DE GENERATIE ORGANISTEN NA BACH
Na de dood van J. S. Bach werden monumentale ‘geleerde’
vormen, ofwel niet meer gebruikt, ofwel sterk verkleind. Geen uitgesponnen,
geleerde en doorwrochte preludia en fuga’s meer, zoals bij Buxtehude, Bruhns
of Bach, maar aria’s, rondo’s, menuetten, allegro’s, preludia, eendelige trio’s
en sonata’s,
terwijl ook de variatievorm in trek bleef.
Het "Retour de la Nature" van Rousseau vertaalde zich in de muziek met het nabootsen van natuurgeluiden zoals onweer, vogelgezang of hanengekraai (variatie X van Schneider) of het imiteren van trompetters, veldpijpers en paukenslagers (Martialement Tromba en Fanfares) van een anonieme Hollandse componist, (uitgegeven in 1763).
Carlman Kolb schreef een verzameling Praambeln Versetten und Kadentien die hij de titel Certamen Aonium meegaf. Dit laat zich vertalen tot: Muziekwedstrijd; oftewel een spel van stemmen die onschuldig met elkaar wedijveren. Het werk werd in 1733 gepubliceerd.
De Sonata per il organo van Mossmayer is gecomponeerd in 1830 maar wortelt stilistisch nog geheel in de galante stijl. Van deze sonata is een uitgave in voorbereiding (Ed. Willemse. Huizen)
Ook in de koraalbewerkingen kwamen doorgewerkte fugato’s of uitgebreide voorimitaties niet meer voor. Tegen het einde van de achttiende eeuw werd dit beschouwd als te ingewikkeld voor de luisteraar. Een uitzondering is overigens het orgeloeuvre van Johann Ludwig Krebs. Bij anderen, zoals Oley, was de beknopte vorm favoriet. In zijn beste koraalbewerkingen, hij schreef er 77, combineert Oley de stijl van Bachs Orgelbüchlein-koralen met de melodische galante karakteristieken van zijn tijd.
Dat veel orgelwerken rond 1800 de nodige diepgang missen moet geconstateerd worden. Pas Mendelssohn (1809-1847) zal met zijn orgelsonates weer onbetwiste meesterwerken componeren.
Johann Gottlob Schneider (1789-1864) overleefde Mendelssohn
ruim vijftien jaar. Wanneer hij zijn "Thema mit Variationen" precies schreef was
niet te achterhalen. Overigens is het niet helemaal zeker of Johann Goftlob wel
de componist is. Vanwege het feit dat boven het werk alleen Johann Schneider
staat heb ik bij de uitgave in 1981 de conclusie getrokken dat het een werk van
Johann Schneider (1702-1788) moet zijn geweest. Die conclusie is prijs gegeven.
Gezien de stijl en de virtuositeit. (dubbelpedaal. snelle toonladderpassages en
wijdgebroken drieklanken) komt Johann Gottlob als componist eerder in
aanmerking; temeer ook doordat hij in Görlitz organist is geweest van het fameuze Casparini-orgel. Voor dit instrument waren in elk geval de
nauwkeurige registraties bedoeld die in het handschrift zijn bijgeschreven. Het
Casparini-orgel werd in de jaren 1697-1703 gebouwd door Eugen Casparini
(1623-1706) een beroemde orgelbouwer die veel in Italië werkte. Hij wist kenmerken
van de Duitse orgelbouw - veel karakterstemmen en een rijk
tongwerkkoor - te verenigen met het belangrijkste ltaliaanse orgelbouwprincipe:
Opbouw van de principalen naar de verhouding van de boventonen. Ook op orgelbouwtechnisch
gebied was Casparini een vernieuwer. Thans resteert in Görlitz alleen nog de originele kas.
Ook een gezaghebbende orgelhistoricus,
Gotthold Frotscher, dicht Johann Gottlob het auteurschap toe op grond van deze
registraties. Gotthold Frotscher: "Geschichte des Orgelspiels und der
Orgelkomposition" (Berlijn 1935/1959)
Het thema voldoet volledig aan de karakteristiek die Johann
Mattheson al in 1739 in "Der vollkommene Capellmeister" pag. 142 verwoordt:
Dat in een goede melodie iets moet zijn, een ik weet niet wat,
hetgeen om zo te zeggen, de gehele wereld kent: daarmee wil ik in het geheel
niet beweren, dat men alleen zijn vele versleten zaken en oude uitgeputte
vormpjes zal hanteren, beslist niet Alleen bedoelen we veeleer dit, dat men niet
al te ver doorschiet met zijn nieuwbakken bedenksels. geen zonderling wordt....
Kortom: Bekoren op het eerste gehoor dus, hetgeen een van de
karakteristieken wordt van muziek uit de tweede helft van de achttiende eeuw; de
tijd van de galante muziek.
De uitwerking van dit galante thema wortelt stilistisch
overigens niet meer in de galante tijd. Johann Gottlob Schneider was tussen 1812
en 1825 organist te Görlitz. In deze periode zal hij dit grote variatiewerk gecomponeerd
hebbon. Als datum staat in het handschrift 1816 of 1826; het werk
is pas in 1980 bij Boeijenga, Sneek voor het eerst in druk verschenen, bezorgd
door schrijver dezes.
REGISTRATIES
De keuze om de meest geschikte klankkleur (registratie) bij
elk muziekstuk te vinden wordt met name bepaald door het uit te beelden affect (gemoedstoestand).
Bij het samenstellen van sommige registercombinaties, tijdens deze opname, is gebruik gemaakt van het boekje getiteld:
"Voor 't Orgel om te Registerreren &c" van Ferdinand Hauff, zoon van Wilhelm Gofflieb
Hauff (ca. 1749-1816),organist van de St. Stevenskerk. Volgens Grégoir (1864)
was Ferdinand Hauff een ‘organist van de eerste rang’.
Ferdinand’s boekje bevat allerlei registerkombinaties voor het
König-orgel ten behoeve van improvisaties.
Registraties uit Hauff’s boekje zijn bij deze opname
opnieuw gebruikt voor:
J. Schneider Trio in a |
F. Hauff; no. 1 |
|
G.A. Sorge Trio in e |
F, Hauff; no. 4 |
|
Fanfare II Anonymus |
F. Hauff no. 7 ‘dan op het Rugwerk een trompetterstukJo’ (blz.40) |
|
Sonata per il organo. J.B. Mossmayer |
|
|
Allegro moderato |
F. Hauff no. 5 Rugwerk (de tweede kombinatie) |
|
Andante grafioso F. Hauff |
F. Hauff no.4 Haofdwork (Hauft: Manuaal) |
|
Ronde Andante F. Hauff |
F. Hauff no.6 Hoofdwerk |
|
piano passages F. Hauff |
F. Hauff no. 3 Bovenwerk |
|
solo (if) F. Hauff |
F. Hauff no. 1 Rugwerk |
| solo (Ih) |
F. Hauff: no. 3 Bovenmanuaal |
Een andere bron vormden de registraties die in het handschrift
van het Thema met variaties waren genoteerd. De ‘vertaling’ van deze
registercombinaties. die oorspronkelijk bedoeld waren voor het Casparini-orgel (1703) te
Görlitz, gaf op het König-orgol te Nijmegen geen probleem. Integendeel zelfs:
het leverde een
fraai en boeiend klankkleurpalet op.
Er is van afgezien om alle registraties gedetailleerd weer te
geven.
Tensloffe zij nog gewezen op het voorkomen van zogenaamde ‘Holle Geluiden’
waarover Jacob Wilhelm Lustig in 1755 schreef: "Alsdan spruit de aanminnigheid
deezer stemmen juist uit de verdere afstand der octaven".
U treft deze ‘Holle Geluiden’ aan in deel 1 van de Sonate van Mossmayer en
de variaties 5 en 7 uit ‘Thema mit Variationen’ van Johann Gottlob Schneider.
De sfeer in galante orgelmuziek is van groot belang. Bij elk stuk dient een speler zich namelijk een
bepaald affect voor to stellen. Een affect is
een gemoedstoestand zoals vrolijk, droevig, vrij, opgewonden, enz. Door middel van
speelaard, tempokeuze, registratie en een suggestieve voordracht
beeldt de speler deze galante muziek uit.
Een orgel uit dezelfde stijlperiode als de uit te voeren muziek is welhaast
een voorwaarde om de inhoudelijk eenvoudige muziek op de galante en meest suggestieve
manier tot klinken te brengen.
Het König-orgel samen met de fraaie akoestiek van de St. Stevenskerk te Nijmegen
vormen een ambiance die aan deze voorwaarden meer dan voldoet.
HET KÖNIG-ORGEL IN DE GROTE- OF ST. STEVENSKERK TE NIJMEGEN
In opdracht van het Nijmeegse kerkbestuur vertrok in oktober
1773 Petrus Beyen naar Keulen waar hij ‘om ten vollen overtuigd willende zijn
van ‘s Mans kundigheid.(...) den arbeid van den Hr. König. in Keulen, Aken
en Dusseldorp zou gaan opnemen.’
Het contract voor de bouw werd nog hetzelfde jaar getekend en in april 1774 word door
König een begin gemaakt met de bouw van het orgel te Nijmegen. De orgelgalerij en een doel van de
orgelkas was al gereed onder verantwoordelijkheid van de stadsarchitect. J.H. van
Suchtelen, die ook het
toezicht had op het vervaardigen van de beelden, het schilderen en het vergulden.
Ruim twee jaar later was het drie klavieren en pedaal
tellende instrument klaar. Op 10 september 1776 word het orgel, na een vierdaagse
keuring, door de keurmeesters Potholt, Radeker en Bruinsma ingespeeld. Aan de inspeling werkte
ook de genoemde Petrus Beyen (1751-1790) mee,
die twee jaar later Bruinsma als organist van de St. Stevenskerk zou opvolgen.
Balthasar König ontving f 24.000,-- voor de bouw. Het is het grootste orgel van
zijn hand dat bewaard is gebleven.
Het König-orgel word direct na de oplevering al een geliefd instrument. Het sloot
dan ook goed aan bij de heersende smaak in Nederland toentertijd. Zo bevat het instrument - met een
voor Nederland (toen) uniek classicistisch front - vele karakterstemmen zoals
Basson, Hautbois, Flute
traverse en zelfs twee Vox Humana’s. Alsmede kleurrijke vulstemmen waarbij vooral de Carillons (en de Cornet op 16’ basis) opvallen.
De aanwezigheid van
tertsenkoren in alle Mixturen en de Tertiaan 3 1/5' met een opvallende mensuur
(niet in Franse traditie) zijn eveneens voor dit instrument typerend.
Petrus Beyen schreef een brief aan den Heer Joachim
Hess(...). waarin hij onder andere informatie geeft over enkele frappante
registers en hoe deze te bespelen. Hier volgt integraal het slot van zijn brief:
"Aangaande de geluiden: men weet dat op een werk als dit
eenige duizende veranderingen kunnen gemaakt worden. -Het volle werk is zeer
doordringend, en ver van als binnens monds te mompelen. -De tongwerken zyn
extra fraai en hebben, zo als het pypwerk, eene vlugge aanspraak. -In het Hoofdmanuaal munt de
Gemshoorn uit. -In het Bovenmanuaal de Quintadeen. mits
zo. van het midden tot boven toe. Stakato gespeeld word. en onder schielyke
Roulades; als mode de Viola di Gamba; de Nassard; de Cornet; Vox Humana en
Carillon. -In het Rugpositief de Praestant groot en klein Bourdon. Fluit travers.
komende de Natuur zeer naby; het Carillon; vooral brengt dit een byzonder geluid
tot het gehoor a/s men er de Bourdon 16 v. by trekt. (Carillon-register o.a.
gebruikt in Martialement Tromba en Fanfares, WvT) De Carillons ofschoon ze voor vrolyke stukken zyn kan men echter by het
volle werk gebruiken ze zyn 3 sterk en hebben een zeer doordringend en helder geluid.
In de behandeling op zich zelve moet men omzichtig te werk gaan en altoos
Stakato spelen geen vinger mag den minsten tyd neer gehouden worden dan geeft
dit pypwerk een geluid van zich ais kleine Klokjes ook de beste Orgelkenner. welk vooraf niet
weet dat het Pypwerk is. zal niet anders denken (en wel zo het
in het bovenste Octaaf gespeeld word) als dat het van Metal gegoten Klokjes zyn.
-Myns wetens vind men. nergens in ons gansche land, deze soort van Pypwerken in
Orgels. als hier en te Thiel. (...)
In ‘t Pedaal de drie bovenste 16 voets Registers. Voorts kan men van iedere
Stem zeggen: ze voldoet
Zie daar een Orgel. dat in Nijmegen staat; tot sieraad van Land en Stad. tot
genoegen van Heeren Bestederen, tot vermaak der Inwoneren, tot nut der Gemeente.
tot verwondering van een leder. en tot Lof van zynen Maker".
Het authentieke klankbeeld is, dankzij een geslaagde restauratie door fa. Flentrop, Zaandam in de zeventiger jaren, bewaard gebleven
BIOGRAFIE COMPONISTEN
Carlmann Kolb
(1703-1765) was zoon van een schoolmeester te Kösslarn. Eerst
als koorknaap en later als leerling-priester woonde hij in het nabij gelegen
Benediktijnerklooster Aspach/Rottal. Na zijn priesterwijding in 1729 word hij
als organist van het klooster aangesteld. Later werkte Kolb als kapelaan en
tevens huisleraar van de graaf Max von Tattenbach. Hij stierf op 15 januari 1765
te München.
Johann Christoph Friedrich Bach (1732-1795). De oudste in leven gebleven zoon uit J.S. Bachs tweede huwelijk met Anna Magdalena Wülckens, kreeg later de bijnaam: Bückeburger Bach, omdat hij vanaf zijn achttiende jaar tot aan zijn dood aan dit hof was verbonden. Hij schijnt een virtuoos speler te zijn geweest, die veel waardering genoot. Zijn composities zijn ten dele bewaard gebleven hetgeen E. L. Gerber in diens Historisch-Biographisches Lexikon der Tonkünstler. (1790-1792). pag. 210-211, al moet hebben voorzien toen hij over hem schreef: "de voormiddag brachf hij gewoonlijk door met componeren. waarmee hij tot aan zijn laatste levensdagen doorging; hoewel dan zijn composities grotendeels voor altijd in zijn lessenaar verborgen bleven".
Johann Schneider (1702-1788). Na de muzikale beginselen te hebben geleerd van
de plaatselijke organist in zijn geboorteplaats Oberlauter, begon Johann
Schneider aan een gedegen en veelzijdige opleiding bij beroemde musici als: J.S.
Bach (compositie on orgel). J.G. Graun en Joh. Graf (viool). Toendertijd was het
gebruikelijk dat musici meer dan één instrument goed bespeelden en tevens
verdienstelijk componeerden. In Saalfeld werd hij op negentienjarige leeftijd
bonoemd als organist en concertmeester. Hierna werd in 1726 promotie gemaakt
naar de kapel van Weimar, waar hij aangenomen werd als violist.
Tenslotte solliciteerde Schneider naar de organistenpost van de Nicolaikerk
te Leipzig.
Hier bleef hij zijn verdero leven; niet alleen als organist, maar ook als
leider van de Grosse Concerto (de voorloper van de Gewandhauskonzerte)
In 1760 begeleidde hij koning Frederik II de Grote (1712-1786) bij diens fluitspel, toen
deze weer oorlog voerde en zijn winterkwartier in Leipzig had opgeslagen.
Trio in a is het eerste deel van een tweedelige triosonate. Deze langzame
inleiding eindigt op de dominant (het tweede deel is niet overgeleverd)
Johann Baptist Mossmayer (geb. ca 1765) word in 1781 als plaatsvervangend
organist aangesteld bij het hof te München.
In 1795 wordt hij bevorderd tot hoforganist en hij bleef dit tot 1824. Tot
1829 was hij als klavierleraar betrokken bij het Königliche
Erziehungsinstitut (het latere Wilhelmsgymnasium te München)
De Sonata per il organo wordt gespeeld uit een handschrift met de datum "Composto
den 26tenApril ano 18.30".
Johann Christoph Oley (1738?-1789) werd op dertienjarige leeftijd organist in
zijn geboorteplaats Bernburg. In 1763 verhuisde hij naar Ascherleben waar hij zijn
verdere leven doorbracht.
Zijn kracht en vaardigehid zou hij (volgens de biograaf Gerber) praktisch volledig
aan zijn eigen vlijt te danken hebben. Hij werd (eveneens volgens Gerber) "als
ein geschickter Mann, so wohl auf dem Clavier, als auf der Orgel in
Fugen und Phantasieren gerühmt"
Van Oley verschenen, verdeeld over vier Afleveringen. 77 koralen in druk,
respektievelijk in 1773, 1776, 1791 en 1792.
Georg Andreas Sorge (1703-1778) werkte vanaf 1721 tot aan zijn dood als Hof- und Stadtorganist in Lobenstein. "Seit dieser Zeit hat er sich mit mit ununterbrochene Fleisee die Aufklärung fast jeden teils der Musik und insbesondere der harmonie, angelegen seyn lassen, und ausser der vielen und mancerey Kompositionen, sehr viele Werke geschrieben." Gezien dit citaat van gerber is Sorge een belangrijk man geweest, naiet alleen als componsit maar okk als theoreticus
Johann Ernst Rembt (1749-1810) leerde het orgonistenvak bij Johann Peter
Kellner (1705-1772) die op zijn beurt in de leer was geweest bij de ‘vader
aller orgelspelers" Johann Sebastian Bach. In 1768 ondernam Rembt een concertreis naar
Frankrijk en Nederland waar hij naam maakte als Bachvrtolker.
Rembts trio’s waren diens eerste gedrukte composities. De trio’s verschenen in 1784; er waren 99
inschrijvers. Rembt heeft alleen voor orgel gecompneerd. Van 1772 tot aan zijn dood werkte Rembt als
cantororanist en leeraar in zijn geboortestad Suhl (Thüringen)
Johann Gottlob Schneider (1789-1864) was een telg uit een beroemd
organistengeslacht. Zijn vader, eveneens Johann Gottlob (1758-1840) geheten en
eveneens
organist. (hij had les genoten van de 80-jarige Bachleerling Trier) mocht zich
verheugen in het feit dat drie zoons bekende organisten zijn geworden. Joh. Christian
Friedrich (1786-1853), Johann Gottlieb (1797-1856) en Johann Gottlob junior.
Laatstgenoemde was organist van de Universitätskriche te Leipzig voordat hij in
1812 te Görlitz werd benoemd. Na 1825 werd hij organist van de Dresdner
Hofkirche. Hij was een boroemd virtuoos. Door een bekend criticus (Reichling)
word hij zelfs met Bach vergeleken. Dat zal geen betrekking hebben gehad op zijn
composities, waarin Johann Gottlob een kind van zijn tijd was.
Zijn Thema met variaties is zijn meest omvangrijke werk, waarin hij alle mogelijke
variatietechnieken hanteert.
| COLOFON | |
Opname |
Drost en Sein. Harderwijk (15 jan. 1980) |
Dig/tale remastering |
Hans van Laar. VLS Audio Recording |
|
Lay-Out |
Maarten von Laar. VLS Records |
|
Litho’s cover booklet |
ReproScan Meppel |
|
Teksten |
Willem van Twillert |
|
Fabricage |
DADC, Oostenrijk |
|
Fotos |
Ton Kastermans, Rombout Stegink |
Uitgave |
VLS Records BeilerVaart 61 9411 VC Beilen. Holland |