Deze CD bevat hoofdzakelijk Duitse en Nederlandse werken uit de 19e eeuw. De orgelliteratuur uit die tijd kenmerkt zich, door de volgende synthese: De terugkeer van Barokke kontrapuntische vormen wordt verbonden met de typerende zangerige melodiek van de Romantiek (Prelude en fuga van Merkel, Hesse en Fischer).
Voor het overige is het moeilijk gedetailleerde omschrijvingen te gebruiken. De eerste helft van de 19e eeuw is daarvoor te specifiek een overgangstijd. Ontwikkelingen lopen door elkaar heen. Tot aan de 19e eeuw werd voornamelijk pedaal gespeeld met de tenen, waardoor de noten van elkaar gescheiden werden. Met de introductie van het hakspel konden de typerende melodieuze lijnen van de Romantiek met een daarop aansluitende zangerige gebonden manier van spelen worden uitgevoerd. Dit legatospel is dan ook één van de kenmerken van de Romantiek. Op deze CD zijn hiervan typerende voorbeelden te vinden, o.a. in de koraalvariaties van Rinck, Psalm 42 van Derx en “Nun ruhen alle Wälder” van Van Eyken. Wanneer in de Romantiek een andere speelwijze dan het legatospel wordt gevraagd, geeft de componist dat in de muziek aan. Zo staan bij Rincks koraalvoorspel”Ein feste Burg” bij de noten die staccato moeten worden gespeeld ook duidelijk staccato-tekens. In muziek van voor 1800 werden deze beslissingen in het algemeen aan de vertolker van de muziek overgelaten. In de koraalbewerkingen van Bagge en Boëly horen we duidelijk de inspiratie van Bachs "Orgelbüchlein’. Boely was een groot bewonderaar van Bach. Om diens werken uit te kunnen voeren liet Boëly in 1838 het teenpedaal van "zijn’ Cliquot-orgel (1771) in de St. Germain de l’Auxerrois Parijs zelfs vervangen door een Duits pedaal. Kort daarna (1844) deed Hesse tijdens de inspeling van het orgel in de St. Eustache het Parijse publiek versteld staan door zijn virtuoze pedaaltechniek. Hesse bespeelde het pedaal alsof hij dit deed met een derde hand’, aldus de "Revue et Gazette’ van 7 juli 1844.
Rinck en zijn leerling Hesse waren in de eerste helft van de 19e eeuw de meest vooraanstaande organisten in Duitsland. De opgenomen werken van Rinck stammen uit een negen jaargangen tellende intekenserie, "der Choralfreund’, die in een gewel¬dige behoefte voorzag, getuige het feit dat de tweede jaargang maar Iiefst 3595 intekenaars kende. Het "Terzett’ van Knecht komt uit zijn "Vollständige Orgelschule’, die verscheen tussen 1795 en 1798. Rond 1800 verschenen veel van dergelijke "orgelscholen". Wat later in de 19e eeuw vormden zich groepen leerlingen rondom een aantal Duitse organisten. Een voorbeeld daarvan is M.G. Fischer met zijn Thuringer orgelschool. In ons land genoten Bastiaans en Van Eyken met hun in Duitsland geleerde pedaaltechniek veel aanzien. Keren we terug naar de 18e eeuw dan horen we in de hier opgenomen werken van Rembt en Mohrheim galante elementen gevlochten in barokke koraalbewerkingen. Ook het Smits-orgel in Oirschot verbindt veel kenmerken van een vorige periode (Barok) met de nieuwe verwor¬venheden van de Romantiek, zoals een zangerige intonatie in de prestanten en doorslaande tongwerken. Twee van deze tongwerken, de Serpent 8" en Harmonica 8" worden gebruikt in het Trio in F van Merkel. In de Giga & Pastorale horen we het tintelende carillonregister en de perfecte imitatie van de dwarsfluit, de Flute traverse 8". In de beide stukken van Jan Nieland wordt teruggegrepen naar de Franse virtuoze stijl uit het eind van de 19e eeuw. Dat iedere organist binnen de genoemde stilistische kenmerken zijn eigen artistieke greep heeft gehad, hoopt de programmakeuze te onderstrepen.




Biografische aantekeningen

EMILE LE BLANC, geen gegevens bekend. Zijn Processional March werd in 1894 gepubliceerd.
CHARLES HUBERT HASTINGS PARRY (1848-1919) studeerde in Eton en Oxford. Begon in de jaren 70 van de vorige eeuw pianomuziek, liederen en kerkmuziek te publiceren. Zijn twee orgelbundels beslaan een relatief klein deel van zijn oeuvre. In 1883 werd Parry leraar kompositie en muziekgeschiedenis van het Royal College of Music waar hij in 1894 de direkteur Grove opvolgde en tevens te Oxford in de adelstand werd verheven. In 1898 werd hij hoogleraar muziek te Oxford.
GUSTAV ADOLPH MERKEL (1827-1885) studeerde orgel bij J.G. Schneider (1789-1864) in Dresden. In die stad vervulde Merkel achtereenvolgens organistenfunkties aan de Waisenhauskirche (1858), de Kreuzkirche (1860) en aan het Katholieke Hof (1864-85). In 1861 werd Merkel benoemd als professor voor orgelonderricht aan het Dresdener conservatorium.
ALEXANDRE-PIERRE-FRANCOIS BOËLY (1785-1858) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, later van Ladurner aan het Parijse conservatorium waar hij na twee jaar zijn studie buiten zijn schuld moest beëindigen. Daarna heeft hij zichzelf verder ontwikkeld, wat wellicht zijn persoonlijke artistieke visie verklaart.
Sinds 1834 organist van de St.Gervais; van 1840 tot 1851 organist van de St. Germain¬ de-lAuxerrois, waar hij ontslagen werd omdat hij te ernstig speelde!
THEODORE SALOMÉ (1834-1896) was leerling van Ambroise Thomas en Bazin aan het Parijse conservatorium en naast Guilmant de 2e organist van de St. Trinité.
JOHANN ERNST REMBT (1749-1810) verbleef zijn gehele leven in zijn geboorteplaats Sühl waar hij in 1772 aangesteld werd als organist van de Kreuzkirche. Een jaar later volgde de benoeming aan de Hauptkirche. Hij moest er ook werkzaamheden als schoolmeester verrichten. Rembt genoot zijn opleiding bij de vriend en leerling van J.S. Bach. J.P. Kellner (1702-1772). Rembt ondernam twee concertreizen: de eerste in 1768 naar Frankrijk en Nederland, waar hij naam maakte met zijn Bach vertolkingen; de tweede naar Leipzig in 1797.
SELMAR BAGGE (1823-1896?) Geen verdere gegevens bekend. Zijn koraalbewer¬king komt uit een verzamelbundel welke als "National-Ehren-Denkmal" dus ter ere van C.H. Rinck in 1864 werd uitgegeven.
FRIEDRICH CHRISTIAN MOHRHEIM (1718-1780) was van 1742 tot 1799 kapelmeester in Danzig. Zijn vader was "Kantor und Schulkollege" te Neumark.
ADOLPH FRIEDRICH HESSE (1809-1863) werd als zoon van een orgelbouwer in Breslau geboren. Na studie in Leipzig, Hamburg en Berlijn waar hij in contact kwam met Hummel, Rinck en Spohr, werd Hesse in 1831 organist van St. Bernhardin te Bres¬Iau waar hij tot zijn dood organist bleef. Hesse was één van de eerste organisten die concerttournees door geheel Europa maakte, o.a. het concert in Parijs waar Berlioz hem een reus op het orgel" noemde.
MICHAEL GOTTHARDT FISCHER (1773-1829) volgde zijn leraar Kittel op als organist van de Predigerkirche te Erfurt, in 1816 werd hij orgelleraar aan het seminarie aldaar. Zijn orgelwerken vormen een brug tussen de twee eeuwen.
JUSTIN HEINRICH KNECHT (1752-1817). Het oeuvre van Knecht werd door tijdgeno¬ten hoog aangeslagen. In 1771 werd Knecht organist in zijn geboorteplaats Biberach.
Toen hij in 1792 van zijn verplichtingen werd ontlast om godsdienstonderwijs te geven was dit een hole opluchting voor hem en kon hij zich geheel wijden aan zijn composi¬ties en publicaties.
GEORG WILHELM DERX (1801 -1864) ontving in zijn geboorteplaats Nijmegen orgel¬les van W.G. Hauff, organist van de St. Stevenskerk. Op achttienjarige leeftijd werd Derx benoemd tot organist van de Waalse kerk te Nijmegen. In 1829 volgde zijn benoeming tot organist van de Doopsgezinde kerk te Haarlem. In 1836 en 1838 solliciteerde hij tevergeefs naar organistenfunkties in respectievelijk Haarlem en Gou¬da. Derx publiceerde naast twee bundels orgelmuziek, waarvan de eerste nog steeds onvindbaar is, ook sonates, duetten voor piano enz. en in 1840 o.m. een Handboek voor jonge organisten naar het Hoogduitsch".
JOHANNES GIJSBERTUS BASTIAANS (1812-1875) was organist van de Zuiderkerk te Amsterdam en van 1858 tot aan zijn dood organist van de St. Bavokerk te Haarlem. Hij studeerde in Duitsland bij Fr. Schneider, CF. Becker en bij F Mendelssohn.
JOHANNUS ALBERTUS VAN EYKEN (1823-1868), geboren in Amerstoort waar zijn vader organist van de St. Joriskerk was, vertrok in 1845 naar Leipzig waar hij aan het conservatorium bij Becker en Mendelssohn studeerde. Hij volgde ook les bij J.G. Schneider in Dresden. In de jaren 1846/47 gaf Van Eyken in ons land opvallende concerten omdat hij ook Bach speelde. In 1848 word Van Eyken benoemd tot orga¬nist van de Remonstrantse kerk te Amsterdam. In Duitsland word hij organist van de Reformirte Kirche in Elberfeld.
JAN NIELAND (1903-1963) studeerde orgel en piano aan het Amsterdams conserva¬torium en bohaalde in 1927 de Prix d"Excellence voor orgel. Hij was enige tijd organist van het Concerigebouw in Amsterdam, later werd hij direkteur van de muziekschool te Naarden. -
WILLEM VAN TWILLERT studeerde orgel bij Piet Kee aan het Sweelinckconser¬vatorium te Amsterdam waar hij in 1978 cum laude slaagde. Hij studeerde nog drie jaar bij o.a. Gustav Leonhardt, Anneke Uittenbosch (klavecimbel) en Klaas Bolt (Stijlimprovisatie). Op zijn concertrepertoire staan regelmatig (nog) niet gepubliceer¬de werken met name uit de na-Bachse periode. Hij is organist van de Johanneskerk te Amersfoort. Voor meerdere uitgevers verzorgde hij muziekuilgaven. In 1976 was hij finalist van de "Grand Prix de Chartres".

Het Smitsorgel in de Sint Petruskerk te Oirschot
Het orgel word ontworpen voor de nieuwe monumentale Sint Pieter te "s-Hertogen¬bosch, gebouwd in de jaren 1842-1843 in classicistische stijl. Smits ontwierp eon orgel "naar het model van het orgel in de St. Jan’. De aanneemsom bedroeg f 15.420,- voor het orgel en ongeveer 17000,- voor de orgelkas. In de zomer van 1843 begon men aan het bouwen en eind 1846 of begin 1847 vond de oplevering plaats. Ofschoon het orgel in de St. Jan model heeft gestaan voor dit Smits- orgel, geven de geheel andere verhoudingen en afmetingen een eigen gezicht aan dii orgel. Een eigenaardigheid van dit orgel is de opstelling van de windladen van Hoofdwerk, Bovenwerk en Pedaal, loodrecht op het front, waardoor er een grote diepte van de orgelkast ontstond. Smits paste deze constructie bij meerdere van zijn orgels toe. In 1900 voerden de orgelmakers Maarschalkerweerd te Utrecht en Franssen te Roermond een omvangrijke restauratie uit. De tractuur werd ingrijpend gewijzigd: er werd een pneumatisch Barkermechanisme geplaatst, aangesloten op een geheel nieuwe manuaalklaviatuur. Bovendien werd de oude kamertoonhoogte, een halve toon lager dan de huidige, omgezet in de toonhoogte van Parijs 1858 (a’435 trillingen per seconde). Om dit te bereiken werden de meeste open pijpen van expressions voorzien, de gedekte pijpen ingekort en de tongwerken afgesneden of van insnijdingen voorzien. Bovendien werd om het Bovenwerk een zwelkast geplaatst. Tijdens en na de oorlog had het orgel veel te Iijden . Op 1 januari 1972 werd de Sint Pieterskerk te Den Bosch gesloten. Na diet stal van pijpen en ornamenten werd in het najaar van 1973 het orgel gedemonteerd en opgeslagen. Na uitvoerig overleg met verschillende instanties werd besloten het orgel te plaatsen in de Sint Petruskerk te Oirschot, omdat alleen deze kerk voldoende hoogte, breedte en diepte had om dit geweldige orgel te herbergen. In 1976 werd begonnen met de uitvoerige restauratie door Verschueren te Heythuysen. Het pijpwerk werd weer op de oude toonhoogte gebracht; de gestolen pijpen en ornamenten werden vervangen door nieuwe. Er werden nieuwe manualen vervaardigd en het oude pedaalklavier werd hersteld, de zwelkast verwijderd en de windvoorziening en tractuur werden weer in de oude staat gebracht. De frontpijpen werden voorzien van bladtin en bladgoud. Het aantal windladen bedraagt zeven. De pijpen van het Rugwerk open van het midden naar de zijkant at; het Pedaal heeft een C- en Cislade naar achteren aflopend.
De laden van Hoof d- en Bovenwerk zijn in twee gelijke delen gesplitst: één voor de grotere pijpen (bij Hoofdwerk achteraan, Bovenwerk vooraan) en ëén voor de kleinere. Het orgel bevat 2960 pijpen, waarvan 209 in het front. De verhoudingen van het orgel passen fraai in de kerk; de bekroning komt mooi tot zijn recht door de hoge ruimte. De klank is romantisch, rond en warm; introverte prestanten en fluiten met een volle klank; karakteristieke, felle tongwerken; fraaie soloregisters, bv. een Dulciaan met eikenhouten bekers. Een gaaf monument van de orgelbouwkunst van P.C. Smits.

Dispositie:

Rugwerk  
Bourdon 16’
Prestant 8’
Roerfluit 8’
Fluittravers  8’ disc.
Prestant 4’
Fluit  4’ bas/disC
Octaaf 2’
Flageolet 1’ (openfluit-mensuur)
Mixtuur 2 st. 1’
Trompet 8’
Dulciaan 8’ (bas eiken bekers, vierkant met afgeschuinde hoeken, discant ronde geboorde bekers)
Bovenwerk  
Prestant 8’
Holpijp 8’
Viola di Gamba 8’ (tin)
Prestant 4’
Gernshoorn 4’
Blokfluit 2’ (wijde mensuur, ooen cylindrisch)
Sesquialter 2 St. C: 2 2/3-1 3/5’ (Fluitmensuur)
Carillon 3 st. disc.  c’: 4-1 3/5-1’ (Prestantmensuur)
Kromhoorn 8’
OphikleId  8’ bas(doorslaand tongwerk)
Oboe 8’ disc.(opslaand tongwerk)
VoxHumana 8’
Hoofdwerk  
Bourdon 16’
Prestant 8’
Holpijp 8’
Prestant 4’
Fluit 4’
Quint bas 3’
Octaaf 2’
Mixtuur 4st. 2’
Cornet  3 St. disc. c’: 8’-4’-2 2/3’
Trompet 16’
Trompet 8’
Harmonica 8’ (doorslaand tongwerk met halve bekerlengte, open trechtervormige bekers)
Pedaal  
Prestant 16’
Subbas 16’
Octaaf 8’
Fluit 8’
Prestant 4’
Mixtuur 5 st. 2’ C:2’-1 1/3-1’- 2/3-1/2’ (niet repeterend)
Bazuin 16’
Trompet 8’
Serpent 8’ (doorslaand tongwerk)
Klairon 4’

2 manuaalkoppels (bas/disc.)
3 pedaalkoppels
3 tremulanten