Door de eeuwen heen oefenen koraalbewerkingen een grote aantrekkingskracht uit op allen die van kerkmuziek houden. Organisten hebben niet alleen een keur aan meesterwerken uit vroegere tijden voorhanden, maar ook kunnen zij putten uit een stroom aan nieuwe koraalgebonden muziek in allerlei stijlen. Juist dat laatste aspect, de verscheidenheid aan stijlen, is de laatste jaren overigens opvallend toegenomen. Zo zijn er kerkorganisten die stilistisch aanknopen bij de ontstaanstijd van het lied of de psalmmelodie. Anderen zoeken, meer of minder consequent, naar moderne wegen en trachten zo hun voor­spelen een eigen stijl mee te geven. Weer an­deren zoeken naar de smaak van het ‘grote’ pu­bliek en offeren stijlbesef daaraan op. Mijn motief is weer een andere. Ik kies voor de galante- en vroeg-romantische stijl omdat ik graag een tijd de stijl uit de jaren rond 1800 wilde beoefenen. Daarbij ontwikkelde ik een voorliefde voor psalmmelodieën. Door de volks­liedachtige structuur, de voorname melodische wendingen, die soms nog resten gregoriaans bevatten, en de objectieve kerktoonsoorten vormen de psalmmelodieën voor mij een bron van inspi­ratie.

Het resultaat staat nu voor een groot deel op deze en de voorgaande CD, gespeeld op een orgel dat ook uit dezelfde periode stamt. Eén van de meest populaire vormen in de acht­tiende eeuw voor een koraalvoorspel beschreef Daniel Gottob Türk in zijn boek “Von den wichtigsten Pflichten eines Organisten” (Over de belangrijkste taken van een organist, Halle 1787, blz.125) als volgt: “Eerst kiest men een hoofdthema overeenkomstig de inhoud van het lied, welke tevens als introductie dient. Is dit, naast enkele korte tussendelen,een tijd lang vol­gehouden, dan speelt men de eerste regel van de koraalmelodie op een ander, iets sterker klavier, heel langzaam; (...) ondertussen wordt het hoofdthema, of tenminste iets dergelijks, in de begeleidende stemmen voortgezet; hierop volgt weer een klein tussenspel; daarop de tweede regel van de melodie, enzovoorts.” Deze aange­haalde vorm kan men op verschillende wijze bij even zovele variaties op deze CD aantreffen. Eén van de belangrijkste elementen om een koraalbewerking vorm te geven is het afwisselen van de ligging van de c.f. (cantus firmus= de lei­dende stem, oftewel de koraalmelodie). Omdat een orgel doorgaans meerdere klavieren beeft, levert dat de mogelijkheid op om de c.f. in elke stem duidelijk naar voren te laten komen. Dit kan zijn in de sopraan, alt, tenor of bas. We laten nog eens Turk in eerder genoemd boek (blz.126-7) aan het woord: “De melodie van het koraal moet niet alleen in de bovenstem (in de rechterband) worden genomen; want een be­kwaam ambachtsman (Kontrapuntist) legt ze dan in deze, dan in gene stem, ook wel in het pedaal, en zet ondertussen met beide handen zijn thema door.”

Het zal de lezer duidelijk zijn dat er vanuit de achttiende eeuw concrete en duidelijke bronnen voorhanden zijn, die een speler van deze tijd kan benutten. Met de gegeven citaten en voor­beelden mag ook duidelijk zijn dat het werk op deze CD geen andere pretentie heeft dan goed ambachtswerk. Beoogd wordt zowel de kenners als de liefhebbers luistergenoegen te verschaffen en ‘te behagen met goedlopende gedachten”, al­dus Jacob Adlung (1699-1762) in zijn “An­leitung der musikalischen Gelahrtheit” (Erfurt 1758, blz. 684).

Bij koraalbewerkingen. waar de registraties waren te achterhalen zijn deze vermeld. De muziek is in druk verschenen, zodat speel­manier, tempo, registratie, voordracht en dergelijke nauwkeurig zijn te volgen.


Geschiedenis van het orgel in de Bovenkerk te Kampen
Het orgel in de Bovenkerk te Kampen heeft een interessante ontstaansgeschiedenis. Verschillende keren is het orgel uitgebreid, waardoor het instrument telkens meer luister kreeg. Ook de jongste restauratie in de zeventiger jaren mag nog steeds een bijzonder geslaagde onderneming genoemd warden, waarbij de juiste keuzen zijn gemaakt. Het instrument is rigoureuze, verkeerde ingrepen bespaard gebleven.
De bouwer, Albertus Anthoni Hinsz, geboren te Hamburg in 1704, kreeg in 1741 de opdracht het bestaande orgel af te breken en een nieuw orgel te vervaardigen in een nieuwe kas. Hinsz nam een aanzienlijke hoeveelheid pijpwerk uit het bestaande orgel over. De bouwer hiervan, Jan Slegel had op zijn beurt in 1629 twee registers - de Woudfluit 4’ en 2’ - overgenomen van Jan Marlet, zijn voorganger betreffende de orgelbouw in de Bovenkerk.
Hinsz bouwde tussen 1741 en 1743 een instrument met drie handklavieren en een aangehangen pedaal. Waarom Hinsz geen zelfstandig pedaal bauwde is eigenlijk een raadsel. Was het omdat hij in de Bovenkerk een instrument had aangetroffen dat ook geen vrij pedaal (meer) bezat?

Vrij pedaal
In ieder geval krijgen H,H. Freytag (1759-1811) en Hinsz’ stiefzoon F,C, Schnitger jr. (1729-1799) een kleine veertig jaar later de opdracht om een vrij pedaal te bouwen (1790).
Na de oplevering in 1743 door Hinsz word namelijk al betreurd dat het orgel toen vrij pedaal bezat. Onder meer Joachim Hess in zijn “Dispositien der merkwaardigste Kerk-Orgelen” (1774) vindt het “jammer dat zulks van een vry pedaal ontbloot blyft, dewyl daartoe de ruimte in de Kas is...”. Die ruimte in de kas was er overigens niet. Freytag en Schnitger jr. restten namelijk geen andere keuze dan het benodigde pijpwerk voor het pedaal onder de hoofdwerklade te plaatsen, die over de gehele breedte van het orgel loopt. Zodoende kan er van een Prestant 16’ in het pedaal geen sprake zijn. De Prestant 16’ van het Hoofdwerk is na de restauratie in 1968-75 door Bakker en Timmenga thans ook via het pedaal te bespelen, door middel van een transmissie.
Hinsz bouwde op het Hoofdwerk zowel een Prestant 16’ als een Bourdon 16’: een uniek feit in zijn oeuvre! De Prestant 16’ staat in twee zijtorens, welke dus geen pedaaltorens zijn, zoals het front doet vermoeden.

Borstwerk en tweede Bovenwerk
In 1790 wordt, behalve een vrij pedaal, ook een Borstwerk van vier registers (boven bestek, dus gratis) gebouwd, dat via het klavier van het Bovenwerk was te bespelen door een inwendige koppeling. Dit betekende in de praktijk dat slechts eén van beide werken zelfstandig te bespelen was.
De Kamper orgelmaker Zwier van Dijk voegde in 1866 onder andere een vierde klavier toe, waardoor ook het Borstwerk zelfstandig bespeelbaar werd. Daarvoor had er ergens in de eerste helft van de 19e eeuw nog een uitbreiding met vier registers plaatsgevonden, waarschijnlijk door de orgelmaker van Gruizen. Hij vergrootte de borstwerklade met vier kantslepen, iets dat in 1968-75 werd gecorrigeerd. Dit 19e eeuwse pijpwerk werd toen namelijk op een aparte, tweede bovenwerklade gezet. Dit werk kan met windtoevoer, regeerwerk en dergelijke, zonder schade weer worden verwijderd, indien latere generaties dit zouden wensen.

ENKELE REGISTRATIES

Toccata over Psalm 150

 RW (Octaaf lager): Oct4- Fl4- 192- Sifl- Hp8

 HW: Pr8- Hp8- Oct4- Oct2-Tert (halverwege inleiding (rh)) +HW-BW

 BW (cf): Pr8- Rfl8- 5fl4-5fl3- Tr8-

 PED:Pr16- Sub16- 0c18- Ged8-Oct4-(later)PED+Tr8-bij(cf)+baz 16

Psalm 140

Zetting:

 HW: Vol, behalve Tert &Fl4+HW-RW

 RW: Pr8- Hp8- Oct4- Oct2- Mixt­Fag 16

 BW(lh): Pr8- Rfl8- Oct4- Wfl2

 PED: Vol, behalve Corn4- 0fl2+PED-RW

CF in tenor

 BW(cf): Quintad8- Rf18- Wfl4-Sfl3- Vox h8- Tremulant

 RW: Pr8- Hp8

 PED: Sub16- Oct8

Duo a 2 clav.

 HW(lh): Hp8- 0ct4- Tr8

 BW: Rfl8- Quintad8- Wfl4- Sfl3-Wfl2- Nas 1 1/2

Trio met cf in Ped 4

 BW(rh): R118- Wf14- Wt12

 HW=PED(cf): Hp8- Oct4- Quint3-Tr8+ PED-HW

 RW(lh): Hp8- Fl4- Fag16

A 2 clav e ped

 HW(lh): Pr8- Fl4

 RW(cf): Hp8- H4- Ged Quint3-Tremulant

 PED: Pr16- Subl6- Pr8- Ged8-Oct4

Manualiter

 RW: Hp8- Fl4- Sifl

Fuga CF in ped organo pleno

 RW: Pr8- Hp8- Oct4- 0c12- Mixt

 PED(Cf): Sub16- Pr8- Ged8-Oct4- Baz16 +PED-HW

 HW: Vol,behalve Scherp & Tert & Fl4

Zetting

 HW: Vol, behalve Fl4 & Tert

 RW: Plenum + Fag16+HW-RW

 BW : Pr8- Rfl8- Quintad8- Oct4-Scherp+HW-BW

 PED: Vol+ PED-HW

Psalm 121

 RW (cf rh): Hp8- Fl4

 HW: Pr8

 BW: Pr8- Rfl8

 PED: Sub16- 0ct8- Ged8+ PED-­HW

Psalm 133

 Geen registraties bewaard gebleven

Psalm 99

Zetting

 HW: Hp8-Fl4

 PED: Sub16- Oct8

Cf in soprano

 RW: Pr8- Hp8

 BW (cf): Pr8- Princ4- Tremulant

 PED: Pr16- Subl6- Oct8- Ged8-Oct4

Cf in Ped

 RW(rh): Hp8- Fl4

 HW: Bd16- Hp8- 194

 PED: Tr4- Oct4

Manualiter

HW: Pr8- Hp8

Organo Pleno

 HW: Pr8- Hp8- Oct4- SOct2-Scherp

 PED: Vol,behalve Corn4

De ware Kerk des Heren (LB 303)

 BW(cf lh): Pr8- Rfl8- Quintad8-Wfl4- Tr8

 RW(rh): Pr8- Hp8

 PED: Pr16- Sub16- Oct8- Ged8+PED-HW

 NW: Bd16- Pr8- Hp8-Fl4

Blijf mij nabij (Lb 392/358)

 RW(rh): Pr8- Ged quint3

 BW(Ih): Quintad8- Rfl8- Sfl4-Sfl3- Voxh8

 PED: Pr16- Sub16- Oct8- Ged8

 HW(rh slot): Hp8

Psalm 42

Variatie

 RW(rh): Pr8- 194- Ged Quint3

 BW(cf): Rfl8- Quintad8- Wfl4-Sf13- Vox h8-Tremulant

 PED: Pr16- Sub16- Ocl8- Ged8-Oct4

Zetting

HW(lh): Pr8- Fl4

RW(rh): onveranderd

PED: onveranderd

Psalm 49

Trio

RW(rh): Hp8- Fl4- Ged quint3

BW(cf): Quinlad8- Pr8- Rfl8-Fl4-Sfl3- Vox h8- Tremulant

PED: gekoppeld aan HW: Pr16-Bd16- H8-Fl4