Willem van Twillert: Musicke for the Organ/ Renaissance Baroque/ Koororgel Bovenkerk Kampen 

Links: 
Bovenkerk Kampen: www.debovenkerk.nl 
Reil orgelmakers: www.reil.nl 

Dit CD-programma brengt in een chronologische volgorde een keur aan composities. in allerlei vorm en maat uit drie stijlperioden: Renaissance, Barok en Klassiek. Als centraal aanspeelpunt fungeert een a­antal bekende orgelwerken van Johann Sebastian Bach. Het programma beoogt deze meesterwerken enigszins in een historisch perspectief te plaatsen. De mierofoons zijn zodanig opgesteld dat in de opname de intieme akoestiek van het koor van de Bovenkerk te Kampen optimaal tot haar recht komt.

HET KOORORGEL
Rond het jaar 1000 heeft het orgel zich ontwikkeld tot een volwaardig muziekinstrument. Vijf eeuwen later is het orgel uitgegroeid tot een veelzijdig instrument met een gecompliceerd speelmechaniek. Nadien ondergaat het orgel. Onder invloed van steeds veranderende stilistische inzichten, die ook per land wezenlijk kunnen verschillen. alle mogelijke ontwikkelingen. Zowel het aanzien (front) als het eigenlijke instrument (binnenwerk) weerspiege­len telkens een nieuwe stijlperiode. Het orgel blijft zodoende een instrument dat telkens weer nieuwe generaties boeit: niet in de laatste plaats vanwege haar diversiteit en schoonheid. zowel in uiterlijk (front, meubel en decoratie) als innerlijk (pijpwerk, mechaniek en intonatie). Om het front als een juweel te laten pronken, trokken opdrachtgevers in het verleden vaak net zo veel geld uit voor het uiterlijk als voor het eigenlijke instrument Vanwege de zo rijke orgeltraditie beschikken orgelliefhebbers thans niet alleen over een keur aan historische orgels uit alle mogelijke stijlen, maar ook over een schier oneindige stroom aan orgelliteratuur uit allerlei landen in alle mogelijke stijlen. Dit CD-programma geeft een staaltje van deze verscheidenheid.

Het in 1999 vervaardigde koororgel in de Bovenkerk te kampen is een van de mooiste creaties van de orgelmakers Gebroeders Reil te Heerde. Het instru­ment is een geschenk van de heer Henk Stoel. Het in­strument staat met al haar pijpen in de roemruchte Hollandse geschiedenis met als inspirator Andreas Bader. De pijpen zijn gemaakt van gehamerd orgel­metaal met een hoog loodgehalte. De intonatie is uitgevoerd zonder kernsteken toe te passen, waardoor aanspraak en klank op een zo natuurlijk mogelijke wijze kunnen ontstaan, terwijl bovendien van iedere pijp het maximale aan karakter bewaard blijft. Intonatie zonder kernsteken vergt het uiterste aan vakmanschap van de intonateur. Juist dit individuele in iedere toon. bij elk register, maakt dit koororgel 70 boeiend. De afzonderlijke stemmen mengen zich zodanig. dat elke kleuring in registercombinaties weer een overtuigende, spannende klank voortbrengt. Het geheel lijkt soms meer dan de al zo fraaie delen.

Enkele uitspraken van Albert en Han Reil over het door hen gemaakte koororgel.

Albert Reil: “Wat nieuw is in dit orgel is dat de windlade geen separaat onder­deel is in het orgel, maar een deel is van de kas. De windlade is de krans, het cancellenraam ligt als kas­deel op de onderkas. De bovenkas staat op de windla­de. Er zijn dan geen of nauwelijks conducten nodig, want ook de frontpijpen staan op de lade. Windtech­nisch allemaal zeer economisch, maar met name komt dit het rendement van omzetten van resonantie in klank ten goede. Bij deze zogenaamde ‘kranslade’, die van voor tot achter in de kas ligt, kan de mechaniek niet passeren. Daarvoor moeten maatregelen genomen worden, die nauwgezet werken en tekenen vereisen. Het is mogelijk alles zo te arrangeren dat in de scheien van de hoofdwerklade doorvoeringen gemaakt kunnen worden voor het bovenwerkmechaniek. Die doorvoerproblematiek geldt natuurlijk net zo voor de de registermechaniek en de windvoorziening”.

Han Reil: “Van het restaureren van “de ouden” hebben we heel veel geleerd. Dan kom je achter het wezen van dat instrument en hoe de mensen vroeger gewerkt hebben. We hadden net het Baderorgel in Zutphen gerestau­reerd: daar is voor mij een wereld open gegaan met die renaissance-pijpen van Bader, die zware loden pij­pen. Dan spelen plotseling scherpe kantjes helemaal geen rol meer. dan versmelt alles zo mooi. Op het gebied van muziekinstrumenten was die 16e, 17e, 18e eeuw een toptijd in de wereldgeschiedenis. Er werden de mooiste violen, fluiten en orgels gemaakt. Voor zulke loden pijpen heb je een grote (kerk-) ruimte nodig, want het is enorm draagkrachtig, maar toch niet luid. Ook de tongwerken heb ik puur, zonder lood- of leerbeleg gemaakt met veel bewerkingen aan tongen en bekers. De maat voor akoestiek is met de lengte van de nagalm. Het gevoel van warmte is essentieel. Je hebt milde en harde akoestiek. Ook de Bovenkerk heeft zo’n mooie milde akoestiek. Het geluid sterft in prachtig weg. Bij een orgel is de wind­druk en de gehele windhuishouding van vitaal belang. Ik wil een mooie, zachte wind. Het is namelijk uiterst belangrijk hoe de pijpen aangeblazen worden. Wij moeten ook de ruimte hebben om flinke balgen te maken en dat hebben we hier gekregen. Met pompen door orgeltrappers krijg je de mooiste windvoorzie­ning; de wind komt dan als het ware door een slag­roomspuit in de pijpen. In deze tijd hebben we geen orgeltrappers. maar een elektromotor, die turbulentie en in wezen een storm veroorzaakt. Het is dan de kunst om een windvoorziening zodanig te maken dat de wind toch heel mooi in de pijpen komt. Dat we alles zo goed mogelijk mochten maken was in een woord fantastisch.’

De citaten van Albert en Han Reil zijn afkomstig uit het programmaboek dat werd gepubliceerd naar aanleiding van de ingebruikname van het koororgel op 27 mei 1999 (uitgave Stichting Koororgel Bovenkerk Kampen)

Dispositie:

Hoofdwerk C-D-e3 Bovenwerk C-D-e3 Recit c1-e3 Pedaal C-D-d1
Prestant 8' Prestant 4' Klaroen II Subbas 16'
Quintadeen 16' Gedekt 8'     Octaaf 8'
Cornet IV Quintadeen 8'     Octaaf 4'
Holpijp 8' Roerfluit 4'     Nachthoorn 2'
Octaaf 4' Nasard 3'     Bazuin 16'
Spitsfluit 4' Gemshoorn 2'     Trompet 8'
Quint 3' Octaaf 2'        
Octaaf 2' Quintfluit 1 1/2'        
Sesquialter II Mixtuur III-IV        
Mixtuur IV-VI Dulciaan 8'        
Fagot 16'            
Trompet 8'            

OVER DE OPGENOMEN WERKEN
Het British Museum bewaart het oudste handschrift met klaviermuziek van Engelse oorsprong. In dit handschrift staat onder meer een verzameling volks- en hofdansmelodieën. Een van de pavanes voert als titel: KING HARRY THE VIII TH PAVYN. (track 1). Deze titel geeft aan, dat deze typerende Engelse muziek is ontstaan tijdens of direct na de regering van koning Henry the VIII (1491-1547). De ROWNDE en DOMPE hebben beide een eenvoudig harmonisch en melodisch baspatroon (basso ostinato). In de boven­stem klinkt in de ROWNDE (track 2) een speelse melodie met diverse herhalingen van motieven. De ROWNDE en de DOMPE (track 5) zijn originele Engelse composities voor toetsinstrument uit circa 1530. Dit in tegenstelling tot de overige dansen, welke oorspronkelijk yoor een consort zijn gemaakt, en niet per definitie van Engelse bodem stammen. Waarschijnlijk zijn ten behoeve van een bewerking voor toetsinstrument een of meer middenstemmen van het oorspronkelijke werk achterwege gelaten. Zo staat de HARRY THE VIII TH PAVYN ook afgedrukt in een vierstemmige bewerking uit 1559 onder de titel ‘Pavane Lesquercarde’. Sommige orgelregisters, zoals Trompet, Dulciaan, Gemshoorn of Holpijp (=houten fluit) zijn oorspronkelijk ontstaan als imita­tie van muziekinstrumenten. Het orgel klinkt daarom uitstekend bij de verklanking van deze pure Renaissancemuziek. Een Prestant 8’ is bij uitstek een register dat de vocale sfeer goed weergeeft. Dit regis­ter klinkt dan ook fraai in LA BELL FYNE (track 5), welke vermoedelijk een transcriptie is van een koor­werk. De voor deze CD opgenomen werken uit dit Engelse handschrift zijn van een anonieme compo­nist. De Aria met variaties van Johann Philipp Krieger (track 6) sluit in deze opname af met de acht­ste variatie. In variatie 7 en 8 komen twee extra afsluitende maten voor. Ook overtuigen de eerste variaties in de reeks van totaal 24 artistiek het meest. De variaties bieden de speler een uitgelezen mogelijkheid om binnen een kort tijdsbestek allerlei registercombina­ties te laten horen.

Het is maar de vraag of Krieger met zijn uitgebreide reeks variaties is uitgegaan dat een speler ook altijd alle variaties moet uitvoeren. Het ligt mijns inziens meer voor de hand dat Krieger met dit werk organis­ten een mogelijkheid heeft willen bieden om allerlei registercombinaties te kunnen laten horen door mid­del van een keur aan variaties waaruit de organist een keuze kan maken.

Storace beschikt over een verrassend, vooruitstre­vend, harmonisch en melodisch vernuft. Dit bewijst hij onder meer met de twee voor deze CD geselec­teerde werken. Storace geeft op de titelpagina aan (zie biografische notities) dat zowel het clavecimbel als orgel voor de uitvoering gebruikt kunnen worden. Het orgel leent zich uitstekend voor de verklanking van het Balletto en de Corrente (track 7&8). Zijn Balletto is een thema met vijf variaties. Interessant is dat, Storace in dit Balletto iedere twee maten enigszins gevarieerd herhaalt. Dit maakt een echo op een twee­de, zachter geregistreerd klavier voor de hand lig­gend.

De Dorische Toccata (track 9) componeert Bach in Weimar tussen 1708-1717. In 1713 keert de jonge graaf Johann Ernst terug van een studiereis naar Amsterdam en Utrecht. De graaf neemt uit Amsterdam (een Mekka van muziekuitgevers) de allernieuwste muziek mee, alihans dat vermoeden we. omdat in hetzelfde jaar er aan het Hof te Weimar rekeningen voor het inbinden, kopiëren en opslaan van muziek te vinden zijn. Er zijn ook aanwijzingen dat graaf Johann Ernst in Amsterdam de blinde organist De Graaf heeft ontmoet, die hem de nieuwste Italiaanse concerti voor toetsinstrumenten voorspeel­de. Is dat de reden dat Johann Sebastian Bach en Johann Gottfired Walther na terugkomst van graaf Johann Ernst in Weimar talrijke bewerkingen maakten van Italiaanse concerten’? (onder andere concerti van Vivaldi BWV 592-596).

Heeft Bach toen ook de Dorische Toccata (BWV538) gecomponeerd? Dit vanwege de Italiaanse invloed. Hoe dan ook de Dorische Toccata is een meesterwerk. Voor het beginthema zou een motief model hebben gestaan uit het orgel-oeuvre van André Raison. Bach hanteert de toccatavorm op originele wijze als een onvervalst Italiaans concerto grosso met op het ene klavier het orkest en op het tweede manuaal de solist. De Dorische Toccata is het enige orgelwerk van Bach waarin gedetailleerde klavierwisselingen genoteerd staan. Hoewel de autograaf (Bach’s eigen handschrift) verloren is gegaan, mogen we aannemen dat dergelijke klavierwisselingen alleen door Bach zelf kunnen zijn bedacht. De beide klavieren mogen qua klank­sterkte in deze toccata niet teveel van elkaar verschil­len, omdat anders registerwisselingen voor het pedaal noodzakelijk zijn. Het uitgangspunt bij deze vertol­king is dat registerwisselingen door de speler zelf gerealiseerd kunnen worden. Tevens zou een te zacht geluid op een van beide klavieren een verstoring in de klankbalans teweeg brengen aan het eind van de toc­cata, waar immers beide manualen gelijktijdig bespeeld worden. Bach bouwt overigens bij hoogte­punten een crescendo op in de klank door het aantal stemmen soms tot zeven uit te breiden.

De muziektheoreticus Johann Mattheson (1681-1764) heeft met Henk Stoel, de schenker van het koororgel te Kampen gemeen, dat ook hij een orgel heeft gefinancierd (1744, nieuw orgel in de St. Michaeliskirche te Hamburg voor Dm 44.000,-!) Mattheson vermeldt in zijn “Das Neu-eröffnete Orchestre..”., Hamburg, 1713 als karakteristiek van de toonsoort f -kleine terts: “vredig, maar met een diepe, aan vertwijfeling gepaarde dodelijk angst”. Of Gottlieb Muffat in zijn prachtig gevarieerde aria (track 10) werkelijk zo zwaar op de hand was valt niet meer na te gaan, maar ontegenzeggelijk is genoemde gemoedstoestand in dit werk terug te horen. De Quintadeen 8’ van het koororgel te Kampen onder­streept overigens prachtig de weemoedige sfeer van het thema.

De zes Schübler-Choräle ontlenen hun naam aan de uitgever en muziekgraveur Georg Schübler. Bij hem liet Bach deze koralen, welke bewerkingen zijn van delen uit zijn cantates, tussen 1748-1749 te ‘Zella om Thüringer Walde’ uitgeven. De Schübler-koralen mogen gerekend worden tot de modernste werken uit Bach’s orgeloeuvre, omdat de galante, zangerige, op de melodie gerichte stijl hier optimaal aanwezig is. Het lijkt wel of Bach op het eind van zijn leven met deze superieure koraalbewerkingen volgende generaties ten vernieuwing van de vorm in zijn orgelwerk wilt aanreiken. Ook valt de heldere en omlijnde behandeling op van de koraalmelodie, die Bach steeds binnen een prachtig, melodieus vlechtwerk. laat klin­ken op een apart klavier. De op het titelblad vermelde aanduiding ‘von verschiedener Art’ geeft al aan dat Bach zo veel mogelijk afwisseling wenst aan te bren­gen in deze verzameling van zes koralen, waarvan er, binnen dit CD-programma drie ten gehore worden gebracht (BWV 645 uit Cantate 140 (1731), BWV 648 uit Cantate 10 en BWV 650 uit Cantate 137). In de begin- en slotmaten van Meine Seele erhebt den Herren (track 12) klinkt in de interpretatie op deze CD een (niet door Bach genoteerde) melodie boven de bas. Het motief hiervoor is, data in de cantate op deze plaats een uitwerking van de basso-continuo (de akkoorden vanuit de bas) wordt geïmproviseerd op orgel of clavecimbel.

Op de titelpagina van de autograaf van Das Wohltemperierte Klavier deel I staat het jaartal 1722. Het werk bevat 24 preludiums en fuga’s (twee- tot vijfstemmig) in alle grote en kleine terts toonsoorten. In Das Wohltemperierte Klavier, deel II, dat Bach vol­tooit in 1742 en waaruit de op deze cd voorkomende Praeludium en Fuga in e kleine terts stamt, hanteert Bach een gelijke opzet als in zijn eerste deel. Zowel in deel I als in deel II komen preludia voor met een uit­gesproken galant karakter. Beide delen hebben ook de evenwichtige opbouw tussen vrije en polyfone stijlen gemeen.

het Praeludium en Fuga in c kleine terts (track 14) klinkt fraai op orgel. De herhalingen in het Praeludium worden gespeeld op een tweede klavier met een ande­re klankkleur. Die kleuring verleent het Praeludium nog een extra dimensie. De vierstemmige fuga klinkt eveneens uitstekend op orgel, met name ook wanneer het fugathema in de verbreding ten toon wordt gespreid.

Johann Sebastian Bach laat een immens oeuvre na, dat uniek is vanwege het hoge creatieve en constructieve niveau en de rijkdom aan melodische vondsten. Bach weet niet alleen alle vormen van zijn eigen en voor­gaande generaties samen te voegen, maar hij slaagt er ook in nieuwe dimensies aan bestaande vormen toe te voegen op een manier die zijn weerga in de muziekge­schiedenis niet kent. Bach maakt tevens als een van de eersten een duidelijk onderscheid tussen muziek voor het klavier en muziek voor orgel. Met zijn zes Sonata’s voor orgel (BWV 525-530), gecomponeerd te Leipzig in 1727, ontwerpt Bach een nieuwe vorm in de orgelliteratuur. De thematiek van de sonate I in Es grote terts (track 15 - 17) bezit een welhaast Mozartiaanse gratie, die aantoont dat Bach ook kan componeren in de geest van zijn tijd. Wat betreft de uitvoering blijft het een open vraag of de herhalingste­kens die in het tweede en derde deel van de eerste Sonata voorkomen, ook altijd opgevolgd moeten war­den. Vooral in het tweede deel kan, mijns inziens, herhaling ook wel eens achterwege blijven, zoals dit gebeurt in deze opname.

Het cantabile in E grote terts van Johann Chistoph Schmügel is een homofoon werk zonder titel, waar het motto van de klassieke periode: ‘De melodie is de ziel van de muziek’ zonder meer op van toepassing is. (track 18)

Het Praeludium in Bes grote terts, opus Xll/2 van Albrechtsberger is een eenvoudig werk, dat uitstekend de kenmerken van het classicisme (barokke polyfonie met klassieke homofonie) in zich verenigt.

In zijn fuga in g kleine terts (track 20) geeft Wilhelm Friedemann Bach een staaltje van polyfoniebeheersing ten beste, want hij slaagt er niet alleen in om binnen deze beknopte fuga de polyfonie volledig aan bod te laten komen, maar het lukt hem ook voorbeeldig om op een ‘moderne’ (lees galante) manier de melodische- en harmonische ontwikkeling ruim baan te geven.

Registraties:

Anonymus (Engeland ca.1530/40) King Harry The VIIITH Pavyn
Hw T8
Bw D8

My Lady Wynkfvlds Rownde
Bw D8,G2
Hw Sfl4 02

A Galyarde
Hw Q16, F16 (octaaf hoger/octave higher)
Bw Rfl4

La Bell Fvne
Hw P8

My Lady Careys Dompe
Bw G8, Rfl4, Qfl1 - (rh)
Hw F16

J.Ph. Krieger: Aria met variaties in Bes/Aria with variations in B flat
Thema + Var I (=double)
Hw P8 Corn. (rh.)
Bw G8, Rfl.4
Var. 2
Hw 04
Bw Rfl4
Var.3
Hw H8,02
Bw G8, G2
Var.4
Bw 08, N3 (rh)
Hw H8
Var5
Hw nH8 O4 O2
Bw G8, P4
Var.6
Hw H8, 04, T8, 08,
Rw D8,Rfl4
Var.7
Hw P8
Bw G8
Var.8
Hw P8,04,Q3,Sesq.
Bw G8, Q8, Rfl.4, N3,D8

B. Storace Balletto in c
Primo:
Hw T8
Bw 08, D8 (echo)
Secundo:
Hw H8, 04, T8 (lh)
Bw ongewijzigdl unchan­ged
Terzo:
Hw H8,Sfl.4
Bw G8, Rfl.4
Quarto:
Hw Sfl4
Bw Rfl.4
Quinto:
Hw H8, Sfl4. 02
Bw G8, Rfl4
Sesto:
Hw H8, 04, 02
Bw G8,Rfl.4,G2

B. Storace Corrente in e
Hw H8,04
Bw G8, Rfl4

J.S. Bach Dorische toccata BWV 538
Hw P8,04,02
Bw G8, 02
Ped. S16, 04,T8

G. Muffat Aria met variaties in f /Aria with variations in f
Thema
Bw Q8,Rfl.4(rh)
Hw H8, Tremulant
Var.!:
Bw Q8, N3 (rh)
Hw H8
Var.2:
Hw H8, 02 (rh)
Bw G8, 02
Var.3:
Hw P8
Bw Q8,02
Hw/Bw

J.S. Bach Wachet auf. ruft uns die Stimme BWV 645
Hw P8, Tremulant
Bw G8, Q8, Sfl4, D8
Ped S16

J.S. Bach Meine Seele erhebt den Herren BWV 648
Bw G8 (later + Q8, Tremulant rh)
Hw Q16 H8, F16 (octaaf hoger bespeeld/plaved an octave higher)
Ped S16, 08

J.S. Bach Kommst du nun Jesu vom Himmel herunter BWV 650
Bw G8, G2 (rh)
Hw P8, H8, Q16
Ped 04, N2

J.S. Bach Praeludium & Fuea in c BWV 871
Bw G8,G2
Hw H8, 04

J.S. Bach Sonata I in Es BWVS2S
Allegro
Bw G8, N3 (rh)
Hw H8, Sfl4
Ped 08
Adagio
Hw P8 (rh), Tremulant
Bw G8,Q8,D8
Ped 08
Allegro
Hw H8, Sfl4, 02
Bw G8, Q8, Rfl.4, G2
Ped 08, 04

J. G. Albrechtsberger Praeludium in Bes
Bw G8, Rfl4, G2
W.F. Bach Fuga in g
Hw Vol ,behalve/Full except Corn.,Spl4
Bw Vol ,behalve/Full except Rfl4,N3, 02,Q1 1/3
Hw/Bw
Ped vol/Full

OVER DE COMPONISTEN
Johann Philp Krieger geboren te Nürnberg in 1649 krijgt vanaf zijn achtste levensjaar klavierles van J. Drechsel en, enige tijd later, compositieles van Gabriel Schütz. Op zijn viertiende of zestiende jaar gaat hij naar Kopenhagen om daar orgel Ie studeren bij Johannes Schröder en compositie bij Caspar Forster. Rond 1670 wordt Krieger benoemd tot hofor­ganist te Bayreuth. Wanneer in 1673 zijn werkgever ten strijde trekt tegen Frankrijk krijgt Krieger toestemming om, met behoud van salaris, (jawel), naar Italië te reizen om bij Rosenmuller in Venetië en hij Pasquini in Rome te gaan studeren. Na 2 jaar keert Johann Philipp terug en begint hij aan een succesvolle loopbaan in de muziek. Allereerst mag hij in Wenen musiceren voor Leopold I. Daarna werkt hij korte tijd in Frankfurt en in Kassel. In 1677 accepteert Krieger een betrekking als organist aan het hof te Halle.
in 1680 verhuist hii Hof naar Weissenfels. Krieger verhuist mee en hij wordt er Kapellmeister. Een func­tie die hij behoudt tot aan het einde van zijn leven in 1725. In 1713 logeert J.S. Bacb in het kasteel te Weissenfels, maar over een ontmoeting tussen beide collega’s zwijgen de geschiedenisboeken.
Vanaf 1684 houdt Krieger een lijst bij van elk vocaal werk dat hij aan het Hof uitvoerde. Die lijst omvat uiteindelijk naast 2000 werken van Krieger zelf, 225 composities van zijn broer Johann (1652-1732) en 475 werken van andere componisten. in tegenstelling tot zijn broer Johann zijn van Johann Philipp slechts enkele werken voor toetsinstrument bewaard gebleven.

Bernardo Storace Het Balletto in c kleine terts en de Corrente in e kleine terts van Bernardo Storace (track 7 en 8) stammen uit de enige uitgave die van hem bekend is. De titel luidt: “SELVA/ DI VARIE COMPOSITIONI/ D’IN­TAVVOLATURA PER CIMBALO/ ED ORGANO….” (Venetië 1664)
De titelpagina vermeldt verder dat Storacc werkzaam was als: “VICE MAESTRO DI CAPPELLA” van de senaat van de stad Messina (Sicilië). Verder is weinig over de levensloop van Storace bekend.

Gottlieb Muffat, geboren in 1690 te Passau als zoon van de beroemde componist Georg Muffat (1653-1704), wordt een gevierd componist voor klaviermu­ziek te Wenen, waar hij tot aan zijn dood in 1770 werkt.
De Aria met variaties in f kleine terts (track 10) is afkomstig uit zijn belangrijkste werk:’72 Verseti’.
Hoewel het overgrote deel van Gottlieb Muffat’s werk ongedrukt bleef, beleefde zijn ‘72 Verseti’ verscheidene drukken.

Johann Sebastian Bach stamt uit een wijdvertakt muzikantengeslacht waar de muziek met de paplepel wordt ingegoten. De jonge Bach krijgt waarschijnlijk les van zijn oudere broer Johann Christoph, organist in Ohrdruf, waarheen Bach is verhuisd na de dood van zijn vader in 1695. in 1700 treffen we Bach aan in het internaat van de St. Miehaelis-school in Lüneburg. Of hij toen les heeft gehad van Georg Böhm weten we niet zeker. In de loop der jaren legt Johann Sebastian Bach een verzameling muziek aan voor zelfstudie. Op achttienjarige leeftijd gaat hij het orgel bespelen van de Bonifatiuskirche in Arnstadt. Hier komt hij in conflict met de kerkenraad door zijn eigenmachtige ver­lenging van het verlof (winter 1705-1706) om het orgelspel van de in Lübeck werkende Buxtehude te leren kennen. Men maakt ook bezwaar tegen zijn lange tussenspelen en gewaagde koraalharmonisaties tijdens de kerkdienst. In 1707 gaat Bach naar Mühlhausen. Hij trouwt er met zijn nicht Maria Barbara Bach. Omdat Bach vanwege onbekend gebleven ongunstige omstandigheden in Mühlhausen geen regelmatige uitvoeringen van cantates kan geven, ver­trekt hij al na een jaar naar Weimar. Daar krijgt op de aantrekkelijke positie van Kammermusicus en organist aan het hof te Weimar. In 1714 volgt zijn bevordering tot Konzertmeister. Wanneer op 1 december 1716 Kapellmeister Drese overlijdt, verwacht Bach dat hij zijn opvolger wordt. Graaf Wilhelm, zijn werkgever, is dit echter niet van plan en Bach begint uit te kijken naar een nieuwe werkkring. Dit lukt, want begin 1717 geeft prins Leopold van Köthen, een neef van graaf Wilhelm, Bach te kennen dat hij hem als Kapellmeister wilt contracteren. Bach reist in septem­ber 1717 naar Dresden, waar zich de mogelijkheid voordoet om met de beroemde Franse clavecinist Louis Marchand op het clavecimbel een wedstrijd aan te gaan. Maar uiteindelijk vertrekt Marchand echter spoorslags, omdat hij vreest voor zijn reputatie in het geval hij verliest. Bach (hierdoor welhlicht overmoedig geraakt?) verzoekt graaf Wilhelm begin november om ontslag en hij doet dit in termen, die de graaf klaarlijkelijk niet aanstaan want Bach belandt van 6 november tot 2 december 1717 in de gevangenis. Overigens, het verhaal dat Bach in de gevangenis zijn Orgelbüchlein componeerde is niet juist. Wel maakt hij in het cachot een begin met het eerste deel van “Das Wohltemperierte Klavier”. Slechts twee dagen na zijn vrijlating treffen we Bach al in zijn nieuwe woonplaats Köthen aan. In 1723 wordt Bach cantor van de Thomasachole te Leipzig en hiermee de belangrijkste muzikant van die stad. Bach is dan verantwoordelijk voor het verzorgen van muziek in de vier belangrijkste kerken van Leipzig te weten de: Thomas-, Nicolai-, Mattheus- en Petrikirche.

Johann Christoph Schmügel Hoewel Telemann in een aanbevelingsbrief aan de kerkenraad van de Johanniskirche te Lüneburg de muzikale capaciteiten van zijn leerling Johann Christoph Schmügel de hemel in prijst krijgt deze de begeerde functie op dat moment niet, maar wel in tweede instan­tie in 1758. In 1765 gaat Schmügel terug naar zijn geboorteplaats Mölln om er organist te worden van de St. Nikolaikirche.

Johann Georg Albrechtsberger, geboren in Klosterneuburg bij Wenen, ontwikkelt zich tot een geslaagd organist, theoreticus, leraar en dirigent. Hij kopieert onder meer de meeste fuga’s uit Bach’s ‘Wohltemperierte Klavier’. In 1791 wordt Albrechtsberger assistent Kapelllmeister van de Stephansdom in Wenen; twee jaar later promoveert hij tot Kapellmeister van het koninklijk hoforkest te Wenen, het hoogst bereikbare in de muziek in Oostenrijk.

Wilhelm Friedemann Bach, op 22 november 1710 te Weimar geboren als eerste zoon van Johann Sebastian Bach, maakt zodanig carrière, dat uiteindelijk niet al zijn creativiteit tot ontplooiing komt. Zijn muzikale opleiding mag uniek genoemd worden omdat zijn beroemde vader juist voor hem veel oefenstof compo­neerde. waaronder de zes triosonata’s. Voor deze CD is de eerste Sonata opgenomen. (track 15 - 17). Ook componeert Bach het eerste deel van Das Wohltemperierte Klavier mede ten behoeve van de muzikale vorming van zijn eerste zoon (Wilhelm Friedemann is dan twaalf jaar). In 1734 wordt W. Fr. organist van de Sophienkirche te Dresden. Twee jaar later geeft zijn vader op het Silbermann-orgel in deze kerk een concert. Mede op voorspraak van zijn vader wordt Wilhelm Friedemann benoemd tot organist aan de Liebfrauenkirche te Halle. Echter de sobere piëtistische sfeer in Halle motiveert hem om uiteindelijk te vertrekken. Wanneer hij in 1762 een prachtige positie als Kapellmeister aan het Hof van Darmstadt aangeboden krijgt, aarzelt hij om duistere redenen echter zolang met verhuizen, dat uiteindelijk deze baan aan zijn neus voorbijgaat. In 1764 geeft Wilhelm Friedemann zijn baan te Halle op zonder andere vooruitzichten te hebben. In 1770 verhuist het gezin naar Braunschweig en in 1774 naar Berlijn, waar Wilhelm Friedemann in 1784 in armoede sterft.

COLOFON

Opname / Recording

Dolph Thierty STH Records. Hocvehaken, Holland

Digitale bewerking / Digital editing

Evert Jan van Groh

Opnamedatum / Recording date

20 januari 2000

Teksten / Texts

Willem van Twillert

Engelse vertaling / English translation

Willem Smith, Soest

Foto organist / Photograph of the artist

Gerco A. Schaap, Baarn

Financiële ondersteuning / Financial support

Premselaar & Timmer-Beleggingsonderwijs bv, Rokin 115, 1012 KP, Amsterdam WWW: www.PremselaarTimmer.nl <http://www.PremselaarTimmer.nl>