Nun danket alle Gott 

Koraalbewerkingen van Joachim Frisius gespeeld door Willem van Twillert en Joachim Frisius aan het Karl-Schuke-Orgel van de Evangelische Johanneskirche zu Berlin-Lichterfelde 

Programma:
1.) Nun danket alle Gott (EG 321, LB 44) 
2.) Psalm 8. Wie herrlich gibst du, Herr, dich zu erkennen (EG 271) 
3.) Psalm 84. Wie lieblich schön, Herr Zebaoth (EG 282) 
4.) Nun danket all und bringet Ehr (EG 322, LB 63) 
5.) Ist Gott für mich, so trete gleich alles wider mich (EG 351, LB 90) 
6.) Macht hoch die Tür (EG 1, LB 120) 
7.) Lobt Gott. ihr Christen alle gleich (EG 27, LB 147) 
8.) Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen (EG 81, LB 181) 
9.) Jesu, geh voran (EG 391, LB 442) 
10.) Großer Gott, wir loben dich (EG 331, LB 444) 
11.) In dir ist Freude (EG 398, LB 477) 
12.) Lobet den Herren alle, die ihn ehren (EG 447) 
13.) Geh aus, mein Herz, und suche Freud (EG 503, LB 425,andere Melodie) 
14.) Die beste Zeit im Jahr ist mein (EG 319) 
15.) Wie lieblich ist der Maien (EG 501) 
16.) Herzlich tut mich erfreuen (EG 148, LB 288) 
17.) Morgenglanz der Ewigkeit (EG 450, LB 289) 
18.) Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren (EG 316, LB 434) 

EG: Evangelisches Gesangbuch, LB: Liedboek voor de Kerken; 
1-12: Gespeeld door Willem van Twillert / 23-28: Gespeeld door Joachim Frisius. 

Dispositie van het Karl-Schuke-Orgel in de Evangelischen Johanneskirche van Berlin-Lichterfelde:

Hauptwerk 

(II) 

Rückpositiv 

(I) 

Pedal

 

Prinzipal 

8’ 

Gedackt 

8’ 

Subbaß 

16’ 

Gemshorn 

8’ 

Prinzipal 

4’ 

Oktavbaß 

8’

Oktave 

4’ 

Rohrflöte 

4’ 

Pommer 

8’

Spillpfeife 

4’ 

Waldflöte 

2’ 

Rohrpfeife 

4’

Nasat 

2 2/3’ 

Sesquialtera 

2-fach 

Rauschpfeife 

4-fach 

Oktave 

2’ 

Quinte 

1 1/3’ 

Fagott 

16’

Mixtur 

4-fach 

Scharf 

4-fach 

Schalmei 

4’

Trompete 

8’ 

Krummhorn 

8’

 

 

 

 

Tremulant

 

 

 

Koppels: Hw - Ped, Rp - Ped, Rp - Hw
Sleepladen, mechanische toetstractuur, electro-pneumatische Registertractuur.

Die korraalbewerkingen werden op 25 Oktober en op 25 november 2001 opgenomen. Opname, klankregie en montage van de CD door Johannes Gebauer, Berlin-Zehlendorf. 


Publicaties van Koraalbewerkingen:

Orgelkoraalbewerkingen bij Willemsen,Huizen
Deel I, nr. 1031: Nr. 5, 7, 8, 15;
Deel VIII, nr. 923: Nr. 2, 9;
Deel IX, nr 948: Nr. 3, 10, 12;

Liedbewerkingen, Stichting Promotie Orgelprojekten (St. P.O.P)
Deel 1, Amersfoort 2000: Nr. 4, 11;
Deel 2, Amersfoort 2000: Nr. 1;
In voorbereiding: Nr. 6, 16, 17, 18;
Niet gepubliceerd: 13, 14.

De op dit CD verzamelde koraalbewerkingen baseren zich in het algemeen op improvisaties, die ten behoeve van de eredienst werden voorbedacht en later schriftelijk uitgewerkt. Als formele oriëntatie werd de handleiding van G. D. Türk: „een goed, doelmatig voorspel te maken“, gekozen. In zijn boek, getiteld: „Über die wichtigsten Pflichten eines Organisten“ („Over de belangrijkste taken van een organist“) (Halle, 1787) omschreef Türk de vorm van voorspelen „met ingeweven melodie (de canto firmo)“ als volgt: 

... Eerst kiest men een hoofdthema overeenkomstig de inhoud van het lied, welke tevens als introductie dient. Is dit, naast enkele korte tussendelen, een tijd lang volgehouden, dan speelt men de eerste regel van de koraalmelodie op een ander, iets sterker klavier, heel langzaam; (...) ondertussen wordt het hoofdthema, of tenminste iets dergelijks, in de begeleidende stemmen voortgezet, hierop volgt weer een klein tussenspel; daarop de tweede regel van de melodie, enzovoorts. Tenslotte eindigt men met het hoofdthema of iets dergelijks. 

Joachim Frisius, geboren in 1933, studeerde in de vijftiger jaren in Göttingen natuurkunde.Gelijktijdig was hij organist van de Evangelische Studenten-Gemeente. Na de afsluiting van het studie volgde een langer tijdperk opgevuld met wetenschappelijke werkzamheden. Tegen het einde van de zeventiger jaren hervatte hij zijn muzikale studie bij de clavecinist Gerhard Kastner met ondermeer de grondbeginselen van het continuospelen. In 1977 nam hij ook de draad als organist weer op. Vanaf 1983 legde hij zich, daartoe geïnspireerd door het voorbeeld van de stadsorganist van Weimar, Johannes Ernst Köhler, intensief toe op de improvisatie in klassieke stijl. Eerst als autodidakt, later gesteund door incidentele lessen bij J. E. Köhler, door het volgen van cursussen bij William Porter en Klaas Bolt, en - last but not least - door vriendschappelijke samenwerking met Willem van Twillert. 
Vanaf zijn pensionering in 1998 speelt J. Frisius regelmatig het orgel voor de erediensten in de Evangelische Johannes-Kerkgemeente in Berlijn-Lichterfelde. 

Willem van Twillert, geboren in 1952, studeerde aan het Sweelinckconservatorium te Amsterdam bij Piet Kee (orgel) en Willem Brons (piano). In 1976 behaalde hij het diploma Kerkmuziek en in 1978 het diploma Uitvoerend Musicus cum laude, met de DM-aantekening voor improvisatie . Een beurs gaf hem gelegenheid zich te specialiseeren in oude muziek bij Gustav Leonhardt (orgel), Anneke Uittenbosch (clavecimbel) en Klaas Bolt (stijlimprovisatie). Geinspireerd door het voorbeeld van Klaas Bolt heeft Willem van Twillert talrijke psalm- en koraalbewerkingen gecomponeerd die in de Nederlanden gedrukt en op CD’s verschenen zijn. Door concerten in Nederland, in de USA, in Italie en in Duitsland, en ook door een reeks van CD’s met zelden gespeelde orgelwerken, is Willem van Twillert op binnen- en buitenlandse podia een bekende geworden. 
Als kerkorganist begeleidt hij de erediensten van drie samenwerkende kerken in Amersfoort. Talrijke Orgelliefhebbers in Nederland kennen hem wel als een van de redacteuren van het maandblad „de Orgelvriend“. Willem van Twillert is directeur van een particuliere muziekschool te Bunschoten. 


Joachim Frisius en Willem van Twillert hebben elkaar leren kennen tijdens een cursus van Klaas Bolt 1988 in Haarlem. Er ontwikkelde zich een samenwerking, waarbij de oudere partner door de jongere in de traditie van het Nederlandse orgelspel werd ingevoerd. Ool werd Frisius door Van Twillert aangemoedigd om zijn improvisaties schriftelijk uit te werken, zodat ze in Nederland gepubliceerd konden worden. Deze door hen samen volgespeelde CD is een bewijs van hun vriendschap, die een brug vorm over de grenzen van verschillende landen en leeftijden heen, vanwege de gemeenschappelijke cultuur om te kunnen en mogen musiceren „zur Ehre Gottes und zur Recreation des Gemüths“ (J.S>Bach). 




Woord vooraf van Willem van Twillert
De Johanneskerk in Berlijn-Lichterfelde werd in 1914 in gebruik genomen en doorstond beide wereldoorlogen zonder beschadiging. In de jaren 1964 - 65 onderging de kerkzaal een renovatie, waarbij het eerste orgel, een pneumatisch werk van de firma Dinse, vervangen werd door een instrument van de orgelmakerij Karl Schuke uit Berlin-Schönow. Karl Schuke had in Berlijn naam gemaakt vanwege zijn reconstructie van het Schnitger-orgel in het kasteel Charlottenburg. 
De vocale, milde en kleurrijke klank van het orgel in de Johanneskerk is opmerkelijk, omdat het bouwjaar is gelegen in de tijd waarin de zogenaamde „neobarok“ hoogtij vierde. Met de term neobarok duidt men de stijl aan die gangbaar was is de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. In de neobarok streefde men er naar om orgels te vervaardigen naar bouwprincipes vanuit de barokperiode (ca 1600 - 1750). In de barok manifesteerde Arp Schnitger (1648 - 1719) zich als een van de allergrootste orgelmakers. Zijn orgels waren dan ook een belangrijke maatstaf voor orgelmakers in de jaren na WO II. 
Orgelmakers, die in de jaren 1950 - 1970 in de toen gangbare neobarokke stijl hun orgels vervaardigden zijn er in het algemeen niet in geslaagd om het uitmuntende niveau van hun collega’s uit de Barok te evenaren. Overigens streefde men er niet naar om kopieën van beroemde orgels uit de barok te maken, men wilde een nieuwe stijl in de orgelbouw. De orgel uit de neobarok hebben een zeer boventoonrijke klankgeving. De helderheid die men in de neobarok nastreefde ging ten koste van de grondtonigheid (Gravität). De labiaalpijpen hebben doorgaans een wat ruige‚ "spuckende" toonaanzet. 
Het orgel in de Johanneskerk te Berlijn-Lichterfelde vertoont slechts ten dele de (zoals we het thans ervaren) negatieve karakteristiek van een neo-barok-orgel. Karl Schukes ervaringen, opgedaan bij de restauratie van het Schnitger-orgel in het kasteel Charlottenburg, hebben er wellicht voor gezorgd dat hij bij het instrument in de Johanneskerk erin slaagde om een fraaie synthese te bereiken tussen helderheid en grondtonigheid. Hoe dan ook, elk register bezit een karakteristieke afgewogen intonatie die opvalt door de mildheid in klankgeving. Een mildheid die zeer weldadig aandoet in de bijzonder helder klinkende acoustiek van de Johanneskerk. Dit zelfde geldt voor de vier tongwerken (Fagott 16’ en Schalmei 4’ in het pedaal, Krummhorn 8’ in het rugwerk en Trompete 8’ in het hoofdwerk). De tongwerken geven de orgelklank nog meer levendigheid en specifieke klankkleuren. 
Dankzij de milde, kamermuziekachtige intonatie van Karl Schuke is het mogelijk om via inventief registreren allerlei klankkleuren uit dit orgel samen te stellen. Kortom: het orgel in de Johanneskerk te Berlijn-Lichterfelde heeft zeker kwaliteit, in het bijzonder wanneer men de tijd van de bouw (1965) in ogenschouw neemt. 
Door middel van de kunstgreep om hogere registers een oktaaf lager te bespelen (aangeduid met de term 8va bassa, een 4voets-register klinkt dan als een 8 voet) konden nog meer verschillende geluiden uit dit orgel getoverd worden. (Zie voor de gekozen registraties de aparte opgave elders in dit booklet.) 
Het Karl-Schuke-Orgel in de Johanneskerk heeft een mechanische traktuur en een sleepladesystem met elektro-pneumatische registerbediening. Curieus is het dat de speeltafel in de royaal bemeten ruimte tussen hoofdwerk en rugwerk in de Johanneskerk vrij in de ruimte is gesitueerd (Zie foto). 
Ook de opstelling van de pijpen binnen in het orgel is specifiek. Alle pijpen van één toon (bijvoorbeeld alle pijpen g, van g3 tot en met G) staan als een groep bij elkaar. De volgende pijpengroep klinkt een overmatige kwart lager (bijvoorbeeld cis3 tot Cis). De daarop volgende pijpengroep bevat op gelijke manier de tonen f en h enzovoort. Zodoende is beïnvloeding (referentie) tussen harmonisch verwante tonen volledig vermeden. (zie foto). 
Het spreekt vanzelf dat de koraalbewerkingen, die Joachim Frisius tijdens erediensten aan dit orgel heeft geïmproviseerd, ook op dit orgel behoren te worden uitgevoerd ten behoeve van deze CD. Alleen zo kan de fraaie synthese in stand blijven tussen compositie en instrument. Het was voor mij dan ook een genoegen om deze verbondenheid tijdens het maken van deze opname ook als zodanig te ervaren. 
Ook de samenwerking met de musicus Johannes Gebauer (voor deze CD verantwoordelijk voor de uitstekende opnametechniek, montage en klangregie) was een feest. Gebauer bewonder ik als collega en als violist hogelijk. Samen met de aanwezigheid van de componist, mondde de opname in de Johanneskerk voor mij uit tot een inspirerende, muzikale en ook vriendschappelijke ervaring. 
Dat Joachim Frisius ten langen leste kon worden overgehaald enkele van zijn koraalbewerkingen ook zelf voor de microfoon uit te voeren stemt mij uiteraard eveneens tot grote tevredenheid. 

Lijst van de Registraties
(De met "WvT" gekenmerkte stukken (Nr. 1 bis 12) worden door Willem van Twillert gespeeld, de met "JF" gekenmerkte (13 bis 18) door Joachim Frisius.)

(c.f .=koraalmelodie)

1. Nun danket alle Gott (EG 321, LB 44, W.v.T.)
Satz I: Rp: G8, Ped: (c.f. ): Sch 4 
Satz II: Hw: P8’, G8’, O4, O2, Mixt, Tr8, 8va bassa (Lh)
Rp: G8, P4, W2, Sesqu., Gh 1 1/3, Kr8
Ped: Sb16, Ob8, Po8, Ro4, F16, Hw-Ped 
Choralbearb.: Hw: P8, G8, S4, N2 2/3, Tr8 (Lh, c. f. im Tenor)
Rp: G8, P4, Ped: Sb16, Ob8, Ro4

2. Psalm 8 (EG 271, W.v.T.)
Satz: Hw: P8, G8, N2 2/3, Tr8 (Rh, c.f.)
Rp: P4, W2, 8va bassa, Ped: Sb16, Ob8, Ro4, F16
Orgelchoral: Hw: P8, G8, O4, Mixt., Ped: Sb16, Ob8, Po8, Rpf 4f, F16
Choralbearb.: Hw: P8, G8, S4, Tr8 (Lh)
Rp: R4, W2, 8va bassa, Ped: Ob8, Po8, Ro4, Rpf 4f (c. f.)

3. Psalm 84 (EG 282, W.v.T.)
Orgelchoral: Hw: P8, O4, Ped: Sb16, Ob8, Po8, Ro4 
Choralbearb.: Hw: G8, S4, Ped: Sb16, Ob8
Rp: G8, Kr8 (Lh, c. f. im Tenor). 

4. Nun danket all und bringet Ehr (EG 322, LB 63, W.v.T.)
Satz: Hw: O4, 8va bassa (Lh) Ped: Ob8, F16,
Rp: G8, R4, W2, Kr8, 8va bassa (Rh, c.f.)
Choralbearb.: Hw: P8. S4, O2 Ped: Sb16, Po8, Hw-Ped 
Rp: P4, R4, W2, Sesqu, 8va bassa (Lh, c. f. im Tenor)

5. Ist Gott für mich, so trete gleich alles wider mich (EG 351, LB 90, W.v.T.)
Satz I: Hw: P8, S4, N2 2/3, Tr8 
Satz II: Hw: P8, O4, Mixt, Tr8 (Lh, c.f.)
Rp: P4, R4, W2, 8va bassa, Ped: Sb16, Ob8, Po8, Ro4, F16 
Choralbearb.: Hw: P8, S4 Ped: Sb16, Po8, Hw-Ped
Rp: P4, R4, W2, Gq1 1/3, Trem, 8va bassa (c.f.)

6. Macht hoch die Tür (EG 1, LB 120, W.v.T.)
Satz I: Rp: R4
Satz II: Rp: P4, 8va bassa Ped: Sb16, Ob8
Hw: G8,S4, Tr8 (Lh, c.f.) 
Choralbearb.: Rp: G8, P4, W2 Ped: Sb16, Ob8, Ro4, F16
Hw: P8, G8, N2 2/3, O2 (Lh, c.f. mit Oktavengriffen. Lh met octaafgreep)

7. Lobt Gott, ihr Christen alle gleich (EG 27, LB 147, W.v.T.)
Satz: Hw: P8, S4, N2 2/3 (Rh, c.f. „met tegenstem“)
Rp: R4, 8va bassa Ped: Sb16, Ob8
Orgelchoral: Rp: G8, P4, W2, Sesqu, Gq1 1/3
Hw: P8, O4, Tr8 Ped: Sb16, Ob8, F16, Hw-Ped 
Choralbearb.: Hw: P8, O4, N2 2/3, Tr8 (Lh, c. f.)
Rp: P4, R4, W2, Gq1 1/3, 8va bassa
Ped: Sb16, Ob8, Po8,Ro4, F16

8. Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen (EG 81, LB 181, W.v.T.)
Satz: Rp: G8, Hw: G8, Ped: Sb16, Rp-Ped
Choralbearb.: Hw: P8, G8 (c. f. im Sopran), Ped: Sb16, Ob8, Po8

9. Jesu, geh voran (EG 391, LB 442, W.v.T.)
Satz: Hw: O4, 8va bassa (Lh) Ped: Sb16, Ob8
Rp: G8, R4, Gq1 1/3 (Rh, C.f.)
Trio: Hw: G8 (Lh, c. f. mit Continuo)
Rp: R4, 8va bassa Ped: Sb16, Po8 
Choralbearb.: Hw: P8, G8, S4 (Lh)
Rp: G8, R4 Ped: Sch4 (C. f.)

10. Großer Gott, wir loben dich (EG 331, LB 444, W.v.T.)
Choralbearb.: Hw: P8, S4, N2 2/3 (Rh, C. f. im Sopran)
Rp: G8, R4 Ped: Sb16, Rp-Ped

11. In dir ist Freude (EG 398, LB 477, W.v.T.)
Satz I: Rp: R4 Hw: S4 (Echo) 
Satz II: Hw: G8, S4, O2 (Rh) Ped: Po8, F16
Rp: R4, W2, Kr8 (Lh, Mel.) 
Choralbearb.: Rp: G8, R4, W2 (Rh) Ped: Sb16, Hw-Ped
Hw: P8, G8, O4 (Lh, c. f. im Alt)

12. Lobet den Herren alle, die ihn ehren (EG 447, W.v.T.)
Satz I: Hw: P8, O4, Mixt (Rh, c.f.) Ped: Sb16, Ob8, Ro4, F16
Satz II: Hw: P8, O4, Mixt (Rh, c.f. „met tegenstem“)
Rp: P4, 8va bassa Ped: Sb16, Ob8, Ro4, F16
Choralbearb.: Rp: G8, R4, W2 Ped: Sb16, Po8, Ro4, F16
Hw: P8, O4, N2 2/3, Tr8 (Lh, c. f. im Tenor)

13. Geh aus, mein Herz, und suche Freud (EG 503, LB 425 (andere Melodie), J.F.)
Liedsatz: Rp: G8, R4 (manualiter)
Concertino: Hw: P8, G8, O4; Rp.: G8, P4; Ped: Sb16, Ob8, Po8, Ro4 

14. Die beste Zeit im Jahr ist mein (EG 319, J.F.)
Liedsatz: Rp: R4 (manualiter) 
Choralbearb.: Rp: G8, R4 Ped: Sb16, Po8, Ro4
Hw: P8, G8, O4, N2 2/3 (Lh, c. f. im Alt)

15. Wie lieblich ist der Maien (EG 501, J.F.)
Liedsatz: Hw: S4 (manualiter) 
Trio: Hw: P8, O4 (Lh) Ped: Sb16, Po8, Ro4
Rp: G8, R4, Gq1 1/3 (Rh)

16. Herzlich tut mich erfreuen (EG 148, LB 288, J.F.)
Liedsatz „Viel Freuden mit sich bringet“: Rp: G8 8va (manualiter)
Kantionalsatz „Herzlich tut mich erfreuen“: Hw P8 (manualiter)
Choralbearb.: Rp: G8, P4 Ped: Sb16, Ob8, Ro4
Hw: P8, O4, Tr8 (Lh, c. f. im Tenor)

17. Morgenglanz der Ewigkeit (EG 450, LB 289. J.F.)
Satz I, II: Hw: G8, S4 Ped: Sb16, Ob8
Rp: G8, P4 (Rh, c.c, Satz II: c.f. „met tegenstem“) 
Choralbearb.: Hw: P8 Ped: Sb16, Ob8
Rp: G8, Kr8 (Rh, c. f. im Sopran)

18. Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren (EG 316, LB 434, J.F.)
Satz: G8, N2 2/3, Tr 8 (manualiter, c.f.. im Alt)
Choralbearb.: Hw: P8, O4, O2, Mixt; Ped: Plenum (c. f. im Baß)