Willem van Twillert speelt eiegen koraalvariaties (Deel III) op het van Oeckelen-organ in de Hervormde kerk van Oud-Beijerland

Ten geleide
Nergens wordt de koraalkunst zo vaak vastgelegd als in Nederland. Ook het fenomeen om te componeren in een stijl uit het verleden doet zich binnen de kerkmuziek in ons land in (bescheiden) toenemende mate voor. Verschillende vakorganisten in Nederland deinzen er heden ten dage niet voor terug om, al of niet met regelmaat, te componeren in een stijl uit het verleden. Deze ontwikkeling loopt eigenlijk parallel aan de ontwikkeling in de orgelmakerij. Orgelmakers dringen steeds dieper door tot de finesses van hun ambacht. Orgels uit elke stijlperiode worden diepgaand bestudeerd en geanalyseerd. Thans wordt door veel orgelmakers elke stijl zo getrouw mogelijk toegepast, waarbij overigens soms moderne verworvenheden gehanteerd worden. In wezen geldt dit streven ook bij het componeren, of zo u wilt, het maken van liturgische orgelmuziek in oude stijl. Stijlgetrouw maar niet slaafs. Het bovenstaande is een beschouwing van enkele ontwikkelingen binnen het kader van historische stijlen, dat wil niet zeggen dat schrijver dezes hedendaagse stijlen niet waardevol vindt.

Persoonlijke noot
Als persoonlijke noot wil ik aan deze beschouwing toevoegen dat ondergetekende soms bewust"frisse' en soms niet geheel in de stijl passende elementen in zijn muziek een rol laat spelen. Variatie III, IV en IX uit de variatiereeks over"In Christus is noch west noch oost' (liedboek 308) zijn hiervan een voorbeeld, evenals enkele psalmvoorspelen op deze CD (psalmmelodie 85, 86, 100, 142, 143). Zo ontstaat, ondanks de wetten die voortvloeien uit de keuze om je (hoofdzakelijk) uit te drukken in een stijl uit het verleden, een persoonlijk element in je muziek. Overigens beoefen ik tijdens het musiceren in de wekelijkse eredienst in de Johanneskerk te Amersfoort, alle mogelijke stijlen, de stilistische keuze wordt dan vooral bepaald door de stijl van het opgegeven lied. Is de scheidslijn tussen kunst en ambacht bij het vervaardigen van historische orgels vaag, even vaag ligt die scheidslijn bij het vervaardigen van functionele kerkmuziek, om deze minder fraaie term voor de duidelijkheid maar te gebruiken. Is het componeren van muziek in een stijl uit het verleden kunst of ambacht? Het is ambacht, want origineel kun je het hanteren van een stijl uit het verleden niet noemen. Waarom ik dan toch nogal eens componeer in een stijl van overleden componisten?
Och, omdat het me genoegen verschaft om in diverse stijlen met muziek bezig te zijn. Ook vind ik het plezierig om mijn werk gedrukt te zien en te merken dat het klaarblijkelijk door veel organisten gebruikt en gewaardeerd 
wordt. Overigens let ik er bij het noteren op dat de technische eisen niet te hoog uitvallen, omdat het meestal amateur -kerkorganisten zijn die mijn werk spelen. Voor die categorie organisten is het ook bedoeld, want de behoefte aan functionele kerkmuziek is bij hen, zo neem ik aan, het meeste aanwezig.
Uiteindelijk selecteert de tijd, want de bloemlezing betreft altijd het verleden, nooit het heden. Gelukkig zijn er altijd organisten geweest die hun werk uitvoerden, noteerden en de wereld instuurden, zodat iedere organist steeds uit een ruim aanbod een keuze kon en kan maken. Op de vraag welke koraalbewerkingen uiteindelijk tot de orgelliteratuur zullen gaan behoren, geeft, zoals reeds opgemerkt, alleen de tijd uitsluitsel.

Een analyse van de Variaties over 'In Christus is noch oost noch west'
De vier regels tellende eenvoudige maar boeiende melodie van "In Christus is noch oost noch west", vraagt om een contrastrijke behandeling. Omdat de keuze, bij mij althans, niet snel zal vallen op het veranderen of versieren van de melodie, is het wisselen van toongeslacht (van majeur naar mineur) een mogelijkheid. Aansluitend aan de eerste harmonisatie van het koraal volgt een tweede harmonisatie in mineur.
Hierna volgen twee variaties die qua vorm alle kenmerken van de barokke stijl vertonen, maar de harmonisatie vertoont subtiele romantische trekjes.
Variatie III en IV zijn in een laat-romantische stijl getoonzet.
Variatie IV is weer in mineur. Variatie V is een wat de harmonie betreft romantisch getinte driestemmige variatie die alleen door de handen (manualiter) wordt gespeeld. Het daaropvolgende trio was in oorsprong de eerste variatie die gereed was (op 27 december 1996, dit naar aanleiding van het overlijden van zwager Hans Mooij te Arnhem). De koraalmelodie klinkt in dit trio allereerst in het pedaal, terwijl de linkerhand gelijktijdig een contrapunt (een tegenstem) speelt. Dit contrapunt herhaalt zich in de rechterhand. Nadat tweemaal een zogenaamd"zucht'-motief klinkt, treedt de koraalmelodie weer naar voren op een apart klavier, weer klinkt dan het contrapunt. Na de tweede regel stond ik voor de keuze: of zo verder gaan (met het gevaar dat dan de inleiding qua afmeting aan de forse kant uitvalt), of een tussenspel creëren. Omdat het materiaal van het contrapunt al voldoende was hergebruikt (nog meer zou eentonig worden) koos ik uiteindelijk voor een imitatie van de komende melodieregel gevolgd door een ingetogen sequens die leidt naar de inzet van de tweede helft van de melodie. In het coda komt nog een imitatie van het contrapunt voor. Variatie VII en IX zijn variaties die ik in 1999 tijdens een concert in de Ontmoetingskerk te Zuidlaren improviseerde en naderhand noteerde (variatie IX kortte ik bij het noteren sterk in). Variatie VIII is bedacht om nog een extra element toe te voegen in de vorm van een speels begin in fis phrygisch, zodat het enigszins obligate begin van de koraalmelodie ook eens op lossere schroeven kan staan. De phrygische begin-melodie wordt vervolgens in de linkerhand geïmiteerd. Het pedaal speelt ondertussen het interval kwart, waarmee ook de koraalmelodie begint. Uiteindelijk is het beginthema ook het eindthema, maar dan in de toonsoort D grote terts.
Variatie IX is in een sfeer getoonzet die dient als algemene opmaat voor de fuga. Daarom worden in variatie IX nog eens toonsoorten aangeraakt, die ver verwijderd liggen van de hoofdtoonsoort om zodoende de harmonische spanning op te voeren. Via d kleine terts en g kleine terts komt As grote terts in het vizier.Vervolgens klinkt in As grote terts de koraalmelodie, waarbij de eerste regel in de alt en de tweede- en derde koraalregel in de sopraan ligt. De derde en vierde melodieregel voeren al modulerend en imiterend naar f kleine terts. Tenslotte klinkt dezelfde afsluiting als in de allereerste zetting enŠis de cirkel rond: de finale kan beginnen! Een driestemmige fuga met een contrasubject (dat is een vaste melodie die gelijktijdig met het fugathema klinkt), een beknopte doorwerking en divertimenti, die de kop van het koraalthema laten horen, leiden via een orgelpunt op de zesde toon van de hoofdtoonsoort (in plaats van op de te verwachten vijfde toon =dominant) naar de slotzetting. Een koraalharmonisatie met de koraalmelodie verdubbeld 
in octaven, waarbij de mooie sesquialter van Cornelis van Oeckelen met de typerende repetitie op f ' ' optimaal klinkt, luidt het einde van het werk in. Als apotheose klinken nog eenmaal in het coda de beginregels van de 
koraalmelodie.
Willem van Twillert - Amersfoort, november 2000

Orgelcommissie Dorpskerk Oud-Beijerland
Sinds 1982 organiseert de commissie"Zang- en Orgelavonden in de Dorpskerk van Oud-Beijerland' concerten waarbij het Van Oeckelen-orgel centraal staat.
De commissie in het leven geroepen vanuit muzikale overwegingen, maar ook omdat een groepje van aanvankelijk drie (orgel)-muziekliefhebbers binnen de hervormde gemeente van Oud-Beijerland zich het weinig florissante lot van het instrument aantrok. Met de opbrengst van die concerten wordt geprobeerd gelden bijeen te brengen ten behoeve van het Van Oeckelen-orgeld in de ruimste zin des woords. Dat was ook nodig, want het orgel had veel tegen.
Naast storingen en klachten groeide het besef dat de restauratie en uitbreiding niet voldoende het gewenste resultaat hadden opgeleverd.
Zijdelings speelden factoren mee zoals: een moeilijke akoestiek; een gepleisterd plafond van stroplatten; een kerk volgestouwd met banken voorzien van kussens; zware gordijnen voor de kerkramen; matten op de looppaden van de houten kerkvloer en een rooster naast het orgel waardoor hete lucht voor de verwarming de kerk binnenstroomde. Zolang de R in de maand was bleek het nauwelijks mogelijk het orgel op stemming te houden.
De concerten sloegen aan en bleken in een behoefte binnen Oud-Beijerland en de Hoeksche Waard te voorzien. Er werden tal van initiatieven ondernomen om steeds een nieuw publiek aan te kunnen spreken. Bekende en minder bekende organisten en koren werden uitgenodigd. Ook bleef de commissie de weinig rooskleurige toestand van het orgel onder de aandacht van Kerkvoogdij en publiek brengen. Binnen de Kerkvoogdij groeide in de loop der jaren eveneens het besef dat er het nodige in en om het orgel diende te gebeuren. Het geluidsabsorberende plafond werd in de jaren tachtig vervangen door een plafond van gerasterd steengruis met een stuclaag, hetgeen de akoestiek ten goede kwam. Het geheel kwam in een stroomversnelling toen in 1986 de orgelmakerij Mense Ruiter ten tonele verscheen en een rapport over de staat van het instrument opstelde. Er werd een plan van aanpak opgesteld om gefaseerd het orgel zo veel als mogelijk, weer in oude luister te laten klinken. De eerste fase betrof in 1986/'87 een algehele herintonatie en technisch herstel. In de jaren '90 werd het interieur van de Dorpskerk aangepakt. De houten vloer werd vervangen door een vloer met plavuizen, 
waarbij ook oude grafzerken weer zoveel mogelijk een plaats kregen. Alle banken werden vernieuwd. Belangrijk was de aanleg van vloer/voetverwarming waardoor de grote temperatuurschommelingen en de in orgelkringen zo verafschuwde heteluchtverwarming tot het verleden behoorden.

Aanleiding tot het ontstaan van de CD
Een regelmatig terugkerende naam in de orgelserie te Oud-Beijerland is die van Willem van Twillert. Zijn altijd weer verrassende concertprogramma's, inventieve registraties én, niet in de laatste plaats, zijn informatieve mondelinge toelichtingen maakten hem al snel tot een gewaardeerde gast.
Willem van Twillert steekt zijn enthousiasme voor het Van Oeckelenorgel niet onder stoelen of banken. Nadat in het voorjaar van 2000 de tongwerken waren vernieuwd ontstond binnen de orgelcommissie het idee voor een open orgeldag. Al snel viel de naam van Willem van Twillert als zijnde de ideale musicus voor het slotconcert. Nadat de eerste contacten waren gelegd bleek er sprake te zijn van een gelukkige samenloop van omstandigheden, want het klassieke klankbeeld van het Cornelis Van Oeckelen-orgel voldoet in de ogen van Van Twillert uitstekend voor verklanking van zijn bewerkingen over Psalmen en Gezangen. Immers, dit orgel vertegenwoordigt de interessante eindfase van de barokke bouwstijl,waar binnen zich de eerste tekenenen van de Romantiek aandienen. Vooral de bewerkingen van Gezangen met vroeg-romantische melodieën, en de door de stijl van dit orgel ingegeven keuze uit Van Twillerts psalmvoorspelen, sluiten goed aan bij de klankwereld van Cornelis Van Oeckelen. Het zal niet verbazen dat de plannen voor een CD-opname toen snel vaste vormen aannamen, ook omdat er geen andere CD-opnames van een Cornelis van Oeckelen -orgel voorhanden zijn. Bovendien is deze cd een primeur binnen het orgelbestand in de Hoeksche Waard. Het pleit voor Willem van Twillert om niet een"top-tien'-orgel voor vertolking van zijn muziek te kiezen. De Orgelcommissie prijst zich gelukkig met het feit dat er, in goede samenwerking met de Kerkvoogdij, in de loop der jaren zoveel aan het orgel gedaan kon worden, zodat het instrument thans in een ongekend goede conditie verkeert. Daarnaast kan de Orgelcommissie zich in de persoon van Willem van Twillert nauwelijks een betere pleitbezorger van dit 
instrument voorstellen.

Het Van Oeckelenorgel
De directe aanleiding tot de bouw van het orgel in de Dorpskerk van Oud-Beijerland vormde de traditionele nieuwjaarsbijeenkomst van de kerkenraad ten huize van één van de predikanten. Tijdens deze bijeenkomst, om elkaar "geluk te wenschen met den vernieuwing des jaars ", besluit men tot aanschaf van een orgel. We schrijven dan 1 januari 1826. Voor zover bekend heeft er voordien nooit een orgel in deze kerk gestaan. Men neemt de zaken voortvarend ter hand want al op 30 maart 1826 wordt het contract getekend en krijgt orgelmaker Cornelis van Oeckelen uit Breda de eervolle opdracht. Deze Van Oeckelen was naast orgelmaker ook horlogemaker en uitvinder. Met een feestelijk concert wordt het orgel op 29 mei 1827 in gebruik genomen door J. Robbers, organist van de Rotterdamse Grote- of St. Laurenskerk. In het lovende keuringsrapport vermeldt Robbers onder meer: "dat de orgelmaker in alles als een braaf en kundig orgelbouwer gehandeld heeft, die lof en recommandatie verdient ".

De dispositie ziet er in 1827 als volgt uit:

Hoofdwerk 

(bovenklavier) 

Onderpositief 

(onderklavier)

Bourdon 

16' 

Holpijp 

8'

Principaal 

8' 

Fluit 

4'

Holpijp 

8' 

Fluit-travers 

8' (disc.)

Roerfluit 

4' 

Gemshoorn 

2'

Prestant 

8' (disc.)

 

 

Octaaf 

4'

 

 

Quint 

3'

 

 

Octaaf 

2'

 

 

Sesquialter 

III (disc.)

 

 

Cornet 

V (disc.)

 

 

Mixtuur 

III-V sterk

 

 

Trompet 

8'

 

 

In totaal zestien stemmen, verdeeld over Hoofdwerk en Onderpositief. Vooral de dispositie van het Hoofdwerk is op kracht gericht, bedoeld om de melodie duidelijk te kunnen laten horen en de zingende gemeente optimaal te kunnen leiden en te ondersteunen. Het prestantenplenum (met in de discant een dubbele Prestant 8'), de milde Mixtuur (in het begin van de negentiende eeuw wilde men steeeds minder 'schreeuwende' registers horen met als gevolg dat steeds vaker Mixturen en Scherpen de windlade moesten verlaten), de Cornet (op verhoogde bank) en de Trompet bieden de organist een keur aan klankleuren. Bijzonder is ook de Sesquialter met de typerende repetitie op f ' ', waardoor dit register vanaf f ' ' de zestien voet als basis heeft en daardoor uitstekend dienst doet bij het uit laten komen van de in octaven gespeelde koraalmelodie. De Sesqualter is op deze CD op deze manier gebruikt bij de slotzetteing van "In Christus is noch west noch oost". 
Als soloregister is de Sesquialter in een variatie over psalmmelodie 89 te beluisteren. (zie verder registratietabel) Het bescheiden gedisponeerde Onderpositief is bedoeld als tegenhanger van het Hoofdwerk in de vorm van "lieflijken geluiden" (zoals bijvoorbeeld de Fluit travers 8' een in die dagen zeer populaire dwarsfluitimitatie) waarmee met name de tussenspelen (interludia) werden gespeeld. Het instrument had een aangehangen pedaal (pedaal zonder zelfstandige stemmen).
De bouwkosten voor dit instrument bedragen in 1827 Hfl 3.600,00. Met bijkomende kosten, zoals het oxaal, de beelden en het schilderen van de orgelkas kwam het totaal uit op Hfl 5.378,27 én een halve cent. Het klankbeeld van Cornelis van Oeckelen's orgels kenmerkt zich door veelkleurigheid en mildheid. Behalve het Oud-Beijerlandse orgel bouwde Cornelis van Oeckelen in Zuid-Nederland instrumenten te Strijen, Waalwijk en 's-Gravenmoer.

Restauratie en uitbreiding (1967)
In de twintigste eeuw wordt de Dorpskerk een aantal keren vergroot. Om het orgel aan de grotere kerkruimte aan te passen krijgt orgelbouwer Bernhard Pels & Zoonen uit Alkmaar in 1967 de opdracht het orgel uit te breiden en tevens te restaureren. Het orgel wordt ingrijpend gewijzigd, zowel in- als uitwendig. Bestond de kas van het orgel oorspronkelijk uit het Hoofdwerk met daaronder het Onderpositief, na de restauratie bezit het orgel aan weerszijden Pedaaltorens, en staat het Onderpositief in de vorm van een Rugwerk los van de Hoofdwerkkas. Op de plek van het vroegere Onderpositief komt de nieuwe speeltafel (voordien aan de achterkant) en tussen Hoofdwerk en de Speeltafel construeert men een Borstwerk met vijf stemmen in een zwelkast. Totaal 31 registers verdeeld over drie klavieren en vrij pedaal.
De samenstelling van het Hoofdwerk blijft ongewijzigd, terwijl een deel van het oude pijpwerk van het Onderpositief in het nieuwe Borstwerk is opgenomen. De Fluit-Travers 8' en de Gemshoorn 2' verdwijnen. Ook de Mixtuur van het Hoofdwerk en alle Prestant- frontpijpen worden vernieuwd. De oorspronkelijke Trompet 8' was al in 1930 vervangen door een exemplaar van onbekende dubieuze makelij. Door deze ingrepen, de gewijzigde windvoorziening en herintonatie van het originele pijpwerk bleek het oorspronkelijke karakter nog slechts fragmentarisch aanwezig. Daarbij moet wel bedacht worden dat de restauratie plaatsvond in de Neobarokke periode: een tijd waarin het accent gelegd wordt op rijkdom aan boventonen ten koste van grondtonigheid en draagkracht. Kwalijk was dat het orgel niet meer als een eenheid klonk. De scheiding tussen "oud en nieuw" was duidelijk waarneembaar. Al vrij snel na de oplevering ontstaan er klachten over ontregeling van de mechaniek en ontstemmingen.

Recente lotgevallen van het orgel (1986-2000)
In 1986 wordt door Mense Ruiter Orgelmakers uit het Groningse Zuidwolde een algehele herintonatie uitgevoerd die een reconstructie beoogt van het oorspronkelijke klankbeeld. Een exponent bij uitstek van de Neobarok, de Cymbel van het Borstwerk, wordt vervangen door een Flageolet 1' en de dun klinkende Nasard 1 1/3' van het Rugwerk schuift op naar een meer functionele 2 2/3' samenstelling. Ook de starre windvoorziening wordt flexibeler gemaakt. In technisch opzicht ontdoet men het orgel van een aantal on-orgelmatige materialen. In het voorjaar 2000 worden Dulciaan 8', Bazuin 16' en Trompet 8' van het Hoofdwerk nieuw gemaakt door Mense Ruiter B.V. in een factuur die zo goed mogelijk aansluit bij het klankbeeld van Cornelis van Oeckelen. De uiteindelijke klankgeving van deze tongwerken is een interpretatie door orgelmakerij Mense Ruiter B.V., omdat van Cornelis van Oeckelen geen tongwerken zijn overgeleverd. De Trompet 8' van het Hoofdwerk (1986 Mense Ruiter) verhuist naar het Pedaal ter vervanging van de Schalmeij 4'. Het orgel heeft overtuigend aan allure gewonnen.

Orgelfront
Na de uitbreiding in 1967 verandert het nogal stijve en boersige front in een monumentaal breed front met een Noordduitse werkopbouw. De vrijstaande pedaaltorens en het borstwerk dragen aan die barokke uitstraling bij.
Curieus is het houtsnijwerk tussen hoofdwerkkas en pedaaltorens en de uitbeelding van de wonderbare visvangst in de blindering van het Borstwerk.
Het overige (vergulde) blinderingsnijwerk is uitgevoerd in al even fijnzinnige grote en kleine "hoornen des overvloeds".

De dispositie anno 2000 luidt:

Hoofdwerk 

(II) 

Rugwerk 

(I)

Borstwerk (III) Pedaal  

Bourdon 

16' 

Roerfluit 

8'

Gedekt  8' (deel 1827) Prestant  16'

Principaal 

8' (front 1967) 

Gedekte Fluit 

4'

Fluit  4' (deel 1827) Subbas  16'

Holpijp 

8' 

Prestant 

4'

Octaaf  2' (1967) Prestant  8' 

Roerfluit 

4' 

Vlakfluit 

2'

Flageolet  1' (1986) Octaaf  4'

Prestant 

8' (disc.) 

Nasard 

2 2/3' (deels 1986)

Regaal  8' (1967) Ruispijp  4 st.

Octaaf 

4' 

Scherp 

IV st.

    Bazuin  16' (2000) 

Quint 

3' 

Dulciaan 

8' (2000)

    Trompet  8' (1986)

Octaaf 

2'*

 

 

       

Sesquialter 

III (disc.)

 

  

       
Cornet  V (disc.)            
Mixtuur  III-V st. (1967)            
Trompet  8' (2000)*            
               

*Tenzij anders aangegeven dateren de registers van het Hw geheel of gedeelte lijk uit 1827
Borstwerk in zwelkast (bovenklavier)
Koppelingen
 Hoofdwerk - Rugwerk
 Hoofdwerk - Borstwerk
 Pedaal - Hoofdwerk
 Pedaal - Rugwerk
 Pedaal - Borstwerk
Tremulanten voor Rugwerk en Borstwerk
Tenzij anders aangegeven dateren de Klavieromvang C-f3
Registers van het Pedaal uit 1967
Pedaalomvang C-f'

Cornelis Jacobus van Oeckelen (1762-1837) ­ kunstwerker 
De naam Van Oeckelen is vermoedelijk afkomstig uit het gehucht Oekel vlak onder de Brabantse gemeente Rijsbergen. De geslachtsnaam Van Oeckelen komt reeds in de 15e eeuw voor. Cornelis van Oeckelen werd geboren op 12 oktober 1762 in Breda. Hij trad in 1786 in het huwelijk met Elisabeth Coenen. Zij kregen acht kinderen, 5 dochters en 3 zonen. Van beroep was Van Oeckelen aanvankelijk horloge/instrumentmaker. Dat begrip sloeg in die dagen niet zozeer op zak- en polshorloges als wel op tijdaanwijzers als klokken en (toren)-uurwerken. Horlogemakers waren in die dagen de aristocraten onder de ambachtslieden.
Bekend is dat Cornelis belast was met het onderhoud van het uur-en speelwerk van de toren van de Grote Kerk in Breda. Het zou kunnen dat hij, na het overlijden van de Bredase orgelbouwer Anthonie Christianen, door de gemeente werd aangezocht om kleine reparaties en onderhoudswerkzaamheden aan het orgel te doen. Het staat echter niet vast dat Cornelis van Oeckelen zijn kennis van de orgelbouw heeft opgedaan met de bestudering van het orgel in de Grote Kerk. Evenmin is bekend waar hij dan eventueel die kennis elders opdeed. Vanaf 1804 zijn er berichten van werkzaamheden die hij aan bestaande orgels verricht. In 1821 voltooit van Oeckelen het orgel in de Hervormde gemeente van 's-Gravenmoer, waar de orgelmakers Smid en Verbeek aan begonnen waren. In 1822 bouwt hij zijn eerste eigen instrument in Waalwijk. Het jaar daarop voorziet hij het orgel in Heesbeen van een orgelkas. Voor de Dorpskerk van Oud-Beijerland voltooit Cornelis van Oeckelen in 1827 een instrument met 16 stemmen. Cornelis van Oeckelen heeft vanaf 1792, tot aan zijn dood, op 29 augustus 1837 in het huis"De Laurierboom', gelegen aan de grote Markt in Breda, gewoond. Zijn zoon Jan zet de orgelmakerij van zijn vader voort en blijft ongehuwd in het ouderlijk huis wonen tot 1860, het jaar waarin hij overlijdt. Ook Jan was daarnaast horlogemaker. De tweede zoon, Petrus, verwerft zijn faam vooral in het noorden van Nederland. Petrus van Oeckelen heeft vooral in Groningen veel orgels op zijn naam staan. Hij overlijdt in 1878. Het op één na laatsts kind van Cornelis van Oeckelen, de derde zoon Cornelis jr. is vooral bekend geworden als uitvinder. Zijn uitvindingen werden altijd wel enthousiast ontvangen maar kwamen nooit echt van de grond. In 1865 sterft hij in New York. De laatste nakomeling in de mannelijke lijn uit het geslacht van Cornelis sr., Francois Reinier van Oeckelen (kleinzoon van Cornelis jr.) overlijdt in 1920 in Kediri (voormalig Nederlands-Indië).

De Dorpskerk van Oud-Beijerland
Met de bouw van de kerk wordt in 1567 begonnen. Oorspronkelijk is de kerk een parochiekerk gewijd aan de Heilige Antonius van Padua. Dat duurt niet lang want in 1574 doet de eerste predikant van de Reformatie, dominee Lambertus, zijn intrede.
Door de gestage groei van de gemeente vergroot men de kerk verschillende keren, voor het eerst in 1604. In dat jaar krijgt de kerk een toren, een geschenk van de gravin Sabina van Egmond, ambachtsvrouwe van Oud-Beijerland.
De grote klok uit 1604 doet nog steeds dienst. De tweede (kleine bel) dateert uit 1955. In de jaren 1621 en 1650 vinden opnieuw uitbreidingen plaats. Ondanks hardnekkige berichten dat er in 1625 een orgel geplaatst zou zijn, is daar in de kerkelijke archieven tot op heden geen bewijs van teruggevonden. In de negentiende eeuw worden een aantal galerijen geplaatst, een"Weezengaanderij'en een"Vrouwengaanderij'. De laatste vergroting van de kerk vind plaats in 1925 aan de oostzijde van het gebouw.
Er komt dan ook een derde galerij. Het meubilair in de Dorpskerk is deels historisch. De preekstoel dateert uit 1712, het doophek uit 1625, de lessenaar op het doophek uit 1725, een rouwbord uit 1796, de zilveren doopschaal uit 1790 en het doopvont is uit 1944. Daarnaast behoren een vijftal gebrandschilderde ramen tot de bezienswaardigheden. Er zijn plannen om in de toekomst nog twee gebrandschilderde ramen te plaatsen.
Conno van Bochoven ­ Oud-Beijerland, november 2000

Mense Ruiter Orgelmakers B.V. Zuidwolde (Gr.)
De orgelmakerij Mense Ruiter, in 1930 door Mense Ruiter opgericht, krijgt vooral na wereldoorlog II bekendheid door het bouwen van mechanische instrumenten. Bekende orgels van zijn hand staan in de Maranathakerk te Den Haag (1952), de Koningskerk te Amsterdam (1958) en de Martyriakerk te Bedum (1969). Ondanks de in die tijd gebruikelijke boventoonrijke intonatie bezitten deze orgels een opmerkelijke grondtonigheid . Ook werden door hem en zijn medewerkers diverse belangrijke orgels gerestaureerd. In 1976 gaf Mense Ruiter het vaandel over aan een nieuwe directie,de kern van het oude personeel bleef en zo werd ervaring en vakwerk meegenomen, hetgeen de continuïteit waarborgde. De stijl in de orgelmakerij veranderde en nieuwe instrumenten werden meer en meer geënt op historische voorbeelden. Onder andere Winsum, Herv. kerk (1977); Uithuizermeeden, Geref.kerk (1980); Nijverdal, Geref.kerk (1984); Oostvoorne, Geref.kerk (1989); Spakenburg, Noorderkerk (1996); Sommelsdijk, Kapel Verpleegtehuis 'De Samaritaan' (1998).
De intonatie werd vocaler zodat de orgels zich meer konden mengen met de zingende gemeente. De restauratiepraktijk wijzigde zich, orgels werden teruggerestaureerd naar de oorspronkelijke toestand. (Saaxumhuizen, Herv.kerk, 1851, Oude Pekela, Herv. kerk, 1865, Sleen, Herv.kerk (1845), Huizinge, Herv. kerk, 1825). Zo werden en worden met steeds groter wordende kennis diverse orgels gerestaureerd, waarvan de Van Oeckelen-orgels een aanzienlijk deel uitmaken. Met name in het noorden van ons land hebben twee generaties Van Oeckelen (Petrus en zijn zonen) vele instrumenten gebouwd.
Een orgel van Cornelis van Oeckelen herstellen is kijken in de keuken van de eerste leermeester (en vader) van de Groninger Petrus van Oeckelen. Begin 2001 zal een nieuw Mense Ruiter-orgel in de Hervormde kerk te Enter (Ov) in gebruik worden genomen.
Mense Ruiter Orgelmakers B.V.



Registraties
8va = Octaaf hoger gespeeld
8va bassa = Octaaf lager gespeeld
lb = Liedboek voor de kerken

Eens als de bazuinen klinken (lb300)
Rw Rf8, Gf4, Vf2, D8
Ped Baz16, Tr8

Variaties: Het leven is een krijgsbanier (lb 469)
Trio
Hw B16, H8, 8va (lh)
Rw P4, 8va bassa
Ped Hw-Ped
Bw H8, F4, Re8
Mel. in Tenor
+ Hw-Bw
Ritornel
Hw O4, Rf4, O2, 8va bassa
Bw F4, O2, Hw-Bw
Ped S16, Ped-Rw
Rw Rf8
Manualiter
Bw G8, F4, Flg1
Hw B16, H8, Rf4, Hw-Bw
VAR, with a figured bass
Hw B16, H8, 8va
Rw Rf8, Gf4, D8
Zetting
Hw P8
Ped S16, P8
a 2 Clav.
Hw H8
Rw Rf8, N3, Trem (rh)
Ped S16, Ped- Hw

Psalm 74 (116)
Trio, mel. in Ped.
Hw B16, H8, Rf4, O2, Hw-Bw
Bw G8
Ped Tr8
Quatuor, mel. in Tenor
Hw H8, Rf4 (rh)
Rw Rf8, Gf4, N3, D8, Trem
Ped S16, Ped-Hw
Preludio pro Organo pleno
Hw P8D, P8, H8, O4, O2, Q3, Mix
Rw Rf8, P4, Vf2
Ped Baz16, Tr8
Zetting met tegenstem
Hw Vol /Full, Hw-Rw
Rw Rf8, P4, N3, Vf2, D8
Ped P8, O4, Baz16, Tr8, Ped-Rw

Psalm 81
Fanfare
Hw Cor, Tr8 (rh)
Rw Rf8, Gf4, D8
Bw G8, F4 (echo)
Ped S16, Ped-Rw
Einde: / Ending: Bw +O2
Zetting
Hw P8, O4, O2, Q3, Mix
Ped Baz16, P8,
Canon
Hw Tr8, Rf4,Q3, H8 (lh)
Rw Rf8, Gf4, N3, Trem
Ped S16, P8
Zetting
Rw Rf8, P4, N3, Vf2, D8 (mel. in lh)
Hw B16, Cor (rh)
Ped Baz16, Ped-Rw


Psalm 85
Prelude
Hw H8, Rf4
Rw Rf8, Gf4, N3, D8, Trem
Ped S16, P8
Zetting
Hw H8, O4
Ped S16, Ped-Bw
Bw G8, F4

Psalm 86
Canon
Hw P8D
Rw Rf8
Ped S16, Ped-Bw
Bw G8
Zetting
Hw P8
Ped S16, P8

Psalm 89
Melodie in Tenor
Rw Rf8, P4 (rh)
Hw B16, H8, Rf4, Ses, 8va
Ped S16 Ped-Hw
Duo
Hw P8D, P8 (rh)
Rw D8, Rf8, Gf4
Zetting
geen registratie bekend

Variaties op: Niet als een storm als een vloed (lb325)
(Mel. B.M. Huijbers, geb.1922)
Zetting (ped.): Hw P8
Ped S16, Hw-Ped
Variatio I (man.): Rw Rf8, P4
Variatio I (ped.): Hw P8, O4
Ped S16, Hw-Ped
Variatio III (man.): Bw G8, F4, O2, Flg1
Zetting (man.): Rw Rf8, Gf4, Vf2
Variatio II (Ped.): Hw P8, O4, O2
Ped S16, Hw-Ped
Zetting (ped.) rh:Rw Rf8, P4, Sch, 8va bassa
lh:Hw P8
Ped S16, Hw-Ped

Ik Wil U, O God, mijn dank betalen (lb 390/454)
Aria
Hw P8, Cor,
Rw Rf8, Gf4, N3
Bw G8, F4 (lh)
Ped S16, Ped-Hw
Coda
Rw (lh)
Hw ­Cor (lh)
Zetting
Hw Full
Rw Rf8, P4, Gf4, Vf2, D8
Ped P8, O4, Baz16, Tr8, Hw-Ped

Psalm 108
Trio, mel. in tenor
Hw P8, Rf4
Rw Rf8, Gf4, N3, D8, Trem
Ped S16, P8
Zetting met tegenstem
Hw O4, Rf4, O2, T8, Hw-Bw 8va bassa (rh)
Bw F4, O2, Flg1, 8va bassa
Rw Rf8, P4, D8
Ped Baz16, P8

Psalm 111
Hw B16, H8, Rf4, 8va
Ped S16, Hw-Ped

Psalm 124
Mel. in Tenor
Hw P8, Rf4
Rw Rf8, Gf4, N3, D8
Ped S16, P8

Psalm 138
Preludium pro Organo pleno
Hw P8, H8, O4, Rf4, Q3, O2, Mix
Rw Rf8, P4, Sch
Ped Baz16, P8, O4, Tr8

Jezus, leven van mijn leven (lb 182)
Mel. in Ped
Hw B16, H8, Rf4 (lh)
Rw Rf8, Gf4, N3
Ped O4, Ped-Bw
Bw F4, O2, Flg1

Psalm 140
Trio, mel in tenor
Hw P8, O2
Rw Rf8, Gf4, N3, D8, Trem (lh)
Ped S16, P8, Ped-Hw
Bw G8, F4

Psalm 142
Prelude, manualiter
Bw Re8
Hw T8,Cor
Rw D8

Psalm 143
Prelude, manualiter
Bw Re8
Hw T8,Cor
Rw D8

Variaties op: In Christus is noch oost noch west (lb 308/446)
Koraal/ Chorale
Hw B16,Hw-Rw
Rw Rf8
Bw G8, Hw-Bw
Ped S16, Ped-Rw, Ped-Hw
Echo: -Ped-Hw
VAR I
Hw Tr8, O4
Rw Rf8, Gf4, N3 (rh)
VAR II
Hw H8, Rf4
Bw F4, Flg1, Hw-Bw
VAR III
Hw B16,H8, Q3 8va (rh)
Rw R8, G4, Vfl2
Ped S16, P8, O4
VAR IV
Hw H8, Rf4, O2, Hw-Bw (lh)
Bw G8, F4, Flg1
Rw Rf8, Gf4, Vf2
Ped S16, P8, O4
VAR V, MANUALITER
Rw D8
VAR VI, TRIO
Hw B16, H8, P8D, Hw-Bw, 8va
Bw G8, F4, Re8, 8va
Rw Rf8, Gf4 (rh)
Ped Hw-Ped
VAR VII
Hw Rf4, Hw-Bw (lh)
Bw F4, Flg1
Rw Gf4, Vf2
VAR VIII
Hw B16, H8, Rf4, Q3, 8va (rh)
Rw Rf8, Gf4
Ped S16, P8, Bw-Ped
Bw G8
VAR IX
Hw P8, H8, P8D, Hw-Bw
Bw G8
Rw Rf8, Rw-Hw
Ped P16, S16, P8, Rw-Ped
Coda
Ped ­P16, -P8
Fuga en Koraal/ Fuge and Chorale
Hw Vol behalve: / Full except:
B16, Cor, Ses,
Ped Baz16, P8, O4, Tr8, Rw-Ped
Rw Rf8, P4, N3, Vf2
Koraal/ Chorale
Hw +B16 +Cor +Sesq

Colofon
Opname : STH Records, Hoevelaken ­ Dolph Thierry / Willem Smith
Datum opname : 14 en 15 november 2000
Ontwerp CD Cover : STH Records
Digital editing : STH Records, Hoevelaken, Evert-Jan van Grol
Layout : Marlies van Reenen
Teksten : Willem van Twillert, Conno Bochoven, Mense Ruiter Orgelmakers B.V.
Fotografie : Conno Bochoven (behalve orgelfront van voor 1967)
vertaling : Willem Smith, Soest
Produktie : STH Records
Distributie : Sterk in Kerkmuziek, Drs. W. van Royenstraat 15, 3871 AN Hoevelaken