IMPROVISATA

Nog niet zo lang geleden kon elke nieuwe compositie waarin niet de Muzikale Vooruitgang werd gediend, rekenen op verkettering, maar anno 2002 , tijd van computer en internet, is ook de drieklank weer in en bestaat er zoiets als een neoromantische en/of eclectische stijl. 
Bepalend voor de stijl van het muziek maken voor deze CD waren de melodieŽn waarůver en het orgel waarůp met inzet en smaak in een laatromantische en soms ook een eclectische stijl werd gemusiceerd. 
De beide organisten, die voor dit CD-project zijn gevraagd om te improviseren over melodieŽn van Mehrtens en Huijbers, danken deze uitnodiging aan hun talent om dermate mooi te kunnen improviseren, dat het lijkt alsof ze ooit als kind in een pot met orgelimprovisaties zijn gevallen.
Wanneer men drie organisten binnen een bepaald kader hetzelfde orgel laat bespelen komen zowel boeiende overeenkomsten als verschillen in musiceren en registreren naar voren.Een improviserend en/of componerend organist laat immers via zijn eigen muziek ook zijn muzikale persoonlijkheid in optima forma horen. 
De melodieŽn van Bernard Huijbers en Frits Mehrtens zijn bewust als thema voor dit CD-programma gekozen. Beide componisten zijn geboren in 1922 en dat is, in het jaar van verschijnen van deze CD, tachtig jaar geleden genoeg reden voor een eerbetoon. Beide componisten hebben melodieŽn gemaakt, die zowel in protestantse als rooms-katholieke kerken, in binnen- en buitenland beroemd en geliefd zijn geworden.
Het grandioze Adema/Philbert-orgel in de Mozes en Ašronkerk leent zich bij uitstek voor dit project, omdat de inspirerende klank van dit drie manualen en pedaal tellende instrument een breed spectrum bestrijkt van klassiek tot laatromantiek. 
Bij de samenstelling van het programma stond vast dat Willem van Twillert het programma zou larderen met orgelliteratuur die bij de stijl van het orgel past samen met eigen werk.
De titel van deze CD is afkomstig van Edgar Tinel, die ťťn van zijn orgelwerken (track 20 op deze CD) de titel IMPROVISATA meegaf.
Willem van Twillert

Aart de Kort (geb. 1962 te Leidschendam)

Hij studeerde hoofdvak orgel aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag bij Wim van Beek. In 1986 behaalde hij het einddiploma, waarna hij zijn studie voortzette aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, waar hij bij o.a. Jan Valkestijn kerkmuziek studeerde. Bij Klaas Bolt bekwaamde hij zich in het kerkelijk orgelspel en improvisatie, voor welke vakken men hem bij het afsluiten van de studie het cijfer 10 toekende. Tijdens deze Amsterdamse periode studeerde hij ook nog enige tijd orgel bij Jacques van Oortmerssen.
Hij treedt op als solist en begeleider van diverse bekende koren en solisten. Deze activiteiten brachten hem in vele West- en Oost-Europese landen. Ook als componist is De Kort actief. Dit resulteerde in een aantal kerkmuzikale composities en werken voor orgel, koor, zangstem, piano en diverse instrumentale bezettingen. In 1998 voltooide hij voor het nieuwe orgel van de Leidse Universiteit een concert voor orgelpositief en strijkorkest.
Aart de Kort is als kerkmusicus werkzaam in Den Haag en is tevens verbonden als pianist aan de Dansvakopleiding van het Kon. Conservatorium te Den Haag. Ook dirigeert hij het kamerkoor Quattro Stagioni. Hij geniet bekendheid als improvisator en won diverse prijzen op nationale en internationale concoursen (Bolsward 1988: 2e prijs; Bolsward 1989: Koraalprijs; Knokke-Heist 1991: 1e prijs ťn BRT-prijs; Haarlem 1994 en 1998: finalist). 

INLEIDING
Het lijkt een merkwaardige combinatie: de muziek van de vernieuwers Mehrtens en Huijbers op een 19e eeuws en Frans georiŽnteerd orgel dat onmiskenbaar het Rijke Roomse Leven uitstraalt. Toch hebben componisten en orgel het belangrijkste gemeen: ambachtelijkheid en muzikaliteit. Voor mij was de eerste kennismaking met het fraai gerestaureerde orgel in de Mozes en Ašronkerk een onvergetelijke. Allereerst is het een orgel dat speelt zoals het klinkt: soepel en doorzichtig. Bovendien geeft het zich niet snel gewonnen en is het uitzoeken van registraties een tijdrovende maar uiteindelijk zeer dankbare klus. Het orgel is ook geen 'echt' drieklavierswerk, maar meer een orgel met twee klavieren, pedaal en toegevoegd een facultatief te gebruiken strijkersklavier. Door de opstelling van de diverse werken in de kas is vooral luisteren naar het orgel bepalend voor de uiteindelijk gekozen registratie. 'Standaardregistraties' moeten uiteindelijk naar het orgel en de ruimte vertaald worden, daarmee echter een dimensie aan de composities toevoegend!


Kleine Partita over: Zingt Jubilate
Allereerst klinkt er een vrolijke inleiding op de Trompet en Cornet van het Hoofdmanuaal (1e klavier), waarbij telkens de eerste paar noten van een melodieregel als het ware de kiemcel van de muzikale frase zijn. Pas daarna volgt een (tweestemmige) 'zetting' van het koraal, met een rol voor de Quint 2 2/3' in de rechter- en de Hobo in de linkerhand.Het derde deel is een dialoog tussen de grondstemmen 8' van 1e en 3e klavier (Reciet), terwijl de haast bluesachtige 4e variatie de Trompet van het 3e klavier in een 2-stemmig contrapunt laat soleren. De finale tenslotte is een kleine toccata voor het tutti van het orgel. De partita sluit af met een kleurrijke harmonisatie.

Interlude over: Omdat Hij niet ver wou zijn Improvisatie over: God die in het begin
Speciaal voor dit project geschreven. In deze korte parafrase wordt tweemaal een harmonisatie gegeven: ťťnmaal drie- en ťťnmaal 4- of meerstemmig. Tussen deze harmonisaties in vindt telkens een verwerking van melodiemotieven plaats. Beginnend met de grondstemmen 8' en 4' ontstaat een klein crescendo door middel van toevoeging van de hogere stemmen en de Mixtuur. Met een decrescendo eindigt het werk verstild.

Improvisatie over: God die in het begin 
Eťn van de meest aansprekende en ritmisch karakteristieke melodieŽn van Bernard Huijbers.
Ik besloot enkele seconden voor de improvisatie (zo gaat dat...) de syncopen onder een vergrootglas te leggen, waardoor de improvisatie uiteindelijk de gestalte heeft gekregen van een swingende Cornet Voluntary, al is die Cornet in dit geval een samengestelde Cornet op het 2e klavier, begeleid door enkele grondstemmen op het 1e klavier.

Improvisatie over: Hij ging van stad tot stad
Wie regelmatig werk van Huijbers zingt of hoort zal aan de eerste maat van deze melodie genoeg hebben om meteen het lied te herkennen. Die eerste maat was gelijk de basis voor de 'begeleiding' (geregistreerd met de Fluiten 8' en 4' van het Reciet) van de melodie, die uitkomend te horen is in een registratie van de strijkersstemmen 8',4', 2 2/3', 2' en Mixtuur van het Positief.

Festal Voluntary 
Een onbekommerd en vrolijk werkje, in principe geschreven voor een eenvoudig 2-klaviers dorpsorgel met aangehangen pedaal, waarbij telkens de ritmische accenten verschoven zijn. Weinig is voorspelbaar in dit stuk, dat voor deze gelegenheid werd geregistreerd met de grondstemmen van het Hoofmanuaal en de Trompet van het Reciet.

 

Willem van Twillert

De aarde is vervuld... (Melodie: Frits Mehrtens) 
Zowel in klankidioom als in vorm heb ik gestreefd naar eenheid en contract. Zich herhalen motieven (ostinato) komen in bijna alle variaties voor, daartoe mede geÔnspireerd door de tekst van Willem Barnard (geb.1920): De aarde is vervuld van goedertierenheid, van goddelijk geduld en goddelijk beleid. Het eclectische element, komt vooral bij het begin van deze partita naar voren. De tweede zetting (met tegenstem) is stilistisch eigenlijk meer een klank-aardigheidje, waar verder niets achter gezocht moet worden, behalve misschien mijn opvatting dat je best bij het zingen van meer coupletten soms ook de stijl van de harmonisatie mag variŽren. En het gegeven dat er in dit orgel ook pijpwerk van Joannes Pieter Hilgers door de Gebroeders Adema werd overgenomen. (zie dispositie). In de eerste variatie grijp ik terug naar het neobarokke klankgoed. 
De partita heeft twee meditatieve variaties. In de eerste variatie(Andante) volgt na elke expositie van een melodieregel, een melodisch commentaar. Voorafgaand aan de inzet van de solostem hoort men in de begeleiding een zich steeds herhalend (ostinato) patroon. Dit patroon lost halverwege op in een dialoog tussen begeleiding en sopraan via een voor-imitatie van de laatste twee melodieregels. 
In het Largo klinkt de melodie eveneens in de sopraan. De koraalmelodie wordt nu evenwel doorlopend omspeeld en gecoloreerd. Aan het slot ontspint zich een coda met een melodisch commentaar, harmonisch onderbouwd met een chromatisch stijgende baslijn. Uiteindelijk klinkt in de allerlaatste noten van de begeleiding nog een echo door van de laatste koraalregel.
In de variatie met het koraal in het pedaal (track 17) is de zwelkast voor het Reciet dicht gezet. Dit levert aan het slot, wanneer de zwelkast opengaat, een "hemelse" ruimtelijke werking op.
In de slotvariatie komen in de begeleiding eerst weer ruisende ostinato motieven naar voren, die vervolgens de canon tussen sopraan en pedaal omlijsten. Tekst couplet 7: de oogst ruist in de wind als psalmen in de nacht. Om deze slotvariatie niet 'academisch' te laten 'eindigen' (daar ben ik nogal beducht voor), doorbrak ik de ostinato-motieven (net als in variatie II, track 16) in de rechterhand om het stemmenweefsel melodisch de vrijheid te geven. 

De Geest des Heren..
De mystieke klank van de Vox Coelestis 8' verleent dit Andante e cantabile de juiste sfeer.De repeterende bastonen dragen het melodisch 'commentaar'. Er verschijnt een stretto en vervolgens kabbelt de variatie op eenvoudige wijze naar de eindstreep. De vorm en harmonie blijft ook in de harmonisatie van het koraal ongecompliceerd en naturel. Het Coda van variatie en koraal is praktisch identiek. 


Omdat Hij niet ver wou zijn (Melodie: Bernard Huijbers)
Het contrast tussen de verstilde, met repeterende bastonen ondersteunende, melodische dialogen in de eerste variatie (Mťditation) en de tweede variatie is groot. In de tweede variatie (Allegro scherzando), klinkt de melodie van Huijbers in de Trompet 4' van het pedaal. De linkerhand speelt op het Positief met de Fagot16 als basis; de rechterhand speelt op het Reciet. Het romantische melodische element is, hoewel het klankidioom hier behoorlijk klassiek is uitgevallen, wel aanwezig al was het maar omdat op het moment dat in het pedaal de melodie klinkt, de sopraan gelijktijdig de majeurparalel van de koraalmelodie laat horen. 
In de slotzetting klinken in de vanuit de harmonisatie oprijzende tussenspelen, ook elementen door die verwijzen naar de dialoog en de verstilling uit de eerste variatie (Mťditation). 
Dialoog, eenheid, declamatie, dat zijn de elementen, die zowel Mehrtens als Huijbers in hun melodieŽn op fantastische wijze aangebracht hebben. Dat maakt het bezig zijn met en luisteren naar hun melodieŽn ook tot zo'n louterend genoegen.


Sietze de Vries (*1973) 

Eerste orgellessen van Jaap Niewenhuijse aan de muziekschool te Gouda. Aan het Stedelijk conservatorium te Groningen studeerde Sietze bij Johan Beeftink, Jan Jongepier (improvisatie) en Wim van Beek. In 1994 bij Wim van Beek het diploma Docerend Musicus met de hoogste onderscheiding.
In 1996 het diploma Uitvoerend Musicus aan het Koninklijk Conservatorium te 's Gravenhage bij Jos van der Kooy. Bij hem studeerde hij ook improvisatie en kerkmuziek.
Behalve als concerterend organist in binnen- en buitenland is Sietze de Vries actief in de concourswereld:veertien prijzen bij diverse nationale en internationale orgelconcoursen.
Zijn literatuurspel werd bekroond met o.a. de eerste prijs van het Hindemith-Micheelsen concours van de NCRV (1996), de Hagerbeerprijs en de Flentropprijs van het internationale Schnitger-concours te Alkmaar (1999 en 2001) en de eerste prijs van het internationale concours l'Europe & l'Orgue te Maastricht, Aken en Luik (2000).
Op improvisatiegebied won hij eerste prijzen bij o.a. het nationale improvisatieconcours te Zwolle (1999) en het BACH-improvisatieconcours te Amersfoort (2000).
Ook was hij in 1998 en 2000 finalist van het internationale improvisatieconcours te Haarlem.
Sietze de Vries, organist van De Rank in Zuidhorn sinds 1987, is op diverse CD's te beluisteren; als interpreet van literatuur en als improvisator in diverse stijlen. Ook is hij te horen als koor- en samenzangbegeleider op verschillende CD's.
Meer info: http://www.sietzedevries.nl



INLEIDING
De ene melodie is de andere niet, als het om improvisatiemateriaal gaat.
Sommige kerkliederen wekken als vanzelf creatieve gevoelens op, terwijl andere hooguit uitnodigen tot een korte intonatie.
De rijkdom aan creatieve ideeŽn is zeker de gemeenschappelijke noemer in het werk van de beide liedcomponisten die op deze CD centraal staan.
Het is daarbij interessant dat er door beide mannen slechts sporadisch gegrepen is naar de muzikale 'kerkvocabulaire' bij uitstek: de kerktoonsoorten, of liever: modi.
Ook de door mij uitgekozen melodieŽn staan keurig in majeurtoonsoorten, en doen eenvoudig aan. Waaruit maar weer mag blijken dat het ware zich door eenvoud kenmerkt.

Alles wat over ons geschreven is
De eerste en de laatste regel van deze compacte Mehrtens melodie, zijn nagenoeg hetzelfde, terwijl de beide middelste regels ook verwant zijn. Toch heeft de melodie een enorme zeggingkracht, met name door de prachtige stuwing van regel drie naar de slotregel.
Om aan te sluiten bij het orgel van de Mozes en Ašronkerk, heb ik gekozen voor een laatromantisch idioom in Franse traditie.
De vorm van de eerste improvisatie is driedelig: een Prťlude, Fugue et Choral. 
Uiteraard heeft Franck met zijn Prťlude, Fugue et Variation voor de vorm model gestaan, al is de muzikale taal en de uitwerking hier totaal anders.
De Prťlude heeft een wiegend karakter in een driedelige maatsoort, terwijl de Cantus Firmus er met de pedaaltrompet in een tweedelig ritme doorheen klinkt.
De prachtige Fluit 8 vt van het Reciet (door Zimmerman in 1878 - zie dispositie - gebouwd onder de naam: FlŻte harmonique 8 p ) levert tussendoor nog wat contrasterend commentaar.
De Fugue is gebaseerd op de derde regel, waarbij het omhoog stuwende karakter van de melodie centraal staat. De Cantus Firmus is hierbij weer in het pedaal te horen, maar nu in de grondstemmen.
Na de climax met een enorme slotdissonant ('Heden hosanna, morgen kruisigt Hem!') eindigt deze improvisatie met het verstilde koraal. We horen de Vox coelestis 8vt quasi-canon in dialoog met een viervoets pedaallabiaal.

De Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt
De tweede improvisatie is een zesdelige Suite geworden.
De Huijbers-melodie van De Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt, is wel het toppunt van eenvoud: slechts de omvang van een kwint (vijf tonen) is gebruikt.
De subtiele afwisseling in intervalgebruik en in ritme zorgen voor een sereen, en toch 
spannend melodieverloop.
In het eerste deel, het koraal, wordt de melodie voorgesteld door de Cornet, begeleid door het strijkerskoor van het Positief. In het Scherzo horen we een meer 'geestige' kant van de melodie. De zwelkast speelt hierbij ook een grote rol.
Geheel in de Franse traditie komen de tongwerken ruim aan bod: de Hoofdwerktrompet in dialoog met die van het Reciet. De luide klaroenstoten lijken zo vanuit de verte beantwoord te worden.
Net als in de eerste improvisatie horen we de Vox coelestis als zwoele begeleiding in een canon-vorm, met als verschil. 



De eerste schreden door Bernard Huijbers
Mijn vader Bernard Huijbers, die arts was, kon prachtig op de huispiano improviseren en dat probeerde ik als jongste zoon, geboren in Rotterdam in 1922, hem na te doen. Moeder zong altijd en overal; ze had een absoluut gehoor. In 1928 verhuisden we naar Westeinde 9 in Amsterdam waar we in de hondse winter van 1929 het Paleis voor Volksvlijt achter ons zagen afbranden. Op de kostschool Saint Louis in Weert waar ik van 1930 - 1934 verbleef had ik pianoles van Jos Pennartz en vanaf 1934 in Amsterdam van Joep Schreurs, organist van de Mozes en Ašronkerk, naast wie ik op de orgelbank mocht zitten. Op het IgnatiusCollege ('het Ig') van de JezuÔeten mocht/moest ik toen al gauw het Paterslof begeleiden; uit het hoofd, met enkel de melodieŽn vůůr me, want al die gedrukte noten vond ik lastig en lelijk! Zelf begeleiden was veel gemakkelijker. Bij de overgang van de tweede naar de derde klas gymnasium kreeg ik drie 'taken' als straf voor 'luiheid' en daarmee hield de pianoles op.Gelukkig werd een (tijdelijk) overspannen Leuvense filosofieprofessor (Prof. Pot) kamerbewoner-en-famille bij ons. Hij was een Bachfanaat die mijn zelfstudie stimuleerde. Op het Ig was er een fameus koor met Palestrina-traditie en later ook rond Hendrik Andriessen, al gauw onder leiding van de visionaire Frits Smits van Waesberghe (derde van de vier s.j. broers, gestorven in 1998) en vanaf 1938 onder de oudste, Jos Smits van Waesberghe.
In 1940 trad ik in bij de JezuÔeten, waar ik sindsdien altijd met muziek werd belast als zanger, organist, dirigent en intens Gregoriaans beoefenaar. In 1954 maakte ik kennis met Joseph Gelineau S.J. en diens Franse psalmodie. Samen met mijn voormalig Ig-zangertje Huub Oosterhuis (1933) werden wij een complete internationale (Frans, Duits, Engels, Italiaans, Spaans) JezuÔetenploeg, die zich inzette voor Volkstaalliturgie, lang vůůr Vaticanum II. De eerste realiseringen daarvan vonden al plaats vanaf 1956 in het IgnatiusCollege, in 1966 voortgezet in de Dominicuskerk en vanaf 1962 in de Studentenecclesia van Jan van Kilsdonk s.j. Tot zover de voorgeschiedenis, die nog steeds niet afgelopen is.
Bernard Huijbers, Espeillac, 30 maart 2002.


Bernard Maria Huijbers * 24.07.1922 Rotterdam 
Studeerde compositie bij Ernest W. Mulder. In 1951 behaalde hij het staatsdiploma Muziektheorie. 1946-51 en 1956-70, dirigent van het koor van het Ignatiuscollege.
Vanaf 1956 eerste realisering van volkstaal-liturgie in het Ignatiuscollege.
1961 (1962?): met Huub Oosterhuis oprichter van de Studentenwerkgroep voor Volkstaalliturgie, in 1966 voortgezet in de Dominicuskerk, vanaf 1962 ook gepraktiseerd in de Studentenecclesia van Jan van Kilsdonk S.J.
Huijbers componeerde naast veel vocale muziek, ook instrumentale muziek. Zo componeerde hij in 1964/65 een musical getiteld: Erik naar, Erik, het groot insectenboek, van Godfried Bomans. In publicaties en lezingen onder meer voor de werkgroep Universa Laus, waarvan Huijbers in 1966 een van de oprichters was, licht hij regelmatig zijn ervaringen als componist voor liturgie toe. Artikelen van Huijbers zijn onder meer gebundeld verschenen onder de naam: Door podium en zaal tegelijk, bij, Gooi en sticht (Hilversum 1969). In vertaling verschenen als, The performing Audience, gepubliceerd door: North American Liturgy Resources (Cincinnati 1972).
Recent verscheen een artikel in Resonans (Kwartaalblad voor Liturgievernieuwing, jaargang 2-nr.3) getiteld: Trekkracht van het innerlijk (Groningen 2000). Huijbers vindt inspiratie in het Gregoriaans, bij volksmelodieŽn en bij composities van Carl Orff.
Sinds 1978 woont Huijbers in Frankrijk. Annelou, echtgenote, vervaardigt diverse teksten en illustraties.

 

 

 

Frits Mehrtens *Hoorn 11.05.1922 + Naarden 29.08.1975
Als jongen van 16 bespeelde Frits Mehrtens het orgel bij de Doopsgezinde Gemeente van Twisk en Abbekerk en, wat later, van de Hervormde Gemeente te Enkhuizen. Hoewel hij het doctoraal-examen medicijnen behaalde aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam besloot Mehrtens om zich aan de muziek te wijden. In 1953 behaalde hij het einddiploma hoofdvak orgel (docenten, Jacob Bijster (1902-1958) en Anton van der Horst (1899-1965 ).
1951: benoeming als adjunct-hoofd van de Muziekafdeling bij de N.C.R.V.
1955: overstap naar de I.K.O.R., waar hij uiteindelijk een belangrijke innam. 
1956: cantor-organist van de Maranathakerk te Amsterdam..
1957 - 1962: Mehrtens, de predikant-dichter Willem Barnard en W.G.Overbosch verwierven bekendheid met diensten waar de klassieke volgorde van het kerkelijk jaar werd aangehouden: de zogenaamde Nocturne-diensten. Veel melodieŽn van Mehrtens zijn daar ten doop gehouden. De I.K.O.R zond vele Nocturnen uit als 'vroegdiensten'.
Vanaf 1956 maakte en presenteerde Mehrtens radio-programma's op het gebied van de kerkmuziek. Met het programma Zingt het voorbedachte lied trok Mehrtens het land in om met kerkelijke gemeenten van diverse signatuur nieuwe liederen in te studeren. Mehrtens startte in 1967 het radioprogramma Zingend geloven en een jaar voor zijn dood (een auto-ongeluk buiten zijn schuld), een serie korte televisieprogramma's onder de naam, Lied van de Week.
Als docent Hymnologie en Liturgie aan het Conservatorium van de Vereniging Muzieklyceum te Amsterdam, werkte Mehrtens graag aan een breed en associatief denkpatroon bij zijn studenten. Eťn van zijn studenten (schrijver dezes) herinnert zich bijvoorbeeld een les waarin Mehrtens vertelde over zijn bezoek aan Berlijn en de nieuwe kerk, die daar was opgetrokken naast de in W.O. II verwoeste Kaiser-Wilhelm-Gedšchtniskirche te Berlijn. Nieuwe vormgeving, of het nu muziek of architectuur was, behoort volgens Mehrtens een eigen gezicht te hebben en een contrast te vormen met overgeleverde vormen uit vroeger tijden, zonder dat het nieuwe vloekt met het oude.
In zijn melodieŽn vindt men dit gedachtengoed terug.
Mehrtens schreef een gezaghebbend boek: Kerk en Muziek, waarin hij onder meer overtuigende argumenten tegen plaatsing van electronische orgels in kerken te berde bracht.
In: Ik ben een orenjongen (in het kwartaal tijdschrift, Eredienst, augustus 2000, waaruit diverse gegevens voor dit overzicht zijn overgenomen) turfde Dr. Jan Smelik het aantal melodieŽn van Mehrtens op 42 (waarvan 16 in majeur) Het totaal aantal liedteksten (36 van Willem Barnard) dat bij zijn melodieŽn werd gedicht komt op 53. Het Liedboek voor de Kerken bevat 15 melodieŽn van Mehrtens.


Alphonse Mailly *Brussel 27.11.1833 + Elsene 10.01.1918
Mailly genoot zowel in binnen- als buitenland bekendheid als organist , pedagoog en orgeladviseur.
In 1856 wijdde hij voor het eerst in zijn loopbaan een nieuw orgel in. Er zouden nog 21 inspelingen volgen, waaronder die van het Adema/Philbert-orgel op 30 april 1871 in de Mozes en Ašronkerk te Amsterdam. Mailly was een bewonderaar van orgels van Cavaillť-Coll (1811-1899).
In 1861 benoemd tot pianodocent aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel, waar hij in 1896 zijn orgelleraar Jaak Lemmens (1823-1881) opvolgde als docent orgel.
Evenals Lemmens hechtte Mailly belang aan fantasievolle registraties, een strak uitgevoerd ritme (geen tempo rubato) en vingerwisseling op dezelfde toets voor perfect legato-spel (gebonden spel).
In 1869 benoeming tot organist van de Karmelietenkerk te Brussel, waar zijn bespelingen tijdens de vieringen van het nieuwe Merklin-SchŁtz/Schijven-orgel geestdriftig werden ontvangen. 
De Toccata opent met een Mendelssohn-achtige melodie in de tenor (Hebriden-ouverture), gespeeld op het Hoofdmanuaal. De rechterhand speelt op het Reciet (met een samengestelde Cornetklank, plus tongwerk, een constante stroom snelle noten, die telkens wordt onderbroken door statige passages op het volle werk. 

August de Boeck* Merchtem 09.05.1869 + Merchtem 09.10.1937 .
Eerste muzieklessen van zijn vader die kerkorganist was. Op 15 jarige leeftijd inschrijving aan het Kon. Conservatorium te Brussel en orgelstudie bij Mailly. In 1884 eerste prijs en in 1891 het fel begeerde Diplome de capacitť voor orgel. 
1883 -1898: muziekleraar aan de kostschool te Opwijk. 1892: benoeming als organist aan de O.-L.- Vrouw-ter-Noodkerk te Merchtem.1894: aanstelling als organist aan de St. Bonifaciuskerk te Elsene. Met de aan deze kerk verbonden Schola onder leiding van Henri Carpay, werkte De Boeck aan de verspreiding van een nieuwe religieuze muziekbeleving. In 1902 gaf Mailly de functie van hoofdleraar orgel aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel op. Men verwachtte toen dat De Boeck benoemd zou worden. Maar men schreef een examen uit. Omdat hij vriendjespolitiek vermoedde, stelde De Boeck zich niet kandidaat. De Boeck, een groot improvisator en organist, hield zich door deze negatieve ervaring steeds minder bezig met de orgelkunst. 
1909: De Boeck volgt zijn vriend Gilson op als leraar harmonie en fuga aan het Koninklijk Vlaams conservatorium. Na zijn benoeming in 1920 als leraar praktische harmonie aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel, wordt hij een jaar later ook directeur van de Stedelijke Muziekacademie te Mechelen en hij geeft zijn ambt als organist op. 
Thans staat De Boeck als componist hoog aangeschreven onder meer vanwege zijn briljante orkestwerken, waaronder zijn Symfonie in sol mineur (1886).
Hoe jammer het is dat De Boeck slechts vijf werken voor orgel componeerde kan de luisteraar op deze CD concluderen bij het Allegretto. Het naturelle beginthema en het lichtvoetige verloop krijgen diepgang door een kort fraai geharmoniseerd middendeel dat, via een korte solo met uitkomende stem, een boeiende opmaat vormt voor de terugkeer van het eerste gedeelte. 

Edgard Tinel * Sinay (Oost-Vlaanderen) 27.03.1854 - + Brussel 28.10.1912
Zijn vader, organist en schoolmeester, gaf Edgar orgelles. Op 9jarige leeftijd student aan het Kon. Conservatorium te Brussel, waar hij onder meer compositieles kreeg van Fr.-Auguste Gevaert (1828-1908) en piano- en orgelles van Alphonse Mailly. Tinel had vele jaren praktisch geen middelen van bestaan. Een reis naar Duitsland, waar hij kennismaakte met Joseph Joachim Raff (1822-1882), deed hem besluiten zich geheel aan de compositie te wijden. 1873: eerste prijs voor piano.1877: Prix de Rome voor zijn cantate "Klokke Roeland".1882: Tinel volgt Jaak Lemmens (1823-1881) op als directeur van het Instituut voor Kerkmuziek te Mechelen.1889 Enige tijd inspecteur voor het muziekonderwijs in BelgiŽ.
1896 Tinel volgt zijn vroegere leraar, Kufferath, op als leraar contrapunt en fuga aan het Brussels conservatorium.
1909: Tinel volgt Gevaert op als directeur van het Brusselse Koninklijk Conservatorium.
Tinel schreef een boek over de Gregoriaanse modi.
Voor orgel componeerde Tinel twee werken: Sonate,Opus 29, gepubliceerd in 1887, opgedragen aan Mailly en een kort werk met de titel Improvisata (publicatie in 1907), waaraan deze CD haar naam ontleent. Tinels orgelwerken ademen een Duits romantische sfeer.

Paul Combes *18? - + onbekend
Combes studeerde aan de …cole Niedermayer en was vervolgens organist te Bergerac.
Van Paul Combes zijn twee werken gepubliceerd. De Toccatina verscheen in 1897 bij de Parijse uitgever Leduc. Op het titelblad van deze uitgave staat: Organiste de St. Michel (Bordeax). In 1912 publiceerde Senart een tweede orgelwerk getiteld: Quasi Adagio, mi b majeur.
De Toccatina is een attractief, virtuoos werk. Combes gaf behalve gedetailleerde registraties ook veel dynamische aanwijzingen voor het zwelwerk. 

Edwin Henry Lemare * Ventnor, Eiland Wight, (Engeland) + 9.9.1865 - + Los Angeles, (CaleforniŽ) 24.9.1934
Lemare studeerde aan de Royal Academy of Music te Londen. Lemare was organist aan verschillende kerken in Londen. In 1802 emigratie naar Amerika. , waar Lemare streefde naar steeds beter gehonoreerde betrekkingen als organist. Op 51jarige leeftijd de best betaalde organist van de wereld, met een enorme populariteit dankzij zijn virtuositeit, zijn improvisatiekunst en het feit dat hij in zijn programmering ook plaats inruimde voor orgelbewerkingen van beroemde orkestwerken. Op het hoogtepunt in zijn loopbaan werd hij beschouwd als de grootste organist van de wereld. In 1932 kwam zijn naam echter niet meer voor onder een lijst van 58 toporganisten in Amerika. Zijn composities verschenen in 1990 opnieuw in druk. 
De Serenade vormt het eerste deel van een driedelig werk getiteld Arcadian Idyll. Het is een liedmatige eenvoudige compositie.gespeeld met de door Lemare zo geliefde Vox coelestis 8'en Violoncel 8'. Het tweede thema klinkt op het Hoofdmanuaal. Uiteindelijk combineerde Lemare beide thema's. 



Persoonlijke herinnering aan bernard Huijbers door Jan Ruijter, coŲrdinator Mozeshuis/Mozes en Ašronkerk
Het is de tweede helft van de jaren zestig. Enkele medewerkers van ons kerkkoor uit de IJmond bevinden zich in de kamer van de jezuÔet Bernard Huijbers te Amsterdam. Huijbers neuriet wat en onze drummer tikt daarbij met een potlood op zijn stoelleuning. "Ha, ja", zegt Huijbers, "dat is het!" De meeslepende staccatomelodie met drum voor het protestkerklied van Huub Oosterhuis, Niksers, leeghoofden! is geboren. 
Met plezier zal ik met Bernhard Huijbers deze en andere herinneringen ophalen, als hij aanwezig zal zijn bij de presentatie van deze CD op 26 mei 2002, in de Mozes en Ašronkerk. Daar wordt dan deze CD gepresenteerd als eerbetoon aan (wijlen) Frits Mehrtens en Bernard Huijbers, twee pioniers van zowel het protestantse als het katholieke moderne Nederlandse kerklied.
HET WAS LATIJN WAT DE KLOK SLOEG 
In het katholieke klein-seminarie ging je met Latijn naar bed en stond je er mee op Kortom, ik wist niet beter of het Latijn zou mijn verdere leven vullen.
In het kader van de vernieuwingsbewegingen kondigde zich echter eind jaren vijftig in de katholieke kerk de omwenteling aan dat het Latijn vervangen zou worden door de eigen volkstaal. Als student theologie stelde ik reeds een bundeltje liederen in het Nederlands samen. In 1963 in Heeswijk op een congres van de Gregoriusvereniging, promotor van Gregoriaanse muziek op Latijnse teksten, ontmoette ik mannen als Bernard Huijbers, Huub Oosterhuis, Jozef Keet en met hen zong ik Nederlandse liederen in een Latijnse mis, onder directie van Bernard. Terug op het seminarie stelde ik met ťťn van mijn collega's enthousiast een losbladige bundel liederen in de volkstaal samen.
Toen ik in 1966 als kapelaan in de IJmond ging werken ging ik vol vuur op de ingeslagen weg voort. Het koor van de Studenten-ecclesia, waar Huub Oosterhuis en Bernard Huijbers actief waren, trad soms in onze diensten op en we maakten gretig gebruik van de liederen van Huub op melodieŽn van Bernard. Door sommigen werd wat die Amsterdammers deden een beetje elitair gevonden, maar Huub en Bernard waren trots dat hun liederen door onze mensen, arbeiders van de Hoogovens met kloven in hun handen, met hartstocht gezongen werden. De scope werd steeds wijder.
LEVE HET GREGORIAANS
Hadden we een hekel aan het Latijn en het Gregoriaans? Helemaal niet, maar er was toen iets nieuws begonnen. Bernard Huijbers maakte echter in zijn melodieŽn voor de Liederen voor de Dienst van de Tafel soms gebruik van Gregoriaanse wendingen en ik zong nog steeds met plezier in Latijnse missen Gregoriaanse prefaties. 
Met veel genoegen denk ik aan onze samenwerking terug, die een jaar of tien, tot eind jaren zeventig, heeft geduurd. Bernard vertrok tenslotte naar Frankrijk, om daar op teksten van anderen, zichzelf en zijn vrouw weer nieuwe melodieŽn te componeren.


Geschiedenis van het orgel
De in Oostende geboren en in Parijs geschoolde, Bouwmeester van de Koninklijke Paleizen en landsgebouwen, Tilleman Fr. Suys (1783-1861) ( de ontwerper van het orgelfront in de voormalige Nieuwe of Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam - 1830 - en het orgelfront in de Dom te Utrecht -1831-) ontwierp in classicistische stijl de nieuwe Mozes en Ašronkerk over de oude schuilkerk heen. Het forse orgel uit deze schuilkerk, vervaardigd in 1772 door Joannes Pieter Hilgers, bouwt Matthias van den Brink in 1841 weer op in de nieuwe, uitstekend klinkende ruimte van Suys. Dertig jaar later nemen de gebroeders Karel (1824-1905) en Piet (1828-1919) Adema maar enkele registers van dit Hilgers-orgel over. De bedenker, ontwerper en adviseur van het nieuwe Adema-orgel, de Franse vice-consul te Amsterdam, Charles Marie Philbert (*Tours1826 - +Avranches1896) schrijft dat het een orgel is geworden met een degelijk hoofdmanuaal, een schoon en mollig accompagnement manuaal en een rijk soloklavier. 
Direct na de oplevering werkt Philbert evenwel weer verder aan uitbreiding en verandering van het instrument. Philbert breidt het pedaal uit en vervangt alle tongwerken en enkele labialen. In 1877 en 1878 arriveert vervangend pijpwerk (zie dispositie) vanuit het atelier van Henri Zimmerman, Manufacture Spťciale de Tuyaux d'Orgues d'Eglises, te Parijs. De gebroeders Adema gaan in 1877 uiteen. Onder leiding van Philbert en Piet Adema worden de nieuwe registers geplaatst. In 1886 start de laatste bouwfase. Philbert bedenkt de tabellen voor nieuw pijpwerk en bepaalt de klankkleur. Piet Adema werkt met assistentie van zijn zoon Sybrand en (in een andere zakelijke relatie) broer Karel aan de vervaardiging van het metalen pijpwerk. Broer Epke, timmerman te Franeker maakt de houten pijpen. Er volgen ingrijpende wijzigingen onder andere aan de speelmechaniek. Met de zijvelden verkrijgt het orgel eind 1887 de huidige vorm. Het pijpwerk van het Positief en het Reciet staan in een kast waarvan de voorkant (en vanaf 1878 ook de zijwanden) via ťťn zwelpedaal, met verticale beweegbare jalouzieŽn afgesloten kan worden. 
De Barker-mechniek is nu op alle (was alleen Hoofdmanuaal) klavieren behalve het Reciet aangesloten en op 9 oktober 1887 wordt het uitgebreide orgel opnieuw in gebruik genomen met een concert door Jos. A. Verheijen (1837-1924) die de eerste organist van dit orgel werd (van 1871-1919).Trots vermeldt een porseleinen schildje boven het derde klavier: Gebroeders Adema. Amsterdam-Leeuwarden. eerste Invoerders der Pneumatische hefboom, in Nederland.
Jan Raas schrijft in zijn informatieve boek, De kroon op het werk, Amsterdam 1994 (waaruit gegevens en citaten voor dit overzicht zijn overgenomen) over de bewogen historie van dit beroemde instrument onder meer (pagina 7):
'Het Mozes-orgel is een bijzonder orgel.(...) Het vormt een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse orgelbouw, het staat na meer dan een eeuw nog ongeschonden in zijn oorspronkelijke omgeving en het is een instrument dat geliefd is bij de meest uiteenlopende denominaties die de rijk geschakeerde nationale en internationale orgelsamenleving kent.'
Het onderhoud blijft in handen van de familie Adema. Allereerst twee zonen van Piet: Sybrand (1860-1926), hij verhuist het Cavaillť-Coll-orgel vanuit het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt naar het concertgebouw te Haarlem, en Joseph (1877-1943), hij bouwt in 1923 het 'Willibrord'-orgel dat later naar de Haarlemse Kathedrale Basiliek Sint Bavo is verhuisd.
Het onderhoud is vervolgens in handen van Hubert Schreurs (1906-1981), neef van Joseph Adema, en vanaf 1979, zoon Antoine Schreurs (geb 1942). In 1989-90 is de Mozes en Ašronkerk in restauratie en wordt het orgel uit de kerk gehaald.
In 1993-94 volgt algehele restauratie door Flentrop b.v. te Zaandam met als adviseur Jan Jongepier. De klavieromvang wordt met een hele toon (van f '''tot g ''') uitgebreid. De lade van het Reciet wordt een halve slag gedraaid en de daarmee gemoeide speelmechaniek aangepast, om de tongwerken van het Reciet beter bereikbaar te maken voor het stemmen. Voor het stemmen moesten, voor 1994, eerst jalouzieŽn uit de zwelkast worden verwijderd om bij de tongwerken te komen.

Dispositie van het Adema/Philbert orgel 1871/1887
De registers zijn vervaardigd uit metaal tenzij anders vermeld.

HOOFDMANUAAL
grondstemmen
Principaal 16 (vt) 1871. Laagste octaaf, 1887.
Gedekt 16 vt 1772. Twee laagste octaven hout. (1772?) 
Principaal 8 vt 1871. Vier laagste pijpen hout.
Portunaal 8 vt 1871. Laagste octaaf, 1887. Vanaf c'' trechtervormig.
Gedekt 8 vt 1772. Laagste octaaf hout . 
Kwint 5 1/3 vt 1871.
Principaal 4 vt 1871.
Principaal 2 vt 1871.
Mixtuur IV-VII sterk 1871.

combinatiestemmen
Diapason 8 vt (overbl.) 1881. Laagste octaaf vervaardigd als quintadeen. (1772?) 
Diapason 4 vt (overbl.) 1871. Vanaf fis overblazend via twee overblaasgaatjes 
Kornet III-V sterk 1871, vervaardigd met pijpwerk uit 1772. 1871.Discant2 vt-koor . Verhoogd opgesteld ivm uitstraling. 
Ripieno II sterk 11/3' & 1' 1871. Vervaardigd met pijpwerk uit 1772.
Bariton 16 vt 1871. De Brande, Brussel. 
Trompet 8 vt (overbl.) 1872. H.Zimmerman, Parijs.
Trompet 4 vt (overbl.) 1878. .Zimmerman. 

POSITIEF
grondstemmen
Viool 16 vt 1871. Laagste 16 pijpen hout. 
Salicionaal 8 vt 1871. Laagste octaaf hout. 
Viool 8 vt 1878.
Gedekt 8 vt 1772. Laagste octaaf hout.
Viool 4 vt 1871. 
Gedekt 4 vt 1772. Laagste drie octaven.
1871. Overige pijpen open, conisch. 1871.
combinatiestemmen
Kwintviool 2 2/3 vt 1871.
Viool 2 vt 1871.
Mixtuur II-VI sterk 1871.
Fagot 16 vt 1878. Zimmerman.
Fagot-Hobo 8 vt 1878. Zimmerman.

RECIET
grondstemmen
Kwintatoon 16 vt 1871.
Violoncel 8 vt 1871. Trechtervormig
Vox coelestis 8 vt 1878.Ttrechtervormig.
Fluit 8vt (overblazend) 1878..Zimmerman. Als FlŻte harmonique 8 p gemaakt door Zimmerman. Laagste octaaf hout. Overblazend vanaf fis'.
Dwarsfluit 4 vt (overbl.) 1871. Laagste vijf pijpen gedekt. Overblazend vanaf gis. 

combinatiestemmen
Kwintfluit 2 2/3 vt 1878. Zimmermamn.
Piccolo 2 vt (overbl.) 1871. Vanaf fis ťťnmaal, vanaf c" tweemaal overblazend. 
Terts 1 3/5 vt 1871.
Trompet 8 vt 1878. Zimmerman.
Vox Humana 8 vt 1877. Zimmerman.

PEDAAL
zachte grondstemmen
Contrebas 16 vt 1871. Laagste vier pijpen hout.
Gedekt 16 vt 1871. Hout. 
Openbas 8 vt 1871.
Violoncel 8 vt 1887. Hout., Zes hoogste pijpen van Cavioli (Frankrijk), geÔntoneerd door Philbert, Avranches.

sterke grondstemmen
Subbas 32 vt 1887. Hout. Laagste pijpen zelfstandig, de overige gemeenschappelijk met de Openbas 16 vt.
Openbas 16 vt 1887. Hout.
Kwint 10 2/3 vt 1887.

combinatiestemmen
Openbas 4 vt 1871.
Bazuin 16 vt 1878. Zimmerman.
Trompet 8 vt 1878. Zimmerman.
Trompet 4 vt 1878. Zimmerman.

Manuaalomvang C-g''' (Tot 1994 C-f ''') Pedaalomvang C-f' 
Positief en Reciet in zwelkast bedienbaar via ťťn voettrede. Tremulant op het Reciet. 
Afsluitingen voor grond- en combinatiestemmen
Manuaalkoppelingen: Reciet-Positief, Reciet-Hoofdmanuaal, 
Positief-Hoofdmanuaal
Pedaalkoppelingen : 
Positief-Pedaal, Hoofdmanuaal-Pedaal
Mechanische sleepladen. 
Barker-hefboom op Hoofdmanuaal, Positief en Pedaal. 
1887 Onder meer: Vervanging van draaitoestel ter opwekking van de orgelwind door schepbalgen. Alle houten pijpen van dat jaar zijn gemaakt door Epke Adema, timmerman te Franeker.
1910 Electrische ventilator. In 1994 vervangen. 
1994 Restauratie door Flentrop-orgelbouw. Adviseur Jan Jongepier. 
De bijzonderheden omtrent pijpwerk en datering zijn overgenomen uit: Jan Raas, De kroon op het werk, Amsterdam 1994.