DE OVERGANG VAN BAROK NAAR ROMANTIEK

Omstreeks 1733, het jaar waarin Albertus Anthoni Hinsz de opdracht kreeg tot het maken van het op deze cd bespeelde orgel, had de ontwikkeling van de orgelbouw zowel als die van de orgelliteratuur een onbetwist hoogtepunt bereikt. Een hoogtepunt, maar tevens een afsluiting.
Arp Schnitger (1648-1719) had door zijn creatieve en inventieve ambachtsgeest welhaast volmaakte instrumenten gebouwd: een kroon op de ontwikkeling van
blokwerk tot barokorgel!
Johann Sebastian Bach (1685-1750) was onderwijl bezig om zijn ongeëvenaarde oeuvre, waarmee hij de periode der polyfone muziek zou afsluiten. Inmiddels richtte een volgende generatie zich naar een nieuwe stijl. De galante­vroegklassieke stijl.
Een tijdsspanne waarin de polyfonie naar de achtergrond verdween en de melodie de boventoon ging voeren.

Rond 1733 beroemden jonge organisten uit de Duitssprekende landen zich enerzijds op het feit dat zij leerling waren geweest van de grote J.S. Bach; anderzijds wezen ze Bachs manier van componeren af als zijnde ouderwets. Men bleef zich echter terdege bewust van de grootheid van Bach: "aber doch alle bekennen, es sey nur ein Bach in der Welt gewesen" schreef Jacob Adlung in 1758 in zijn "Anleitung zu der musicalischen Gelahrtheit" Aan deze boeiende wisseling in compositiestijl in de orgelliteratuur is deze productie grotendeels gewijd.

GOED-MAAR-ONGEDRUKT
Uit de na-Bachse tijd liggen nog composities in bibliotheken, die ten onrechte zijn vergeten. Zo bevat deze cd vier werken die nog nooit waren gedrukt of uitgegeven.
"Junghanss (J.A.) Organist zu Arnstadt im Fürstenthurne Schwarzburg, geb. ums J. 1745, ist durch mehrere gute, aber ungedruckte Klaviersachen als Komponist bekannt".(E.L. Gerber: "Neues historisch-biografisches Lexikon der Tonkünstler", 1812) Dit ‘goed-maar­ongedrukt’ geldt voor de in 1774 geschreven "Ein Dutzend Choral-vorspiele auf die Orgel mit 1 oder 2 Clavieren und Pedale. Verfertiget von Herrn Johann Adrian Junghanns Organisten an der Neuenkirche zu Arnstadt. Het vierde koraal uit dit dozijn, "Freu dich sehr o meine Seele", dat als Junghanns’ meest geslaagde en representatieve kompositie kan worden aangemerkt, is voor deze productie opgenomen.

Van Jacob Adlung, evenals E.W. Marpurg vooral bekend als theoreticus en orgelkenner, is zijn enig bekende voorspel "Herr Christ, der einig Gottes Sohn" opgenomen. Dat Adlung het bij dit ene voorspel gelaten heeft, heeft misschien ook te maken met het feit dat hij zich in zijn "Anleitung zu der musicalischen Gelehrtheit" een warm voorstander van toont om "alle Arten der Vorspiele aus dem Stegreife (improvisatie) an zu bringen".

In 1717 hoorde Heinrich Nicolaus Gerber Johann Friedrich Bach (±1730) in een zeer cantabele stijl orgelspelen - vooral wanneer hij veel gedronken had. Later verzekerde hij zijn zoon, de bij Junghanns reeds geciteerde E.L Gerber (1746-1819)  "...dass er seine Manier auf der Orgel, einzig und allein diesem Bach zu danken habe". En inderdaad is de melodieuze stijl van componeren zoals in het Concerto G-dur voor H.N. Gerber typerend.

In de trio's van Georg Andreas Sorge en Johann Ernst Rembt wordt daarentegen een prachtig evenwicht bereikt tussen melodie en polyfonie.

DE BAROK
in de Barok wordt de imitatievorm, zoals ondermeer toegepast door Matthias Weckmann in "Ach wir armen Sunder", een geliefde vorm voor koraalbewerkingen. De intrede van de, al dan niet versierde koraalmelodie (Cantus firmus), wordt in de imitatievorm voorafgegaan door een aantal elkaar snel opvolgende inzetten imitaties in de begeleidende stemmen.

NA DE BAROK
De “geleerde” imitatievorm uit de Barok wordt nu verdrongen door een eenvoudiger versie. De inleiding wordt op het karakter van het lied gebaseerd. Tijdens de Cantus firmus keren meestal motieven uit deze inleiding terug als een begeleidingsfiguur, zoals bij Friedrich Wilhelm Marpurg’s "Jesu meine Freude".
Nog meer op zichzelf staat de inleiding bij de voorspelen "Herr Jesu Christ, dich zu uns wend" en "Jesus meine Zuversicht" van Johann Christoph Kellner. 
Over de composities van Johann Schneider hebben zijn tijdgenoten gunstig geschreven.
Zo vermeldt Lorenz Mizler in zijn "Neu eröffnete Musikalische Bibliothek" (1752) dat zijn voorspelen van zulk een goede smaak getuigen, "dass man in diesem Stöcke ausser Hernn Bachen, dessen Schüler er gewesen, in Leipzig nichts besser hören kan". Een fraai voorbeeld daarvan is "Vater unser im Himmelreich". Ook in zijn fuga’s, die Schneider volgens E.L. Gerber "mit Kraft und Leben" voordroeg, toont hij zich een gedegen organist. In zijn preludia mengt Schneider galante uitdrukking met gepaste virtuositeit.

OVER VOORDRACHT EN REGISTRATIE IN DE TWEEDE HELFT VAN DE 18E EEUW
De composities uit de na-Bachse tijd werden in het algemeen onder invloed van de “Empfindsamkeit” - een element uit het Rococo, waarbij vooral de natuur en het natuurlijk gevoel worden verheerlijkt - eenvoudiger van opzet. De melodie, "die Seele der Musik", functioneel laten klinken, dat wordt het doel! Op het gebied van de voordracht en de registratie wordt naar een groot raffinement gestreefd. Over de voordracht schrijft Johann Christian L. Kittel in 1808:
"Was nun der Vortrag. - .anbelangt. . Der richtige Akzent, der Ausdruck, des wohlangebrachte Zögern oder Eilen (vertragen of versnellen) - .das ein Periode vor dem andern erfordert ... müssen erworben werden ... durch Kunstkenntnis". Dit citaat is afkomstig uit "Der angehende praktische Organist". Een methode "ganz nach Bachischen Grundsätzen geformt", die Kittel - verdeeld over drie afleveringen, respectievelijk in 1801, 1803 en 1808 - het licht deed zien. 
Een prent van Kittel, die de titelpagina siert van de aflevering uit 1803, ziet u hierbij afgebeeld. Kittel mag beschouwd worden als de “organistenmaker” van de tweede helft van de 18e eeuw. Geboren te Erfurt in 1732, volgde hij daar in 1762 zijn plaatsgenoot Jacob Adlung op als organist van de Predikerkerk.
Vanuit geheel Duitsland kwamen daarna organisten naar Erfurt om les bij hem te nemen. Zijn bekendste leerling is Christian Heinrich Rinck geworden (1770-1864). De beide op de cd voorkomende preludia maken deel uit van de 16 Grosse Präludien die Kittel in zijn stervensjaar nauwkeurig voor druk heeft gereed gemaakt.
Het predikaat “technisch simpel” geldt zeker niet voor deze beide preludia! Evenals het Praeludium und Allabreve van Johann Schneider munten deze composities juist uit door de virtuoze schrijfwijze, die vooral aan de pedaaltechniek hoge eisen stelt.
Met deze pedaaltechniek baart Adolph Hesse in de eerste helft van de 19e eeuw groot opzien, vooral in Frankrijk. En terecht, getuige zijn thans opgenomen "Einleitung, Thema und Variationen, A-dur, Opus 47", waar Hesse vooral in Variaties 3 en 5 aan het pedaal prachtige passages toebedeelt.

 

DE REGISTRATIE
Van wezenlijk belang voor de uitvoering van MUSICQ VOOR HET ORGEL uit de tweede helft van de 18e eeuw is een kleurrijke registratie. Zo schrijft Jacob Adlung in het hoofdstuk over koraalspel: "Die Register sinds fleissig zu verändern. . . Ich tue hinzu, dass die Wahl der Register der Execution sehr beförderlich sey".
Hoever men tenslotte gaat in het verstandig gebruik van de registers zien we in het "Berigt voor de Candidaten" (Maassluis 1798) van Joachim Hess (1732-1819): "...speelt elk nog in de overige Tijd wat hij verkiest, dog niemand mag gecomponeerde stukken speelen. .. het moetten altemaal zuivere eigene Gedagten zijn. Hier uit zal men hooren wie het kundigste in het Registreeren is, daar nu meer opgelet zal worden als bij de uitwerking van de Thema ‘s".

HET ORGEL IN DE PETRUSKERK TE LEENS
Vormde J.S. Bach de volgende generatie organisten, Arp Schnitger vormde de nieuwe generatie orgelmakers. Allereerst zijn zoon Frans Caspar (1692-1729) maar ook allen die als knecht bij hem hebben gewerkt, zoals Otto Dietrich Reichborn. Vrijwel zeker verwierf Albertus Anthoni  Hinsz bij deze Reichborn de vakkennis en ervaring, waardoor hij zich later kon ontplooien tot een van de belangrijkste orgelbouwers van zijn tijd.
De invloed van de Schnitgerschool is duidelijk waarneembaar in het tweede instrument dat Hinsz als zelfstandig orgelmaker in 1734 in de Petruskerk te Leens opleverde.
Waarneembaar vooral in de heldere plenumklank en in de disponering van de Quintadeen 16’ op het hoofdwerk. In de plaats hiervan komt na 1740 steeds een Bourdon 16’.
Na 1740 boog Hinsz zich meer en meer naar de ‘Hollandse’ smaak gericht op de gemeentezang,
waardoor een register als de cornet en tertsenkoren in de mixtuur in zijn instrumenten bestaansrecht verwierven. Ook disponeerde Hinsz na de verbouwing van het orgel in de Bovenkerk te Kampen (1742/43) naast de Vox Humana in het vervolg meestal een Baarpijp 8’ in plaats van de Roerfluit 8’. 
Fijntjes was Hinsz in het keuringsrapport over dit Kamper orgel, door Hendr. Radeker - sinds 1734 organist van de Bavo in Haarlem op deze typisch-Hoilandse traditie geattendeerd: "...de Roerfluit 8 voet is seer noodig bij de Voxhumana omdat door geen Baarpijp gevonden werd en hierdoor het werk veel verbeetert is". Hinsz had deze Roerfluit 8 voet boven bet bestek gemaakt.

ALBERTUS ANTHONI HINSZ
Wat is er eigenlijk verder bekend van één van die "verstandige eerlyke, ervaaren Orgelmaakers, onder welker klein getal ook, buiten eenige tegenspraak, mijn zeer geachte vriend en Landsman A.A. Hinsz, zedert 27 jaaren hier te Groningen woonachtig, behoort".
Albertus Anthoni Hinsz groeide op in Hamburg, waar hij in 1704 was geboren. In 1728 vertrok hij voorgoed naar Groningen. Vermoedelijk was hij op verzoek van zijn stadgenoot Lustig (van wie het bovenvermelde citaat afkomstig is) naar Groningen gekomen om Schnitger te assisteren bil de ingrijpende restauratie van het orgel in de Martinikerk. Lustig was daar hetzelfde jaar benoemd als organist. Wanneer Frans Caspar Schnitger in mei 1729 sterft, zet Hinsz diens orgelbedrijf voort.
Op 28 november 1732 huwt Hinsz de weduwe van Schnitger. Uit dit huwelijk worden drie dochters geboren. Hoever de roem van Hinsz tenslotte reikt, blijkt uit het feit dat hij op hoge leeftijd .74 jaar -wordt gevraagd een nieuw orgel in de St. Janskerk te ‘s Hertogenbosch te bouwen. "Weegens mijne hooge jaaren, de krachten verzwakt", zo schreef Hinsz, zag hij van de opdracht af. In 1783 vermaakte Hinsz aan zijn stiefzoon, Frans Casper Schnitger Jr.( 1729-1799), zijn orgelmakersgereedschap. Na zijn dood zette Frans Casper samen met Hinsz’ voornaamste leerling Heinrich Hermann Freytag (1759.1811), het bedrijf voort

VAN HET ORGEL IN DE PETRUSKERK TE LEENS
1622 - Bouw van het eerste orgel

1733 - Opdracht tot de bouw van het nieuwe orgel; aanbesteed door Anna Hobino Lewe, douairière Van Starkenborgh, Vrouwe van Verhildersum en Leens. In het bestek werden onder andere 7 pedaal­stemmen genoemd. Bij de oplevering in 1734 blijkt Hinsz een pedaalstem extra te hebben gebouwd; de betaling daarvan overlatend "aan de discretie van Mevrouw de Uitbesteedersche".

1795 - Ter gelegenheid van de Staatsomwenteling werden de 24 wapenschilden afgehakt.

1843/44 - Grote restauratie door G.P. Dik. De wapenschilden worden weer aangebracht. Naast het herstel en onderhoud zijn de belangrijkste werkzaamheden het verwisselen van klavieren, het aanbrengen van een tweede windkanaal naar het hoofdwerk en van een gelijkzwevende stemming. Verder wordt de Scherp in het rugwerk vervangen door een ‘Fluit doeze 2” van oud pijpwerk. Van het pijpwerk van de Scherp werd (ook) gebruik gemaakt voor de vulstemmen op het hoofdwerk en het pedaal.

1867 - De Quintadeen 16’ wordt door P. van Oeckelen gewijzigd in een Bourdon 16’ door inkorten en opschuiven van het pijpwerk. De laagste vijf tonen werden van hout bijgemaakt.

Na 1867 - Nasard 3’ van rugwerk naar hoofdwerk in plaats van Quint 3’. Quint 3’ van hoofdwerk naar rugwerk als Woudfluit 2’. Octaaf 2’ van rugwerk wordt opgeschoven tot Prestant 8’ diskant. Aanbrengen van een pedaalkoppeling voor het hoofdwerk, 17 tonen: C-c.

1922/23- Restauratie door J. Doornbos. Daarbij het vernieuwen van de frontpijpen (75% tin (in de oude mensuur). Verder vervanging van de 5 spaanbalgen door een magazijnbalg met motor. De Quint 1 1/3’ wordt vervangen door een Viola di Gamba 8’, het groot octaaf gecombineerd met de Fluit does 8’. Het pijpwerk wordt gemaakt uit het metaal van de twee grootste pijpen van de Bazuin 16’. De Dulciaan 8’ wordt vervangen door Clarinet 8’, door het inkorten van de bekers en het aanbrengen van doorslaande tongen. De twee tremulanten werden vervangen door een pneumatische.

1948/52- Het orgel wordt ingepakt in verband met de restauratie van de kerk.

1968 - Ingebruikname van het door de Gebr. Van Vulpen Utrecht gerestaureerde orgel. Bij de restauratie is de oorspronkelijke dispositie hersteld, met handhaving van de bestaande windvoorziening, de gelijkzwevende temperatuur en de pneumatische tremulant.

1981 - Stabiliseren van de windvoorziening en aanbrengen van een pedaalkoppeling met het hoofdwerk.

Dispositie:

Hoofdwerk   Rugwerk   Pedaal  
Prestant 8' Prestant 4' Prestant 8'
Quintadeen 16' Fluit does 8' Bourdon 16'
Roerfluit 8' Holpijp 8' Roerquint 6'
Speelfluit 8' Nasard 3' Octaaf 4'
octaaf 4' Octaaf 2' Mixtuur IV-VI
Quint 3' Quint 1 1/3' Bazuin 16'
Octaaf 2' Sexquialter II Trompet 8'
Mixtuur IV-VI Scherp IV Cornet 4'
Trompet 8' Dulciaan 8'    
Vox Humana 8'        

Schuifkoppel
Koppel Hoofdwerk-Pedaal
Opliggende tremulant gehele orgel
Drie afsluiters
Magazijnbalg
Winddruk: 68mm
Toonhoogte gis': 435 Hz
Gelijkzwevende stemming

Colofon:
Recording:                                      Drost en Sein 1982
Analog editing:                                Peter Drost
Digital remastering and restauration:   VLS Audio Recording, Hans van Laar
Mastering:                                      Auksema, Drachten
Layout/litho's:                                 Drukkerij Kerkhove Beilen
Lithos's cover booklet:                      Reproscan, Meppel
Manufacturing:                                Dynamic Laserdisc, Hilversum
Production:                                     VLS Records, Beilen