgel moeten hebben. We moeten dan ook geen moeite doen hen voor het instrument te winnen.”

 

Column 10-06-2006
Joost Langeveld met HUMAN BITS tijdens museumnacht
Utrecht 5 november 2005

Over de MUSEUMNACHT te UTRECHT op 5 november 2005 te Utrecht in het algemeen en een orgelimprovisatie door Joost Langeveld bij HUMAN BITS (een zwijgende film) in het bijzonder.
Zoals velen heb je maar weinig de gelegenheid door gebrek aan tijd om evenementen te bezoeken, maar het is toch van belang kennis te nemen van wat collega's zoal presteren op eigen vakgebied. Dit voorkomt eventueel hoogmoedige gedachten. Je ziet wat je eigen mogelijkheden zijn, je raakt geïnspireerd en weer aangezet tot verdere studie, vaak zelfs zeer gedetailleerd! Je leert je plaats te zien die je inneemt temidden van de collega-organisten, die net zoals jij bezeten zijn van hun 'eigen' instrument en dat ook willen laten horen. Tijd hiervoor vrijmaken in de agenda is dus een 'must'.
5 november 2005, was het gezin Van Twillert te gast bij de MUSEUMNACHT te UTRECHT .
Het was weer een geweldige belevenis! Zo kort na het Festival Voor De Wind op zondag 9 oktober te Utrecht alweer een manifestatie. Wij vinden dat fantastisch, maar de tijd er voor vinden blijft een probleem!
Bij het Festival voor De Wind waren we aanwezig bij Gijs van Schoonhoven (zie verslag elders) en nu wilden we Joost Langeveld met zijn improvisatie op het Marcussen-orgel in de Nicolaikerk niet missen.
Hij trad op 5 november drie maal op. Geweldig toch, dat dit anno 2005 in ieder geval nog mogelijk is.
Nu de PKN een feit is zijn de gevechten op kerkelijk erf op een aantal plaatsen in alle hevigheid opgelaaid inzake de eigendommen. Dat in deze voorbijgegaan wordt aan alle emoties die deze strijd met zich meebrengt moge duidelijk zijn. Dit vindt zonder meer zijn terugslag op de kunstzinnige belevingen waaraan de kerkelijke traditie zo rijk is. Zo kan men dus de vraag stellen, of de PKN niet de vergissing van de eeuw zou kunnen blijken te zijn. In de orgelwereld van nu is echter nog veel mogelijk. Of dit zo zal blijven is nog maar de vraag! In de Nicolaïkerk te Utrecht staat de cultuur desondanks hoog in het vaandel geschreven.
We vonden de improvisaties van Joost Langeveld weer net zo prachtig als die van Gijs van Schoonhoven op de negende oktober. Zeer inventief ook qua registratie; de mooiste kleuren werden uit het Marcussen-orgel getoverd. Je zou niet zeggen dat dit een zogenaamd neo-barok orgel is met alleen heldere en dus minder warme klankkleuren.
Het ontleden van een enorme walvis werd prachtig op muziek gezet. We zagen portretten van mensen en konden zien dat er zelfs in de vroege film momenten zijn die diep kunnen shockeren, verbazen of ontroeren. De ontroering werd aangewakkerd door de muziek. Improviseren,… Joost is in deze een meester! Een beetje trots mogen we met elkaar wel zijn op onze organisten. Van de hausse studenten uit de jaren ’70 en ’80 bij de professionele orgelopleidingen, die ervoor zorgde dat de conservatoria vol zaten met getalenteerde orgelstudenten, kan men nu de vruchten plukken. Dus ga luisteren naar al die uitstekende organisten. Maar goed dat is misschien ook preken voor eigen parochie.
Joost hebben we na afloop met zijn concert gefeliciteerd; een goede gewoonte om een collega na een concert even te ontmoeten. Ook Stephen Taylor hebben we gesproken aan het begin van het concert. Hij gaf ons een fraai verzorgde ansichtkaartachtige kleurenfolder. Deze folder laat een indrukwekkend programma zien in zijn kerk, de Nicolaikerk te Utrecht, voor de komende maand. Zie hiervoor: www.nicolaiconcerten.net. Een actieve collega die Stephen. “Vaak van elkaar gehoord en nu zien we elkaar tenminste eens…”, zeiden we bijna tegelijk tegen elkaar.
De informatie ging wat mank aan tekortkomingen: geen aanvangstijd in een persbericht, de website die niet zo maar alle berichten prijsgaf. Wellicht wordt bij volgende evenementen dit als een duidelijk aadachtspunt aangemerkt. Goede zaken verdienen een prominente plaats in de reeks van aankondigingen. De toegangsprijs was ook even schrikken: € 17,50 zonder enige vorm van korting voor jong noch oud. Dit bedrag was voor één van de kinderen aanleiding een opmerking te maken over het uitgavenpatroon in huize Van Twillert. Na de opmerking, dat een doodshemd geen zakken heeft en een avond vrij een groter bezit is dan de uitgave groot, werd de discussie als gesloten beschouwd. Samen de weg zoeken op de weg van de cultuur is een goede en vooral waardevolle zaak.
Nog even over geïnspireerd worden gesproken: de improvisatie van Joost Langeveld is voor mij het zetje in de rug geweest om mij weer aan het componeren van een nieuw orgelwerk te zetten.
Ook leidt het tot het wat meer genuanceerd oordelen over eigen prestaties. Al beklim je vele treden naar het hoog in de kerk geplaatste koninklijke instrument, je dient met beide benen op de grond te blijven staan, je slechts een radertje in de orgelwereld te weten.
In het Universiteitsmuseum van Utrecht aan de Lange Nieuwstraat hangt het portret van Belle van Zuylen, een achttiende-eeuwse adellijk schrijfster van wie nog veel werk is bewaard gebleven. Van haar blijft mij een uitspraak in het geheugen bewaard: "Als ik denk twijfel ik". Zo is het toch?
Willem van Twillert
 

 


 

 

Column 10-05-2006
Nederlandse muziek al eeuwen lang ondergewaardeerd.

 

Gravure van de Nieuwe Kerk in Amsterdam met koororgel met dichte luiken.
tekst op de afbeelding: " 'T GENOOTSCHAP PRO PATRIA zo als het zig vertoonde in de Nieuwe Kerk te Amsterdam bij het ontvangen der geschenken op de 11 Februarij, 1786".

Felix Meritis, de eerste concertzaal van Nederland, werd in 1777 geopend. Een fantastische zaal waarin evenzo prachtige muziek heeft geklonken.
Dat het een Australiër is, die onze muziekschatten, die onder andere in deze concertzaal in première gingen, weer onder de aandacht brengt, past wel bij de Hollandse muzikale en algemeen geldende traditie.
Simon Murphy, altviolist, leerling van Alda Stuurop en leider van ‘The New Dutch Academy Chamber Soloists', gaf met dit ensemble een concert op 24 maart 2006. Het werd via Radio IV uitgezonden op 10 april. Voordien hoorde ik van deze Simon Murphy eveneens via de radio een documentaire over zijn zoektocht naar Nederlandse muziek uit de achttiende en negentiende eeuw. Murphy is een enthousiast speurder naar muziek van Nederlandse bodem en hij presenteerde tijdens dit concert muziek van onder anderen Josef Schmidt, de eerste dirigent van Felix Meritis. Deze Schmidt is duidelijk onderbelicht gebleven in onze muziek- geschiedenis. Amsterdam was trouwens ooit een centrum van muziekuitgeverijen. Goed, dat daar telkens weer de aandacht op gevestigd wordt.
In Schmidt's eerste symfonie hoor je de invloeden van zijn leraar Carl Philipp Abel, Carl Philipp Emanuel en Wilhelm Friedeman Bach, de ‘Sturm und Drang’ en de finesse van de Weense school gevat in een scala van muzikale nuances. Dat spelen met diverse stijlen is eigenlijk typisch Hollands. Dat element, dat Nederlandse cement, dat de diverse stijlen samenhoudt, is nu juist een typisch Nederlands element. Nederland, land van handel en doorvoer. Kan het mooier?
En juist dat element waarderen we in eigenlijk het minst, we schatten dit niet op de juiste waarde. Critici trekken al vlug hun neus op als ze menen te merken dat er niet oorspronkelijk genoeg gekomponeerd wordt. Alsof de Mannheimer componisten als Stamitz en Abel altijd naar originaliteit streefden! Natuurlijk niet. Alleen in Nederland vinden we veel vlugger iets mooi dat uit het buitenland komt. Dat was toen, en dat is nu nog zo, helaas. Leren we het nooit?
Die lijn kunnen we doortrekken naar de orgelcomponisten bijvoorbeeld van de twintigste eeuw. Een werk als de Triomfmars (misschien een wat ongelukkig gekozen titel) van Herman Nieland, die hij speelde op zijn eindexamen (in 1943 als ik het wel heb) in de Bachzaal te Amsterdam, is een geweldig stuk. Prima geschikt als concertwerk. Piet van Egmond heeft er een mooie opname van gemaakt op het orgel van de Prinsessekerk te Amsterdam. Deze opname is gelukkig bewaard gebleven op nog niet zo lang geleden uitgebracht op CD . Mij is het een raadsel, waarom dit werk niet verplicht is om te worden uitgevoerd door vakstudenten als examenwerk op de conservatoria. En zo zijn er vele voorbeelden te geven. Er is in ieder geval meer dan alleen de orgelmuziek van Hendrik Andriessen, die nog wel regelmatig wordt uitgevoerd.

Ook het leven aan het hof in Nederland deed in grandeur niet zo veel onder voor dat aan de hoven van de vele staatjes in Duitsland. Ook Willem V had een echte hofkapel met een heuse hofcomponist. Christian Ernst Graf was zijn naam. Deze hofcomponist gaf met zijn muziek aan het hof vorm. Als Willem V in Apeldoorn op het Paleis Het Loo vertoefde, wenste hij vaak muziek te horen en daartoe schroomde hij niet de volledige hofkapel, bestaande uit zo’n zestien personen per koets van Den Haag naar Apeldoorn te laten komen. Ziet u het voor u? Een hele onderneming. Nee, we kunnen niet zeggen dat het hier een platvloers hofleventje was. En we kunnen en mogen zelfs niet zeggen dat het muziekleven in ons land niets voorstelde. Ook in de negentiende eeuw zijn er genoeg namen die het verdienen gehoord te worden. Als de belangrijkste componistennamen misschien aan het vervagen zijn, kijk dan goed als u in de opvolger van de concertzaal Felix Meritis, het Amsterdams Concertgebouw bent, want daar zijn gelukkig de belangrijkste namen van Nederlandse componisten vereeuwigd op de voorzijden van debalkons. Goed dat dit gebeurd is.
Zo blijven de namen bij voorbeeld van Fodor, Wilms,Lustig, Zappa en Schwindl in het geheugen van de concertbezoeker gegrift, mede door Simon Murphy en zijn 'The New Dutch Academy Chamber Soloists'.
Laten wij als organisten ook ons steentje bijdragen en onze orgelcomponisten niet vergeten door hun werken blijvend onder de aandacht te brengen van de concertbezoekers. Het is toch te gek voor woorden als er straks organisten uit het buitenland in ons land concerten geven met een programmakeuze die ons laat horen dat we klaarblijkelijk nog fraaie Nederlandse orgelmuziek op de planken hebben liggen.

 


 

 

Column: 1 mei 2006
Wat doe je nou zo op een dag. (dagen rond 20 april 2006)
 

De vraag: “Wat doe je nou zoal op een doordeweekse dag als organist" overvalt me nog steeds. Meestal weet ik niet zoveel meer te zeggen dan het gangbare, “eh, nou gewoon,…”
Een vriend van me die bij de inlichtingendienst werkt legde ik onlangs ook deze vraag voor. Hij keek me toen enige tijd ook wat onzeker aan en zei toen plotseling opgelucht: “Nou,… kijk op vrijdag maar eens naar de televisieserie ‘Spook’, dáár zie je wat ik doe; alleen gaat het daar tien keer zo geconcentreerd natuurlijk."
Ik deed dit en het blijkt zeker niet het beroerdste programma. Nu houd ik niet van detectives, met name niet vanwege het amusementgehalte door geweld. Ik kijk toch al weinig televisie. Het verbaast me wel eens, dat geweld en dood in films en televisieseries normaal wordt gevonden Ik vind, hoe dan ook, films met veel geweld, en vooral het geweld om het geweld afschuwelijk en tegennatuurlijk.
De tweede dag na Pasen 2006 verliep bij Van Twillert intensief. Het begon al met eerste Paasdag. Nog nooit in mijn meer dan vijfentwintigjarig dienstverband als organist van de Johanneskerk waren er zoveel kerkgangers. Ik houd wel van de sfeer dat er voor de aanvang in allerijl stoelen moeten worden bijgezet. Dit maakt een feestdag mede tot hoogtijdag. Ik heb ook geen problemen met het rumoer, ook dat verhoogt de feestvreugde.
Die tweede dag na Pasen was de belangrijkste taak het schrijven van mijn afscheidstekst voor de lezers en redactieleden van ‘de Orgelvriend’ waar ik één van de redacteuren van ben. Het kost tijd om de juiste woorden te vinden. Ik had voordien advies gevraagd aan twee van mijn beste vrienden. Zo komt er na twintig jaar een einde aan mijn bijdragen aan dit blad.
De dramatiek van die dag was nog niet voorbij, zo bleek.
In de ochtend had ik de conservator van het Museum van Speelklok tot Pierement gemaild. Hij vertelde me, dat het niet toegestaan wordt filmopnamen voor een DVD te maken. Dit valt wel te begrijpen. Een interessant museum, maar jammer dat het tentoongestelde maar bij wijze van uitzondering afgespeeld wordt.
Vervolgens een project met een kamerkoor uit Sint Petersburg afgebeld. De impresario reageerde teleurgesteld. Logisch, maar zijn teleurstelling verbaasde me toch, omdat het contact steeds alleen van mij uit was gegaan. Ook de kerk waar de opnamen zouden plaatsvinden en Peter Drost, van het audioteam afgebeld. Met Peter Drost werk ik al vanaf mijn allereerste opnamen in 1975 samen. Geweldig vind ik dat. Peter Drost is een geboren muziekregisseur. Ook met Wim Stroman, de filmer van onze DVD’s gesproken; we zijn in de loop der tijd goede vrienden geworden. Ik acht me gezegend dat dit me mag overkomen. Meestal maak je vrienden op jongere leeftijd en komen er nadien niet veel meer bii.
Ondertussen studeer ik aan de passacaglia in d moll van Max Reger.
De eerste dag na Pasen heb ik een bezoek gebracht aan Jean Telder te Soest, ook een vriend. We spreken elkaar met een zekere regelmaat. Ik waardeer Jean, omdat hij soms een vraagbaak voor mij is, met name ook op orgeltechnisch en orgelesthetisch gebied. Soms kunnen we intensief discussiëren met elkaar. Zo herinner ik me discussies over pneumatische orgels, waar Jean in eerste instantie niets van moest hebben. Tegenwoordig oordeelt hij op dit punt genuanceerder.
Over pneumatische orgels gesproken, wat is er veel gepubliceerd over Reger! Ik merkte dat met name op het  internet. Zo wist ik niet, dat Reger zo van 'op-de-foto-gaan' hield. Na de krantenknipsels bij elkaar geraapt en opgeborgen te hebben, een klusje waar ik me altijd toe moet zetten, toog ik weer aan de Reger-studie.
Kranten, week-, maand- en omroepbladen en andere teksten vind ik belangrijk om te bewaren als ze over een onderwerp gaan dat me interesseert en waar ik het gevoel bij krijg, dat ik er misschien ooit iets over zou willen schrijven. Het vergaren en bewaren van dat alles is tijdrovend. Uit kranten en dergelijke wil ik nog wel eens citeren en daartoe is een archief onontbeerlijk. Maar de selectie is tijdrovend. Ik wil in mijn verhalen een mens -van-deze-tijd zijn. Als musicus ben je veel met het verleden bezig, maar het heden het nu-en-waarom wens ik niet te verwaarlozen.
Op dit moment ging de telefoon. De huisarts,… We hadden een aangenaam gesprek.
Dat had ik kort daarvoor ook gehad met mevrouw Koot uit Steenwijk. Dat gesprek ontroerde me. Ik mag het gesprek doorgeven en doe dit bij deze.
Mevrouw Koot is een vrouw van 72 jaar oud met een aangenaam jeugdige stem. De menselijke stem veroudert amper, dat is me vaker opgevallen. Ik kende deze mevrouw niet. Ze vroeg me om aan de administratie van De Orgelvriend door te geven dat haar man was overleden. Ze klonk aangeslagen en een beetje zenuwachtig. Ik vertelde haar dat ik dat niet zo maar kan overnemen en gaf haar het telefoonnummer en later het adres van de redactie.
Ze vertelde mij onuitgenodigd het verhaal. Haar man, Willem Koot, organist te Steenwijk wilde na het orgelspelen op de bovenverdieping van zijn huis met de laptop in de hand naar beneden komen. Hij viel van de trap en was op slag dood. Op mijn vraag of hij ook in de Grote kerk te Steenwijk speelde, antwoordde ze: “Soms. Hij speelde vaak in de kleine kapel, daar hebben ze ook een orgeltje in gezet. Hij kon mooi begeleiden”, zei zijn weduwe. “Ze zongen man, de muren stonden bol. We gingen in onze tijd van het verkering hebben met elkaar naar concerten van Piet van Egmond en Feike Asma. We hebben het altijd met elkaar naar de zin gehad". Ze was verdrietig en ook uit haar doen. Ik had met haar te doen, maar niet alleen daarom vroeg ik verder, haar verhaal interesseerde me en ik wilde haar alle aandacht geven, want die kon ze wel gebruiken. Ze vertelde: “Mijn man was administrateur en deed na zijn pensioen vaak administratieve klusjes voor mensen, gratis. Daarom kwam hij met zijn laptop de trap af, om gezellig in mijn gezelschap door te werken. En ineens is er niks meer.” Ze had het over verhuizen. “ Blijf in de buurt van je kinderen wonen”, reageerde ik. Ze bedankte me, dat ze haar verhaal bij mij kwijt kon. Ik beloofde haar, dat ik de naam van haar man zal vermelden boven één van mijn toekomstige composities als eerbewijs.
Slechts sporadisch draag ik een stuk aan iemand op. De enige orgelstudent aan wie ik een werk heb opgedragen, was een dag eerder (de eerste dag na Pasen) voor het laatst bij mij op orgelles verschenen. Na negen jaar vonden we het welletjes. Afscheid nemen is een beetje sterven, zo zegt een Frans spreekwoord, maar zo ervoeren we dit beiden niet, het was goed zo. Dat kan mevrouw Koot helaas niet zeggen. Of toch wel? Ik hoor haar inderdaad ook zeggen, dat ze ook dankbaar was omdat ze het samen zo naar hun zin hebben gehad.
Overigens heb ik in februari 2007, en dat is al een tijdje later dan toen deze column werd geschreven, mijn collega en vriend Reinhard Kluth , organist te Düsseldorf gemeld dat ik mijn jongste compositie voor orgel graag aan hem wil opdragen. Hij heeft het met vreugde merkte ik, geaccepteerd.

Zo, de tekst is klaar, nagekeken door ook een goede vriend. Nu kan de tekst weg naar de webmaster, ook een vriend geworden. Zou de orgelkunst gunstig werken op een vriendenkring? Je zou het gaan vermoeden. In ieder geval weten we van elkaar dat we voor de orgelkunst telkens weer gaan en dat gemeenschappelijke ideaal zorgt er inderdaad wel voor dat je elkaar snel begrijpt en aanvoelt en kunt en wilt inspireren. Zonder deze vrienden was deze column niet geschreven.
Willem van Twillert

 

 

Column 30-3-2006
Mentaliteit door twee tips

Niet alleen is een juiste mentaliteit in de sport een vereiste, maar ook in de muziek en dan vooral bij het uitvoeren van muziek. Ook als componist moet je door kunnen zetten en kunnen afzien. Och, bij elke uitoefening van een creatief of sportief vak is het uiterst belangrijk of het goed zit tussen de oren.
Vastberaden moet je durven zijn. Doen wat je denkt dat moet gebeuren. Toegewijd tot in het extreme soms, niet overdrijven maar wel onder alle omstandigheden in jezelf blijven geloven. Je niet laten regeren door angst want angst is een slechte raadgever. Veel spreekwoorden bevatten een kern van waarheid.
Succes moet je kunnen afdwingen. Ook de grootste talenten komt succes niet aanwaaien. Thuis achter je klavieren alleen maar zitten afwachten, leidt niet tot succes. Hoe meer inzet en toewijding, hoe groter de kans op succes. Ieder mens kan zijn talenten ontwikkelen.
In de Volkskrant van 18 maart 2006 staat op pagina 46 een interview met de wielrennen Thomas Dekker getiteld, “Te midden van de kampioenen”, door Marije Randewijk. Nu zal de lezer zeggen, “huh,… orgelspelen is toch wat anders dan wielrennen?’ Maar er zijn veel overeenkomsten zoals in de eerste woorden uit deze column valt af te leiden. Want al deze zijn praktisch ook terug te vinden in bovengenoemd interview, zo viel me op.
Toen ik midden jaren zeventig voor de zoveelste keer stijf stond van de zenuwen voor een tentamen piano, vroeg ik mijn docent Willem Brons of dat erbij hoorde.
“Dat heb je voor een deel zelf in de hand”, zei Brons en hij gaf me een twee tips:
-In de eerste plaats: Zorg dat je optimaal voorbereid bent. Als je je uiterste best hebt gedaan dan mag en moet je uiteindelijk met elk resultaat onder alle omstandigheden tevreden zijn. Zélfs als dit resultaat onverhoopt tegenvalt. Er komt altijd een volgende keer.
-Ten tweede, ga voor een acht en niet voor een tien. Wees realistisch, want er zullen altijd mensen zijn die nog beter zijn dan jij. Hou die twee raadgevingen - die twee stelregels - altijd in gedachten dan zorg je er op natuurlijke wijze voor dat je niet bij het eerste-het-beste foutje al bij de pakken neer gaat zitten. Met die houding vermijd je het om je eigen frustratie te organiseren.

Indien iemand mij na een concert vraagt of ik tevreden ben, dan zal mijn antwoord altijd “ja” zijn. Een concert of een opname voor CD of DVD zonder goede voorbereiding kan ik mij namelijk van mezelf niet goed voorstellen.
Ook de tweede tip: wees realistisch, ga niet voor een tien heeft bij mij tot ontspanning (en dus nog meer speelplezier) geleid.
Concentratie op de muziek tijdens het spelen komt ook, omdat ik niet word afgeleid door technische problemen. Dat is ook een van de redenen dat ik er nog een paar uurtjes extra studie aan vastknoop teneinde bijvoorbeeld een noot die op de rechterhandbalk staat, te spelen met de linkerhand om zo de rechterhand technisch te verlichten. Liever wat langer doorwerken dan een risico te nemen, hoe klein ook. Dit is uiteraard slechts een voorbeeld.
Speelplezier leidt overigens niet per definitie tot betere concentratie. Beter is te beweren dat speelplezier remmingen wegneemt. En dat is een niet te onderschatten element. Immers, als je geremd bent in je prestaties, heb je niets aan een fabuleuze techniek.
Wat concentratie betreft: probeer maar eens,… acht seconden te fixeren op een punt zonder afgeleid te worden. Dus als een optreden een uur duurt, kun je wat betreft concentratie zelfs spreken van een onmogelijke opgave. Wanneer het spiergeheugen en de automatische bewegingen dan niet volkomen zijn geoefend, dan zullen de fouten vanzelf komen. Dan is een concert geven te vergelijken met een tijdbom die afgaat.

Probeer om te gaan met je onzekerheid. Simpel door altijd te proberen om van een nadeel een voordeel te maken. Want stel dat je zeker zou zijn van het succes, ligt dan niet het gevaar op de loer dat je zelfvoldaan wordt? Dat je door die zelfvoldane houding minder tot het uiterste gaat bij de studie? Dat je minder oog en oor hebt voor elk detail in een compositie? Accepteer dus je onzekerheid en beschouw je onzekerheid als de ultieme drijfveer achter je vaardigheid, achter je studie.

Ik herinner me goed mijn eerste concert in de serie stadsorgelconcerten Grote- of St.Bavokerk te Haarlem. Mail naar www.haarlemcultuur.nl  of tel 023 5115733 (zie verder ook onder concerten op deze site)
Zoals ik graag werk, ontstonden de registraties aan de speeltafel op een zo ontspannen mogelijke manier met de assistentie van de ervaren beroepsregistrante Agnes Hielkema. Naast inspanning en spanning onderbraker we de repetitie wel eens met geestige opmerkingen; we maakten dus naast het werk ook plezier. Hoe kan het ook anders bij zo’n majestueus orgel als het Müller-orgel is in die imposante ruimte. Tijdens een onderbreking keek Agnes me plotseling peinzend aan en wat aarzelend vroeg ze: “ Willem, jij bent toch een leerling van Piet Kee? ”
“Ja”, zei ik. “
Maar,… eh, ben je nu niet zenuwachtig?”
Ik reageerde met: “Nee, misschien een beetje gespannen, dat wel; hoe zo?”
Agnes vertrouwde met toe dat haar was opgevallen dat soms leerlingen van Piet in haar beleving en ervaring te Haarlem opvallen omdat ze bij de eerste keer dat ze te Haarlem komen spelen ze toch nerveus zijn. Haar viel ook op dat ze haar dan nogal eens vragen of Piet ook naar het concert komt. Ik zei haar dat ìk geen extra spanning ervoer, bijvoorbeeld omdat Piet Kee zal komen. Integendeel, ik verheug me op een weerzien met mijn oudleraar. Ik hoopte dat Piet ook naar mijn concert zou komen, hetgeen ook het geval was. Na het concert hebben we nog nog bijzonder genoeglijk nagepraat in de uitspanning het Carillon (zie ook foto op deze site). Piet Kee heeft, bij mij dus geen extra aanleiding gegeven tot verhoogde nervositeit. Desalniettemin kan ik me voorstellen dat er nervositeit voorkomt bij sommige studenten wanneer hun oudleraar naar een concert komt. Dat kun je misschien zelfs wel normaal noemen en zeker te Haarlem mag je wel last hebben van een ietsiepietsie meer nervosteit, gezien de hoge verwachtingen die men er koestert van de gastorganisten die men uitgenodigt voor de pretentieuze Haarlemse stads-orgelconcerten. Niets mis mee.
Piet stelt bij zijn studenten hoge eisen aan de betrouwbaarheid van hun spel. Dat stelde hij ook bij mij in de les wel eens aan de orde; ja hoor,… één keer zelfs vlak voor een examen. Die aanpak leverde bij mij toen wel op dat ik opnieuw gestimuleerd werd om intensief aan de studie te gaan, met als gevolg dat mijn spel nog meer aan betrouwbaarheid won. Een uitmuntend resultaat was toen het gevolg. Die pedagogie vermoed ik een beetje achter de aanpak van Piet Kee. En vind ik daar iets mis mee? Nee, integendeel:… het was zeker voor de jaren zeventig, waarin alles maar moest kunnen en veel goedgepraat werd, een briljante methode van Kee. Als uitvoerend musicus word je zo in ieder geval optimaal getraind en ja,… soms ook gehard.

Maar zonder de raadgevingen van Willem Brons zou ik er toch minder goed raad mee hebben geweten en er misschien ook minder ontspannen tegenover hebben gestaan. De invloed van emoties is groot op je geest en lichaam. Ga er dus goed mee om. Durf bij elk nieuw werk op je repertoire weer de weg af te leggen van onzekerheid naar zelfbewustzijn. Weet dat als we volledig tevreden zijn we hard op weg zijn seniel te worden. Mens zijn en zeker als je een vak beoefent dat hoge eisen aan je directe vaardigheden stelt zoals bij een uitvoerend musicus, betekent ook je eigen en andermans tekortkomingen accepteren. Als je met die houding een concert geeft betekent dit ook dat je niet uit je concentratie raakt als bijvoorbeeld je registrant eens een fout maakt, of wanneer het publiek eens rumoerig is, of wat dan ook…., Onder alle omstandigheden blijf je in het goede resultaat geloven en doe je geconcentreerd optimaal je best om dingen die onverhoopt mis gaan in je voordeel om te zetten. Innerlijke intelligentie noemen we dat ook wel .

De lezer zal het niet verbazen dat ik het sportboek van het jaar 2006 direct heb aangeschaft, (‘Het geheim van Raleigh”, door Joop Holthausen, Arbeiderspers). Maar die aanschaf heeft ook te maken met het gegeven dat ik van mooi uitgegeven boeken hou. En dat is er één.
Wielrennen en orgelspelen hebben in mijn beleving veel met elkaar te maken. Orgelspelen staat echter bij mij met vlag en wimpel bovenaan omdat de kunstzinnige en intellectuele bevrediging die ik daaruit haal vele malen groter is dan het tactische vernuft dat je moet bezitten in de wielrennerij. Bovendien heb ik voor langdurig fietsen helemaal geen spierballen.
Of ik van fietsen hou? Eh,…. Nee. Wel van orgelspelen. En u?
Willem van Twillert
Zie ook de reacties van Christian J. Faddegon en Marco Borkent

 

 

Column 26-03-2006
Wat is er mis met orgelwerken voor electro-pneumatische orgels
Edwin Lemare (1865-1934) bewijst het: Helemaal niets!

  Er bestaat een foto van Edwin Lemare aan het orgel in het stadhuis te Sydney. Dat orgel bestaat gelukkig nog steeds. Er is ook zelfs een website waar de beroemde contra-trombone 64 voet is te horen: http://www.ohta.org.au  ga naar New South Wales, ga naar Sydney, ga naar Town Hall, onder aan de webpagina vind je een paar geluidsfragmenten, w.o. de trombone.
Met dank aan Joop Schelling die mij deze URL doorgaf. Joop vergeleek het geluid van deze 64 voeter overigens met mitrailleurvuur, het is maar dat men dat weet...
Lemare zegt ergens in zijn memoires dat telkens als hij op dit orgel heeft gespeeld hij verkouden is geraakt door de orgelwind van de 64 voet omdat de laagste en dus grootste pijp van de contra-trombone 64 voet recht voor boven de speeltafel is gepositioneerd.
Met wapperende haren zit je daar dus als organist klaarblijkelijk te spelen.

Met zijn ‘Concert Fantasia’ over de melodie “Hanover”, bij ons bekend onder de tekst “wat vlied’, of bezwijk’ ” werd de Engels-Amerikaanse organist Edwin Lemare (1865-1934) beroemd. En met beroemd bedoel ik ook ècht beroemd. Er is een foto waarop we Lemare zien afgebeeld op een enorm leeg podium achter een console (speeltafel) in de reusachtige ‘Festival Hall’ te San Francisco (bestaat die zaal nog?). Het orgel staat achterin. Duizenden mensen in de zaal. Een indrukwekkend gezicht. Lemare speelde soms wel voor 10.000 mensen, een ongehoord aantal. Net als de honoraria van Lemare trouwens. Die waren torenhoog (hij verdiende op een bepaald moment meer dan de burgemeester van de stad, waar hij organist was). Dit ongehoord hoge salaris heeft aan het eind van zijn loopbaan nog tot een heuse rel in de orgelwereld van Amerika geleid. Lemare, zag nadien door de financiële omstandigheden van die tijd (de crash van Wallstreet in 1929) af van een deel van zijn salaris. Er bleef overigens nog genoeg voor hem over. Waar lezen we dat momenteel meer? Maar dat een organist nog ooit eens zo’n salaris….hm…. dat zie ik niet meer zo gauw gebeuren…

Toen ik dit bravourewerk weer aan het studeren was (zie programma concert te Heinsberg) viel me op dat ik als het ware als vanzelf in de tijd van het ontstaan van dit werk word gezogen.
De tijd van het ontstaan van de muziek die je onder je handen hebt beleef je als het ware een beetje mee, ook al heb ik die tijd niet zelf meegemaakt uiteraard.
Na lezing van een artikel in de Volkskrant over de geschiedenis van de oorspronkelijke bewoners van Amerika werd aan dat gevoel nog een extra dimensie toegevoegd. In zijn boek, “1491, De ontdekking van pre-Columbiaans Amerika” ( uitgeverij Nieuwe Amsterdam 2006), toont de schrijver, Charles C. Mann aan dat voor de ‘ontdekking’ van Columbus Amerika al dicht bevolkt en rijk blijkt te zijn geweest. Het idee dat Columbus Amerika ontdekt zou hebben was al als een fabel ontmaskerd. Dat Amerika slechts dun bevolkt was verwijst Charles C. Mann dus nu ook als een fantasie naar het zelfde rijk der fabelen.
Lemare, hoe populair ook tijdens zijn leven, werd na zijn dood snel vergeten. Zijn naam vervaagde steeds verder, totdat zelfs de vermelding in de muziekencyclopedie van Groves verviel. Ongelooflijk, want dat verdient zijn muziek in ieder geval niet. Is dat te verklaren? Niet echt. Het feit dat de muziek van Lemare alleen authentiek kan worden uitgevoerd op electro-pneumatische orgels zal er misschien mee te maken hebben. Hoe dan ook, als men ergens het bewijs aantreft dat men met zijn handen af moet blijven van grote, goede (electro-) pneumatische orgels, dan is het wel vanwege de muziek van orgelcomponisten zoals Lemare. Wat dat betreft denk ik aan de afschuwelijke kaalslag die zich heeft voltrokken en zelfs hier en daar nog bezig is, op het gebied van de orgelbouw. De afgelopen halve eeuw is het één na het andere pneumatische orgel ten offer gevallen aan de sloopwoede van orgeladviseurs, orgelmakers en opdrachtgevers. Adviseurs kregen tot aan 2000 vaak een rood waas voor ogen als ze alleen maar binnen kwamen in een kerkruimte waar een pneumatisch orgel stond. Het vonnis stond vaak al van te voren vast. En dan werd het zoveelste waardevolle orgel opgeofferd aan de smaak van de tijd en werd zo’n orgel vervangen door het zoveelste vaak tamelijk suf klinkende barok-orgel. Het enige wat bij die nieuwe orgels dan vaak nog groots bleek was het loon van de adviseur en de winstmarge van de orgelbouwer.
Gelukkig keert het tij. Mede door het proefschrift, ‘Diversity in Unity’- ‘Discussions on Organ Building in Germany between 1880 and 1918’ (Amsterdam 2002), van dr. Hans Fidom.
Het programma dat ik te Heinsberg in 2002 uitvoerden toont aan dat ik al een tijd gecharmeerd was geraakt door de oorspronkelijke orgelmuziek voor Pneumatische orgels om het zo maar eens uit te drukken.
Mij fascineert deze muziek al meer dan tien jaar, direct nadat publicatie een feit was, in 1990, door Wayne Leupold Edtions. De uitgave-verzorger is ook Wayne Leupold. Interessant ook zijn de biografische gegeven en allerlei teksten die gewijd zijn aan ‘The Art of Organ-Playing by Edwin H. Lemare’. . Zijn spel was virtuoos en op het publiek gericht. En evenknie in ons land mag men in dat verband Piet van Egmond misschien wel noemen.
Het is zeker interessant om de loopbaan van Lemare en de sociale en politieke geschiedenis van de tijd waarin hij leefde op je te laten inwerken. Een organist kan in wezen niet zonder kennis van de geschiedenis.
De virtuoze slotfuga van zijn Concert Fantasia is een gedegen werk. Interessant van vorm en vooral ook interessant om te proberen nog een beetje te kunnen navoelen wat nou de aantrekkingskracht van dit werk is geweest op al die duizenden mensen in Lemare’s tijd. Wat is het geheim van zijn succes toendertijd? Deed Lemare concessies aan de smaak van het publiek? Hm… ja, soms. Moeilijk te achterhalen. Wat was het geheim van het succes van Piet van Egmond? Er is wel een aantal elementen aan te wijzen.
Wat bij Lemare direct opvalt is zijn melodieuze, virtuoze en soms frivole concertante aanpak. Elke melodie, ook het fugathema, moet zeer aansprekend zijn en direct nagezongen kunnen worden. (dat was overigens al een eis van de leerlingen van Bach zoals we bijvoorbeeld van Kittel weten). Kortom, daar is niets mis mee, zolang er met de melodie ook maar het nodige gebeurt. En dat gebeurt er zeker. De spanningsboog in de fuga loopt prachtig op. Ja, soms is het muziek voor open doel als je het vergelijkt met de romantische veel dieper gravende ‘Sturm und Drang’- muziek van bijvoorbeeld een Max Reger. Lemare kan slechts in de schaduw staan van Reger, maar juist die verscheidenheid in eenheid is in die tijd zo spannend.
‘Diversity in Unity’ is een door Hans Fidom goed gekozen titel voor zijn proefschrift. Lemare’s muziek onderstreept dit. Zijn orgelmuziek is contrastrijk en Lemare is er op uit om alle mogelijkheden uit de kast van de grote drieklaviers orgels (zie foto) van zijn tijd te halen.
Een conservatoriumstudent kan eenvoudigweg niet afstuderen zonder ook een werk van Lemare op zijn repertoire te hebben. Maar goed, dat is ook weer een ander onderwerp.
Zowel harmonisch als qua vorm tref je bij Lemare vaak verrassende elementen. Maar wat het ook zo fascinerend maakt zijn de registratieaanwijzingen van Lemare.
Die registraties zijn uitermate gevarieëer en gedetailleerd. Je leert aan de hand van zijn muziek de orgels uit zijn tijd ook beter kennen en waarderen. Als je zijn muziek speelt zie je Lemare als ’t ware voor je aan het werk. Fantastisch.
Een gelijk opgaan van muziek en instrumentenbouw, die zijn weerga wel kent, maar waar we heden ten dage toch ook jaloers op mogen zijn.
Willem van Twillert

 

Sydney, Town Hall: Hill & Son 1886-89 (5/127 tubular-pneumatic/Barker lever)
 

GREAT

 

SWELL

 

CHOIR (enclosed)

 

SOLO (small reeds enclosed)

 

ECHO (enclosed and non xpressive)   PEDAL

 

Contra Bourdon

32 TC

Double Open Diapason 16

Contra Dulciana

16

Bourdon

16

Lieblich Gedackt

8

Double Open Diapason Metal

32

Double Open Diapason

16

Bourdon 16

Open Diapason

8

Open Diapason

8

Viol d'Amour

8

Double Open Diapason Wood

32

Bourdon

16

Open Diapason

8

Hohl Flöte

8 ^

Violin Diapason

8

Unda Maris II

8

Contra Bourdon

32

Open Diapason I

8 +

Hohl Flöte

8 ^

Lieblich Gedackt

8

Doppel Flöte

8

Viol d'Amour

4

Open Diapason Metal

16

Open Diapason II

8

Viola da Gamba

8

Flauto Traverso

8

Flauto Traverso

8

Flageolet

2

Open Diapason Wood

16

Open Diapason III

8

Salicional

8

Gamba

8

Stopped Diapason

8

Glockenspiel

4 Rks

Bourdon

16

Open Diapason IV

8

Dulciana

8

Dulciana

8

Viola

8

Echo Dul. Cornet

4 Rks

Violone

16

Harmonic Flute

8

Vox Angelica

8

Octave

4

Octave

4

Basset Horn

8

Gamba

16

Viola

8 +

Octave

4

Violino

4

Harmonic Flute

4

   

Dulciana

16

Spitz Flöte

8

Rohr Flöte

4 ^

Celestina

4 ~

Flauto Traverso

4

   

Quint

12

Gamba

8

Harmonic Flute

4

Lieblich Flöte

4

Harmonic Piccolo

2

   

Octave

8

Hohl Flöte

8 ^

Gemshorn

4

Twelfth

3

Contra Fagotto

16

   

Prestant

8

Rohr Flöte

8 ^

Twelfth

3

Fifteenth

2

Harmonic Trumpet

8

   

Bass Flute

8

Quint

6

Fifteenth

2

Dulcet

2

Corno di Bassetto

8

   

Violoncello

8

Principal

4

Piccolo

1 *

Dulciana Mixture

3 Rks

Orchestral Oboe

8

   

Twelfth

6

Octave

4

Mixture

4 Rks

Bassoon

16

Cor Anglais

8

   

Fifteenth

4

Gemshorn

4

Furniture

5 Rks

Oboe

8

Octave Oboe

4

   

Mixture

4 Rks

Harmonic Flute

4 +

Trombone

16

Clarinet

8

Contra Tuba

16

   

Mixture

3 Rks

Twelfth

3

Bassoon

16 ¶

Vox Humana

8

Tuba

8

   

Mixture

2 Rks

Fifteenth

2

Trumpet

8

Octave Oboe

4

Tuba Clarion

4

   

Contra Trombone

64

Mixture

3 Rks

Cornopean

8

   

Carillon Bells

2

   

Contra Posaune

32

Cymbel

4 Rks +

Horn

8

           

Posaune

16

Sharp Mixture

4 Rks

Oboe

8

           

Trombone

16

Furniture

5 Rks +

Clarion

4

           

Bassoon

16

Contra Posaune

16

               

Trumpet

8

Posaune

8

               

Clarion

4

Trumpet

8

                   
Clarion 4                    

COUPLERS
Great to Pedal
Swell to Pedal
Choir to Pedal
Solo to Pedal
Swell to Great #
Swell Super Octave [to Great] #
Swell Sub Octave [to Great] #
Solo to Great #
Solo Octave
Choir to Great #
Swell to Choir
Solo to Choir
Echo to Swell
Pedal to Great Pistons
Tremulant to Swell (toe lever)
Tremulant to Choir and Solo (toe lever)
Tubular pneumatic key, stop and
combination action (vacuum for stops).
Mechanical action with pneumatic-lever
assistance for Great and couplers
marked #
Compass 61/30
Pistons (internally adjustable):
3 to Echo
7 to Solo
;8 to Swell
;8 to Great
7 to Choir
6 to Pedal (toe levers)
Balanced swell pedals for Choir, Solo
orchestral reeds and Swell
No. of pipes = ;8,756
Pitch a1 = ;4;40Hz

Foto door Joop Schelling, Bunschoten

Informatie over het orgel kun je op onderstaande links vinden:
http://www.cityofsydney.nsw.gov.au/Business/VenuesForHire/SydneyTownHall/GrandOrgan.asp
Onder aan dit artikel staat dat het orgel in "excellent state"verkeert

http://sydneyorgan.com/
Bij deze laatste site klik op  "Sydney organs"  en daarna op Sydney Town Hall (onder Concert Halls).

Dit is een van de grootste en best bewaard gebleven pneumatisch orgels ter wereld. Gebouwd door William Hill and Son in Londen. In 1890 werd het toen grootste orgel ter wereld met 126 sprekende registers opgeleverd. De vijf manualen en pedaal werden voor het eerst bespeeld door William Thomas Best die er aansluitend elf concerten gaf. Het eerste concert trok circa 4000 mensen. Het instrument heeft circa 8,700 pijpen.
Het orgel werd succesvol en gewetensvol gerestaureerd in de jaren 1972-82 door de orgelbouwers Roger H. Pogson te Sydney. De organist is Robert Ampt.

 

 

Column 21-3-2006
Flarden - Gedachten na de DVD opname te Aarle-Rixtel 17 maart 2006

Column Flarden - Gedachten na de DVD opname te Aarle-Rixtel 17 maart 2006
Die zondagmorgen na de zeventiende maart, toen de DVD-opname te Aarle-Rixtel plaatsvond, kwamen flarden van die gebeurtenis als herinnering weer naar boven.
De spanning of er niets vergeten zou worden in de cameravoering, de regie, het spelen en wat niet al, dat alles moest bij mij nog even een plek krijgen.
Flarden, goede herinneringen. Wat zijn er weer mooie dingen gebeurd te Aarle-Rixtel. De beide zoons van organist Euwe de Jong: bariton Elbert en coutertenor Rienk. Twintig en achttien jaar zijn ze pas, maar wat een professionals! Schitterend klonk het allemaal in de akoestiek van de Onze Lieve Vrouwe kerk uit 1849, alsof de ruimte ervoor geschapen is, en voor een deel is dat ook zo. Om kippenvel van te krijgen. Dat kreeg ik dus ook!
Het vierhandig orgelspel, samen met Sybolt, was, evenals op de DVD -Bolsward, weer om te smullen. Ligt het aan het feit dat ze broers zijn? Dat Euwe en Sybolt zo haarprecies samen kunnen musiceren? Leuk overigens dat hoewel hun karakters en temperament duidelijk verschillend zijn, dat niet geldt voor hun manier van muziekmaken.
Euwe voerde zijn Scherzo uit dat hij voor het ‘Anlooër orgelboek’ in 1987 heeft gecomponeerd. Bij de presentatie van dit Anlooër Orgelboek was ik - als deelnemer en als betrokkene bij het ontstaan ervan - toen ook aanwezig. Bij die eerste kennismaking met het orgelspel van Euwe viel me direct zijn ritmische gedrevenheid en precisie op. Een begenadigde techniek hebben ze trouwens beiden.
De opnamen behoefden amper over.

Al poolvosjes voerend kwamen er gedachten in flarden naar boven. Starend keek ik naar de eveneens innig tevreden diertjes die bij ons achter in de tuin een ren hebben. (Op de DVD-Bolsward III is deze tuin even te zien in de toelichting, die voor de zeer geïnteresseerden)
Ja, de herinnering is goed. Gisteren, zaterdagochtend in alle vroegte, was er bij mij nog even paniek omdat er twee bandjes met beeldopnamen verwisseld waren. Even dreigde ik zelfs in paniek te raken, maar gelukkig: er bleek niets aan de hand. Dank zij de nauwgezette wijze van werken van de opnameleider is dit schier onmogelijk, maar toch… Tijdens de opnamen moeten allerlei camera- standpunten worden ingenomen en telkens moet het licht ook weer worden aangepast. Dat houdt in, dat vijf vaak zeer hete lampen inclusief de snoeren weer verplaats respectievelijk verlegd moeten worden. Snoeren ontwarren; zorgen dat er geen zekeringen doorslaan; de beeldregie onthouden, wordt er voldoende afgewisseld in de cameraposities,zijn er al opnamen en face gemaakt, enzovoort.
Om negen uur die 17e maart begonnen we. Ook Frans Vermeulen, orgelbouwer en -stemmer, was er om de stemming van het orgel te controleren. De stemming van het orgel bleef tijdens de opnamen correct. Frans was donderdag de gehele dag , samen met de organist van het Smits-orgel te Aarle-Rixtel, Rob Rassaerts, aan het stemmen geweest. De verwarming was uitgedaan, omdat deze luchtverwarming herrie veroorzaakt. Het was die vrijdag bitter koud voor de tijd van het jaar, maar gelukkig kon er nog gewerkt worden. Muziek verwarmt de zielen klaarblijkelijk. En we waren er op voorbereid, dus voorzien van handschoenen, extra vesten ,sjaals en lange sokken.
Met Ruud van de Laar, zoon van Jan, werkte ik voor het eerst. Het was een genoegen vader en zoon samen te zien en te horen spelen. Ruud is iemand die met het instrument trompet een eenheid vormt. Gewoon een uitmuntend speler en zo speelde hij dan ook in een vierdelige sonate voor trompet en orgel. Ooit maakte Toon Hermans een meesterlijke imitatie van een violist, een cellist en een trompettist. Toon speelde toen feilloos de bij het instrument passende mimiek na. De beelden schoten even door me heen, leuk. Ik herinner me die voorstelling overigens nog levendig. Als jongen samen met oom Henk, die toen in heb bedrijf van mijn vader werkte, naar de stadsschouwburg te Utrecht. Een belevenis en nu een dierbare herinnering. Jan van de Laar speelde als solowerk het Scherzo van Gigout. Op dit toch wat taai spelende orgel met de weinige diepgang van de toetsen te Aarle Rixtel vond ik dit een hele opgave. Maar Jan klaarde de klus op professionele wijze.
Vanaf 19.00 uur was ik aan de beurt. Het ging vlot. Dat moest ook wel, want een tegenslag was, dat de koster erop stond dat we om negen uur zouden stoppen. Och, je vergeet wel eens iets. Nee, geen noten, daar is geen sprake van, maar een registratie pakt anders uit. Enfin men kent dit wel. De camera bleef trouwens lopen dus er komen straks zeker nog extra’s als making of-filmpjes op de DVD. Het meeste stond er na één of twee keer proberen foutloos op. Registrant Marien Stouten was speciaal vanuit Zeeland komen rijden om te registreren. Uit voorzorg had hij een elektrisch kacheltje meegenomen. Uiteindelijk was deze extra verwarming niet nodig. Maar Marien was vanwege zijn handigheid als registrant, hij heeft aan een half woord genoeg, zeker nodig gezien de korte tijd die ons toen nog restten.
In het audio-deel van de opnamen wordt bij onze producties sporadisch gemonteerd, tenzij het door tijdgebrek eens noodzakelijk is. Dan wordt er in delen opgenomen, die later aan elkaar worden gemonteerd. Dat heeft overigens dan ook het voordeel, dat de camera weer een ander standpunt kan innemen, zodat de beelden zo afwisselend mogelijk worden.‘Elk nadeel heb zijn voordeel’, zie Cruyff ooit, zo ook bij DVD-opnamen.
Uiteindelijk zijn de opnamen en face (waarbij de camera voor het gezicht van de speler wordt gehouden, zodat men de organist min of meer recht in het gezicht ziet) bij Euwe gerealiseerd.
Improvisatie en aanpassing komt niet alleen bij het orgelspel voor. Deze vierde DVD bevat overigens geen improvisatie, dus IMPROVISATA als titel dekt de lading niet. Maar daarin was voorzien. Deel IV zal LITERATA gaan heten.
Was het al een tegenslag te noemen dat de koster ons vroeger wilde laten stoppen, toen er bij tijd en wijle steeds een pieptoon uit het binnenste van het orgel kwam was dat een grote tegenvaller en zeer hinderlijk bovendien. Eerst dachten we aan doorspraak, maar dat kon het niet zijn omdat de toon telkens vanzelf in sterkte afnam en vervolgens verdween. Pas achteraf heb ik kunnen vaststellen, dat het de in het orgel geplaatste luchtbevochtiger moet zijn geweest, die voor deze overlast heeft gezorgd. Door het sproeien van waterdamp en de warmte die daarbij vrijkwam, raakten ook de dichtstbijzijnde tongwerken ietwat ontstemd. Vooral de Trompet 4 voet had het blijkbaar te verduren, want die was door twee ontstemde tonen niet meer te gebruiken. Gelukkig had ik de beide tutti-werken aan het begin van het programma opgenomen dus viel de stemmingsschade mee. Mocht het ooit weer gebeuren, dan dus direct de bevochtiger uitschakelen. Je blijft leren en onverwachte elementen trotseren.
Toen om kwart over negen de koster kwam was het gedaan met opnemen, ik kreeg de kans niet meer een opname een tweede keer te spelen. Jammer, maar gelukkig hadden we wel een complete opname van ruim 75 minuten klaar. Iedereen dus tevreden: de koster kon zijn voorbereidingen voor de volgende dag doen en wij waren wat eerder thuis. Moe maar voldaan volgens het cliché.

Zaterdagmiddag direct naar René Kouwen getogen, die heel idyllisch vlak bij mij woont op het platte- land van Hoogland. Tevoren had René me al enthousiast gemaild, dat hij er klaar voor was. Hij had een computergeheugen aangeschaft waarin maar liefst dertig tapes van 60 minuten geladen kunnen worden. Dus op het moment van het schrijven van deze column kan direct met het afwerken van de opnamen worden begonnen, het ontstaan van DVD opus 4. Het resultaat heeft mijn verwachtingen overtroffen. De inspanning was niet tevergeefs.
Aan zoiets houd je een goed gevoel over. René kan aan de slag. Ik wens hem sterkte, want de montage is een tientallen uren durende klus.

Willem van Twillert


 

Column 8-3-2006
Een goede techniek, hoe ontwikkel je die?

Een goede speeltechniek ziet er uit alsof een muziekinstrument bespelen geen enkele moeite kost. De inspanning om die vanzelfsprekende, natuurlijke techniek te verkrijgen is echter omgekeerd evenredig aan hoe je speeltechniek eruit ziet.
Een goede techniek is niet aangeboren en komt je niet aanwaaien.
Zeker, er zijn ‘natuurtalenten’ die welhaast op natuurlijke wijze hun instrument bespelen. Maar als deze natuurtalenten geen methode en visie ontwikkelen om tijdens het studeren van een compositie ook telkens aandacht te besteden aan de techniek, dan verzandt uiteindelijk de techniek en ontaardt dit in een rommeltje.
Het eerste wat opvalt bij een matige speeltechniek zijn overbodige bewegingen.
Het tweede is, dat het spel onder mentale druk veel fouten oplevert. Juist bij stress sorteert een goede techniek het meeste effect. Immers een goede speeltechniek helpt fouten te voorkomen, zodat ondanks mentale stress de techniek trefzeker blijft.
Zo ontwikkel je een goede speeltechniek.

MENTAAL
Mentaal: Ervaar een fout positief, dus als een leermoment.
Een opmerking als “nou, vandaag lukt het helemaal niet, terwijl het gisteren zo fijn liep" is in wezen dè aansporing om direct aan de studie te gaan. Stop dus niet op dat moment omdat je vindt dat de vorm vandaag ontbreekt. Je weet namelijk juist op dàt moment precies wat er fout gaat, dus kun je er het beste meteen wat aan doen. Dit vereist wel een goede mentaliteit.
Een goede mentaliteit genereert ook ruimte om je concentratie te verhogen.
Wees geduldig in het analyseren en vervolgens het instuderen.
Zie het geheel als een creatief proces dat zich telkens herhaalt en blijf daarbij fris van geest.

PIEKMOMENT EN OVEREENKOMST TUSSEN MUSICEREN EN TOPSPORT
Werk naar een piekmoment toe zoals ook topsporters doen. In dat verband geef ik graag een aantal citaten door van Chris Visscher, bijzonder hoogleraar Sport bij de faculteit Bewegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit van Groningen. Visscher heeft onderzoek gedaan naar overeenkomsten tussen school en sport. Hij kreeg als universitair hoofddocent de ruimte jonge, geselecteerde sporttalenten langere tijd te volgen. In de Volkskrant van 27 september 2008 lezen we een interview van Paul Annema met Chris Visscher. Waar Visscher het over sport heeft interpreteren we sport we dit als de sport om het bespelen van een instrument aan te leren. Enkele citaten:
‘Voor sportieve talent geldt dat zij motorische en sportieve vaardigheden sneller en beter leren dan gemiddeld.’
‘Talenten zijn goed in het stellen van de doelen die ze willen bereiken, en dat is wat zowel sport als school van je vraagt. Bovendien zijn talenten heel pro-actief in hun eigen leerproces door goed te plannen, door hun eigen prestaties en ontwikkeling goed te evalueren. Ze weten heel goed wat ze moeten doen om hun doel te bereiken.’
‘Een kind dat als talent geldt, maar niet als doel heeft de top te halen, toont ook niet het gedrag dat erbij hoort om dat doel wel te bereiken. Je kunt niet zeggen: ik ben talent, de rest gaat vanzelf! Nee, je begint aan een minimaal tien jaar durend traject. De vraag is; hoe regel ik mijn leven zo dat ik het doel bereik dat ik wil bereiken.’
‘Uit een onderzoek onder zeer getalenteerde voetballers en hockeyers blijkt dat de succesvolsten zich onderscheiden van de afvallers op tactisch inzicht en motivatie. Lang leek op voetbaltalent de wet van de grote getallen toepasbaar: wie goed was haalde het wel. Maar ook daar zie je een kentering, doordat jonge voetballers steeds meer moeten investeren en uiteindelijk ook daar strategisch inzicht een grotere rol gaat spelen.’

BEWUSTE OEFENING BAART KUNST
Een goede techniek om een instrument te bespelen ontwikkel je vooral door fundamentele studie. Hard werken dus, want je komt er niet als je alleen maar domweg de muziek op je instrument opnieuw doorspeelt. Je zult je studie bewust vorm moeten geven. Je steeds afvragen, wat ben ik aan het doen, wat wil ik studeren en op welke manier. ‘Oefening baart kunst’, zogezegd. Want uiteindelijk hoop je dat je aangeleerde techniek in combinatie met de kennis van het bestudeerde werk je er altijd door heen sleept, ook als je eens wat minder in vorm bent.
Ontwikkel allerlei afwisselende vormen van studie om met succes een compositie te kunnen vertolken.

De lezer zal het niet verbazen dat ik het Sportboek van het jaar 2006 direct na verschijnen heb aangeschaft, (‘Het geheim van Raleigh, door Joop Holthausen, Arbeiderspers). Maar die aanschaf heeft ‘vooral te maken met het gegeven dat ik van mooi uitgegeven boeken houd en dat is dit boek.
Sport, wielrennen in dit geval en orgelspelen hebben in mijn beleving veel met elkaar te maken.
Het orgel bespelen (en ook de vleugel) staat echter bij mij met vlag en wimpel bovenaan omdat de kunstzinnige en intellectuele bevrediging die ik daaruit haal vele malen groter is dan het tactische vernuft dat je moet bezitten in de wielrennerij. Bovendien heb ik voor langdurig fietsen helemaal geen spierballen.
Of ik van fietsen hou? Eh,…. Nee. Wel van orgelspelen. En u?

Willem van Twillert

 

Column 5-3-2006
Hoe komt een programma voor DVD tot stand?
 

De vraag wordt mij wel gesteld hoe ik tot een idee kom voor een geluidsproductie. Vooral DVD programma’s spreken momenteel tot de verbeelding is mijn ervaring.
Welnu, in de eerste plaats bepaal je uiteraard een instrument.
Vervolgens kies je werken die in de stijl van het geselecteerde orgel passen, waarbij je let op een veelheid aan afwisseling in de vorm Ook de omvang van de werken (tijdsduur) en het volume is van belang. Drie stukken op een plenum of volle werk na elkaar is niet de bedoeling bijvoorbeeld. Met DVD zijn mooie afwisselende filmbeelden van belang. Concreet betekent dit dat er op gezette tijden van klavier gewisseld wordt. Dat maakt het kijken naar orgelspel ook interessant(er).

Heerlijk vind ik het om mijn boekenkast te raadplegen. In de kast is de orgelmuziek grotendeels gerangschikt op land en tijd; dus de indeling wijst al de weg. Wanneer ik dan mijn boekenkast op de kop zet, rollen er zeker ook orgelwerken uit, waarvan ik bijna vergeten was dat ik deze werken bezit en dat ik deze werken ook bestudeerd heb.
Ik koop veel muziek; ook nu nog. Wanneer ik de recent aangeschafte muziek doorspeel noteer ik bij direct mijn eerste bevinding. Wanneer het werk me bijzonder treft begin ik al met de studie ervan. Vingerzetting noteren en dergelijke. Ik noteer dus zoveel mogelijk. Dat maakt het selecteren later tot een soepel verlopend gebeuren.
Wanneer ik dan met een groslijst naar het orgel ga om de grove selectie uit te proberen ervaar ik het als een groot goed dat ik over een ruime keuze aan muziek kan beschikken.

In de loop van het proces vallen er werken af is de ervaring. Hetzij doordat bijvoorbeeld de baskant van de trompet toch minder tot de verbeelding spreekt bij het werk met een ‘Bas de Trompette’, dan ik gedacht had. Of dat er toch een bepaalde vorm van eenzijdigheid in de vormen in sluipt . Geen nood dus, want ik heb meer dan genoeg werken in mijn groslijst staan.
Vervolgens selecteer ik. En ook dan heb ik meer werken dan er uiteindelijk op de DVD kunnen komen. Geen nood, want na de opname is het dan des te gemakkelijker kiezen om uiteindelijk de allerbeste en mooist klinkende en uitgevoerde werken definitief te selecteren. En er mogen ook composities op de plank belanden. Dat komt vast later voor een promenadeprogramma of een verzamel programma nog van pas.
Dus ruim in de muziekkeuze zitten betekent voor mij althans ook een bepaalde rust in de uiteindelijke programmaselectie.
Als een orgel uit bijvoorbeeld 1850 stamt wil dat niet zeggen dat alle geselecteerde muziek uit pakweg 1800 tot 1900 moet komen.
Integendeel zelfs. Maar meestal betekent dit wel dat er eerder naar composities gekeken wordt die ver na 1850 gecomponeerd zijn dan ver vóór 1850. De muziek uit de twintigste eeuw kan veelal uitstekend klinken op orgels rond 1850. Want wat altijd moet blijven is de afwisseling in de gespeelde orgelwerken.

Willem van Twillert


 

Column 25-02-2006
NIEUWSGIERIGHEID IS DÈ EMOTIE BIJ NIEUWE MUZIEK

Op weg van het concert te Doetinchem naar huis terug (zie column, Orgelconcerten die je bij blijven… 12 februari, 2006 Catharinakerk, Doetinchem), hoorden we op de autoradio de ‘Serenade for Gustav and Arnold’ van Van Norden. Hij bleek met dit werk één van de prijswinnaars te zijn geworden van de Henriëtte Bosmansprijs. Was deze muziek communicatief, vernieuwend, of eigenlijk meer van hetzelfde wat je zo vaak hoort: schurende klankformaties. Het komt op mij over alsof er na de tweede Weense School van Arnold Schönberg, Anton Webern en anderen, eigenlijk nog niet veel in klankidioom bij hedendaagse Nederlandse componisten verandert.

Nieuwe Muziek, anno 2007 veelkleurig en afwisselend
Dinsdag 17 april 2007 hoorde ik de herhaling van de Zaterdagmatinee van afgelopen zaterdag 14 april. Er klonk toen onder meer de wereldpremière van de Vierde Symfonie van Otto Ketting gespeeld door het Radio Pilharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden. Bij het commentaar vermeldde de omroeper dat Ketting, wanneer hij een thema componeert, dit vaak nog min of meer opzet vanuit de twaalftoonsreeks, als een soort automatisme. Zo kwam het althans op mij over. Merkwaardig automatisme. Mijn indruk dat de generatie die is opgegroeid met seriële muziek het in vele beoordelingsinstanties (jury’s) nog voor het zeggen heeft wordt door een dergelijk feitje bevestigd. Ik vind dat jammer voor de frisheid en veelkleurigheid van het Nieuwe Componeren, maar gelukkig is er anno 2007 toch ook afwisseling te constateren in het aanbod op de concertpodia. Nieuwe muziek is in opmars. Het is ondoenlijk ook maar een begin te maken van een opsomming van componistennamen. Bij het programmeren van Nieuwe Muziek speelt de Matinee op de Vrije Zaterdag in het concertgebouw te Amsterdam een belangrijke rol. Neem nu. Als ik me beperk tot de afgelopen drie weken (ik schrijf deze column op 30 april 2007) dan hoorde ik jl vrijdag op de radio een herhaling van een concert voor twee harpen van Karl Heinz Stockhausen, niet mijn favoriete componist, maar dit werk was mooi en veel milder dan ik van Stockhausen gewend was. Op zaterdag 28 april 2007 ging het Trio Estatico uitgevoerd door het Osiris Trio van Jan van Vlijmen in première. Het is de zwanenzang van Van Vlijmen, kort na de voltooiing in 2004 overleed hij. Ooit was Van Vlijmen een blauwe maandag directeur van de Regionale Muziekschool Amersfoort maar net op het moment dat schrijver dezes zich er als verlegen puber mocht melden.
Op donderdag 16 februari 2007 spitste mijn oren om 23:00 uur toen in het programma ‘Radio 4FM’ een uur lang muziek te horen was van de Amerikaan Tom Trapp, die in januari een maand in Nederland te gast was. Trapp componeerde in opdracht van de NPS zijn compositie ‘From afterlife (with colors)’ en gaf het werk in tien delen tien titels, waarvan ik alleen de eerste vier heb kunnen onthouden, maar toen was mijn interesse in het werk ook al opgedroogd.
1.Reincarnation. 2. The orange sun comes again. 3. Churches. 4.Blue on the inside. Toen haakte ik als luisteraar af. Aan de uitvoering door het Metropole Orkest olv Jurjen Hempel lag het overigens niet. Het bleek een soort cross-over muziek tussen populaire, licht klassieke- en moderne klassieke muziek te zijn Dit is nu ook weer niet mijn cup of tea, laat staan mijn bedoeling.. Dus zo’n compositie is niet aan mij besteed.

Niks totale vernieuwing
Een veel beter werk hoorde ik ergens in de maand december van 2006 tijdens het 52ste ‘Rostrum of Composers’ te Wenen in 2005, het strijkkwartet had de tweede prijs gekregen.
De naam van de componist bleef me helaas niet bij, zijn muziek wel. Dit bekroonde kwartetwerk blonk uit in het laten horen van oude technieken in een persoonlijke stijl. Niks totale vernieuwing maar gewoon goede muziek fris van de lever, goed in de vorm met virtuoze partijen voor strijkers zonder allerlei extremen en experimenten. Je kon ook daadwerkelijk horen dat de musici die het uitvoerden het werk liefkoosden. Een componist die zichzelf durft te zijn blijkbaar. Wèg de invloed van de seriële muziek, die niet toestaat dat er emoties en herkenbaarheid in muziek aanwezig is. Vaak kunnen componisten hun eigen thema niet eens nazingen. Vraag het hen bij gelegenheid maar eens, je zou de componisten met zo’n vraag behoorlijk in het nauw kunnen drijven en in verlegenheid kunnen brengen.

Ongecompliceerd en toch spannend en origineel
Een ander bewijs dat in de 21ste eeuw de smaak zich verbreedt werd geleverd door een uitzending op vrijdag 17 februari 2006 om kwart over vijf in het programma ‘Viertakt’op Radio Vier. Er werd toen van Merlijn Twaalfhoven de compositie ‘Ontmoeting’ uitgezonden. Ik was op slag geboeid. Hier hoorde ik wat ik graag horen wil. Ongecompliceerd maar spannend muziek maken en toch origineel en boeiend blijven zonder dogma’s.
Diezelfde dag om 19.15 werd in Amsterdam een uitvoering gegeven van zijn symfonie ‘voor iedereen’ door een gelegenheidsorkest onder leiding van Jurjen Hempel zo hoorde ik in de afkondiging. Van die Twaalfhoven wil ik graag meer horen…
Goed dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan jonge componisten. Een van mijn favoriete boeken over muziek is “Niet bij Bach alleen - Rangen en standen in de klassieke muziek’, door Martin Kaaij, uitgeverij Contact te Amsterdam 2005. Een eigenzinnig, goed geschreven boek voor iedereen die zich soms afvraagt waarom juist deze muziek zo beroemd is. Graag zou ik er uit willen citeren maar doe het toch maar niet omdat anders er weer een nieuw element in deze column te berde wordt gebracht en dat hoort niet. Maar lees en herlees dit boek, er zal een wereld voor u open gaan.

Geen dogma’s meer svp
Kan de weg vrijgemaakt worden voor verdere ontplooiing van moderne muziek, zonder dogma’s van een oudere generatie, die de subsidielakens uitdeelt? Dat kan naar mijn idee alleen als elke componist zichzelf durft te zijn en werk creëert dat uitgaat van eisen die hijzelf stelt en zich niet de wet laat voorschrijven van de generatie die hem of haar heeft opgeleid. Heerlijk om te onderwijzen trouwens, die seriële technieken. Je husselt de twaalf tonen van het octaaf door elkaar en je hebt een thema en dan maar componeren! Het enige creatieve dat in wezen over blijft is het ritme. Maar ja, met ritme loopt men in de popmuziek al decennia voor ten opzichte van de klassieke muziek, dus daar is ook niet veel eer meer te behalen kan men stellen. Naar mijn mening is het element dat seriële muziek gemakkelijk in een schema is onder te brengen en dus gemakkelijk is te doceren, nog weinig belicht in publicaties.
De voorliefde voor atonale muziek bij allerlei jury’s en ook bij recensenten niet te vergeten, valt gemakkelijk vast te stellen. Zo ook bij de jury voor de Henriëtte Bosmansprijs. Zal de jury van het Haarlemse Orgelimprovisatieconcours in 2008 bijvoorbeeld zich ook (weer) laten leiden door de vastgeroeste idealen uit het (post-)seriële tijd met haar vele echo’s van de geniale nestor van deze vergissing, Arnold Schönberg? Het valt te vrezen van wel. Maar wie weet…. Laten we onze nieuwsgierigheid blijven koesteren. Immers, nieuwsgierigheid is uiteindelijk dè emotie om nieuwe muziek op juiste waarde te schatten.

Willem van Twillert
 

 

Column 15-02-2006
Orgelconcerten die je bij blijven. (12 februari, Catharinakerk, Doetinchem)

Er zijn van die orgelconcerten die je bij blijven. Er gebeurt iets wat blijvende indruk maakt. Soms heb je zelfs vooraf al het gevoel dat een concert iets bijzonders zou kunnen brengen.Dat gevoel had ik op 12 februari 2006.
De Utrechtse componist Ad Wammes mailde mij een paar weken geleden, dat maar liefst vier van zijn werken (waarvan twee als première) op 12 februari om drie uur 's middags zouden worden uitgevoerd in de Catharinakerk te Doetinchem.
Ik ken Ad Wammes van zijn compositie 'Miroir'. Een werk dat in 1989 door Arjen Sleurink via zijn Utrechtse muzieknotatiebedrijf PARTITURA werd uitgegeven. Ik kreeg het toen van Arjen cadeau.
Enkele weken geleden was ik bij Ad thuis om nog eens aspecten van mijn compositie, ‘Toccata à la chaconne’ door te spreken. Ik vond het fijn en collegiaal dat Ad zijn licht over dit werk wilde laten schijnen. “Componeer wat je mooi vindt, Willem” was zijn belangrijkste conclusie. Een open deur zo’n opmerking, ben je geneigd te zeggen, maar niets was voor mij minder waar. Want het geeft een richting aan die ik ook zo ervaar. En wanneer een collega die richting bevestigt is dat een belangrijk gegeven…
Hoe dan ook, op 12 februari waren mijn vrouw, Antoinette en ik op weg naar Doetinchem.
We maken op zondagmiddagen soms graag een autoritje. Zo maar, om van mooie landstreken en buurten te genieten en daarbij genoeglijk te praten over van alles en nog wat. Soms eens uit te stappen om iets beter te bekijken. Geveltoerisme en landschaptoerisme, vaak vlak bij ons lieve Amersfoort om de hoek. Nederland is prachtig, het buitenland is ver en dat verre hoeft voor mij niet zo.
Wandelen kan ook, of fietsen, maar van beiden ben ik niet zo’n liefhebber; wèl van zwemmen in natuurwater natuurlijk. Maar ja, daar is de winter niet het geëigende jaargetijde voor. OK, schaatsen vind ik ook fantastisch…
De nodige lichaamsbeweging doe ik graag op bij het orgelspelen. En reken maar dat orgelspelen hetzelfde effect heeft als joggen of het maken van lange wandelingen. En als ik nog meer lichaamsbeweging nodig heb dan ga ik liever de badkamertegeltjes reinigen of stofzuigen (ja,... ook het plafond, grondig... en alle hoekjes zuigen tegen spinraggen... en de trap). Dan heb ik het water óók op mijn rug staan en tegelijk nog iets praktisch en nuttigs gedaan. Het hoofd is dan weer een tijdje vrij van huishoudelijke plichten. Er is weer ruimte voor geconcentreerd muziekmaken…
We naderden de Catharinakerk in het centrum van Doetinchem. “Het lijkt wel of hier bommen zijn gevallen”, was mijn eerste commentaar. We waren vroeg en Antoinette suggereerde om nog even iets warms te drinken. Net voor drieën schoven we op twee vrije stoelen op de één-na-voorste rij. Alles bezet op de voorste rij (vreemd) na, en dat voor een concert met alleen maar nieuwe muziek!
De Catharinakerk werd vrij snel na de tweede oorlog gerestaureerd. Nou ja, gerestaureerd…. het enige wat na het bombardement in maart 1945 van deze kerk restte was de haan van de kerktoren, die nu in het portaal staat. Dus het is meer een reconstructie geworden vermoed ik. De tegeltjes aan de onderzijde van de pilaren vallen nogal op. Nog nooit gezien. Origineel? Ik denk het niet; wel praktisch als je de vloer dweilt; maar mooi…?
Het orgel leverde Flentrop in 1952. De klank is een beetje zacht en ingehouden en dat is voor de neobarokke periode (waar orgels hard klonken met zo weinig mogelijk registers) wel curieus. Aan het niveau van de Deense orgelmaker Marcussen (met als topwerk het orgel in de Nicolaikerk te Utrecht uit 1956) kon Flentrop toen nog niet helemaal tippen, blijkt. Maar toch,…voor die tijd is dit Doetinchemse orgel een aardig instrument.
De organist van de Catharinakerk, Roel Smit hield een gloedvolle inleiding op het concert met een enthousiasme die me aanstond.
Het programma omvatte van Ad Wammes ‘Mytò’(1981), ‘Miroir’ (1989), ‘On y danse’ (2004) en ‘Blow, horn, blow’ (2005).
Het werd een spannend en inspirerend concert; de tien euro meer dan waard en voor die prijs werd je ook nog een consumptie aangeboden. Toen ik Roel bij de borrel feliciteerde zei ik hem dat ik hoop dat ik op zestigjarige leeftijd ook die gedrevenheid van hem hoop te bezitten. Op mijn opmerking dat ik van Ad had vernomen dat hij voor zijn voorbereiding vele ochtenden al om zeven uur aan de slag ging, reageerde Roel met: “Zeven uur, zeg maar rustig zes uur”. Zijn dochter naast hem knikte instemmend. Kijk, dat steelt mijn hart.
Van Jan Welmers was het ‘Laudate Dominum’ geprogrammeerd. Een werk waar ik overigens nu zo langzamerhand wel op uitgeluisterd raak. Prachtig begin,… zeker, maar het gaat naar mijn smaak te lang in hetzelfde stramien door en zodoende laat Welmers vooral harmonisch in dit werk kansen aan zich voorbij gaan, vind ik.
Van Ad Wammes gingen maar liefst twee werken in première: ‘On y danse’ uit 2004, voor Trompet en Orgel. De  trompetpartij is  bij tijd en wijle opvallend laag. Het klapstuk van de middag was: ‘Blow horn, blow’ voor Koperkwintet en Orgel. Een prachtig stuk! Ik zal me in deze column niet uitputten in analyses.
Dat gebeurt in het fraai vormgegeven programmaboekje overigens wel, waarin een hele rij sponsoren wordt opgesomd. Knap georganiseerd allemaal daar in Doetinchem.
Wie werk van Ad Wammes kent weet dat hij een communicatief componist is. Zijn werk is toegankelijk maar vaak ook integer en diepzinnig. Een combinatie die ik lief heb. Geen l’art pour l‘art-houding van de componist. Geen componist die zich bij voorbaat al verschanst in zijn ivoren toren en bij wie reacties van het publiek als een natte deken langs glijden. Een houding die we maar al te vaak tegenkomen bij Nederlandse en buitenlandse componisten.
In het tweede deel van Blow, horn, blow’ , vind ik dat Ad de grens de grens van het wat platte amusement even opzocht in zijn muziek, maar het kon nèt en dat gaf ook wel een mooi spanningsveld. Ad bleek niet onder de indruk van mijn mening: “dat zijn mijn roots uit de popmuziek, Willem”, zei hij.
Hoe dan ook, …het kan dus… toegankelijke muziek schrijven die toch interessant blijft.

Willem van Twillert

 

 

 

Column 16-11-2005
G
eïmproviseerde orgelmuziek bij zwijgende film

Vorige week zondag 9 oktober 2005, tijdens het festival VOOR DE WIND hebben de Van Twillerts (Pa, Ma en zoon Lodewic) de beroemde stomme film "Steamboat Bill Jr." gezien met Buster Keaton. De film werd muzikaal ondersteund met FANTASTISCHE improvisaties door Gijs van Schoonhoven op het Pels-orgel in de Pieterskerk met een voor dat doel zeer geschikte chamade. Nogmaals schitterend zowel de muziek als de film. Het is mijn gewoonte om collega's altijd even op te zoeken. Gijs was nog bezig bij de speeltafel maar toen ik hem sprak was hij opgetogen . Hij straalde nog steeds het enthousiasme uit dat zijn improvisatie zojuist ook kenmerkte. Goed te zien was dat Gijs nog steeds geïnspireerd is door het fenomeen orgel. Zo hoort het natuurlijk ook. Hij was ook enthousiast over het orgel. In dit genre klinkt het prachtig. Ja, dat wel....
Nogmaals mijn grote respect om een uur lang de ruimte vol te spelen en zo perfect de film te onderstrepen en van muzikaal commentaar te voorzien, compleet met een Leitmotiv wanneer de twee geliefden elkaar zagen of ontmoetten. Gijs liet dan een parafrase op de bruidsmuziek van Mendelssohn horen; telkens weer anders. Uiteindelijk verging het mij tijdens het kijken naar de film zo dat ik het heel gewoon vond dat deze muziek zo klonk. Maar als je je dan realiseert dat deze muziek wel even stante pede werd geïmproviseerd is dat toch een dimensie extra. En gaat mijn hoed diep af voor het gebodene. Overigens zeer authentiek allemaal, want zo ging het bij deze films zonder geluid vroeger ook daadwerkelijk toe. Zwijgende films werden met orgelspel opgeluisterd. De orgels waren zelfs uitgerust met allerlei toeters en bellen en claxons. Die waren overigens soms ook te horen op de negende oktober 2005 in de Pieterskerk op het Pelsorgel.
Deze zwijgende zwartwit-film stamt uit 1928.
De orgelkunst was dus springlevend die zondagmiddag en -avond de negende oktober 2005 te Utrecht.
Vervolgens nog de tweede helft bezocht van een Cesar Franck-programma in de Dom met organist Louis Robillard en danseres Pé Vermeersch met de titel: "Het orgelt in mijn lijf!". Robillard speelde met speels gemak prachtig met een opmerkelijk fraai legato en rubato, mooie registraties, boeiende tempi. Ik stond achter in het koor en bij toeval nam Louis Robillard daar het applaus in ontvangst.
Robillard stond daar nadien een tijdje alleen en zodoende kreeg ik de behoefte hem mijn complimenten voor zijn concert te maken. Er ontstond even een gesprek waarin hij inging op mijn vraag hoe hij de aanslag (berucht vanwege de grote diepgang van de toetsen) vond van dit Bätz-orgel. Hij zei dat hij moeite had met de grote diepgang van de toetsen en het akoestische effect, maar hij zei het met glanzende ogen. Hij vond het een mooi spektakel zo te zien.
De Dom zat geheel vol; men stond zelfs. De Pieterskerk was voor ongeveer de helft gevuld. Op grond van bovenstaande indrukken en het bezoek denk ik dat het festival aan zijn doel heeft beantwoordt. De concerten waren allemaal gratis toegankelijk..
Zeer hoog niveau, goed verzorgt en misschien wel een overvol programma. Je kon niet alles meemaken omdat programma's elkaar overlapten. Anderzijds werden ook bepaalde onderdelen twee maal uitgevoerd. Met een goede planning en een dosis uithoudingsvermogen zou je misschien meer onderdelen kunnen bezoeken!
Voor mij had het ook over twee dagen of perioden (een half jaar later?) uitgesmeerd mogen worden, maar goed, dat zal organisatorisch wel lastig zijn. De dans vond ik tenslotte bij de muziek van C. Franck overbodig.
Veel mensen zaten met gesloten ogen te luisteren om niet afgeleid te worden. Ook de fraaie belichting droeg bij, aan de sfeer. Maar ja,… als er mensen zijn die voor het orgel komen dan zijn extra’s, hoe fraai ook, in wezen niet nodig. Immers, bij een mooi orgel in een fraaie kerk,… dan blijft er voor orgelliefhebbers nog maar weinig te wensen over.
Willem van Twillert

 

 

COLUMN 8-11-2005
“Over live musiceren en meer”

Organisten voeren uiteraard ook collegiale gesprekken over het vak met collega’s over bv. orgels en organisten.
In deze column een weergave van zo’n spontaan gevoerd, collegiaal telefoongesprek. Het ging over orgelspelen in het algemeen en het verschil tussen concerteren voor de microfoon (voor CD of radio) en het levend musiceren in het bijzonder.
Of deze beschouwing overigens “voldoende” vakmatig niveau” zal bezitten? Daar kan ik niet zo bezorgd over zijn. Uiteraard dient een column ergens over te gaan in onze soms deftige en soms hoog van de toren blazende vaktijdschrift(en). Vaktijdschriften horen soms deftig, en soms hoog van de toren te blazen en columns horen soms over niks te gaan om toch allesduidend te kunnen zijn.
Bij live-musiceren kun je soms tevreden zijn wanneer het lukt om je gevoelens spontaan te uiten. Je verleent aan belangrijke noten (te vaak soms) wel eens heftiger agogische accenten dan je je had voorgenomen, je tempokeuze is goed en het contact met het orgel ook. Op zo’n moment heb je als speler het gevoel dat je de spanning samen met het publiek letterlijk aan den lijve ondergaat. Een heerlijk gevoel van flow trekt door je heen; technisch ervaar je als uitvoerder geen enkel probleem; alles loopt lekker. Je drukt je muzikaal uit zoals je dat wenst en je ervaart het concert als uitstekend.
Bij het musiceren voor de microfoon streef je met name naar een uiterst afgewogen interpretatie. Niet te veel overdrijving in de accentuering en agogiek, maar ook geen te zakelijk spel. Je doet een track nog eens over; kortom het musiceren is dan soms verre van spontaan.
Wat is de gemeenschappelijke ervaring met de collega aan de andere kant van de telefoonlijn?
We prefereren in het gesprek beiden uiteindelijk een afgewogen evenwichtige interpretatie, die soms pas tot stand komt na het afluisteren van de eerste opname. Immers de spontaniteit van zo’n eerste opname kan bij herhaaldelijk beluisteren ook gaan vervelen, ja erger nog, gaan irriteren zelfs.
Maar aan de andere kant kan een evenwichtige, afgewogen interpretatie pas tot stand komen wanneer je het werk tenminste een paar keer op een concert hebt uitgevoerd. We herkenden duidelijk die ervaring. Dat maakt zo’n gesprek bijzonder waardevol.
Bij het spelen voor publiek is het een voorwaarde uitermate levendig en boeiend, ja soms zelfs wat overdreven te spelen om de aandacht van het publiek te vangen en het publiek te blijven boeien door een zo spannend mogelijke muzikaal betoog te houden. Bij een concert zal de interpretatie dus zwaardere agogische accenten krijgen dan bij een CD-opname is mijn opvatting. Wanneer je die concert-interpretatie daarentegen ook zou handhaven bij een CD-opname, dan ligt het gevaar op de loer dat diezelfde spontaniteit vanwege het vaker luisteren afkalft en uiteindelijk zelfs zou kunnen gaan vervelen.
Kortom de benadering van een concert en een CD-opname is een geheel andere.
In het telefoongesprek is het dan ook interessant om bepaalde elementen duidelijk als gemeenschappelijk te ervaren. Dat maakt dergelijke gesprekken in het toch solistische individuele leven van een toonkunstenaar waardevol.
Het gesprek ging verder en we spraken ook over onze studie en onze opleiders.
Zo leeft bij ons de indruk dat de generatie organisten rond het geboortejaar 1930 toch wel iets anders functioneert qua decorum dan de jongere generatie. Die jongere generatie beseft meer dat het tegenwoordig een kennis- en netwerkmaatschappij is. Er is geen plaats meer voor mannetjesmakerij en ijdeltuiterij. Niet dat dit anno nu niet zal voorkomen; we zijn tenslotte feilbare mensen. Maar ik denk, dat het bewustzijn groot is dat we elkaar allen als collega’s nodig hebben. Gaat het met de ene collega beter met zijn loopbaan dan straalt dat vaak ook af op de ander. Goede vakmatige contacten zijn in deze kennis- en netwerkmaatschappij onontbeerlijk. Een sterk op zichzelf gerichte houding treft men anno nu toch in het algemeen minder vaak aan dan bijvoorbeeld de tijd voor de Parijse studentenopstand van 1968 om het maar 'kort door de bocht' te formuleren. Als illustratie van de houding uit de periode van voor 1968 DE volgende anekdote:
Een befaamde organist maakte eens een opname. Een jonge organist (nog in zijn studietijd) fungeert als registrant. Het begin van de opname verloopt moeizaam; fouten en vaak over doen, etcetera. De beroemde organist stopt er mee en gaat eens wandelen in de kerk. Daarna verloopt de opname beter. De registrant die erg meeleeft is opgelucht en verstout zich om op te merken dat de organist nu echt aan het orgel is gewend raakt. De reactie is dan treffend: “nee, nee, het orgel went aan mij.”

Willem van Twillert

 

Column 22-08-2005
Hoe noteer ik mijn muziek?

Op uitnodiging van geïnteresseerden werkte ik voor de internet-discussielijst ORGEL-FORUM de volgende tekst uit, die ik nu graag als column op mijn website plaats.
De vraag was hoe ik mijn muziek noteer, doe ik dat met de hand of gebruik ik een computerprogramma?
Welnu:
Ik werk soms met het computerprogramma SIBELIUS wanneer ik een gecompliceerder werk wil componeren, maar dat komt niet veel voor en voor mij blijft het een uitzondering
In Sibelius is het eenvoudig wijzigingen aan te brengen. Ik componeer vanachter mijn huispijporgel en via een paar stappen ben ik bij mijn computer en noteer ik van ik zojuist heb bedacht. Dat werkt prima!
Maar als ik mijn 'gewone' toch tamelijk eenvoudige koraalbewerkingen maak, dan doe ik dat direct achter het orgel. Ik improviseer en probeer het te onthouden. Vervolgens noteer ik het de eerste keer snel en schetsmatig met een zacht (2B) potlood op een muziekblad op de lessenaar. Ik gebruik een luxe, gemakkelijk in de hand liggende automatisch vulpotlood, met een rubberhandgreepje en een gum ligt uiteraard onder handbereik.
Ik werk niet in huiskamer of keuken, maar doe het meeste achter de klavieren. Als ik wat langer ga schrijven gebruik ik de orgelbank als bureau, wil ik dan horen hoe het klinkt dan kan ik gemakkelijk snel bij de klavieren.
Het zijn altijd gedeelten omdat ik intensief aan de details werk. Moet werken. Ik ben geen componist die het in een keer allemaal definitief kan noteren. Integendeel, na de uiteindelijke definitieve notatie komt het spelen en nog eens doorspelen. Het werk laat ik meestal ook een tijd liggen zodat het kan rijpen. Vervolgens weer spelen. Telkens vallen me dan weer zaken op die nog net iets beter kunnen en zo komt na vele malen intensief schaven het uiteindelijke werk naar voren. Het noteren is daarbij in wezen slechts een onderdeel.

Recent noteer ik via SIBELIUS en dat is een hele verlichting. Het bracht echter weer andere oorzaken en gevolg met zich mee. Vooral de complexe werken vanaf 2006 zou ik niet gemakkelijke kunnen noteren in handschrift.

Ik heb wel eens de gedachte gelezen, dat ik vanwege het gegeven dat ik mijn werk bij voorkeur niet nog eens in het net schrijf, het met de detaillering van mijn werk wel niet zo nauw zal nemen.
Ik weet dat het tegendeel waar is. Ik trek alle benodigde tijd uit voor detaillering en afwerking. Men denkt toch niet dat ik alle noten, waar ik lang over heb nagedacht, dat me veel tijd kost in allerhande beslissingen, zomaar op het papier krijg? Men denkt toch niet dat ik dan een loopje zou nemen met de afwerking? Kom nou.
De afwerking is op zichzelf veel meer een rationeel en geen creatief proces. Dus daar neem ik alle tijd. Alleen de indiening van het manuscript is bij mij nog een doorgeefstation. Daarná gaat het productie-proces weer verder bij mij uiteraard. Óók het rijpingsproces! Want voor al die keuzes is tijd nodig. Veel tijd. Soms moet je je werk weer van afstand bezien.

De laatste keer dat ik opnam, dat was te Bolsward, heb ik vers van de lever geïmproviseerd. Ik doe dat niet zo heel vaak. Meestal denk ik er van te voren het liefst over na. Het is deze keer te Bolsward in ieder geval reuze bevallen. Ik heb (misschien wel een beetje tot mijn eigen verbazing zou ik haast zeggen) onder druk van camera's en tijdgebrek en onder druk dat er een paar uitstekende improvisatie-collega's rondliepen (onder andere Sietze de Vries, geloof ik) die op hun beurt voor opname wachtten, een improvisatie afgeleverd, die ik zo op papier zou willen zetten. Dat op papier zetten komt misschien nog wel, maar vooralsnog zal ik dat niet doen. Eerst op DVD uitbrengen. Leuk.
Ik heb de meest recente periode (8-20 augustus 2005) een werk (Scherzo over psalm 38) dat ik wilde invoeren in SIBELIUS. Ik ben er na een tijdje mee gestopt. Het duurde me te lang en ik vond het saai en vervelend om te doen. Heb het toen toch bij het geschrevene met potlood gelaten. Heb vervolgens met cirkels in mijn schetsen aangegeven wat goed is en met cijfers erbij of grote pijlen aangegeven hoe het verloopt. Degene die het nu invoert vindt dat een interessante klus om uit te zoeken. Maar ik kan je verzekeren dat het niet zo maar overnemen is. Het is puzzelen. Vervolgens krijg ik dan een uitdraai en ik werk er verder aan. Maar meestal zitten er maar weinig fouten in. Soms laat de graveur een paar maten open die ik dan later invul, maar dan is er nog een weg te gaan hoor.

Een enkele computernoteur (vroeger graveurs geheten) klaagde vroeger wel eens. Ik reageerde dan met: "Ja jongen, wanneer jullie het van me in het net willen hebben, kan ik het net zo goed zelf gaan invoeren."
Er is wel eens een jaar of zes geleden een graveur geweest die de handdoek in de ring heeft gegooid, maar in het algemeen werkt het goed.

Deze week ook een Voluntary geschreven over LvdK 474 voor twee solostemmen. Ik improviseerde dat tijdens een kerkdienst en heb het een week later geprobeerd het te herhalen. Er kwam een geheel andere versie uit denk ik, maar vervolgens heb ik het geheel voor mijn doen vrij snel opgeschreven. De eerste pagina duurde het langst en kostte een aantal pagina's. Daarna schreef ik de andere twee pagina's in een paar uur op. Voor mijn doen is dat snel.

Willem van Twillert"




 

Column 01-03-2005
Zelfbewustheid en zelfvertrouwen bij orgelspel

Het beheersen van een kunstvorm of ambacht vergt, naast talent, ook oefening en toewijding. Naast een zelf-kritische instelling voor een optimaal resultaat is nog een eigenschap van belang, namelijk: zelfvertrouwen. Enerzijds is daar het bewustzijn van de discipline die men moet opbrengen om moeilijkheden die men ontmoet als organist, met succes te overwinnen, alvorens men een goed concert, een goede bespeling tijdens een kerkdienst kan realiseren. Tevens behoort er ook het rustgevende zelfvertrouwen aanwezig te zijn. Bij het musiceren komt er nog een specifiek facet bij, dat alles te maken heeft met het feit dat er tijdens de uitvoering geen herkansing is. De impulsen moeten bij een concert in één keer de pezen en spieren de goede handelingen laten verrichten. Hoe krijgt een musicus dit mentaal voor elkaar?

Als eerste een gedegen voorbereiding en als tweede een zelfkritische, maar ook zelfbewuste houding. Tijdens en vlak voor een concert moet een mentale houding gevonden worden, die het bevordert om optimaal en met plezier te presteren en musiceren. Daarvoor zijn, mijns inziens, twee voorwaarden van belang.

In de eerste plaats: plezier hebben in het musiceren. Dat plezier kun je ervaren wanneer je probeert de volgende twee elementen toe te passen:

  1. Niet beter willen presteren dan je (op dat moment) kunt.

  2. Na afloop van een openbare bespeling, mits optimaal voorbereid, altijd (!) tevreden zijn (ook al zou het resultaat wellicht minder zijn dan tijdens de repetitie(s)). Je hebt immers alles gedaan voor deze bespeling?

Ben je dan toch ontevreden, dan leg je een dermate grote druk op jezelf voor de volgende bespeling, dat dit je in de toekomst kan gaan opbreken. Je zelfbewustheid breek je dan af. En hiermee kom ik op de tweede voorwaarde, namelijk het onderkennen en accepteren van je beperkingen.

De beste en meest rustgevende houding is: accepteren dat je je grens voor deze keer bereikt hebt; accepteren dat er altijd wel een organist (nog) beter speelt dan jij; accepteren dat je tevreden moet zijn met het resultaat. Je hebt er toch je beste best voor gedaan? Meer zit er, tenminste voor dit moment, niet in. Is er een ander die het dan toch beter kan? Wel, het zij hem of haar gegund. Deze houding geeft rust en legt de basis voor verdere uitbouw van je mogelijkheden. Het zorgt ook voor zelfvertrouwen en zelfbewustzijn en blijvend plezier in het musiceren. Plezier is tijdens het musiceren, naast uiteraard de vereiste speeltechnische en muzikale kwaliteiten, het belangrijkst. Misschien is speelplezier uiteindelijk wel het allerbelangrijkst.
 

Column 19-01-2005
Diversiteit in stijl nootzaak

Er verschijnt veel nieuwe orgelmuziek in een stilistische oude jas.
Dat fenomeen beziet menigeen met kritiek. Nieuwe orgelmuziek in oude stijl krijgt vanuit de organistenvakwereld vaak niet de (h)erkenning die het naar de mening van ondergetekende verdient.
Vele vakorganisten vinden het geen goede zaak voor de orgelkunst dat er zoiets gedaan wordt als het improviseren en/of publiceren in oude stijl. De orgelkunst is volgens hen alleen maar gebaat bij het steeds weer zoeken naar nieuwe wegen. Dat die wegen er uiteindelijk alleen na veel zoeken, wikken en wegen in de grond van de zaak in de kerkmuziek er niet zijn of alleen zijn weggelegd voor de zeer oorspronkelijke geest ontgaat klaarblijkelijk deze groep.
Zeker. Ik acht het zoeken naar nieuwe expressiemogelijkheden voor orgelliteratuur een lofwaardig streven, en zeker dit streven behoort er te zijn. Maar men dient een scheiding te maken tussen strikt profane nieuwe orgelmuziek en religieuze en/of liturgische orgelliteratuur. In de laatste groep is een avant-gardistisch houding in wezen niet overeenkomstig de aard en het gebruik van de orgelmuziek.
Komt bij dat men voor het bijwonen van een kerkdienst of viering doorgaans geen kaarten bestelt en/of koopt. Men komt bij een kerkdienst voor meer dan alleen de muziek. Men krijgt ook via pers of voorbeschouwing, geen programma vooraf van de keuze van de muziek. Als je een kerkdienst of viering gaat bijwonen vertrouwt men er gewoon op dat de muziek tenminste voor een groot deel overeenkomt met de verwachting. Dus zal de organist zich in zijn keuze van liturgische muziek of zijn idioom met het improviseren, naar mijn opvatting zich dit altijd bewust moeten zijn en zich dientengevolge ook bijna (uitzonderingen moeten kunnen) altijd "dienstbaar" opstellen . De stijl van de kerkmuziek zal dus altijd zoals dat in de popmuziek heet 'middle of the road music' of main stream music'' moeten zijn en daar is niets mis mee. Er is keuze genoeg en kwaliteit genoeg.
Organisten die in staat zijn in diverse stijlen te componeren en/of te improviseren zoals bijvoorbeeld op de DVD opgenomen te Kampen (zie elders op deze site) krijgen gelukkig de erkenning die hen toekomt.
En dat is een goede zaak.
 

 

Column 15-01-2005
Omgaan met gedrukte muziek


Dat je met muziek zorgvuldig behoort om te gaan zal niemand tegenspreken. Keurig de noten spelen en alles benaderen in de geest van de componist. Zo wordt je dat bijgebracht aan de conservatoria en bij privé docenten, tenminste als het goede docenten zijn.

Dat sommige docenten er ook streng op toezien dat studenten zorgvuldig en netjes met muziek omgaan (geen ezelsoren, voldoende uitgevouwen) was weliswaar niet nieuw voor mij, maar toch spitste ik de oren toen ik dit in mei 2004, via de radio in het mooie programma A4 (sinds 2 juli 2004 helaas opgeheven) van de pianiste Tan Crone vernam. Zij werd op haar eerste les bij Nadia Boulanger te Parijs, nu zo’n dertig jaar geleden, ook over haar omgaan met de gedrukte muziek streng toegesproken.
Tan Crone vertelde hoe ze bij haar eerste les van Boulanger niet alleen te horen kreeg dat ze er keurig verzorgd en in de goede houding hoorde bij te zitten, maar dat ze ook netjes haar muziek behoorde te behandelen. Niks geen ezelsoren en vlekken in de muziek; geen oude en nieuwe aantekeningen door elkaar (alleen relevante opmerkingen met potlood in de muziek genoteerd), het boek keurig en recht op de lessenaar, enzovoorts. “Het ging er in die twee jaar dat ze er les volgde streng aan toe. Nadia Boulanger had de wind er onder bij haar leerlingen. Met de toon op de piano blijf je je hele leven bezig”, aldus Tan Crone.
Organisten blijven hun hele leven bezig met het telkens weer opnieuw uitzoeken van klankkleuren door middel van het uitzoeken van registraties bij een orgelwerk.

KOPIËREN
Nu, met die enorme toename van het fotokopiëren en het achteloos en soms wetteloos gebruik maken van kopieën van muziek zou Nadia Boulanger zich in haar graf omdraaien.
Goed dat we eens horen dat ook het omgaan met muziekboeken netjes en correct behoort te zijn Dus geen kopieën gebruiken. En al helemaal niet in een eredienst. En toch gebeurt dat zonder dat organisten zich er veel om bekommeren. Juist in de kerk behoren geen onrechtmatige kopieën gebruikt te worden want het is ordinaire diefstal; punt uit. Alleen als het om praktische redenen noodzakelijk is dan mogen er kopieën benut worden. Maar als het even mogelijk is behoort het “echte” boek in de boekenkast te staan. Eenvoudigweg lenen van een collega of bij een muziekbibliotheek en dan vervolgens een kopietje maken en die gebruiken bij een openbare uitvoering kan dus niet. Dat is oneigenlijk gebruik. Dat geldt voor elke muzikant.

UITGEVERS
Correct omgaan met gedrukte muziek is ook van belang voor uitgevers. Immers ook zij behoren hun brood te kunnen verdienen. En alleen zo wordt de voortgang en verbreiding van de muziek en de muziekcultuur gewaarborgd. Het is zo simpel als het zijn kan. En toch?… toch halen veel musici en ook veel (kerk) organisten hun schouders op. “Waar maak je je druk om” is vaak de reactie.
Eenzelfde strijd tegen kopiëren voeren de platenmaatschappijen tegen het illegaal kopiëren en downloaden van muziek. Maar in de strijd tegen het branden winnen piraten het vooralsnog van overheid en industrie. Vertaalsleutels waarmee branders en computers zogenaamde “copy controlled cs’s” kunnen lezen, zijn meestal binnen no time beschikbaar.
[Bron: Menno Pot, “Stijden muziekpiraterij geen succes”, Volkskrant 2 mei 2003]

Willem van Twillert
 

 

Column november 2004: Het Haarlemgevoel


"Zo, dus dat vinden jullie nou leuk", zei Klaas Bolt op een warme zomermiddag (was het 1985?) toen hij getooid met een bizar ogend hoedje, boven aan een duin staande, neerkeek op drie studenten (waaronder schrijver dezes), die hem hadden uitgenodigd voor een middagje strand.
De ervaring van die middag beleefde ik opnieuw toen ik me weer op praktisch dezelfde plaats op het strand bij Bloemendaal bevond.
De plaats waar Bolt toen vanaf het duin naar beneden keek en ons dit toeriep is nu ingenomen door een trendy strandrestaurant, waar de yuppen zich laven aan zon, zee, verveling, en aandacht.

Deze foto werd gemaakt zomer 2004 waar Jos en Willem gezellig na een donderdagmiddagconcert van Jos zitten bij te praten. Links de achterkant van het Vleeschhuis. Rechts een bouwtkraan op de plaats waar een enorm gebouw komt, waar veel over te doen is geweest ivm de hoogte. Linksachter de Grote- of Sint Bavokerk met de karakteristieke aanleunhuisjes.Ik combineer een zonovergoten middag op het strand met een orgelconcert in de Grote of Sint Bavokerk te Haarlem, waar het programma vermeld dat David Sanger zal spelen. Deze orgelconcerten worden door de gemeente Haarlem jaarlijks van half mei tot oktober georganiseerd op de dinsdagavond, aanvang 20.15 uur. De toegang is gratis en het niveau hoog. De stadsorganist Jos van der Kooy neemt 15 concerten voor zijn rekening, voor de overige concerten wordt de top aan organisten uit binnen- en buitenland uitgenodigd.
In de zomermaanden juli en augustus zijn er zelfs twee maal per week orgelconcerten. Dan is er ook een orgelbespeling op donderdagmiddag, aanvang 15.00 uur.
Die dinsdag 3 juli 2001 wordt mijn belangstelling getrokken door het openingswerk: Een bewerking van Marcel Dupré over 'Wir danken dir' uit cantate 29 van J.S. Bach. Er is nog wat tijd over en ik besluit om nog een
blik om de hoek te gaan werpen op de beroemde vleeshal, het standbeeld van Laurens Jansz Coster (uitvinder van de boekdrukkunst volgens Haarlem) en het prachtige stadhuis met de karakteristieke Italiaans aandoende loge.
Na nog even de magnifieke ruimtelijke werking van het marktplein op me te hebben laten inwerken, begeef ik me met dat typische Haarlemgevoel weer Bavo-waarts. Ik ontmoet er nog een vriend die in de deuropening van de kerk staat. We zoeken vervolgens samen een plaats op, dicht bij het orgel, omdat het monumentale instrument dan zo majestueus klinkt en je ook duidelijk de finesses in het spel van de organist kunt beluisteren.
Voor ons zitten vier jongens van zo'n dertien tot vijftien jaar.
Uiteindelijk zullen die het orgelconcert weliswaar voortijdig verlaten, maar anno 2001 vallen jeugdigen toch op bij een orgelconcert.

Het rugwerk van onderaf gezien met het prachtige sofiet, dat is de beeldengroep die de onderkant van het rugwerk siert. Let ook op het mooie houten plafond met stergewelf. Wat een kerkruimte en wat een orgel!Het front van het Müller-orgel is telkens weer een feest om naar te kijken.
Een orgel dat niet alleen prachtig is om naar te luisteren , maar ook om naar te kijken. Aan het front kun je alle
mogelijke stijlkenmerken ontdekken, een genoegen op zich. Met hernieuwde belangstelling neem ik het front in me op. Zal het mij nu meer opvallen dat de middentoren eigenlijk aan de smalle kant is zoals Arjen Looyenga zowel in deel II, 1726-1769 (pagina 109-111) als in deel V (pagina 22 en 23) van de orgelencyclopedie "Het Historische Orgel" (een fantastische uitgave voor elke orgelliefhebber) beweert?
Looyenga laat de ontwikkeling zien van de breedte van de middentorens aan de hand van afbeeldingen van het in 1940 verwoeste orgel in de voormalig St. Rosalia te Rotterdam, dat Johannes Mitterreither in 1779 maakte. In zijn ontwerp voor die kerk besloot Mitterreither te breken met het vaste aantal van zeven pijpen in de middentoren. Hij breidde dit, als eerste orgelmaker in Nederland, uit tot vijftien pijpen.
In 1790 ontwierp de uit Italië afkomstige Jan Giudici (1746 - 1819) het orgel in de St-Laurenskerk te Rotterdam. Ook hier bevatte de middentoren geen zeven pijpen, zoals in de St. Bavo te Haarlem, maar waarschijnlijk
vijftien pijpen. En ook hier ontwierp Giudici een gebogen basislijn, die naar boven omhoog krult over het rugwerk heen.
Vanaf de begane grond kon men dan de voeten van de pijpen in de middentoren van het hoofdwerk bijna geheel volgen.

Inderdaad de middentoren van het Bavo-orgel is magertjes uitgevallen te midden van de machtige 32- voets pedaaltorens.
Maar door in de top, vanuit de bovenwerktoren de bekroning met de wapenenscenering fors te laten uitwaaieren is Müller er evenwel in geslaagd om de middentoren visueel toch visueel forser aan te te zetten.
Vanwege de bekroning van de middentoren van het hoofdwerk door een lijst met een cartouche krijgt de middentoren eveneens meer volume

DAVID SANGER
David Sanger speelt mooi. Typisch engels: vocaal, zangerig .
Hij zet de topnoten iets aan, door een subtiele verlenging van de hoogste toon in een frase.
Dit is goed merkbaar in de pedaalsolo van de Toccata, Adagio en Fuge in C van J.S Bach.
Het is echter de kunst om deze vrijheden niet ten koste te laten gaan van de cadans. De klemtoon op het zware maatdeel (in 4/4 maat is dat een nadruk op de eerste tel, en een iets lichtere op de derde tel, terwijl een
3/4 maat alleen een betoning krijgt op de eerste tel) legt Sanger fraai in het openingswerk, 'Wir danken dir' uit Cantate 29 van J.S. Bach, in een fraaie sprankelende bewerking van Marcel Dupré.
In de Toccata is Sanger's helderheid in articulatie wat minder sprankelend.
Heeft dat te maken met zijn veelvuldig omgaan met Engelse instrumenten die vaak ofwel een Barker-hulpmechaniek hebben, ofwel een elektrische mechaniek bezitten? Ik denk het niet, want Sanger is een ervaren speler, die al vele CD opnamen op zijn naam heeft staan.

In bovenstaand verband dacht ik aan een tekst van Peter van Dijk in het 'Redactioneel in Het Orgel, 2001 - nummer 4 (er staat geen maand van verschijning op, maar het is juli 2001):

'Voor menig buitenlands virtuoos blijken onze weerbarstige historische mechanieken een in fatale mate onderschat struikelblok te zijn. Echter diezelfde virtuoos blijkt een Engels kathedraal-orgel als het ware van de
muur af te kunnen laten spatten. Lang leve derhalve de veelkeurigheid!
' [sic]


Foto: Willem van Twillert

Haarlemse registranten
Ingewijden weten dat aan de registratie vaak ook veel wordt bijgedragen een gesleuteld door de voortreffelijke beroepsregistranten, die in dienst zijn van de gemeente Haarlem. Zij staan de organist bij met de registratie maar ook vaak met het bedenken en samenstellen van de registratie.

Bij het slotstuk van Sangers recital was een incident: Een rockband begon namelijk vlakbij de kerkmuren voor het café-publiek te spelen. Binnen in de St. Bavo bleef het publieke na het voorlaatste stuk doodstil.
Wat nu? Er klonk een aarzelend (slot?)applaus. De spanning was voelbaar. Toch was het interessant te merken dat klaarblijkelijk iedereen aanvoelde dat het concert nog niet af was.
Men wilde perse het slotstuk horen. Een bewijs dat Sanger zijn programma goed had opgebouwd.
Het bleek dat vanuit een Amerikaanse jaren-vijftig-slee er buiten de Bavo, met behulp van een aggregaat (voor de elektriciteit), harde rockmuziek gemaakt werd door een enthousiaste muzikant.
Gelukkig kon Anton Pauw de rockmuzikant uiteindelijk duidelijk maken dat er nog een orgelconcert aan de gang was.
De uitvoering van Liszt' fantasie over BACH kon vervolgens tamelijk ongestoord doorgang vinden.
Gaat u na afloop van het orgelconcert naar de deur linksonder het orgel.
Daar komt de organist uit. Hij/zij zal het waarderen wanneer u hem/haar feliciteert met zijn/haar prestatie. Dat hoort óók bij het Haarlemgevoel en dan... naar de kroeg. Want na het concert is het gebruikelijk dat
orgelconcertgangers nog even napraten in het "Carillon", het orgeletablissement bij uitstek, gelegen aan de Grote Markt tegenover de Grote- of St. Bavokerk.
Schrijver dezes liet dit keer echter verstek gaan en liep de Kleine Houtstraat in, onderwijl kijkend en genietend van een van de vele mooie Haarlemse panden. Bij een van die huizen had een houtsnijder de uiteinden
van de balken waarop het balkon rust, prachtige sprekende koppen gegeven.
In Haarlem voel je je nooit alleen.
WILLEM van TWILLERT

Column november 2003 Opnamen in Noordwijk aan Zee

(Zie ook de fotoreportage)

In 1965 kreeg voor het eerst orgelles op de muziekschool te Amersfoort. Ik zie me nog gaan. In keurige kleren stapte ik in de streekbus op weg naar de heer Seldenthuis die van mij een organist zou maken. Een twee jaar later zeiden Louis Mol ( dirigent van het Baarns oratoriumkoor) en Henk de Graaf (die toen aan het Utrechts conservatorium studeerde en nu soloklarinettist is van het Rotterdam Philharmonisch orkest), dat ik best naar het conservatorium zou kunnen gaan. Dromen hoe dat zou zijn, beroepsmusicus. Met ontzag zag ik soms een grote omroep-opnamewagen bij de St. Joriskerk staan. Dat leek me het toppunt: Van je hobby je beroep maken! Geweldig leek me dat. Ik keek op tegen namen als Albert de Klerk, Cor Kee, Piet Kee en Stoffel van Viegen.

Een radio-opname is geen kleinigheid. Dat heeft de ervaring me wel geleerd. Het opnemen op locatie betekent afhankelijk zijn van buitengewone factoren. En reken maar dat die buitengewone factoren er komen. Elke keer is dat weer een verrassing. Wat zal er nu weer mis gaan, zo'n gevoel....

Nu, ik heb met het opnemen op zich al heel wat buitengewone factoren meegemaakt. Wanneer het zonnig is dan beginnen er vogels te fluiten en te kwetteren (Broerenkerk, Zwolle circa 1982). Wegwerkzaamheden, die alleen werden stilgelegd toen het hevig begon te regenen. Door het regengeruis moest soms de opname ook even opgeschort worden. (Mozes & Aäronkerk Amsterdam 22-11-2001) En zo kan ik wel een tijdje doorgaan en dan wil ik het niet hebben over vuilnisauto's die 's ochtends langs kwamen (Kampen Bovenkerk circa 1994) en overig verkeerslawaai. De ergste pech was rond 1981 in de Dorpskerk van Wassenaar waar een opname plaats vond met Bruce Haynes op barokhobo, Danny Bond op barokfagot en Staat Swierstra op barokviool. Daarvan zijn de meeste opnamen om technische redenen later afgekeurd omdat er een brom in de opname zat. De stroom was niet aardevrij, niet "clean". In dat geval hadden we de elektriciteit van een ander punt moeten tappen.

In Noordwijk aan Zee was het de storm die ons tijdens de opname parten speelde. De kapel ligt pal aan zee. De kerk bleek niet bereikbaar voor de NOS-geluidswagen, vanwege een paal die alleen maar naar beneden ging met een plastic kaart. Gelukkig was die middag de tweede organist langs gekomen en deze organist was zo attent geweest om zijn telefoonnummer af te geven, "voor het geval dat,..."

Rond half zes belde ik met Okke Dijkhuizen om me te vergewissen dat de opname wel door zou gaan ivm. de storm. "We zijn bijna bij de kerk" zei Okke. Eenmaal aangekomen was er zijn ontsteltenis: "We komen niet bij de kerk, hier heeft men niets van gezegd!" mopperde Okke. Ik belde toen snel met de tweede organist en die bedacht iets. Die man had een geweldig netwerk want binnen een kwartier stond er een blozende marktkoopman met een parkeerkaart. Probleem opgelost.

Waar bleef toch de eerste organist? Hij zou toch de Dulciaan stemmen? Bellen maar weer: "Problemen op het werk, ik ben er om 19 uur", zei de eerste organist. Uiteindelijk stemde Okke toen maar zelf de Dulciaan, wat hij overigens vakkundig deed. De opname startte tegen half negen.

Met dergelijke calamiteiten had ik rekening gehouden en ik had me daarom grondig voorbereid. Ook vanwege het buitenissige pedaal. Dus had ik mijn programma grotendeels uit het hoofd geleerd en mijn motoriek zo scherp mogelijk gemaakt door de gehele middag bezig te zijn met herhaling van gedeelten waar klavierwisselingen in voorkomen. Bij klavierwisselingen wil je vermijden dat er tijdens de "landing" op het andere klavier een buurtoets wordt aangeraakt. Daar komt bij dat het spelen van versieringen bij een zijkant bespeling altijd meer subtiliteit vereist; er zit immers als het ware een winkelhaak extra in de tractuur. Ook het tempo wil je nog eens grondig vaststellen.

Mensen denken wel eens: Oh, je kunt toch een keer overspelen? Ja, dat kan, maar bij een tweede kans moet er dan wel een perfecte take komen, want anders kom je al gauw in tijdnood. Dus je kan niet te vaak iets drie keer spelen.

 

Tevens is het ook een mentale zaak. Ik durf te stellen dat succesvol spelen niet alleen afhangt van een grondige voorbereiding maar ook van een goede mentale instelling en dat is niet alleen een zaak van trainen, dat moet je ook een beetje van nature meekrijgen. Ik voelde me zeker. Tijdens de opname stemde ik enkele pijpen bij van de Dulciaan. Bij tijd en wijle tochtte het in de kerkruimte omdat de deuren vanwege de kabels iets open moesten blijven.

Okke is een strenge edoch zeer bekwame en toegewijde muziekregisseur . We overlegden zo nu en dan over de registratie; deden hier en daar een take opnieuw en om iets over half tien werd de opname als voltooid beschouwd. De technicus bleek er al tien werkuren op te hebben zitten en daarom wilde Okke geen extra opnamen maken. Gelukkig heeft Okke een fenomenaal inzicht en gehoor en een grote beroepstoewijding. Uiteindelijk zal hij, weet ik uit ervaring, mijn muzikale verrichtingen op de band beter kennen dan ik. Dus ik zie niet de noodzaak om bij de montage aanwezig te zijn omdat ik me durf te verlaten op het vakmanschap en het perfectionisme van Okke Dijkhuizen.

Na de opname kon ik nog net deze foto schieten. Op de voorgrond is Okke Dijkhuizen bezig zijn tas te pakken en Gert Altenaa zegt Okke dat er nog een foto gemaakt wordt.

De volgende dag belde Okke vanuit de studio. Op de achtergrond hoorde ik de opname. Okke zei enthousiast; "Je hoort niets van de wind, het is een prachtige opname geworden. Ik ben heel tevreden. Wat een prachtig orgel is het toch, luister maar eens."

Ik hield de hoorn van de telefoon strak tegen mijn oor. "Ja, Okke het is mooi zo", zei ik. "Ik ben heel tevreden", herhaalde Okke en eerlijk gezegd klonk dat mij op dat moment als de mooiste muziek in mijn oren, want we weten (in ieder geval ik weet dit) dat Okke, indien hij niet tevreden zou zijn, dat ook zou zeggen ; recht door zee als hij is. Soms annuleert hij, zo zei hij me ooit eens, ook wel eens opnamen als hij niet tevreden is, of wanneer het programma zijn uiteindelijke goedkeuring niet kon wegdragen.

Mijn jongensdroom dat het bij radio-opnamen vooral gaat om de organist, is allang bijgesteld. De beleving zoals in die jongensdroom is wel gebleven. Gelukkig wel want nog steeds vind ik het een "event", maar wel een gebeurtenis die je als team neerzet. Dat ik nou het geluk heb een beetje orgel te kunnen en mogen spelen maakt mij niet belangrijker dan andere mensen. En alleen op die manier heb je, denk ik, de mentaliteit om enerzijds obstakels te overwinnen en problemen het hoofd te bieden en anderzijds om mooi en ontspannen con amore te musiceren.

Programma Noordwijk aan Zee EO-opname op maandag 6 oktober van 19:30 - 22:00 uur
Anoniem (Zuid-Duitsland 18e eeuw) Marche
Justin Heinrich Knecht (1752-1817) Thema met 6 variaties in F
    Rondo in Es
    Choral, "Es ist das Heil und kommen her"
Friedrich Wilhelm Marpurg (1718-1795) "Christus, der ist mein Leben"(2 Variaties)
Theodore Grünberger (1756-1820) Solo di Gamba unter der Wandlung (Uiteindelijk niet opgenomen)

 

Column juli 2003 Orgel spelen om fit te blijven

Er zijn vele manieren om fit te blijven, maar het bespelen van een muziekinstrument wordt daar niet direct mee in verband gebracht. Toch is musiceren ook een manier om fit te blijven, zowel fysiek als mentaal.
Als je bijvoorbeeld orgel speelt, is met name het spelen met de voeten, het pedaalspel, een zware opgave, waarbij alle spieren zijn betrokken. Wanneer je een triosonate van Johann Sebastian Bach speelt, mag je stellen, dat je ook wel bezig bent met ‘fitnesstraining’. Maar in het geval van musiceren komt er nog wat bij: namelijk eem mentale opkikker. Immers je zintuigen (gehoor, tastzin, concentratie, geheugen,) worden aangesproken en gaan op scherp staan. Ook je communicatieve vermogens zijn zelfs in training geweest. Immers, je zult als uitvoerder van dergelijke muziek ook een affect, een gemoedstoestand, willen overbrengen aan het eventuele publiek en daar hoort voorstellingsvermogen bij om een gemoedstoestand te kunnen uitbeelden.
Vanwege verhoogde activiteit van de hersenen blijkt musiceren ook een goed medicijn te zijn tegen dementie en de ziekte van Alzheimer.
In de Haagse Post van week 25 (20 juni 2003) is een artikel gewijd aan fit blijven. 23 bekende Nederlanders geven hun antwoord op de vraag of ze aan fitness doen. Slechts één van de 23, de schrijver en bioloog Midas Dekkers (57), ervaart het doen aan fitness als zinloos en hij omschrijft het als volgt:
“Sporten om fit te blijven? Waar ziet u mij voor aan? Wie graag oud wil worden, moet vooral níet sporten. Kijk naar de één miljoen sportblessures per jaar. Wie gezond wil blijven, dient zich met de geest bezig te houden. Oud worden is toch vooral een kwestie van erfelijke aanleg. Lichamelijke inspanning is totaal ondergeschikt.”
Met Midas Dekkers ben ik het eens. Fit blijven? Ga een instrument bespelen, dan heb je de fitnessruimte (alleen het woord al, brrr) niet nodig.
Een tweede punt is geestelijke fitheid.
De fysicus G. Shaw en psycholoog F. Rauscher van de Universiteit van Californië in Irvine hebben onderzocht of het abstracte denkvermogen van jonge kinderen vergroot wordt door pianospelen. Zij publiceerden hun bevindingen in het tijdschrift ‘Neurological Research’ februari 1997.
De onderzoekers namen een proef met 78 kinderen in de leeftijd van drie en vier jaar.
Vier testen werden de kinderen opgelegd. Drie voor ruimtelijke herkenning en één test in de vorm van een puzzel van vier stukken voor het toetsen van het abstracte denkvermogen.
Vervolgens kregen 34 kinderen een half jaar pianoles van tien minuten per dag, 20 kinderen kregen computeronderwijs en 10 kinderen zingen in groepsverband, 14 kinderen dienden als controlegroep.
Wat bleek?
De peuters die pianoles hadden genoten verbeterden in de tweede testronde hun prestatie met 34(!) procent.
Shaw en Rauscher geven als verklaring voor deze score dat pianospelen blijvende veranderingen teweeg kunnen brengen in het netwerk van ‘contacten’ tussen zenuwcellen in hersengebieden die niet direct te maken hebben met muziek. Die uitkomst komt overigens overeen met ervaring uit een soortgelijke test waarin volwassenen die eerst tien minuten muziek van Mozart beluisterden hoger scoorden in een direct daarna afgenomen intelligentieproef.
Shaw adviseert ouders op grond van zijn bevindingen dan ook hun kroost op jonge leeftijd al pianoles te geven.
Overigens is (nog) niet vastgesteld of muziekles op jonge leeftijd het denkvermogen blijvend verbetert, maar stel, dat het abstracte denkvermogen uiteindelijk toch niet zou verbeteren, dan hebben kinderen intussen wel een instrument leren bespelen.
Mijn ervaringen op het gebied van orgel- en pianoles is, dat juist voor kinderen die moeite hebben met leren in het algemeen, muziekles een prachtig middel is om hun leervermogen te verbeteren. Tijdens het musiceren en het aanleren van de juiste techniek om een instrument te kunnen bespelen leren kinderen om muzikale en speel-technische problemen te onderkennen en het hoofd te bieden zonder daarbij in hoge mate onzeker te worden. Kortom: kinderen ervaren en leren tijden het aanleren van de techniek om een instrument te kunnen bespelen meer dan alleen technische en muzikale kennis.
Het is pure tijdverspilling in fitnessruimtes vele uren te besteden aan voor je gezondheid noodzakelijke beweging of te gaan joggen, wat ook niet eens goed is voor je knieën.
Er is nog zoveel zinvolle beweging te bedenken, te beginnen met het bespelen van een instrument.
Doe nooit op hoge leeftijd je instrument de deur uit. Blijf musiceren en spelen tot je laatste snik, maar het hoeft niet tot je spreekwoordelijk een ons weegt.
Naschrift:
Eén van de instrumenten waar je het meest fit van wordt heet orgel. En ben je een muzikale beginner? Probeer dan zo snel mogelijk zettingen te spelen van (koraal)melodieën op orgels met twee klavieren en pedaal.

Column maart 2003 Je hobby je werk

(zie ook radio-interview CASA LUNA,2004)


Organisten behoren tot een te benijden beroepsgroep. Immers, wanneer het gelukt is om een bestaan op te bouwen als organist dan heb je in wezen van je hobby je beroep gemaakt. We doen dit met inzet en met een goede balans tussen de eisen die de taak stelt aan de eigen bekwaamheden. De Amerikaans-Hongaarse psycholoog Mihaly Csikzentmihalyi (spreek uit: tsik-sent-mie-ah-haai) vond hiervoor al rond de jaren 1960 de term flow (ruwweg vertaald: geluksgevoel) uit. Toen hij (rond 1956) aan zijn dissertatie werkte en voor dat doel kunstenaars observeerde, merkte hij dat kunstenaars vaak weinig geïnteresseerd zijn in hun werkproduct, althans wanneer het kunstwerk eenmaal voltooid was. Het gaat hen meer om de flow: het volkomen opgaan in de creatie van het kunstwerk. Met zijn of haar geest en gevoelens is de kunstenaar geheel betrokken bij de volbrenging van een taak, waardoor het niet uitmaakt of men gelukkig is of niet. Tijdens het creatieve proces verdwijnen gevoel voor tijd en plaats omdat met het eenvoudigweg te druk heeft om na te denken over zichzelf of over de vraag of men gelukkig is.
Jean Cocteau beschreef al op 29 januari 1954, dus voordat Csikzentmihalyi flow op de kaart zou zetten, dit flowgevoel in één geweldige zin in zijn laatste dagboek ‘Le Passé défini III, 1954’ : “Als ik werk (het werk me bewerkt) ontsnap ik aan mezelf en word ik erdoor opgeslokt zodat ik mezelf volkomen vergeet. Het schilderen heft bij mijn pijn en tijd op.’
Dit citaat komt uit de Nederlandse vertaling door Joop van Helmond van de vier dagboeken 1942- 1954 van J. Cocteau, onder de titel, “Dagboek van een duizendkunstenaar’ (citaat op pagina 270). Joop van Helmond selecteerde, vertaalde en schreef een nawoord [uitgave de arbeiderpers].
Een organist die oefent om een orgelwerk onder de knie te krijgen zal zich herkennen in het zich kunnen concentreren zonder verstorende elementen toe te laten. Dit los zijn van de zorg van alledag lukt niet altijd, maar alleen al het streven er naar en de bewustwording er toe, is van groot belang. Czikszentmihalyi: 'Pas na afloop voel je je tevreden over hetgeen je bereikt hebt. En doorgaans ervaar je dan ook dat je persoonlijkheid verrijkt is, dat je "zelf" zich uitgebreid heeft. Juist door die na-effect komt flow het dichtst bij wat mensen normaal met "geluksgevoel" bedoelen. Flow leidt tot voortdurende groei.' (citaat afkomstig uit het NRC Handelsblad van 4 juli 1998, waar Hendrik Spiering met Csikszentmihalyi een vraaggesprek had.)
Ook het luisteren naar (orgel)muziek lijkt geen actieve bezigheid, maar het vergt juist bekwaamheid om je te concentreren en om ieder irrelevante gedachte buiten te sluiten. Het is niet alleen kwestie van je gewoon laten gaan.
Flow geldt trouwens voor alle beroepsgroepen. Is er bijvoorbeeld een overeenkomst tussen het oplossen van een wiskundig vraagstuk en het improviseren over een thema? Nee, volgens mij. Er zijn zelfs alleen maar contrasten op één na.
Bij een wiskundig vraagstuk ken je het probleem: er is constant sprake van helderheid, onverwacht opdoemende problemen zijn er niet. Bij een improvisatie is het precies omgekeerd: je weet niets vooraf, helderheid moet je zelf gaan scheppen en het enige wat je zeker weet is dat er onverwacht opdoemende vraagstukken zullen verschijnen.
Lex Schrijver, sinds 1990 hoogleraar Discrete Wiskunde en Optimalisering aan de Universiteit van Amsterdam, zegt er het volgende over (Citaat afkomstig van interview door Michael Persson getiteld: “De ideeën komen uit het niets - Hoogleraar Lex Schrijver bedacht de wiskunde achter de nieuwe NS-dienstregeling”, DE VOLKSKRANT van 16 december 2006, kennispagina 7): “Je hebt het helemaal in de hand. Hoeft niet te gaan improviseren. Je kunt je in volkomen concentratie wijden aan die ene vraag. Die concentratie maakt een mens gelukkig, volgens de flow-theorie van die man met die moelijke naam.” En die naam is, zo liet Lex Schrijver de interviewer een dag later per mail weten: Csikszentmihalyi.

Csikzentmihaly was overigens een van de eerste, zo niet de eerste psycholoog die zich nu eens niet bezig hield met negatieve gevoelens ( depressiviteit, etc.) maar met positieve gevoelens. Ook de interesse van  hoogleraar arbeids-en organisatiepsychologie Wilmar Schaufelt te Utrecht, verschoof van negatieve (15 jaar uitsluitend onderzoek naar burn-out, verzuim en werkstress) naar positieve emoties. Na een sabbatical in 1999 verlegde hij zijn wetenschappelijke aandacht naar positieve oerreacties van de mens zoals arbeidsplezier en toewijding. Wie positieve emoties heeft, ontplooit zich beter, omdat hij meer zelfvertrouwen heeft. 

Hoe kwam Csikszentmihalyi in de jaren vijftig aan zijn informatie?
Via duizenden proefpersonen die allen met een semafoon op willekeurige momenten konden worden opgepiept, waarna ze een enquête-formulier moesten invullen met antwoorden op vragen zoals waar ze mee bezig waren op dat moment, wat hun gemoedstoestand nu is, enzovoorts. Met deze 'Experimental Sampling Method" (ESM) kreeg Csikszentmihalyi inzicht in de stroom van ervaringen en gedachten die een mensenleven dagelijks bepaalt. Een interessant onderzoek vooral voor creatieve beroepen.
De basis voor menselijk welzijn is gelegen in de ervaring van geconcentreerd werken aan een taak of hobby die de volle aandacht vasthoudt en waarin evenwicht is tussen de eisen die de taak stelt. Alle liefhebbers van orgels en orgelmuziek zullen dit kunnen beamen. Sommige professionele organisten zijn gestuit op een "welzijnsprobleen'': Ze moesten een nieuwe hobby vinden.

Naschrift:
In een vraaggesprek in het NRC Handelsblad van 4 juli 1998 sprak Hendrik Spiering met Csikszentmihalyi. Vanaf dat moment was ik een bewonderaar van deze wetenschapper. Toen de vertaling van zijn boek: CREATIEVITEIT OVER FLOW, SCHEPPING EN ONTDEKKING (Amsterdam 1998, uitgever Boom ISBN 90 5352 3731) werd gepresenteerd in Amsterdam was ik erbij en maakte van de presentatie ook foto's, die nu bij deze column worden geplaatst.
Csikszentmihalyi signeerde het door mij aangeschafte exemplaar met: "good flow with music!"

Deze column is geschreven in 2003. Regelmatig komt flow in geluksartikelen naar voren. Enkele zinsneden uit aan flow gewijde artikelen die na het schrijven van deze column zijn verschenen wil ik graag alsnog vermelden. In de Volkskrant van 25 augustus 2007 staan in het artikel ‘Dag vakantie, hallo werk’, door Peter Greef enkele mooie zinnen over flow die ik graag doorgeef: “Positieve emoties ervaren we vooral op die momenten waarop we ons in een situatie bevinden die zeer uitdagend is, veel vaardigheid vereist en vergezeld gaat van gevoelens van concentratie, creativiteit en bevrediging. Momenten waarop we zo opgaan in wat we doen dat we elke notie van tijd vergeten. De Amerikaans/Hongaarse psycholoog Mihaly Csikzentmihalyi noemt dit flow.” De Duitse socioloog Manfred Carhammer heeft uitgezocht uit wat het effect is van de toegenomen tijdsdruk en de snelheid van leven. Peter Greef in genoemd artikel: “Tot zijn verbazing ontdekte hij een opmerkelijk verband tussen tijdsdruk en geluksniveau. In moderne samenlevingen waar de tijdsdruk hoog is, zijn de inwoners het meest tevreden met hun leven. Garhammer noemt dit de paradox van mensen in de moderne meerkeuzesamenleving. De meest actieve personen zijn ook het meest gelukkig.”